Rb, deelgeschil: toedracht arbeidsongeval onduidelijk, zaak niet geschikt voor deelgeschilprocedure

Samenvatting:

Werknemer loopt letsel op bij het transporteren van postpakketten op een rolcontainer en vraagt verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is. De kantonrechter oordeelt dat ten tijde van de mondelinge behandeling de toedracht onvoldoende vast is komen te staan. Alle genoemde feitelijke geschilpunten tussen partijen (t.a.v. de toedracht van het ongeval en de omstandigheden daaraan voorafgaand) zijn naar het oordeel van de kantonrechter van essentieel belang voor de vaststelling van aansprakelijkheid ex art. 7:658 BW en voor de invulling van de zorgplicht van de werkgever. Het onderzoek dat gedaan moet worden om daarin te voorzien is niet ingekaderd en daarom onvoorspelbaar in tijd en intensiteit. Verzoek afgewezen.

ECLI:NL:RBOBR:2015:2746
Instantie: Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak: 07-05-2015
Datum publicatie: 11-05-2015
Zaaknummer: 3908404
Rechtsgebieden: Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Deelgeschil. Ongeval met rolcontainer. Geschil leent zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure wegens onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zaaknummer: 2701917 EJ VERZ 14-22
Kanton Eindhoven
Zaaknummer : 3908404
EJ verz.: 15-137

Uitspraak: 7 mei 2015

in de zaak van:

[werknemer],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. L. Boon,

tegen:

1 de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorziening Regio Eindhoven,
gevestigd te Eindhoven,
verweerster sub 1,
gemachtigde: mr. M. Bouman,
2. de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
verweerster sub 2,
gemachtigde: mr. M. Bouman,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke PostNL B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
verweerster sub 3,
gemachtigde: mr. Chr.H. van Dijk.

Partijen worden hierna respectievelijk “[werknemer]”, “Ergon”, “Achmea” en “PostNL” genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1. Dit blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv met producties;
het verweerschrift van de zijde van Ergon en Achmea met producties;
het verweerschrift van de zijde van PostNL;
e mondelinge behandeling op 15 april 2015 bij welke gelegenheid de griffier aantekening heeft gehouden van het besprokene en de gemachtigden van [werknemer] en PostNL een pleitnotitie hebben overgelegd.

1.2. [werknemer] had zijn verzoek ten onrechte tegen Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. te Apeldoorn gericht, nu de verzekeraar onder de betrokken verzekering niet laatstgenoemde is maar Achmea Schadeverzekeringen N.V. (Achmea). Nadat Achmea [werknemer] bij haar verweerschrift op dit feit had gewezen, heeft Achmea uit coulance te kennen gegeven ervan uit te gaan dat [werknemer] bedoeld heeft Achmea in onderhavige verzoekschriftprocedure te betrekken om zo te voorkomen dat een nieuwe procedure zal moeten worden gestart.

1.3. De heer [G.] (workcenterleider bij Ergon) en de heer [M.] (depot manager bij PostNL) hebben de zittingsruimte tijdens de mondelinge behandeling verlaten, voordat de inhoudelijke bespreking over de toedracht van het onderhavige ongeval aanving.

1.4. Tot slot is een datum voor uitspraak bepaald.

2 De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.1. [werknemer], geboren op [geboortedatum], is op 25 november 2013 op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 31 maart 2014 (productie 1 bij verzoekschrift) in dienst getreden van Ergon in de functie van medewerker werkervaringsproject. Met ingang van dezelfde datum is [werknemer] krachtens zijn arbeidsovereenkomst tewerk gesteld bij PostNL. [werknemer] verrichtte zijn werkzaamheden bij PostNL Pakketten in het distributie- en sorteerdepot te Son.

2.2. Op 14 januari 2014 is [werknemer] een arbeidsongeval overkomen toen hij bij PostNL in het depot te Son op de afdeling Intern Transport werkzaamheden verrichtte, bestaande uit het intern transporteren van postpakketten op rolcontainers Tijdens die werkzaamheden heeft er een botsing tussen [werknemer] en (een) rolcontainer(s) plaatsgevonden waardoor [werknemer] letsel aan zijn rechterarm heeft opgelopen. Over de exacte toedracht van het ongeval verschillen partijen van mening.

2.3. Als gevolg van het ongeval heeft [werknemer] zich direct onder medische behandeling laten stellen. [werknemer] is tot op heden arbeidsongeschikt gebleven en heeft na 14 januari 2014 niet meer voor Ergon gewerkt.

2.4. Bij brieven van 14 februari 2014 heeft de gemachtigde van [werknemer] Ergon en PostNL namens haar cliënt op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die [werknemer] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden (producties 12 en 13 bij verzoekschrift).

2.5. Door PostNL is ExpertiseBureau Cunningham Lindsey Nederland B.V. te Eindhoven (hierna te noemen: Cunningham & Lindsey) ingeschakeld. Op 26 maart 2014 heeft de heer [O.] van Cunningham & Lindsey [werknemer] bezocht.

2.6. Bij brief van 28 mei 2014 heeft Cunningham & Lindsey namens PostNL aansprakelijkheid afgewezen (productie 16 bij verzoekschrift).

2.7. Bij brief van 6 oktober 2014 heeft Achmea als verzekeraar van Ergon aansprakelijkheid afgewezen (productie 17 bij verzoekschrift).

2.8. Verdere correspondentie tussen partijen tot en met 2 februari 2015 heeft niet tot een wijziging van de over en weer ingenomen standpunten geleid (producties 18 tot en met 21 bij verzoekschrift).

3 Het verzoek en het verweer

3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter ex artikel 1019w Rv, kort weergegeven:
1. vast te stellen dat Ergon en/of PostNL hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [werknemer] ten gevolge van het ongeval van 14 januari 2014 geleden schade;
2. vast te stellen dat Achmea – in de hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van Ergon – en PostNL de door [werknemer] ten gevolge van genoemd ongeval geleden schade dienen te vergoeden;
3. de kosten van deze deelgeschillenprocedure te begroten op € 2.209,40 inclusief btw, te vermeerderen met het door [werknemer] betaalde griffierecht ad € 78,– en de aan dit verzoekschrift voorafgegane buitengerechtelijke kosten te begroten op € 3.602,71 inclusief btw.

3.2. Verweersters verzoeken afwijzing van de verzoeken van [werknemer] (kosten rechtens).

3.3. Op de over en weer ingenomen standpunten zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. In een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv als de onderhavige kunnen in beginsel alle proedurele aspecten van de buitengerechtelijke afwikkeling van gevallen van letsel- en overlijdensschade aan de orde komen en tevens alle materieelrechtelijke (deel)vragen, in het bijzonder ten aanzien van aansprakelijkheid, causaal verband en schade. Ook de aansprakelijkheidsvraag kan daarom als zodanig onderwerp zijn van een deelgeschilverzoek (Kamerstukken II 2008/09, 31 518, nr 8. p. 9). Of een vraag zich leent voor beantwoording in een deelgeschil dient te worden beoordeeld met behulp van de proportionaliteitstoets waarbij de rechter de afweging dient te maken of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Dat na een beslissing in de deelgeschilprocedure een vaststellingsovereenkomst niet binnen handbereik ligt en er mogelijk meerdere deelgeschilprocedures noodzakelijk zijn, vormt voor de behandeling in een deelgeschilprocedure geen beletsel. Juist het feit dat partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Om de impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen.

4.2. Verweersters menen unaniem dat het onderhavige geschil zich (met name) om een andere reden niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv. Verweersters hebben daartoe onder meer aangevoerd dat er veel onduidelijkheid is over de toedracht van het ongeval. De kantonrechter zal op dit verweer als eerste ingaan.

4.3. Ergon, Achmea en PostNL hebben met betrekking tot de toedracht van het ongeval op het volgende gewezen.
– Blijkens het verzoekschrift liep [werknemer] met twee rolcontainers. Eén rolcontainer vóór [werknemer] die hij duwde en één rolcontainer die hij achter zich aan trok. Vervolgens zou hij met zijn rechter ellenboog aan een stilstaande rolcontainer zijn blijven haken, waardoor hij de achterste rolcontainer op zijn arm kreeg. Zijn collega [L.], die met twee rolcontainers achter [werknemer] zou hebben gelopen, zou vervolgens tegen de achterste rolcontainer van [werknemer] zijn gebotst, waardoor [werknemer] nog een klap op zijn arm zou hebben gekregen. Dit laatste strookt volgens verweersters niet met het door [werknemer] voor akkoord getekende calamiteiten meldingsformulier waarop op 21 januari 2014 het incident d.d. 14 januari 2014 wordt beschreven (productie 4 bij verzoekschrift) en waarin niet staat vermeld dat collega [L.] achter [werknemer] liep en met een rolcontainer tegen de rolcontainer van [werknemer] is gebotst.
– [werknemer] heeft ter zitting verklaard dat de rol van [L.] niet zo van belang is, omdat laatstgenoemde het ongeval niet zou hebben veroorzaakt, terwijl in het verzoekschrift staat vermeld dat het aan de arm van [werknemer] opgelopen letsel mede is veroorzaakt door de botsing met de rolcontainer van [L.].
– [werknemer] zou in eerste instantie aan de work centerleider van Ergon, de heer K. van de Graaf, hebben verklaard dat hij ten tijde van het ongeval met drie rolcontainers liep in plaats van met maximaal twee toegestane rolcontainers. In hetzelfde gesprek met genoemde heer [G.] zou [werknemer] zijn verklaring ten aanzien van de hoeveelheid rolcontainers hebben aangepast naar twee.
– Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] te kennen gegeven dat hij niet tussen de twee rolcontainers in liep. Uit het verzoekschrift (nummer 2.3) en de door [werknemer] zelf getekende situatieschets (productie 5 bij verzoekschrift) blijkt echter dat [werknemer] (volgens verweersters in strijd met de instructies) één rolcontainer voor zich had die door hem werd geduwd en dat hij de andere rolcontainer achter zich aan trok.

4.4. De toedracht is volgens verweersters dan ook onduidelijk nu [werknemer] daarover niet eensluidend heeft verklaard. De gemachtigde van [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat de lezingen c.q. verklaringen niet met elkaar te rijmen zouden zijn. Volgens [werknemer] was de gang waar hij met de twee rolcontainers door moest te smal en was er op de avond van het ongeval sprake van een onderbezetting, hetgeen door verweersters gemotiveerd wordt betwist. De exacte plaats van het ongeval staat tussen partijen evenmin vast net als het antwoord op de vraag waar, wanneer en welke instructies door wie aan [werknemer] zijn gegeven.

4.5. Op grond van het vorenstaande is ten tijde van de mondelinge behandeling naar het oordeel van de kantonrechter nog onvoldoende vast komen te staan onder welke omstandigheden [werknemer] op 14 januari 2014 zijn werkzaamheden heeft verricht en door welke oorzaak hij letsel aan zijn arm heeft opgelopen. Verweersters voeren eensluidend aan dat uitgebreid onderzoek en nadere bewijslevering ten aanzien van de feiten nodig is om te kunnen vaststellen of verweersters zijn tekort geschoten in hun zorgplicht en als gevolg daarvan aansprakelijk zijn voor door [werknemer] geleden schade. De onderhavige deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv leent zich daar niet voor zodat het verzoek van [werknemer] volgens hen reeds om die reden dient te worden afgewezen.

4.6. De kantonrechter volgt verweersters in dat standpunt. Alle genoemde feitelijke geschilpunten tussen partijen (ten aanzien van de toedracht van het ongeval en de omstandigheden daaraan voorafgaand) zijn naar het oordeel van de kantonrechter van essentieel belang voor de vaststelling van aansprakelijkheid aan de kant van Ergon en PostNL op grond van artikel 7:658 BW en voor de invulling van de zorgplicht van de werkgever. Bij de huidige stand van zaken kan naar het oordeel van de kantonrechter evenmin goed beoordeeld worden wat de omvang is van de zorgplicht van Ergon en/of PostNL als bedoeld in artikel 7:658 BW en of deze zorgplicht is geschonden. De kantonrechter wijst er nog op dat er geen althans onvoldoende toegespitste gegevens of (getuigen)verklaringen zijn die dadelijk voorwerp kunnen zijn van een beoordeling. Verzoeker heeft aangegeven dat de aansprakelijkheid voor hem duidelijk is maar onderkend moet worden dat er veel essentiële onenigheden en onduidelijkheden zijn die een snelle beslissing in de weg staan. Het onderzoek dat gedaan moet worden om daarin te voorzien is niet ingekaderd en daarom onvoorspelbaar in tijd en intensiteit.

4.7. De slotsom is dat het verzoek van [werknemer] niet voldoet aan de hiervoor genoemde proportionaliteitstoets (r.o. 4.1.) en zich dus niet leent voor afdoening binnen de kaders van dit deelgeschil. De kantonrechter zal het verzoek van [werknemer] om te bepalen dat verweersters hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem, in de uitoefening van zijn werkzaamheden, als gevolg van het ongeval geleden (en nog te lijden) schade dan ook afwijzen. Gelet hierop hoeven de overige verweren geen beoordeling.

4.8. De omstandigheid dat [werknemer] in deze deelgeschilprocedure in het ongelijk wordt gesteld of althans de door hem verzochte beslissing niet wordt toegewezen, staat op zichzelf aan een begroting van kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv niet in de weg. Vereist is wel dat kosten zijn gemaakt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat en die kosten tevens in een zodanig verband daarmee staan dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend (vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2005/50).
Dat daarvan sprake is, is in het kader van de onderhavige procedure nog onvoldoende vast komen te staan. Het verzoek tot het begroten van de kosten op grond van artikel 1019aa Rv zal daarom worden afgewezen.

4.9. De kantonrechter oordeelt gronden aanwezig de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzoeken af;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey