Rb, deelgeschil: school niet tekortgeschoten in zorgplicht en niet aansprakelijk voor tandletsel

Samenvatting:

Op schoolplein van basisschool heeft incident plaatsgevonden waarbij leerling tandletsel heeft opgelopen. De kantonrechter overweegt dat, zelfs als de leerling is geslagen door een andere leerling, de school niet is tekortgeschoten in het toezicht en er geen sprake is van onzorgvuldig handelen van de school. De school heeft gesteld dat beide kinderen normale leerlingen waren, die geen speciale aandacht van de leerkrachten vereisten. Gelet op dit gemotiveerde verweer, had het op de weg gelegen van verzoekster om nadere feiten te stellen waaruit blijkt dat de veroorzakende leerling eerder betrokken was bij soortgelijke incidenten of dat zij een gevaar vormde waardoor extra toezicht of maatregelen nodig waren. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil: € 4.472,43.

ECLI:NL:RBMNE:2018:3678

 

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 31-07-2018
Datum publicatie 14-08-2018
Zaaknummer 6831228 / ME VERZ 18-74

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Letselschade. Deelgeschilprocedure. Zorgplicht school. School heeft niet onrechtmatig gehandeld. Vorderingen worden afgewezen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .   .   .beschikking

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

kantonrechter

 

 

 

 

locatie Almere

 

 

 

 

Beschikking van 31 juli 2018

 

 

 

 

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 6831228 / ME VERZ 18-74 van

 

 

 

 

[verzoekster] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam minderjarige],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde mr. P.M.G.W. Bringmann,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de stichting ALMEERSE SCHOLEN GROEP (ASG) STICHTING VOOR OPENBAAR PRIMAIR ONDERWIJS ,

gevestigd te Almere,

verweerster, hierna ook te noemen: ASG,

gemachtigde mr. B.M. Paijmans.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift

 

het verweerschrift

 

de mondelinge behandeling en de schriftelijke aantekeningen van mr. Bringmann.

 

 

 

 

2 De feiten

 

 

 

2.1.

[voornaam van minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006, is een leerling van de openbare basisschool [naam basisschool] (hierna: [naam basisschool] ) te [vestigingsplaats] . [naam basisschool] valt onder het bevoegd gezag van ASG (verweerster).

 

 

2.2.

Op donderdag 21 januari 2016 speelden drie groepen van kinderen uit groep 5 – in totaal tachtig leerlingen – tijdens de middagpauze buiten op één van de twee schoolpleinen van [naam basisschool] .

 

 

2.3.

Op enig moment werd op het schoolplein een rij van leerlingen gevormd. Zowel voorin als halverwege de rij stond een medewerker van de kinderopvang ‘ [naam kinderopvang] ’. Deze medewerkers hielden toezicht op het schoolplein, zodat de leerkrachten van de school pauze konden houden.

 

 

2.4.

In het midden van de gevormde rij stond [voornaam van minderjarige] . Achter [voornaam van minderjarige] in de rij stond [A] , een leeftijdsgenoot van [voornaam van minderjarige] .

 

 

2.5.

Terwijl de leerlingen in de rij stonden heeft een incident plaatsgevonden, waardoor [voornaam van minderjarige] letsel aan haar tanden heeft opgelopen. Bij de bedrijfshulpverlening van [naam basisschool] is geconstateerd dat twee blijvende boven voortanden van [voornaam van minderjarige] ontbreken.

 

 

2.6.

Op 27 januari 2016 is er aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte is, voor zover relevant, vermeld:

“(…)

Ik stond dus samen met [B] in de rij te wachten en ik was aan het spelen met [B] . Ik voelde ineens een duw in mijn rug. Hierdoor draaide ik me om. Ik zag dat [A] achter mij stond en ineens zag en hoorde ik dat [A] naar me keek en tegen me zei dat ik op moest houden om de prinses uit te hangen. Vervolgens voelde en zag ik dat [A] met haar vuist in de richting ging van mijn hoofd. Ik voelde ineens een scherpe pijn op mijn mond. Ik voelde pijn bij mijn tanden en mijn boven en onderlip. Ik voelde en zag dat [A] dit met opzet en met kracht deed. Ik voelde en zag dat mijn hoofd naar achteren schoot. Ik voelde aan mijn mond en ik voelde dat mijn twee voortanden er niet meer waren. Ik begon meteen te huilen van de pijn en ben hierna meteen naar de leidster gelopen welke op moest letten tijdens de pauze. Ik weet haar naam niet. Ze stuurde me meteen naar een andere volwassenen op het schoolplein en die stuurde me naar binnen naar juffrouw [C] . Hier werden er watjes op mijn mond gehouden en is mijn moeder gebeld. Nadat mijn moeder mij heeft opgehaald ben ik samen met haar naar de tandarts gegaan.

(…).”

 

 

2.7.

In de brief van 30 januari 2016 van de kaakchirurg aan de tandarts is, voor zover relevant, vermeld:

“(…)

 

 

 

Op 21 januari 2016 zag ik bovengenoemde patiënte omstreeks 14:10 uur. Tussen de middag ongeveer om 12:15uur zijn haar 2 voortanden door een leeftijdsgenootje uit de mond geslagen. Beide tanden zijn in melk bewaard en vervolgens zijn ze direct naar de tandarts gegaan. Nadat ze bij de tandarts waren geweest is er overleg gepleegd met mij waar ik de patiënte direct heb laten komen.

 

 

 

 

(…) Na telefonisch overleg met een kindertandarts- endodontoloog in Amsterdam en met uw assistent omdat u zelf op dat moment in behandeling was, was de conclusie dat terugplaatsen geen zin zou hebben en is er besloten tot verwijdering van de wortelresten.

 

 

 

 

(…).”

2.8. [A] is verhuisd naar [plaatsnaam] . Zij werd met ingang van het schooljaar 2016/2017 leerling van een school in [plaatsnaam] .

 

 

 

2.9.

Ten tijde van de mondelinge behandeling van deze zaak is [voornaam van minderjarige] leerling van groep 7 van [naam basisschool] .

  1. Het geschil

 

 

3.1.

[verzoekster] heeft, na wijziging van eis, verzocht, bij beschikking, te oordelen dat [naam basisschool] aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit het ongeval van 21 januari 2016, tot op heden begroot op € 2.500,-. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 4.472,43 te voldoen, te vermeerderen met de proceskosten.

 

 

3.2.

[verzoekster] stelt hiertoe dat [naam basisschool] onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [verzoekster] heeft de school een zorgplicht die bestaat uit het houden van voldoende toezicht en zo nodig ingrijpen indien er sprake is van een kenbare gevaarzettende situatie. Hierin is [naam basisschool] tekortgeschoten, aldus [verzoekster] .

3.3. ASG voert verweer.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

 

 

4

  1. De beoordeling

 

 

 

4.1.

Tussen partijen is in geschil of ASG c.s. jegens [verzoekster] aansprakelijk is voor de door [voornaam van minderjarige] geleden schade ten gevolge van het incident op 21 januari 2016.

 

4.2.

ASG heeft primair betoogd dat het verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen, omdat de aansprakelijkheid van ASG ontbreekt. Naar de mening van ASG heeft [naam basisschool] niet onzorgvuldig gehandeld en is ASG niet aansprakelijk voor de schade van [voornaam van minderjarige] . Voorts is volgens ASG de schade niet onderbouwd en betwist zij de post eigen risico zorgverzekering. Subsidiair heeft ASG betoogd dat dit geschil zich niet leent voor behandeling in deze procedure. De precieze toedracht van het incident is niet komen vast te staan. Volgens ASG zal [verzoekster] (getuigen)bewijs moeten leveren van haar stellingen, terwijl dit het bestek van de deelgeschilprocedure te buiten gaat.

 

 

4.3.

Partijen verschillen van mening over de toedracht van het incident. Volgens [verzoekster] is [voornaam van minderjarige] geslagen door [A] . ASG heeft daartegen aangevoerd dat [voornaam van minderjarige] in eerste instantie heeft verteld dat er een botsing in de rij had plaatsgevonden met [A] , dat [A] heeft verteld dat dit per ongeluk is gebeurd en dat pas later is genoemd dat sprake is van stompen of slaan. De kantonrechter overweegt dat in het midden kan worden gelaten wat de toedracht is geweest van het incident. Ook indien zou komen vast te staan dat [voornaam van minderjarige] is geslagen, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van onzorgvuldig handelen van de school. Daartoe wordt het volgende overwogen.

 

 

4.4.

Artikel 6:162 lid 2 bepaalt, voor zover hier van belang, dat als een onrechtmatige daad wordt aangemerkt een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Vooropgesteld is dat volgens vaste jurisprudentie op een school een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze bijzondere zorgplicht houdt in dat een school alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd om een veilig schoolklimaat te bieden. De zorgplicht is echter niet onbegrensd. De maatschappelijke zorgvuldigheid vereist niet dat op iedere leerling rechtstreeks toezicht wordt gehouden zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en dat direct kan worden ingegrepen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch

7 september 2000, NJ 2001, 577).

4.5. De vraag is of [naam basisschool] in zodanige mate is tekort geschoten in de op haar rustende zorgplicht dat gezegd kan worden dat zij heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

 

 

4.6.

 

Volgens [verzoekster] heeft de school onvoldoende toezicht gehouden nu [voornaam van minderjarige] ernstig is mishandeld tijdens de pauze met lichamelijk en emotionele/psychische schade tot gevolg.

 

ASG heeft betoogd dat op 21 januari 2016 op zorgvuldige wijze toezicht op het schoolplein werd gehouden en aangevoerd dat er twee toezichthouders van [naam kinderopvang] waren. Daarnaast zijn er volgens ASG ook altijd Pabo-stagiaires, studenten pedagogiek van de UvA en ROC-studenten op [naam basisschool] aanwezig, die toezicht houden op de schoolpleinen tijdens het buiten spelen. Dit is een gebruikelijke en zorgvuldige wijze van toezicht houden op dergelijke leerlingen van een reguliere school; de medewerkers hadden voldoende overzicht voor deze specifieke leerlingenpopulatie, aldus ASG.

 

[verzoekster] heeft dit betoog niet weersproken, zodat niet is komen vast te staan dat de school onvoldoende toezicht heeft gehouden.

 

 

 

4.7.

Voorts stelt [verzoekster] dat de school maatregelen had moeten treffen tegen het gedrag van [A] nu het niet de eerste keer was dat zij soortgelijk gedrag vertoonde tegenover medeleerlingen. Ter zitting heeft [verzoekster] desgevraagd deze stelling toegelicht en verklaard dat de voormalige directeur van [naam basisschool] , de heer [D] , in een gesprek met [verzoekster] heeft gezegd dat [A] een moeilijk (althans een agressief) kind was. ASG voert aan dat het leerlingdossier van [A] geen bijzonderheden bevat die relevant zijn voor het incident. Zowel [voornaam van minderjarige] als [A] zijn volgens ASG normale, leuke leerlingen zonder voorgeschiedenis of ander gedrag dat speciale aandacht van de leerkrachten vereist. Gelet op dit gemotiveerde verweer, had het op de weg gelegen van [verzoekster] om nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat [A] eerder betrokken was bij soortgelijke incidenten of dat zij een gevaar vormde waardoor extra toezicht of maatregelen nodig waren. [verzoekster] heeft dit echter nagelaten, zodat onvoldoende is onderbouwd dat [A] een moeilijk (althans agressief) kind was tegen wie maatregelen moesten worden getroffen.

 

 

4.8.

 

Ten slotte is naar de mening van [verzoekster] door ASG onvoldoende nazorg betracht. Ter zitting is gebleken dat [verzoekster] vindt dat de school na het incident ten onrechte meer aandacht had voor [A] dan voor [voornaam van minderjarige] .

 

Dit wordt door ASG betwist. ASG betoogt dat na het incident met beide meisjes is gesproken.

 

De kantonrechter overweegt dat niet in geschil is dat de school adequaat heeft gereageerd op het letsel van [voornaam van minderjarige] . Ook is als onbetwist komen vast te staan dat [voornaam van minderjarige] is opgevangen door medewerkers van de bedrijfshulpverlening van school en een leerkracht. Dat daarnaast ook [A] is opgevangen, betekent niet dat [voornaam van minderjarige] onvoldoende nazorg heeft ontvangen.

 

 

 

4.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat [naam basisschool] de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW niet heeft geschonden. Zij heeft niet onrechtmatig gehandeld. ASG is dan ook niet aansprakelijk voor de schade van [voornaam van minderjarige] . Het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen.

Kosten

 

 

4.10.

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

 

 

4.11.

[verzoekster] heeft € 4.472,43 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. Nu geoordeeld is dat ASG niet aansprakelijk is, kunnen deze kosten slechts worden begroot. Aangezien [verzoekster] geen specificatie van deze kosten heeft overgelegd kan de kantonrechter niet beoordelen of het gaat om redelijke kosten. Het verzoek tot begroting van de kosten wordt dan ook afgewezen.

 

 

 

5 De beslissing

 

De kantonrechter:

 

 

5.1.

wijst de verzoeken af.

 

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots