Rb, deelgeschil: toedracht ongeval tussen (zit)grasmaaier en auto niet bewezen met rapport ongevallenanalist; kantoorkosten advocaat afgewezen

Samenvatting:

Bestuurder (zit)grasmaaier is stuk de weg op gereden en wordt aangereden door naderende auto. Hij stelt de bestuurder van de grasmaaier aansprakelijk. 1. De rechtbank oordeelt dat het rapport van de ongevallenanalist onvoldoende bewijs vormt van de stelling van verzoeker dat het ongeval is veroorzaakt door nalatig van de bestuurder. Uit het rapport blijkt -onder meer- niet hoe hij tot zijn conclusie dat verzoeker al enkele seconden stil stond is gekomen. De toedracht staat derhalve niet vast. Voor nadere bewijslevering is de deelgeschilprocedure niet geschikt. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil: € 6.966,20. Hoewel het uurtarief aan de bovengrens ligt van het landelijk gemiddelde van € 225,- tot € 240,- , ziet de rechtbank geen grond om dit uurtarief te matigen. Wel geeft dit tarief de rechtbank aanleiding om de verzochte kantoorkosten van 6% af te wijzen, omdat deze kosten verdisconteerd mogen worden geacht in genoemd uurtarief.

ECLI:NL:RBNNE:2018:2860

 

Instantie

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak

16-07-2018

Datum publicatie

20-07-2018

Zaaknummer

C/18/182784 / HA RK 18-37

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil – aanrijding tussen (zit)grasmaaier en personenauto – toedracht ongeval onvoldoende onduidelijk – matiging kosten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

 

Afdeling privaatrecht

 

Locatie Groningen

 

zaaknummer / rekestnummer: C/18/182784 / HA RK 18-37

 

Beschikking van 16 juli 2018

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. G.F.C. van den Berg te Almere,

 

tegen

 

  1. naamloze vennootschap

 

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816,

 

gevestigd te Oudkarspel,

 

  1. [A],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verweersters,

 

advocaat mr. J.R. Meelker te Amersfoort,

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift,

 

het verweerschrift,

 

het schrijven van deze rechtbank van 14 juni 2018 waarin partijen de mogelijkheid wordt voorgehouden de mondelinge behandeling in deze procedure aan te houden tot na afronding van het voorlopig getuigenverhoor,

 

de afwijzende reactie van [verzoeker] van 18 juni 2018,

 

de reactie van NH 1816 c.s. van 18 juni 2018,

 

de mondelinge behandeling van 25 juni 2018.

 

2 De feiten

2.1.

 

Op 21 juni 2014 (rond 15.00 uur) reed [A] met haar personenauto van het merk Ford (type Focus) over de Leidijksweg te [plaatsnaam] . De Leidijksweg is een circa 4 meter brede weg die is gelegen in het buitengebied. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 km per uur. [verzoeker] maaide op dat moment een strook voor zijn woning gelegen gras met een (zit)grasmaaimachine van het merk John Deere (type MCS X495C). Op enig moment heeft [verzoeker] met de grasmaaier een manoeuvre gemaakt waarbij hij geheel of ten dele over de Leidijksweg heeft gereden. Ter hoogte van huisnummer [nummer] zijn beide voertuigen met elkaar in botsing gekomen waarbij de rechter voorzijde van de personenauto en de linker achterzijde van de grasmaaier beschadigd zijn geraakt.

2.2.

 

Vanwege het ongeval heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen. In verband daarmee is hij overgebracht naar het UMC te Groningen.

2.3.

 

In het mutatierapport van 24 juni 2014 hebben verbalisanten van politie

 

[naam] , [naam] en [naam] het volgende geschreven (voor zover hier van belang):

 

Aanrijding letsel op de Leidijksweg thv [nummer] . TP met OGS.

 

TP bleek een grasmachine, welke aan het maaien was zomaar de weg opgedraaid en daarbij een auto over het hoofd had gezien. Gevolg een forse aanrijding, waarbij de bestuurder van de grasmachine is afgevallen en daarbij hard met zijn hoofd op het wegdek is terecht gekomen. (…)

2.4.

 

Op 27 juni 2014 hebben verbalisanten [naam] en [naam] van de politie eenheid Noord-Nederland naar aanleiding van het ongeval een mutatierapport opgesteld waarin het volgende is geschreven:

 

Ovvhb ter plaatse gegaan.

 

Aldaar sporen en eindpositie gemarkeerd. Voertuigen onderzocht, geen technische bijzonderheden. Zaak fotografisch vastgelegd. Oorzaak dient te worden gezocht in rijfout van de bestuurder van zitmaaier. Hij reed de rijbaan op en kwam daar in aanrijding met personenauto.

2.5.

 

In een schriftelijke verklaring van 11 november 2014 heeft [B] , de echtgenote van [verzoeker] , het volgende geschreven:

 

Op zaterdag 21 juni 2014 bracht ik de containers achter het nieuwe pand Leidijksweg [nummer] , toen ik terugkwam lopen zag ik dat mijn man aan het grasmaaien was bij de boom voor onze woning, ook zag ik een zwarte auto aankomen. Ze reden beide in dezelfde richting. Plots kwam er een enorme knal. Omdat ik aan de overkant van de weg was naast de showroom en omdat ook er nog een aantal auto’s voor geparkeerd stonden kon ik niet goed waarnemen wat er exact gebeurde. De zitmaaier en auto kwamen een heel end verder tot stilstand, dit moet wel met een hoge snelheid zijn gebeurd. Mijn man lag zwaargewond tussen de auto en de grasmachine op de weg.

2.6.

 

In een ongedateerde schriftelijke verklaring heeft [C] (omwonende) het volgende geschreven:

 

Wij waren aan het straatleggen voor het huis. Aan onze inrit. Wij hadden een auto net met de banden op de weg staan, zodat de auto’s die langs reden wat rustiger gingen rijden. Er komt een auto langs rijden die ongeveer na onze idee te hard reed. Ik kijk erna en draai mij weer om naar huis. Dan hoor ik ineens een korte rem en een knal en dan zie ik de auto in het rond draaien en de grasmachine in het rond draaien. Ik zie [verzoeker] er af vliegen en valt op de grond. Ben er direct naar toegerend.

2.7.

 

In zijn schriftelijke verklaring van september 2015 heeft [verzoeker] geschreven (voor zover hier van belang):

 

(…) De maximum snelheid waarmee gereden kan worden bedraagt ongeveer 10 km/u. Ik zal naar schatting met de helft hebben gereden (ca. 5 km/u). Ik heb echt geen enkel idee hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren. Daar heb ik geen herinnering van. Ik weet dus ook niet of ik vooraf de auto heb zien rijden die hierbij betrokken raakte. (…)

2.8.

 

Op verzoek van [verzoeker] heeft ing. N.L. Bosscha, beëdigd verkeersongevallendeskundige, onderzoek verricht naar het incident. In zijn rapport van 18 maart 2016 heeft Bosscha (voor zover hier van belang) de volgende analyse gemaakt:

 

In overleg met de opdrachtgever is de analyse beperkt van opzet gebleven. In dat kader was het van

 

belang om te weten op welke wijze de botsing had plaats gevonden (botspositie en botsplaats), met

 

welke snelheden er gereden werd en of de aanrijding eventueel voorkomen had kunnen worden door de bestuurder van de auto.

 

Uit de informatie van de Politie was gebleken dat de onderzoekers van mening waren dat de

 

rechter voorpunt van de Ford botscontact heeft gehad met het front van de grasmaaier

 

(contragewichten). Nader onderzoek laat echter vaststellen dat dit niet het geval is. Voor de botspositie en de plaats op de rijbaan waar de botsing heeft plaatsgevonden is te verwijzen naar het hieronder ingevoegde figuur. (…)

 

Ten aanzien van de botssnelheden kan er worden uitgegaan van de uitkomsten van de PC Crash

 

simulatie. Uit de verklaring van mw. [C] komt naar voren dat de bestuurder van de Ford nog vóór het botsmoment een “korte rem” heeft uitgevoerd. Gedurende welk tijdsbestek die remmanoeuvre zich heeft uitgestrekt of over welke afstand deze heeft plaatsgevonden kan niet worden vastgesteld (geen remsporen etc.). Ten aanzien van de naderingssnelheid kan er derhalve voor de Ford worden uitgegaan van minimaal ca. 62 á 67 km/u.

 

In het kader van de vermijdbaarheid kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt:

 

De auto die voor de inrit van het huis naar mw. [C] heeft gestaan stond daar op ca. 100 meter vóór de botsplaats. Met de bepaalde naderingssnelheid voor de Ford van minimaal ca. 62 á 67 km/u zal die afstand worden afgelegd in meer dan ca. 5,4 á 5,8 seconden.

 

Uit de botsplaats/positie komt naar voren dat de grasmaaier over een afstand van ca. 3 á 4 meter de

 

rijbaan van de Leidijksweg was opgereden toen de aanrijding plaatsvond (tegen de linker achterhoek van de maaier).

 

Wanneer voor de snelheid van de maaier uitgegaan wordt van een waarde van ca. 5 á 6 km/u (5 km/u

 

was de schatting van [verzoeker] en die 6 km/u was een goed passende binnen de simulatie) zal de

 

grasmaaier gedurende ca. 1,8 á 2,9 seconden als gevaarzettend op de rijbaan te zien zijn geweest.

 

In de gevaarzettende tijd van de grasmaaier zal de auto een afstand hebben afgelegd van minimaal ca.31 á 54 meter.

 

Als we die ca. 31 á 54 meter (of meer) vergelijken met de 100 meter waarop de geparkeerde auto stond, kan de conclusie getrokken worden dat de geparkeerde auto naar alle waarschijnlijkheid geen

 

zicht belemmerende werking heeft gehad voor de bestuurder van de Ford (misschien wel een

 

waarschuwende zoals de bedoeling was van mw. [C] ).

 

Indien de bestuurder van de Ford op ca. 31 á 54 meter vóór de botsplaats gereden had met 50 km/u (ca. 14 m/s) zou er na het reageren (in ongeveer 1 sec.) nog een afstand zijn overgebleven van ca. 17 á 40 meter om te remmen.

 

Vertragend met maximaal ca. 2,5 á 5,5 m/s2 moet het mogelijk zijn geweest om tot stilstand te komen.

 

Oftewel: Er is aannemelijk te maken dat de bestuurder van de Ford in staat is geweest om deze

 

aanrijding vanuit 50 km/u te voorkomen. Remmen met 2,5 m/s2 betekent rustig, gemiddeld remmen en 5,5 m/s2 kan getypeerd worden als een stevige, krachtige remming (maar nog geen maximale c.q.

 

noodremming, die levert op een droog wegdek ca. 8 á 9 m/s2 op).

 

Tot zover mijn (enigszins beperkte) analyse van het ongeval.

 

Bosscha heeft in zijn rapport gerefereerd aan een door G.A. van Laere uitgevoerde crash simulatie. In het rapport dat naar aanleiding van de crashsimulatie is opgemaakt staat (voor zover hier van belang) het volgende geschreven:

 

(…) Voertuig: John Deere (…) Massa ingeschat op 843 kg. + 1 persoon 90 kg (…) Voertuig: Ford Focus (…) Massa rijklaar 1249 kg + 2 personen (150 kg ingeschat) (…)

 

Vanwege de complexe uitvoering van de grasmaaier, die in de database van het simulatie programma helaas niet aanwezig is, maakt dat een voertuig samengesteld moet worden om enigszins aan het bijzondere van de grasmaaier te kunnen voldoen. (…) Omdat er geen weeggegevens van het voertuig in de complete toestand beschikbaar zijn, moeten ruime bereiken van de parameters worden gebruikt. De van internet gehaalde John Deere gegevens werden als basis gebruikt. De grascontainer werd als kofferlading beschouwd en ingegeven. (…)

 

De uitloopbeweging van beide voertuigen zijn in dit geval onder invloed van vele varianten, die niet precies te definiëren zijn, maar wel in redelijke mate te benaderen. (…)

 

De bepaalde snelheden kunnen echter wel wat nauwkeuriger worden geacht omdat die voornamelijk van het conflict tussen de massa’s afhankelijk zijn bepaald. (…)

 

Uit geen enkele simulatie is de botssnelheid van de Ford Focus onder 60 km/h gevolgd. Steeds lag deze boven 60 km/h. De eindsimulatie gaf circa 62 km/h bots-snelheid te zien. Om deze redenen moet worden rekening gehouden met een botssnelheid van de Ford van minimaal 60 km/h.

2.9.

 

Bij brief van 23 maart 2016 heeft [verzoeker] NH 1816 aansprakelijk gesteld voor de vanwege het ongeval geleden en te lijden schade.

2.10.

 

Bij beschikking van 14 juni 2018 heeft deze rechtbank het verzoek van NH 1816 tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingewilligd.

3 Het verzoek

3.1.

 

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te bepalen beschikking:

 

  1. voor recht te verklaren dat het ongeval op 21 juni 2014 is veroorzaakt door [A] ;

 

  1. voor recht te verklaren dat [verzoeker] geen schuld of medeschuld heeft aan het ongeval;

 

III. voor recht te verklaren dat NH 1816 aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [verzoeker] ten gevolge van het ongeval van 21 juni 2014 heeft geleden en nog zal lijden, alsmede dat NH 1816 gehouden is de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade aan hem te voldoen;

 

  1. de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 7.061,95 en NH 1816 te veroordelen tot betaling hiervan;

 

  1. NH 1816 te veroordelen de overige proceskosten, bestaande uit het verschuldigd geworden griffierecht, aan [verzoeker] te voldoen.

4 Het standpunt van [verzoeker]

4.1.

 

is van oordeel dat het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure nu de beoordeling omtrent de aansprakelijkheid zou kunnen bijdragen aan een oplossing in het minnelijke traject.

4.2.

 

Door de snelheid van haar auto niet terug te brengen naar een veilig niveau, onvoldoende afstand te houden, haar personenauto niet tijdig tot stilstand te brengen en tegen de linker achterzijde van de grasmaaier waarop [verzoeker] zich bevond aan te rijden, heeft [A] in strijd met artikel 19 RVV en/of artikel 6 WVW gehandeld.

4.3.

 

Uit het rapport van Bosscha volgt dat de grasmaaier zich 1,8 tot 2,9 seconden op de rijbaan heeft bevonden voordat de aanrijding met de personenauto van [A] plaatsvond. Uit het rapport volgt dat [A] voldoende tijd resteerde om adequaat op de aanwezigheid van de grasmaaier te reageren. Zij heeft onvoldoende oplettendheid betracht. Het handelen van [A] is in strijd met een wettelijk voorschrift en valt haar, gezien de op gemotoriseerde weggebruikers rustende zorgplicht toe te rekenen. Het handelen van [A] is derhalve onrechtmatig.

4.4.

 

Uit het rapport van Bosscha (inclusief de analyse van Van Laere) volgt dat [verzoeker] tenminste 62-67 km per uur moet hebben gereden. De verklaring van [C] vormt een bevestiging van de stelling dat [A] een te hoge snelheid heeft aangehouden. Indien [A] haar snelheid had teruggebracht en de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur in acht had genomen was zij – zo volgt voorts uit genoemd rapport – in staat geweest haar voertuig tijdig tot stilstand te brengen, althans adequaat te anticiperen op de aanwezigheid van de grasmaaier.

4.5.

 

Als gevolg van het ongeval heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen en is hij niet langer in staat werkzaamheden als ondernemer uit te voeren op het niveau van voor het ongeval. De beperkingen die [verzoeker] vanwege het ongeval ondervindt zijn door een arbeidsdeskundige in kaart gebracht. [verzoeker] verwijst naar het in geding gebrachte rapport.

 

Als (WAM)verzekeraar is NH 1816 aansprakelijk voor het onrechtmatig handelen door [A] jegens [verzoeker] .

4.6.

 

Vanwege het ongeval heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen. Van het ongeval treft hem geen enkel verwijt. Onder die omstandigheden zou het maatschappelijk onaanvaardbaar en in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn als de schade onvergoed zou blijven.

4.7.

 

[verzoeker] verzoekt de rechtbank de kosten van de behandeling van het onderhavige verzoek te begroten, zulks ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv en NH 1816 te veroordelen tot betaling daarvan. Daarbij dienen alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te worden genomen. De tijdsbesteding van de raadsman bedraagt 23 uur, waarbij een uurtarief van € 240,00, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW is gehanteerd. De buitengerechtelijke kosten bedragen derhalve € 7.061,95.

5 Het standpunt van NH 1816 c.s.

5.1.

 

NH 1816 c.s. heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval afgewezen en tussen partijen zijn geen onderhandelingen gevoerd. Naast de thans voorliggende aansprakelijkheid zijn partijen verdeeld over de omvang van de schade. De onderhavige zaak leent zich daarom niet voor behandeling in een deelgeschillenprocedure. Het verzoek dient te worden afgewezen.

5.2.

 

Het ongeval is veroorzaakt door [verzoeker] . Hij heeft tijdens het grasmaaien een manoeuvre gemaakt waarbij hij vanaf de strook gras voor zijn woning de rijbaan is opgereden. Klaarblijkelijk heeft hij de naderende auto, bestuurd door [A] , niet gezien en gehoord. Dat het ongeval door een plotselinge manoeuvre van [verzoeker] is veroorzaakt volgt uit de inhoud van het overgelegde mutatierapport dat door de betrokken verbalisanten van politie is opgemaakt. [verzoeker] heeft in strijd gehandeld met artikel 54 RVV 1990. Van het ongeval treft [A] – de verzekerde van NH 1816 – geen verwijt.

5.3.

 

NH 1816 c.s. betwist dat [A] harder heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan. De weinig stellige verklaring van [C] ‘er komt een auto langs rijden die ongeveer na onze idee te hard reed’ vormt onvoldoende bewijs van die stelling van [verzoeker] . Het rapport van Bosscha en de daarin opgenomen botssimulatie van Van Laere bieden evenmin steun voor dit standpunt. Het rapport – zo volgt daaruit – betreft slechts een beperkte analyse. Aan de bevindingen van Bosscha zijn onjuiste of ongewisse veronderstellingen ten grondslag gelegd. De snelheid van de grasmaaier is gebaseerd op een ongefundeerde schatting.

5.4.

 

Het rapport van Bosscha is als bewijsmiddel ongeschikt omdat onduidelijk gebleven is op basis van welke door Bosscha aan Van Laere verstrekte informatie de botsanalyse is uitgevoerd. Van Laere heeft verschillende aanpassingen moeten maken omdat de grasmaaier niet in de database van het programma is opgenomen. Onduidelijk blijft welke modificaties zijn uitgevoerd. Bosscha heeft het gewicht van de grasmaaier te hoog geschat. Het rapport is op gebrekkige wijze tot stand gekomen omdat Bosscha slechts contact heeft gehad met [verzoeker] en niet alle beschikbare getuigen heeft gehoord en voorts omdat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden nu NH 1816 c.s. in het geheel niet bij de totstandkoming van het rapport betrokken is geweest.

5.5.

 

Partijen verschillen van inzicht over de toedracht van het ongeval. Daarvoor is nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk. De beschikbare getuigenverklaringen vergen uitdieping en zijn niet eensluidend. NH 1816 heeft hierop geanticipeerd door een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in te dienen. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 is dit verzoek toegewezen. De uitkomst ervan is van belang voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Nader onderzoek vergt tijd en is kostbaar. De zaak leent zich ook daarom niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. NH1816 c.s. concluderen tot afwijzing van het verzoek.

5.6.

 

Het aan de kostenbegroting ten grondslag liggende uurtarief van de advocaat van [verzoeker] (€ 240,00 met kantoorkostenopslag en BTW) acht NH 1816 c.s. onredelijk. Een bedrag van € 210,00 is redelijk en marktconform. Voor een begroting van de kantoorkostenopslag is geen plaats omdat deze kosten niet daadwerkelijk samenhangen met het uurtarief.

 

  1. De beoordeling

 

Deelgeschil

6.1.

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv is een deelgeschil een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Artikel 1019z Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

6.2.

 

Beoordeeld dient te worden of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat partijen nimmer met (noemenswaardige) onderhandelingen zijn gestart, zoals door NH 1816 c.s. is aangevoerd, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure.

 

Juist het feit dat partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kan immers kostbaar zijn. De aangesproken partij zal daartoe in veel gevallen niet bereid zijn indien zij aansprakelijkheid betwist, terwijl het ook voor het slachtoffer niet voor de hand ligt die kosten te maken indien de aansprakelijkheid wordt betwist. Om die impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen juist door verschil van inzicht over de aansprakelijkheid, reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker niet in zijn verzoek wordt ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk beoogde mogelijkheid ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de orde te stellen, illusoir worden.

 

Aansprakelijkheid

6.3.

 

[verzoeker] stelt dat NH 1816 aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad omdat [A] het bepaalde in de artikelen 19 RVV 1990 en 6 WVV 1994 niet in acht heeft genomen. Hij stelt daartoe dat [A] onoplettend heeft gehandeld door tegen de door hem bestuurde grasmaaier aan te rijden waar voldoende gelegenheid bestond om haar voertuig tijdig tot stilstand te brengen, terwijl [A] sneller dan de maximum toegestane snelheid heeft gereden. NH 1816 c.s. heeft die stellingen gemotiveerd betwist zodat de bewijslast van de feiten waaruit de aansprakelijkheid volgt op [verzoeker] rust.

6.4.

 

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In artikel 6 WVW 1994 is bepaald dat het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden is zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

6.5.

 

Voor aansprakelijkheid van NH 1816 c.s. dient derhalve vast komen te staan dat het ongeval te wijten is aan (verwijtbaar) handelen of nalaten van [A] . Dat volgt niet uit de enkele omstandigheid dat [A] tegen de door [verzoeker] bestuurde grasmaaier is gebotst. Daarvan zou wel sprake kunnen zijn indien de grasmaaier al enige tijd op de rijbaan reed toen [A] de plaats van het ongeval naderde. Onder verwijzing naar het rapport van Bosscha stelt [verzoeker] dat dit het geval was.

6.6.

 

Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit rapport onvoldoende bewijs van de stelling dat het ongeval is veroorzaakt door nalatig handelen van [A] . In zijn rapport gaat Bosscha uit van het feit dat de grasmaaier voor het ongeval gedurende circa 1,8 á 2,9 seconden als gevaar zettend voor [A] op de rijbaan te zien moet zijn geweest. Uit het rapport volgt dat hiertoe een berekening is gemaakt die tot stand is gekomen aan de hand van een door [verzoeker] gemaakte schatting van de snelheid van zijn grasmaaier. Naar het oordeel van de rechtbank overtuigt het rapport op dit punt niet omdat [verzoeker] ook heeft verklaard dat hij zich van het ongeval niets meer kon herinneren. Op welke wijze de deskundige vervolgens heeft berekend dat de grasmaaier circa 1,8 á 2,9 seconden als gevaar zettend op de rijbaan te zien moet zijn geweest volgt niet uit het rapport.

6.7.

 

De rechtbank onderschrijft de overige kanttekeningen die NH 1816 c.s. bij het rapport (en de aangehechte analyse van Van Laere) heeft geplaatst. Bosscha heeft in zijn rapport beschreven dat hij een enigszins beperkte analyse van het ongeval heeft gemaakt. Niet duidelijk omschreven is waar deze beperkingen in zijn gelegen. Uit het rapport volgt niet op basis van welke door Bosscha aan Van Laere verstrekte gegevens de botsanalyse is uitgevoerd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of voor deze analyse het juiste gewicht van de grasmaaier is gehanteerd. Uit de toelichting die [verzoeker] op dit punt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verstrekt volgt onvoldoende duidelijk dat het in het rapport aangehouden gewicht van de grasmaaier van 843 kg overeenkomt met het daadwerkelijke gewicht van de grasmaaier. Dat klemt temeer nu de berekende snelheid van [A] voornamelijk (zo volgt uit het rapport) aan de hand van het conflict tussen de massa’s van beide voertuigen is vastgesteld en de rechtbank geen zicht heeft op de uitkomst van die bevindingen indien een wezenlijk ander gewicht voor de grasmaaier zou moeten worden aangehouden.

 

Het rapport is voorts op gebrekkige wijze tot stand gekomen omdat Bosscha zich heeft gebaseerd op via [verzoeker] verkregen informatie terwijl niet alle beschikbare getuigen (waaronder [A] ) zijn gehoord en voorts omdat het beginsel van hoor- en wederhoor niet is toegepast nu NH 1816 c.s. niet bij de totstandkoming van het rapport betrokken is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de voorliggende verklaringen en het rapport van Bosscha (inclusief botsanalyse) derhalve niet vast dat [A] in strijd met artikel 6 WVW 1994 heeft gehandeld.

6.8.

 

Evenmin staat vast dat [A] in strijd met artikel 19 RVV 1990 heeft gehandeld omdat zij haar voertuig niet tot stilstand zou hebben gebracht binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien. Niet uit te sluiten valt dat de aanrijding is veroorzaakt door een rijfout van [verzoeker] , hetgeen de verbalisanten blijkens het mutatierapport van 27 juni 2014 als uitgangspunt hebben aangehouden. Mogelijk heeft [verzoeker] tijdens het maaien een plotselinge manoeuvre over de rijbaan gemaakt, resteerde voor [A] geen tijd om te anticiperen en is de grasmaaier op dat moment in botsing gekomen met haar voertuig. In dat – op zichzelf bezien niet ondenkbare – scenario treft [A] niet het verwijt dat zij in strijd met artikel 19 RVV 1990 heeft gehandeld.

6.9.

 

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de weinig stellige verklaring van [C] over de snelheid die de door [A] bestuurde personenauto zou hebben gehad (Er komt een auto langs rijden die ongeveer na onze idee te hard reed) een onvoldoende onderbouwing van de stelling van [verzoeker] dat [A] 10 km per uur harder dan de toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur moet hebben gereden.

6.10.

 

De door [verzoeker] gestelde feiten kunnen, in het licht van het geen hiervoor is overwogen, niet als vaststaand worden aangenomen. De stellingen van [verzoeker] omtrent de feiten kunnen ook niet (alle) worden gepasseerd zonder dat aan een bewijsopdracht aan [verzoeker] wordt toegekomen. Een beslissing op het onderhavige deelgeschil vereist bij de huidige stand van zaken instructie, in de vorm van in elk geval getuigenverhoren en (mogelijk) een deskundigenbericht. Daardoor weegt naar het oordeel van de rechtbank de investering in tijd, geld en moeite die met de beslissing op dit deelgeschil gepaard zou gaan, niet op tegen het (thans bekende) belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Van betekenis daarbij is dat door de benodigde instructie van een snelle beslissing geen sprake zal kunnen zijn en ook dat de investering in geld aanzienlijk zal zijn. Bij dit oordeel komt voorts betekenis toe aan de verwachting dat de te treffen regeling geen finale regeling zal (kunnen) betreffen gezien de discussie omtrent de hoogte van de schade. Het verzochte onder I, II en III zal daarom worden afgewezen.

6.11.

 

Nu de door [verzoeker] gestelde feiten in deze procedure niet als vaststaand kunnen worden aangenomen kan evenmin worden geoordeeld over de subsidiaire grondslag, er toe strekkende dat het niet vergoeden van de schade door NH 1816 c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

 

Kosten

6.12.

 

De rechtbank overweegt dat, ondanks de afwijzing van het verzoek, op de voet van artikel 1019aa Rv in beginsel begroting dient plaats te vinden van de kosten die [verzoeker] heeft gemaakt in het kader van de deelgeschilprocedure. Daarbij dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.13.

 

[verzoeker] vordert met een beroep op voornoemd wetsartikel vergoeding van zijn advocaatkosten. Hij begroot de bestede tijd aan het opstellen van het verzoekschrift, de bestudering van het verweerschrift, de voorbereiding van de mondelinge behandeling in totaal op 23 uur. Uitgaande van het door zijn advocaat gehanteerde uurtarief van € 240,00, te vermeerderen met 6 % kantooropslag en 21 % BTW resulteert dit in een bedrag van € 7.061,95.

6.14.

 

NH 1816 c.s. acht het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief bovenmatig.

6.15.

 

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de complexiteit van de zaak, het gevorderde aantal uren de dubbele redelijkheidstoets doorstaat. Met betrekking tot het uurtarief overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het uurtarief aan de bovengrens ligt van het landelijk gemiddelde van € 225,- tot € 240,- , ziet de rechtbank daarin op zichzelf geen grond om dit uurtarief te matigen. Wel geeft dit tarief de rechtbank aanleiding om de verzochte kantoorkosten van 6% af te wijzen, omdat deze kosten verdisconteerd mogen worden geacht in genoemd uurtarief. Het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief vermeerderd met BTW komt de rechtbank niet onredelijk voor. Dat betekent dat de kosten van dit deelgeschil begroot zullen worden op € 6.966,20 (€ 5.520,00 vermeerderd met 21% BTW en het betaalde griffierecht van € 287,00). Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van NH 1816 in deze zaak niet is vastgesteld, zal het verzoek van [verzoeker] om haar te veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil samenhangende kosten worden afgewezen.

7 De beslissing

 

De rechtbank

7.1.

 

wijst het verzoek af,

7.2.

 

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 6.966,20.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. L.T. de Jonge, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. J. Wichers en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2018.

 

rh/477

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots