Rb, deelgeschil: Sporthogeschool aansprakelijk voor val van klimmuur buiten lesuren, 60% eigen schuld

Samenvatting:

Benadeelde, tweedejaars student aan Sporthogeschool, valt tijdens oefening ter voorbereiding op de eindtoets van klimmuur 14 meter naar beneden en loopt zwaar letsel op. Tussen partijen staat vast dat het klimongeval niet tijdens lesuren en niet gedurende de stage van benadeelde heeft plaatsgevonden. 1.De rechtbank is van oordeel dat op de school een zorgplicht rust; daarbij geldt dat de zorgplicht van een school die bewegingsonderwijs geeft, waarbij het risico op ernstig letsel vaak aanzienlijk is, doorgaans zwaarder is dan de zorgplicht van een school in andere situaties. 2. De zorgverplichting van een school geldt naar het oordeel van de rechtbank ook in de voorfase van het bewegingsonderwijs waarin de school de randvoorwaarden voor de beoefening van de sport formuleert. 3. De rechtbank oordeelt dat de school haar zorgplicht heeft geschonden. In de eerste plaats heeft de school onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de vereiste vaardigheden van de eindtoets KVB Indoor Voorklimmen. In de tweede plaats heeft de school onvoldoende instructies gegeven voor een veilige voorbereiding op de eindtoets.2. 60% eigen schuld benadeelde. 3. Kosten deelgeschil: € 8.658,72.

ECLI:NL:RBOBR:2017:6934

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 05-09-2017
Datum publicatie 27-03-2018
Zaaknummer C/01/317102 / EX RK 17-18

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Aansprakelijkheid school voor klimongeval dat buiten lesuren plaatsvindt. Eigen schuld.

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

Uitspraak

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK OOST-BRABANT

 

 

Civiel Recht

 

Zittingsplaats Eindhoven

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/01/317102 / EX RK 17-18

 

 

 

 

Beschikking van 5 september 2017 in een deelgeschilprocedure

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats],

 

verzoeker,

 

hierna: [verzoeker],

 

advocaat mr. E.J. de Koning-Witte te Boxtel,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

 

KLIMCENTRUM NEOLIET EINDHOVEN B.V.,

 

gevestigd te Eindhoven,

 

verweerster,

 

hierna: Neoliet,

 

advocaat mr. E.P.W. Korevaar te Weert,

 

  1. de stichting

 

 

STICHTING FONTYS,

 

gevestigd te Eindhoven,

 

verweerster,

 

hierna: Fontys,

 

advocaat mr. M.M. Klunder te Ermelo.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, met producties;

 

het verweerschrift van Neoliet, met producties;

 

het verweerschrift van Fontys met producties;

 

de mondelinge behandeling op 11 juli 2017 bij welke gelegenheid mr. De koning-Witte spreekaantekeningen heeft overgelegd.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Het gaat in dit deelgeschil om het volgende.

 

 

2.1.1.

Op 23 maart 2011 heeft een klimongeval plaatsgevonden in de klimhal van Neoliet te Eindhoven. [verzoeker] was die dag met medestudenten [H] (hierna: [H]) en [B] (hierna: [B]) aan het oefenen op een klimwand. [verzoeker] stond net als [H] en [B] ingeschreven als tweedejaars student aan de Fontys Sporthogeschool. [verzoeker] was op de klimwand aan het oefenen ter voorbereiding op de eindtoets die de volgende dag zou plaatsvinden in het kader van zijn afstudeerrichting ‘Sports & Leisure Adventure’.

 

 

2.1.2.

 

Tijdens het oefenen op 23 maart 2011 heeft [verzoeker] een val gemaakt van 14 meter hoogte, als gevolg waarvan hij ernstig letsel heeft opgelopen. De Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging (hierna: NKBV) heeft op 23 mei 2012 een rapportage (productie 3 [verzoeker]) opgesteld over het ongeval. Over de toedracht staat daarin vermeld:

 

“(…)

 

De drie klimmers besloten om een route te gaan voorklimmen, bovenaan stand te maken en vervolgens te gaan abseilen. Ze kozen een route uit op de linkerwand in de eerste hal van Neoliet naast het bargedeelte. In deze wand bevond zich een relais/standplaats. Hiermee wordt bedoeld twee haken verbonden door een ketting en voorzien van een ‘oog’ (zie gespreksverslag van 28 maart 2011) om aan af te dalen. Het relais zat op circa 3/4

 

van de maximale hoogte van de wand (14 meter).

 

[verzoeker] [[verzoeker], rechtbank] klom als eerste voor, gebruik makend van alle grepen op het wanddeel. Hij maakte stand aan een enkele haak (een zogenaamd ‘Petzl’-plaatje) boven het relais. [verzoeker] werd hierbij door [H] gezekerd. [verzoeker] heeft geen stand gemaakt aan het relais omdat het oog van het relais te dun werd geacht om stand aan te maken en vervolgens aan ab te seilen. In plaats daarvan besloot [verzoeker] hoger op de wand stand te maken aan de enkele haak. [verzoeker] heeft stand gemaakt door zich met een bandlus en een schroefkarabiner (een zogenaamde DMM Belaymaster) aan de haak vast te maken. In de schroefkarabiner hing hij een tweede schroefkarabiner waaraan hij [H] met een halvemastworpzekering omhoog zekerde. Boven aan gekomen maakte [H] ook stand door zich met een bandlus en schroefkarabiner in een links van [verzoeker] gelegen haak vast te maken. [H] en [verzoeker] bonden zich uit van het touw en [verzoeker] haalde het touw door de karabiner die hij in de standhaak had ingehangen. Dit was de tevens de karabiner waarmee hij zijn zelfzekering had gemaakt.

 

[H] is vervolgens als eerste abgeseild. Hierna maakte [verzoeker] zich gereed om ab te seilen. Er was niets veranderd aan de configuratie ten opzichte van toen [H] abseilde. Het abseiltouw hing nog steeds in de karabiner (de Belaymaster) waar ook de bandlus van [verzoeker]’s zelfzekering vast zat. [verzoeker] had zijn abseilapparaat al ingehangen voordat [H] naar beneden was gegaan. [H] en Coen hebben verklaard dat het [verzoeker] zichtbaar moeite kostte om

 

zijn zelfzekering los te maken. [verzoeker] heeft daarop zijn zelfzekering ontlast en de schoefkarabiner (Belaymaster) van zijn zelfzekering los gemaakt. Hierdoor waren zowel [verzoeker] als het abseiltouw niet meer met de haak en dus de klimwand verbonden. [verzoeker] is vervolgens tot op de grond gevallen.

 

De route waarin geklommen werd was de eerste route die de drie klimmers die dag gedaan hebben.

 

Politie en technische recherche hebben proces-verbaal opgesteld en laten weten geen verder onderzoek in te stellen. (…)”

 

 

 

2.1.3.

Bij brief van 10 juni 2014 van zijn advocaat (productie 8 [verzoeker]) heeft [verzoeker] Fontys aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het klimongeval.

 

 

2.1.4.

In de periode van 4 juli 2014 tot 14 juli 2015 heeft correspondentie tussen [verzoeker] en Fontys plaatsgevonden waarbij [verzoeker] Fontys meermaals heeft verzocht een standpunt ten aanzien van de aansprakelijkheid in te nemen.

 

 

2.1.5.

Bij brief van 14 juli 2015 heeft Fontys aansprakelijkheid afgewezen.

 

 

2.1.6.

Bij brief van 9 februari 2016 van zijn advocaat heeft [verzoeker] de verjaring gestuit en bij brief van 16 juni 2016 heeft hij inhoudelijk gereageerd op de afwijzing van aansprakelijkheid door Fontys. Bij brief van 7 november 2016 heeft Fontys haar standpunt gehandhaafd.

 

 

2.1.7.

[verzoeker] heeft bij brief van zijn advocaat van 9 februari 2016 (productie 9 [verzoeker]) Neoliet aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval.

 

 

2.1.8.

Op 16 juni 2016 heeft [verzoeker] een reactie van de verzekeraar van Neoliet ontvangen waaruit volgt dat de verzekeraar geen dekking verleent voor de schade.

 

 

2.1.9.

Bij brief van 8 augustus 2016 heeft [verzoeker] Neoliet gerappelleerd en verzocht aansprakelijkheid te erkennen.

 

 

2.1.10.

Neoliet heeft niet op deze brief gereageerd.

 

 

 

3 Het verzoek en het verweer

 

 

 

3.1.

 

[verzoeker] verzoekt de rechtbank te beslissen, kort weergegeven:

 

  1. dat Fontys en Neoliet hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, aansprakelijk zijn voor het ongeval van 23 maart 2011 en dat zij gehouden zijn tot volledige vergoeding van de schade die [verzoeker] heeft geleden,

 

  1. dat Fontys en Neoliet hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv moeten voldoen met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beslissing en te vermeerderen met wettelijke rente,

 

III. dat, indien een deskundige moet worden benoemd, de door de deskundige gemaakte kosten binnen veertien dagen worden vergoed door Fontys en Neoliet.

 

 

 

3.2.

Fontys en Neoliet verzoeken de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen.

 

 

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan,

 

 

 

4 De beoordeling

 

 

 

4.1.

Zowel Fontys als Neoliet hebben het preliminaire verweer gevoerd dat het onderhavige geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Volgens Fontys leent het geschil zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat in deze zaak nadere bewijslevering noodzakelijk is, waarvoor het deelgeschil niet geschikt is. Volgens Neoliet leent het geschil zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat zij in het geheel geen vaststellingsovereenkomst wenst te sluiten zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1019w Rv en verder omdat [verzoeker] naast een oordeel over de aansprakelijkheid ook een oordeel vraagt over de omvang van de eigen schuld.

 

 

4.2.

 

De rechtbank verwerpt deze verweren. Volgens vaste jurisprudentie vormt het enkele feit dat na een beslissing in de deelgeschilprocedure een vaststellingsovereenkomst niet binnen handbereik ligt en er mogelijk meerdere deelgeschilprocedures noodzakelijk zijn, voor de behandeling in een deelgeschilprocedure geen beletsel. Juist het feit dat partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Om de impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen.

 

Ook bewijslevering kan onder voorwaarden in een deelgeschil plaatsvinden. Bij de te nemen beslissing dient dan een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds de investering in tijd, geld en moeite die met die beslissing gepaard gaat en anderzijds de bijdrage die een beslissing kan leveren voor de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Zoals hierna zal blijken, oordeelt de rechtbank in deze procedure echter geen nadere bewijslevering noodzakelijk.

 

Tot slot kan ook de vaststelling van een percentage eigen schuld onderdeel uitmaken van een deelgeschil omtrent de aansprakelijkheidsvraag.

 

 

 

4.3.

Nu de preliminaire verweren worden verworpen, zal de rechtbank hierna achtereenvolgens de aansprakelijkheid van Neoliet en van Fontys beoordelen.

 

 

 

Aansprakelijkheid van Neoliet

 

 

 

4.4.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek ten aanzien van Neoliet het volgende aangevoerd.

 

 

4.4.1.

Neoliet is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor het hem op 23 maart 2011 overkomen klimongeval omdat Neoliet, ondanks het feit dat zij wist dat [verzoeker] abseilen zou gaan oefenen, geen toezicht heeft gehouden en evenmin instructies heeft gegeven. Neoliet wist bij uitstek dat de klimwand ongeschikt was voor abseilen. Van Neoliet mag volgens [verzoeker] worden verwacht dat zij in algemene zin toezicht houdt wanneer er op de klimwand wordt geoefend, hetgeen zij niet heeft gedaan. Neoliet valt ook te verwijten dat zij geen zicht had op de aard van de oefeningen.

 

 

4.4.2.

De klimwand is volgens [verzoeker] te kwalificeren als een opstal waarvoor op grond van artikel 6:174 BW op Neoliet een risicoaansprakelijkheid rust. De klimwand was ongeschikt voor abseilen. Voor Neoliet was echter te voorzien dat de wand gebruikt zou worden voor abseilen. In dit geval was vooraf kenbaar gemaakt dat [verzoeker] en zijn medestudenten zouden gaan abseilen. De wand voldeed daarom in de gegeven omstandigheden niet aan de eisen die men daaraan mocht stellen. Nu Fontys en Neoliet afspraken hadden gemaakt over het gebruik van de wand door studenten van Fontys, was het voor Neoliet redelijkerwijs voorzienbaar dat alle klimtechnieken daarop geoefend zouden worden die tot de lesstof behoorden. Zowel Fontys als Neoliet erkennen dat er op de wand geen sprake was van een standaardsituatie voor het abseilen. Er is daarom sprake van een gebrekkige klimwand als bedoeld in artikel 6:174 BW. Als gevolg van dit gebrek levert de wand gevaar op voor personen welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Neoliet is op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk.

 

 

4.5.

Neoliet heeft kort samengevat het volgende verweer gevoerd.

 

 

4.5.1.

 

Toegang tot de klimwand wordt verleend na het tonen van een klimvaardigheidsbewijs, controle in de database van de ervaring van de klimmer of het aantonen van voldoende vaardigheden. De bezoeker dient vervolgens de voorwaarden te ondertekenen en de toegangsprijs te betalen. De bezoeker onderschrijft de huisregels – ten tijde van het ongeval de huisregels 2010 – waarin onder meer een exoneratiebeding is opgenomen dat overeenstemt met de zorgverplichting die een klimhal heeft. De klimhal draagt geen verantwoordelijkheid voor door de klimmer zelf meegebrachte materialen en evenmin voor zelfstandige klimmers die handelen conform hun vaardigheden.

 

Naast de zorg voor genormeerde voorzieningen, kan worden aangenomen dat de exploitant

 

van een klimhal een zekere mate van toezicht moet uitoefenen. Ten onrechte wordt door [verzoeker] echter verondersteld dat een klimhal een mate van toezicht dient te houden op de bezoekers die gelijk is aan die van, bijvoorbeeld, een rijinstructeur. Daarmee wordt in de eerste plaats miskend dat de klimhal niet aansprakelijk is voor gevaren verbonden aan sportuitoefening zelf en in de tweede plaats dat toezicht geen ongeval kan voorkomen. Het houden van een zodanige mate van toezicht op de klimmer als door [verzoeker] wordt verondersteld, maakt geen onderdeel uit van de zorgplicht van de klimhal.

 

 

 

4.5.2.

 

[verzoeker] bezat ten tijde van het ongeval het klimvaardigheidsbewijs K2 (indoor naklimmen). Abseilen is geen onderdeel van in de klimhal te oefenen vaardigheden (K3, indoor voorklimmen kent niet de competentie abseilen). Op 23 maart 2011 hebben de klimmers aan de balie bij Neoliet aan assistent-bedrijfsleider [Z] (hierna: [Z]) aangegeven te komen oefenen voor hun opleiding. Zij zouden toestemming van hun docent bij Fontys hebben om extra te klimmen. [Z] kende de klimmers omdat zij bij Neoliet gewerkt hadden. Zij hebben niet aangegeven dat zij gingen abseilen. [verzoeker] heeft eerder in zijn hoedanigheid van werknemer van Neoliet bezoekers gewezen op de huisregels en toegezien op de naleving hiervan. [verzoeker] heeft bij indiensttreding verklaard de veiligheidsvoorschriften, reglementen en voorwaarden te kennen en te hanteren. Door ondertekening van een formulier heeft [verzoeker] ten tijde van het ongeval verklaard veilig te kunnen klimmen en zekeren en naar eigen zeggen te beschikken over voldoende ervaring om veilig indoor te kunnen voorklimmen en zekeren.

 

Op 23 maart 2011 was naast [Z] ook [P] (hierna: [P]), instructeur en routebouwer, aanwezig die in een ander gedeelte van het gebouw klanten hielp kennismaken met de klimsport. Toen [Z] op enig moment geschreeuw hoorde is hij op het geluid afgekomen en heeft hij direct 112 gebeld en is hij tegelijkertijd hulp gaan verlenen aan [verzoeker]. Doordat [Z] [verzoeker] belet heeft op te staan, is vermoedelijk ernstiger letsel voorkomen.

 

 

 

4.5.3.

Uit de ongevalsrapportage van de NKBV blijkt volgens Neoliet dat het ongeval is ontstaan doordat [verzoeker] zijn zelfzekering en abseiltouw in dezelfde karabiner heeft bevestigd en bij het inzetten van de afdaling zowel het abseiltouw als zijn zelfzekering uit de karabiner heeft gehaald. [verzoeker] heeft zelf de zekeringsketen verbroken, terwijl die zekeringsketen de basis van het klimmen is. Volgens Neoliet heeft [verzoeker] veel fouten gemaakt bij de uitvoeren van zijn activiteiten. Zo heeft hij:

stand gemaakt aan een haak die daarvoor niet bedoeld was;

 

zijn zelfzekering in één karabiner gehangen, in plaats van in een moederkarabiner;

 

het abseiltouw door dezelfde karabiner gehaald als zijn zelfzekering;

 

verzuimd controle uit te voeren;

 

bij twijfel over de juiste standplaats niet om hulp gevraagd.

 

 

Tevens heeft [verzoeker] volgens Neoliet meerdere huisregels geschonden bij de uitvoering van zijn activiteiten:

[verzoeker] heeft in strijd met huisregel 23 ongezekerd geklommen in het klimcentrum;

 

[verzoeker] is in strijd met huisregel 26 onvoldoende geconcentreerd geweest toen hij zijn zelfzekering losmaakte;

 

[verzoeker] heeft in strijd met huisregels 29 en 32 Neoliet niet gewaarschuwd voor een vermoeden van een onveilige situatie en hij heeft het (in zijn ogen aanwezige) mankement aan de klimwand niet gemeld.

 

 

4.5.4.

 

Volgens Neoliet heeft zij niet onrechtmatig gehandeld. Zij betwist dat zij wetenschap had van het voornemen van [verzoeker] om in de klimhal te gaan abseilen. Indien zij van dit voornemen had geweten, had zij dit verboden of beoordeeld of [verzoeker] door een instructeur zou moeten worden begeleid. De zorgplicht van een klimhal is beperkt. De toezichthoudende rol van een klimexploitant beperkt zich tot controleerbare omstandigheden zoals aantallen bezoekers, toestand van de materialen en het vastleggen van regels voor het gebruik van de hal. Aan die zorgplicht heeft Neoliet ruimschoots voldaan.

 

Het ontgaat Neoliet wat [verzoeker] haar precies verwijt. De bijzondere zorgplicht van Fontys ten aanzien van haar studenten is niet op Neoliet van toepassing omdat Neoliet niet de opleider van [verzoeker] is. Eventuele onduidelijkheid bij de studenten over de lesstof kan Neoliet niet worden verweten.

 

 

 

4.5.5.

De door Neoliet geëxploiteerde klimwand voldoet aan de toepasselijke NEN-norm (NEN 12572-1) en Neoliet betwist dat de klimwand voor abseilen ongeschikt is. Ieder object met een draagvermogen van circa vier maal het gewicht van de klimmer is in principe geschikt als abseilpunt. [verzoeker] is niet gevallen door een gebrek aan het materiaal maar door het verbreken van de zekeringsketen door [verzoeker] zelf. De klimwand is volgens Neoliet niet aan te merken als een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:74 BW.

 

 

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek ten aanzien van Neoliet op geen van de aangevoerde grondslagen toewijsbaar. Daartoe wordt het volgende overwogen.

 

 

4.6.1.

 

Voor zover het verzoek van [verzoeker] is gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) ligt daaraan de feitelijke stelling ten grondslag dat Neoliet wist dat [verzoeker] en zijn medestudenten op 23 maart 2011 zouden gaan abseilen. Deze stelling is door Neoliet echter gemotiveerd weersproken en door [verzoeker] vervolgens onvoldoende onderbouwd. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat op 23 maart 2011 door hem en zijn medestudenten is gezegd dat zij kwamen oefenen voor de toets en dat niet expliciet is gezegd dat zij kwamen abseilen. De door Neoliet in het geding gebrachte verklaring van [Z] (productie 8 Neoliet) is op dit punt door [verzoeker] dus niet tegengesproken. Gelet op de op dit punt vaststaande inhoud van de verklaring van [Z] en de verklaring van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling, was er naar het oordeel van de rechtbank voor Neoliet geen grond om [verzoeker] de toegang te weigeren, zoals tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd (vgl. randnummer 21 spreekaantekeningen mr. E.J. de Koning-Witte). Neoliet heeft verder onweersproken gesteld dat [verzoeker], die bij haar geen stage liep, door ondertekening van een formulier ten tijde van het ongeval heeft verklaard over voldoende ervaring te beschikken om veilig indoor te kunnen voorklimmen en zekeren. [verzoeker] heeft daarnaast ook erkend (vgl. randnummer 22 spreekaantekeningen mr. E.J. de Koning-Witte) dat het voor een klimhal als Neoliet ondoenlijk is om op iedere klimmer toezicht te houden. Op welke wijze Neoliet volgens [verzoeker] dan wel toezicht had dienen te houden en hoe dit het ongeval had kunnen voorkomen, heeft [verzoeker] onvoldoende toegelicht.

 

Op grond van het voorgaande mist het verzoek naar het oordeel van de rechtbank dan ook feitelijke grondslag (voor zover het betreft de veronderstelde wetenschap bij Neoliet ten aanzien van het voornemen om te gaan abseilen) en is het voor het overige onvoldoende onderbouwd (voor zover het betreft het onvoldoende toezicht houden door Neoliet). Aansprakelijkheid van Neoliet op grond van artikel 6:162 BW kan niet worden aangenomen.

 

 

 

4.6.2.

Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank aansprakelijkheid van Neoliet worden aangenomen op grond van artikel 6:174 BW. Bij de beantwoording van de vraag of een opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de naar objectieve maatstaven te beantwoorden vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming ervan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken, deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (Hoge Raad 20 oktober 2000, NJ 2000, 700). Deze eisen zien met name op een drietal aspecten, in de eerste plaats de eisen die gelden met betrekking tot het ontwerp en de inrichting van de opstal, in de tweede plaats de eisen met betrekking tot de deugdelijkheid van de constructie en de daarin gebruikte materialen en in de derde plaats gaat het om de eisen met betrekking tot voldoende toezicht of onderhoud.

 

 

4.6.3.

Voor wat betreft deze uit artikel 6:174 BW voortvloeiende maatstaf geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat het verzoek van [verzoeker] feitelijke grondslag mist aangezien reeds is vastgesteld dat voor Neoliet niet bekend en voorzienbaar was dat de wand door [verzoeker] gebruikt zou worden voor abseilen. De wand betrof een indoor voorklimwand. Gesteld noch gebleken is verder dat deze wand intrinsiek ongeschikt was voor abseilen. Vast staat dat na het ongeval geen gebreken aan de wand zijn geconstateerd. Voor zover gebaseerd op de stelling dat Neoliet onvoldoende toezicht heeft gehouden op de wand, geldt dat [verzoeker] afgezet tegen het te verwachten gebruik (voorklimmen) en het gemotiveerde verweer van Neoliet omtrent de mate van toezicht die van een klimhal kan worden verwacht, deze stelling naar het oordeel van de rechtbank van een onvoldoende onderbouwing heeft voorzien.

 

 

 

Aansprakelijkheid van Fontys

 

 

 

4.7.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek ten aanzien van Fontys het volgende aangevoerd.

 

 

4.7.1.

Hij houdt Fontys aansprakelijk voor het hem op 23 maart 2011 overkomen klimongeval omdat Fontys als school haar zorgplicht zou hebben geschonden en zodoende jegens hem onrechtmatig zou hebben gehandeld (artikel 6:162 BW). Bij de vraag of de zorgplicht is geschonden dienen volgens [verzoeker] de Kelderluikcriteria (Hoge Raad 5 november 1965, NJ 1966, 135) te worden toegepast.

 

 

4.7.2.

 

Volgens [verzoeker] was hij aan de zorg van Fontys toevertrouwd toen hij zelfstandig met medestudenten aan het oefenen was voor de eindtoets. Door Fontys was duidelijk gemaakt dat de studenten, na het behalen van de tussentoets, zelfstandig konden gaan oefenen ter voorbereiding op de eindtoets. Tussen Fontys en Neoliet zijn afspraken gemaakt over het oefenen van klimtechnieken door studenten bij Neoliet omdat Fontys niet over een klimwand beschikte. Het oefenen maakt onderdeel uit van het opleidings- en lesprogramma van Fontys. Als gevolg daarvan rust op Fontys een bijzondere zorgplicht ten aanzien van de gezondheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en die onder haar toezicht staan. De aansprakelijkheid en de zorgplicht van scholen, zoals Fontys, beperkt zich niet tot louter de lesuren maar strekt zich ook uit over oefeningen die in het kader van de opleiding en buiten reguliere lesuren door leerlingen ter voorbereiding van een toets worden verricht. Fontys heeft het zelfstandig oefenen ook gefaciliteerd.

 

Fontys kon erop bedacht zijn dat leerlingen, zoals [verzoeker], abseilen zouden gaan oefenen nu deze techniek onderdeel was van het lesprogramma en tijdens lessen was geoefend. Een eventueel onderscheid tussen ‘toetsstof’ en ‘lesstof’ was de studenten, zoals [verzoeker], niet duidelijk. Het was [verzoeker] en zijn medestudenten niet bekend dat abseilen niet tot de examenstof zou behoren. Als [verzoeker] had gemeend dat technieken niet tot de examenstof zouden behoren, zou hij deze niet bij Neoliet zijn gaan oefenen. Nu hier onduidelijk over bestond, moet die onduidelijkheid voor rekening en risico van Fontys komen. Als Fontys niet wenste dat door studenten abseilen zou worden geoefend, had zij dat expliciet kenbaar moeten maken, wat zij heeft nagelaten. Fontys heeft niet aangegeven welke locaties geschikt zouden zijn voor het oefenen van outdoor voorklimmen en abseilen. Ook is tijdens lessen niet aangegeven dat de klimwand van Neoliet ongeschikt zou zijn voor abseilen. Fontys had het klimmen bij Neoliet moeten verbieden of extra toezicht moeten houden nu deze klimwand voor abseilen ongeschikt was. Het was voor Fontys voorzienbaar dat op de klimwand op een ongebruikelijke manier stand zou worden gemaakt. Een toezichthouder had kunnen ingrijpen of [verzoeker] had een toezichthouder om instructies kunnen vragen.

 

De kans op een ongeval was zeer reëel, nu het oefenen plaatsvond buiten lesuren zonder begeleiding. Die kans nam toe doordat [verzoeker] een klimtechniek oefende op een wand die daarvoor niet geschikt was. Klimmen is een relatief gevaarlijke sport waarbij met regelmaat ongelukken gebeuren. De kenbaarheid van het gevaar bij abseilen op een hoogte van 14 meter is een gegeven. De kans op ongevallen en op ernstige gevolgen is aanzienlijk.

 

Het ongeval had voorkomen kunnen worden indien veiligheidsmaatregelen zouden zijn getroffen. Fontys heeft met betrekking tot het gebruik van de wand geen instructies verstrekt of toezicht gehouden, dan wel een vorm van toezicht georganiseerd. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat Fontys heeft aangegeven dat [verzoeker] zelfstandig mocht gaan oefenen na het behalen van de tussentoets. In die situatie had van Fontys verlangd mogen worden dat zij meer instructies gaf en dat zij ervoor zorgde dat onder toezicht werd geoefend. Van Fontys had tevens mogen worden verwacht dat zij bij Neoliet ging inspecteren, wat geen bezwaarlijke maatregel is. Het is evenmin bezwaarlijk om studenten voor bepaalde oefeningen op één meter hoogte (droog) te laten oefenen. Dat het niet bezwaarlijk was om maatregelen te treffen blijkt onder meer uit het feit dat Fontys na het ongeval zelf een klimmuur heeft laten bouwen waar thans onder toezicht wordt geoefend. Deze klimhal is specifiek ingericht op de lesstof zodat alle technieken op een veilige manier kunnen worden geoefend.

 

 

 

4.7.3.

Naast het voorgaande is Fontys volgens [verzoeker] aansprakelijk voor de door haar ingeschakelde hulppersoon Neoliet (artikel 6:76 BW). Er zijn tussen Fontys en Neoliet afspraken gemaakt over het gebruik van de klimwand bij Neoliet door studenten van Fontys in het kader van hun opleiding omdat Fontys niet zelf over een klimwand beschikte. Het ongeval heeft plaatsgevonden in het kader van de uitvoering van de overeenkomst. [verzoeker] was immers aan het oefenen voor de eindtoets die Fontys enkele dagen later zou afnemen. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (o.m. Hoge Raad 21 mei 1999, JOR 1999/167) is de schuldenaar genoodzaakt tot een zorgvuldige keuze van de ingeschakelde hulppersoon, voor wie de schuldenaar aansprakelijk is. Van een zorgvuldige keuze is in dit geval geen sprake geweest. Fontys noch Neoliet hebben de klimwand gecontroleerd op geschiktheid voor abseilen en evenmin is enige vorm van toezicht gehouden. Ook zijn geen nadere instructies gegeven. Nu Neoliet volgens [verzoeker] aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en 6:74 BW, is Fontys om diezelfde redenen eveneens aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW.

 

 

4.8.

Fontys heeft samengevat het volgende verweer gevoerd.

 

 

4.8.1.

[verzoeker] heeft op 23 maart 2011 op eigen kosten, op eigen gelegenheid en buiten zijn stage om bij zijn voormalig werkgever Neoliet een outdoortechniek geoefend (abseilen) waarvan hij had kunnen en moeten weten dat die niet tot de examenstof behoorde. Tevens had [verzoeker] kunnen en moeten weten dat het bij (indoor)klimcentrum Neoliet niet gebruikelijk is om te gaan abseilen. Fontys is niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor het ongeval omdat ten tijde van het ongeval geen zorgverplichting voor Fontys jegens [verzoeker] bestond.

 

 

4.8.2.

 

Tussen Fontys en [verzoeker] is sprake geweest van een werkleerovereenkomst. De werkplek van [verzoeker] was bij Montana Snowcenter in Westerhoven. Andere studenten liepen stage bij Neoliet. Tussen Fontys en Neoliet is sprake van een samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan Neoliet stage- en afstudeerplekken biedt aan studenten van Fontys. De heer [G] (hierna: [G]), opleidingsdocent bij Fontys, heeft met de heer [R] van Neoliet afgesproken dat studenten die stage liepen bij Neoliet de vaardigheden die vereist zijn voor de toets voor het KVB Indoor Voorklimmen mogen oefenen bij Neoliet te Eindhoven, mits deze vaardigheden werden uitgevoerd onder begeleiding van een werkplekbegeleider onder stageomstandigheden en na het succesvol afsluiten van de tussentoets. De tussentoets is qua inhoud hetzelfde als de eindtoets KVB Voorklimmen. Het ombouwen tot abseilen viel buiten deze afspraak.

 

[verzoeker] liep geen stage bij Neoliet en hij heeft op enig moment (samen met andere studenten die geen stage liepen bij een klimhal) het verzoek bij [G] neergelegd of hij net als de studenten die bij Neoliet stage liepen bij Neoliet mocht oefenen voor de toets KVB Indoor Voorklimmen. [G] heeft dit verzoek besproken met [R] van Neoliet die hierop heeft geantwoord dat dit niet mogelijk was. Wel konden deze studenten net als andere particulieren op eigen gelegenheid en eigen kosten komen klimmen bij Neoliet. [G] heeft dit doorgegeven aan [verzoeker] die daarop te kennen gaf dat hij nog contact had met mensen van Neoliet en dat hij zelf met Neoliet wel afspraken zou maken. Door Fontys wordt betwist dat [verzoeker] met toestemming van Fontys zelfstandig mocht oefenen op de klimwand bij Neoliet. Evenmin mocht [verzoeker] zonder instructeur/begeleiding oefenen. Het ongeval heeft niet plaatsgevonden tijdens lesuren en evenmin tijdens de stage die [verzoeker] liep voor zijn opleiding bij Fontys. [verzoeker] was ten tijde van het ongeval dus niet aan de zorg van Fontys toevertrouwd en stond niet onder toezicht van Fontys. Fontys had ten tijde van het ongeval geen enkele zeggenschap over [verzoeker].

 

[verzoeker] was ten tijde van het ongeval niet aan het oefenen voor de eindtoets KVB Indoor Voorklimmen omdat abseilen niet tot de examenstof behoorde. Fontys heeft de examenstof op verschillende manieren gecommuniceerd aan haar studenten, namelijk in de studiehandleiding, door bespreking tijdens de les en door plaatsing in de digitale leeromgeving. [verzoeker] wist, althans had kunnen weten dat abseilen niet tot de stof van de eindtoets KVB Indoor Voorklimmen behoorde.

 

Uit onderzoek van de NKBV blijkt dat de klimwand bij Neoliet niet goed geschikt is om te gaan abseilen en het NKBV concludeert dat de studenten hadden moeten weten dat ze niet mochten abseilen. Het is niet gebruikelijk om in een klimhal outdoortechnieken, waaronder abseilen, te oefenen. De outdoortechnieken werden door Fontys uitsluitend op een outdoor locatie in Bergschenhoek in Zuid-Holland geoefend, eerst op de grond en daarna pas op hoogte. Fontys vindt klimhal Neoliet niet goed geschikt om outdoortechnieken uit te voeren. [verzoeker] wist dit, althans had dit moeten weten nu daar ook tijdens lessen door docenten van Fontys op is gewezen. Fontys betwist dat zij naar aanleiding van het ongeval maatregelen heeft genomen en ervoor heeft gekozen een eigen klimwand te realiseren bij Fontys. Die plannen om een eigen klimhal te realiseren waren er al voordat het ongeval had plaatsgevonden. Deze klimhal is eigendom van de gemeente. Nog steeds worden outdoortechnieken (waaronder abseilen) uitsluitend geoefend op een outdoor klimlocatie.

 

[verzoeker] is een ervaren klimmer en was op de hoogte van de klimomstandigheden bij Neoliet. [verzoeker] klom al drie jaar op eigen initiatief bij Neoliet en heeft bij Neoliet gewerkt als barmedewerker waarbij hij ook klimmaterialen uitgaf. Verder heeft [verzoeker] ook gedurende zijn MBO opleiding Sport en Bewegen bij ROC in Tilburg geklommen. [verzoeker] beschikte over een licentie K2 om zelfstandig te mogen klimmen. Hij is een gekwalificeerd toprope klimmer.

 

De NKBV heeft in haar rapport geconcludeerd dat de oorzaak van het ongeval de onjuiste wijze van zelfzekering door [verzoeker] is geweest. Het staat vast dat er door het NKBV geen gebreken zijn geconstateerd aan de klimwand. De zorgplicht van Fontys strekt zich niet zo ver uit dat Fontys ook instructies moet geven aan en toezicht moet houden op haar studenten die op eigen gelegenheid en eigen kosten, buiten de lesuren en stage gaan klimmen. Ook als [verzoeker] wel toestemming zou hebben gehad van Fontys om te gaan oefenen bij Neoliet, leidt dat niet tot aansprakelijkheid van Fontys voor het ongeval. Het staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden doordat [verzoeker] in de enkele haak direct de schroefkarabiner van zijn zelfzekering heeft gehangen en vervolgens de schroefkarabiner van zijn zelfzekering heeft losgemaakt. Naast het feit dat het voor Fontys niet voorzienbaar was dat [verzoeker] op eigen gelegenheid in een indoor klimhal zou gaan abseilen, was ook deze specifieke handeling van [verzoeker] voor Fontys onvoorzienbaar zodat zij niet gehouden was specifiek daarop gerichte voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen te treffen.

 

 

 

4.8.3.

[verzoeker] had geen toestemming van Fontys en Neoliet om – net als studenten die stage liepen bij Neoliet – bij Neoliet te oefenen voor de toets KVB Indoor Voorklimmen. Dat [verzoeker] heeft besloten om in zijn eigen tijd en op eigen kosten bij Neoliet te gaan klimmen, maakt dat Neoliet niet als hulppersoon van Fontys is te beschouwen. Neoliet is niet gebruikt bij de uitvoering van een verbintenis met [verzoeker] ten aanzien waarvan aansprakelijkheid in het geding is. Artikel 6:76 BW ziet verder op de toerekening van gedragingen van hulppersonen en niet op toerekening van het gebruik van ongeschikte zaken. Fontys betwist dat de klimmuur bij Neoliet een gebrekkige opstal is als bedoeld in artikel 6:174 BW.

 

 

4.9.

 

De rechtbank zal eerst het verzoek van [verzoeker] beoordelen voor zover dat is gebaseerd op de grondslag van artikel 6:76 BW. Volgens dat wetsartikel is een schuldenaar, die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van de hulp van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.

 

Tussen partijen staat vast dat het klimongeval niet tijdens lesuren en niet gedurende de stage van [verzoeker] heeft plaatsgevonden. [verzoeker] liep immers stage bij Snowcenter Montana en niet bij Neoliet. [verzoeker] heeft niet, althans onvoldoende toegelicht op grond waarvan in deze situatie sprake is van de uitvoering door Fontys van een jegens hem bestaande verbintenis uit de tussen partijen gesloten leerwerkovereenkomst, noch heeft hij aangegeven wat deze verbintenis volgens hem inhield. Volgens Neoliet bestond de samenwerking met Fontys slechts uit het bieden van stageplaatsen. Dat Fontys en Neoliet een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan Neoliet als hulppersoon Fontys kan worden beschouwd in het kader van de uitvoering van de leerwerkovereenkomst van [verzoeker], is door Fontys betwist en door [verzoeker] niet aangetoond. Onder deze omstandigheden volgt de rechtbank [verzoeker] niet in zijn stelling dat zelfstandig oefenen onderdeel uitmaakt van het opleidings- en lesprogramma van Fontys nu hij deze stelling verder onvoldoende heeft uitgewerkt. Nu een onderbouwing van deze grondslag voor het overige ontbreekt, kan Neoliet ten aanzien van [verzoeker] niet als hulppersoon van Fontys als bedoeld in artikel 6:76 BW worden beschouwd. Voor zover op deze grondslag gebaseerd, is het verzoek niet toewijsbaar. Hetgeen Fontys en [verzoeker] overigens ten aanzien van deze grondslag hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

 

 

 

4.10.

[verzoeker] baseert zijn verzoek verder op onrechtmatige daad (6:162 BW) en meer specifiek op de Kelderluikcriteria. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de Kelderluikcriteria in dit specifieke geval echter minder geschikt voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag op grond van artikel 6:162 BW gelet op de (onderwijs)verhouding tussen partijen. Wel is de rechtbank met [verzoeker] van oordeel dat op een school als Fontys een zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van haar leerlingen en dat schending van die zorgplicht een onrechtmatige daad jegens haar leerlingen kan opleveren. Daarbij geldt dat de zorgplicht van een school die bewegingsonderwijs geeft, waarbij het risico op ernstig letsel vaak aanzienlijk is, doorgaans zwaarder is dan de zorgplicht van een school in andere situaties.

 

 

4.11.

De rechtbank volgt Fontys niet in haar stelling dat buiten lesuren en stage voor haar geen enkele zorgverplichting ten aanzien van haar leerlingen meer geldt. De zorgverplichting van een school geldt naar het oordeel van de rechtbank ook in de voorfase van het bewegingsonderwijs waarin de school de randvoorwaarden voor de beoefening van de sport formuleert. Nu naar het oordeel van de rechtbank voldoende vaststaat dat het klimongeval buiten stage- en lesuren heeft plaatsgevonden, is van belang of Fontys haar zorgverplichting in de voorfase is nagekomen en dus of Fontys voldoende voorwaarden heeft geformuleerd die nodig zijn voor het op een veilige manier beoefenen van de klimsport door haar leerlingen, zowel tijdens als buiten lesuren. Die verplichting tot het formuleren van voorwaarden voor een veilige sportbeoefening geldt eens te meer in een situatie als de onderhavige waarin de school zelf over onvoldoende faciliteiten beschikt en (sommige van) haar leerlingen adviseert zelfstandig bij een derde te gaan oefenen die wel over de benodigde faciliteiten beschikt. Een school dient er dan voor te zorgen dat aan de leerlingen voldoende instructies worden gegeven zodat geoefend kan worden in een voor de leerlingen veilige omgeving met voldoende toezicht.

 

 

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank is Fontys haar zorgverplichting in deze voorfase onvoldoende nagekomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

 

 

4.12.1.

In de eerste plaats moet op basis van de in deze procedure vaststaande feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat Fontys onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de inhoud en de vereiste vaardigheden van de eindtoets KVB Indoor Voorklimmen. Uit de rapportage van het NKBV blijkt weliswaar dat Fontys vlak voor de toets een extra bericht in de elektronische leeromgeving heeft geplaatst over de handelingen die vereist zijn voor de toets (productie 6 Fontys), maar onduidelijk is gebleven wanneer dit bericht is geplaatst en of alle studenten hiervan redelijkerwijs nog kennis hebben kunnen nemen voorafgaand aan de toets. Volgens Fontys blijkt ook uit artikel 5.2. van het leerarrangement (productie 5 Fontys) welke vaardigheden getoetst zouden worden. De rechtbank volgt Fontys daarin. Daar staat echter tegenover – zoals tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen – dat Fontys de tussentoets heeft afgenomen op een outdoor klimlocatie en dat die dag ook outdoor technieken (waaronder abseilen) zijn geoefend en/of getoetst. Fontys heeft de studenten bovendien te kennen gegeven dat de eindtoets KVB Indoor Voorklimmen qua inhoud hetzelfde zou zijn als de tussentoets (vgl. ook randnummer 30 verweerschrift Fontys). Naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat hierdoor bij studenten onduidelijkheid is ontstaan of vaardigheden zoals abseilen onderdeel van de examenstof zouden uitmaken. Het NKBV heeft in haar rapportage hierover opgenomen (productie 3 [verzoeker], pagina 3 onderaan): “De studenten van Fontys hebben aangegeven dat Fontys bij de opleiding duidelijker kan maken welke vaardigheden voor welke toets bedoeld zijn. Fontys heeft aangegeven dat dit al op meerdere manieren gebeurde. Omdat er toch verwarring over is zal Fontys de studenten hier toch duidelijker op moeten wijzen. Wellicht is het aan te raden vaardigheden, die pas voor een volgende toets nodig zijn, te onderwijzen als de betreffende student voor de eerdere toets geslaagd is.” De rechtbank volgt de NKBV hierin en maakt deze aanbeveling tot de zijne. De conclusie hiervan is dat Fontys kan worden verweten dat zij onvoldoende duidelijke informatie over de inhoud van de eindtoets heeft gegeven waardoor [verzoeker] redelijkerwijs kon denken dat hij abseilen moest gaan oefenen.

 

 

4.12.2.

 

In de tweede plaats heeft Fontys naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende instructies gegeven en onvoldoende voorwaarden geformuleerd voor een veilige voorbereiding op de eindtoets. Vast staat dat Fontys aan de studenten die de tussentoets met goed gevolg hadden afgelegd, heeft medegedeeld dat zij zelfstandig mochten gaan oefenen voor de eindtoets. Verder staat vast dat aan het zelfstandig oefenen door Fontys voorwaarden zijn verbonden. Volgens Fontys is – zoals volgens haar blijkt uit de verklaring van [G] (productie 3 Fontys) – met [R] van Neoliet besproken en afgesproken dat: “studenten die stage lopen bij Neoliet de vaardigheden die vereist zijn voor de toets voor het KVB Indoor Voorklimmen mogen oefenen bij Neoliet te Eindhoven mits deze vaardigheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een werkplekbegeleider, onder stageomstandigheden. Dit kan pas na het succesvol afsluiten van een tussentoets.” Vast staat ook dat deze voorwaarden bij [verzoeker] bekend waren, nu [verzoeker] in dit verband heeft verklaard dat hij meermaals aan [G] heeft gevraagd of hij ook bij Neoliet mocht gaan oefenen ondanks dat hij geen stage liep bij Neoliet maar bij Montana Snowcenter. Tussen partijen is echter in geschil of Fontys hieromtrent duidelijkheid heeft gegeven aan [verzoeker]. Volgens Fontys heeft [G] aan [verzoeker] te kennen gegeven dat hij niet bij Neoliet mocht gaan oefenen omdat hij geen stage liep bij Neoliet, maar [verzoeker] heeft dit betwist. Volgens hem is er nooit duidelijk antwoord gegeven en ook mevrouw [S] van Neoliet heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat een dergelijke vraag over het zelfstandig oefenen door studenten die geen stage liepen bij Neoliet bij haar niet bekend is. Of de onduidelijkheid over wat [verzoeker] nu wel of niet mocht in het kader van de voorbereiding voor de eindtoets aan Fontys kan worden verweten, kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden worden gelaten.

 

Ook als ervan zou worden uitgegaan dat Fontys aan [verzoeker] te kennen heeft gegeven dat hij niet mocht oefenen bij Neoliet, dan nog staat voor de rechtbank vast dat Fontys aan [verzoeker] onvoldoende instructies heeft gegeven en onvoldoende voorwaarden heeft geformuleerd voor een veilige voorbereiding op de eindtoets nu gesteld noch gebleken is dat Fontys [verzoeker] en de overige studenten die niet bij Neoliet stage liepen een alternatief heeft geboden om te oefenen of instructies heeft gegeven op welke wijze zij zich dan moesten voorbereiden op de eindtoets. Dat het [verzoeker] en zijn medestudenten volgens Fontys wel vrij stond om zelf op eigen kosten en gelegenheid te gaan oefenen bij Neoliet, oordeelt de rechtbank een onvoldoende alternatief. Er is daarbij immers geen sprake van stageomstandigheden onder toezicht en begeleiding van een werkplekbegeleider en dus van een minder hoog veiligheidsniveau dan het niveau dat Fontys noodzakelijk achtte voor de studenten die wel stage liepen bij Neoliet. Fontys kan daarom in ieder geval worden verweten dat zij heeft nagelaten [verzoeker] en de overige studenten die geen stage liepen bij Neoliet een vergelijkbaar alternatief te bieden of instructies te geven op welke wijze zij zich dan veilig konden voorbereiden op de eindtoets.

 

 

 

4.13.

 

Nu Fontys haar zorgverplichting in de voorfase van het onderwijs onvoldoende is nagekomen, is zij naar het oordeel van de rechtbank voor de gevolgen van het [verzoeker] op 23 maart 2011 overkomen klimongeval aansprakelijk.

 

[verzoeker] heeft verklaard dat hij, indien hij had geweten dat abseilen geen onderdeel zou uitmaken van de toetsstof van het KVB Indoor Voorklimmen, hij deze vaardigheid niet was gaan oefenen bij Neoliet. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze onweersproken gelaten stelling van [verzoeker] te twijfelen. Op grond daarvan oordeelt de rechtbank voldoende causaal verband aanwezig tussen de zorgplichtschending en het ongeval op 23 maart 2011.

 

 

 

 

Eigen schuld

 

 

 

4.14.

Fontys heeft een beroep gedaan op eigen schuld (6:101 BW) en op grond daarvan betoogd dat de schadevergoedingsverbintenis geheel dient te vervallen, dan wel aanzienlijk dient te worden verminderd. Fontys heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] op de hoogte was van de klimomstandigheden bij Neoliet en als ervaren klimmer wist dat het bij Neoliet niet gebruikelijk was om te gaan abseilen. [verzoeker] wist van tevoren dat hij zich niet kon zekeren en/of een standplaats kon maken conform de gebruikelijke standaardsituatie, hetgeen hem ervan had moeten weerhouden te gaan abseilen. Hij heeft zich daarmee volgens Fontys bewust in een voor hem onbekende en potentieel gevaarlijke situatie begeven.

 

 

4.15.

 

Bovenstaand oordeel over schending van de zorgplicht door Fontys neemt naar het oordeel van de rechtbank inderdaad niet weg dat [verzoeker] vanwege de door hem gemaakte keuzes en gedragingen het ongeval in aanzienlijke mate zelf heeft veroorzaakt zodat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker]. Daarbij is de rechtbank wel met [verzoeker] van oordeel dat niet zwaar meegewogen dient te worden het feit dat [verzoeker] de fout heeft gemaakt om zijn eigen zekering los te maken. Voldoende is gebleken dat [verzoeker] ten aanzien van de vaardigheden voorklimmen en abseilen niet als ervaren klimmer kan worden beschouwd. De fout hangt naar het oordeel van de rechtbank daarom nauw samen met het nog niet volledig beheersen van de vaardigheid die werd geoefend, hetgeen [verzoeker], die nu juist een opleiding volgde om die vaardigheden te leren, niet kan worden verweten. Ook wordt bij het percentage eigen schuld de ernst van de gevolgen van het klimongeval voor [verzoeker] meegewogen en zijn relatief jonge leeftijd ten tijde van het ongeval van 23 jaar.

 

In het nadeel van [verzoeker] wordt meegewogen dat hij bekend was bij Neoliet aangezien hij bij Neoliet op basis van een nulurencontract barwerkzaamheden heeft verricht en kinderfeestinstructies heeft gegeven. [verzoeker] kende de huisregels en wist dat abseilen ongebruikelijk was bij Neoliet. [verzoeker] heeft er desondanks voor gekozen deze vaardigheid bij Neoliet te gaan oefenen. Ook is er bij aankomst bij Neoliet niet expliciet medegedeeld dat [verzoeker], [H] en [B] zouden gaan abseilen en er is door [verzoeker] niet om toestemming of advies gevraagd. [verzoeker] wist bovendien dat de door hem gebruikte klimwand niet, althans minder geschikt was om te abseilen nu hij heeft opgemerkt dat de situatie op de wand afweek van de situatie tijdens de lessen van Fontys op de outdoor klimlocatie.

 

Gelet op dit een en ander is de schade die [verzoeker] heeft geleden door het ongeval ook voor een belangrijk deel het gevolg van omstandigheden die aan [verzoeker] kunnen worden toegerekend, wat de vergoedingsplicht van Fontys doet verminderen. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, hebben naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate bijgedragen aan het ongeval zodat het percentage eigen schuld op 60 % wordt gesteld.

 

 

Kosten deelgeschil

 

4.16.

[verzoeker] verzoekt begroting van zijn kosten op een bedrag van € 8.455,44 inclusief btw te vermeerderen met de (reis)tijd voor de mondelinge behandeling en de tijd voor werkzaamheden na de ontvangst van de beschikking.

 

 

4.17.

Fontys heeft bezwaar gemaakt tegen de gehanteerde uurtarieven van € 235,– en 245,– (exclusief btw) en tegen de bestede tijd van 29,30 uren aan het verzoekschrift, welke tijdsbesteding door haar niet redelijk wordt geacht. Volgens Fontys dienen de kosten te worden begroot op een bedrag van hooguit € 3.267,–.

 

 

4.18.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

 

 

4.19.

De rechtbank oordeelt de gehanteerde uurtarieven redelijk nu deze binnen de marges van de gebruikelijke marktconforme tarieven blijven en daarnaast geen kantoorkosten worden gerekend. Het aantal gerekende uren (29,30) voor het opstellen van het verzoekschrift komt de rechtbank echter bovenmatig voor. Aan de aan beide verweersters gemaakte verwijten ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag en ook de juridische grondslag is deels hetzelfde. De rechtbank zal het aantal uren daarom matigen tot 20. Voor de behandeling van het verweerschrift, reistijd, de mondelinge behandeling inclusief voorbereiding en werkzaamheden na ontvangst van de beschikking zal in totaal 10 uur worden gerekend. Het totaal aantal uren komt daarmee op 30. De totale kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv worden door de rechtbank vastgesteld op een bedrag van € 8.658,72. Nu het gaat om schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zal de rechtbank de veroordeling van Fontys in de kosten van het deelgeschil evenredig verminderen met het percentage van de eigen schuld van [verzoeker].

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

 

beslist dat Fontys aansprakelijk is voor het klimongeval van 23 maart 2011 en dat Fontys gehouden is om veertig procent (40%) van de schade te vergoeden die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden;

 

 

stelt de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv vast op een bedrag van € 8.658,72 en veroordeelt Fontys om veertig procent (40%) van die kosten, derhalve een bedrag van € 3.463,49 aan [verzoeker] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag van volledige betaling;

 

 

 

 

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

 

 

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots