Rb, deelgeschil: school niet aansprakelijk voor letsel 11-jarige jongen door val uit boom

Samenvatting:

Een 11-jarige jongen valt tijdens een uitje met school uit een boom. De ouders stellen de school aansprakelijk. 1. De rechtbank oordeelt dat de school bij het uitje voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en dat veiligheidsinstructies zijn gegeven ter voorkoming of beperking van het risico van een ongeval. Geen schending zorgplicht, verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil: € 5.775,-.

 

 

ECLI:NL:RBZWB:2020:351

 

Instantie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak

09-01-2020

Datum publicatie

30-01-2020

Zaaknummer

C/02/360871 / HA RK 19-167

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. 11-jarige jongen valt tijdens een uitje met school uit een boom. Ouders stellen de school aansprakelijk. Geen schending van de zorgplicht. Voldoende voorzorgsmaatregelen, veiligheidsinstructies en toezicht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

 

Cluster II Handelszaken

 

Breda

 

zaaknummer / rekestnummer: C/02/360871 / HA RK 19-167

 

Beschikking van 9 januari 2020

 

in de zaak van

 

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [naam zoon],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekers,

 

advocaat mr. R.B. Milo te Tilburg,

 

tegen

 

de stichting

 

STICHTING BRAVOO ,

 

gevestigd te Kaatsheuvel,

 

verweerster,

 

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

 

Verzoekers worden in het navolgende aangeduid als [verzoekers] en verweerster als Stichting Bravoo.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 het verzoekschrift ex art. 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 17 juli 2019, met de producties 1-7;

 

 het verweerschrift ex art. 1019w Rv, met productie 1;

 

 de brief van 25 november 2019 van mr. Milo met productie 8;

 

 de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 28 november 2019;

 

 de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zijde van [verzoekers] . overgelegde “opmerkingen naar aanleiding van het verweerschrift inzake [naam zoon] /Stichting Bravoo”.

2 Het geschil

2.1.

 

[verzoekers] verzoeken de rechtbank (na vermeerdering ten aanzien van de kosten) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. te verklaren voor recht dat Stichting Bravoo jegens [naam zoon] althans [verzoekers] aansprakelijk is voor de door [naam zoon] als gevolg van het ongeval van 22 april 2016 geleden en nog te lijden schade;

 

  1. de kosten van de onderhavige procedure, zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op 21 x € 275 (uren x uurtarief), te vermeerderen met btw, en te vermeerderen met griffierecht en reiskosten;

 

III. en veroordeling van Stichting Bravoo in de kosten van de procedure.

2.2.

 

Stichting Bravoo verzoekt de rechtbank de verzoeken van [verzoekers] af te wijzen, kosten rechtens.

3 De beoordeling

3.1.

 

Tussen partijen staan in rechte de volgende feiten vast:

 

 

Verzoekers zijn de ouders van [naam zoon] , die is geboren op 1 juni 2004.

 

Stichting Bravoo is ontstaan na fusie van een aantal basisscholen, waaronder basisschool De Vlinderboom te Loon op Zand (hierna de Vlinderboom).

 

[naam zoon] was tot en met het schooljaar 2015/2016 leerling van de Vlinderboom.

 

Op 22 april 2016 vond in het kader van de viering van Koningsdag een uitje plaats van De Vlinderboom naar de Loonse en Drunense duinen.

 

Voorafgaand aan het uitje is door de organisatoren [organisator 1] en [organisator 2] een draaiboek “Koningsspelen 22-04-2016” gemaakt, welk draaiboek op 19 april 2016 met de leerkrachten van De Vlinderboom in de teamvergadering is besproken. In de notulen is daarover vastgelegd: “We bespreken samen het draaiboek. [naam] komt donderdag in alle groepen de instructies voor die dag aan de leerlingen en de stamgroepleiders vertellen: wat mag wel en niet, waar mag je wel komen en waar niet’.

 

[organisator 1] heeft op 21 april 2016 de klaslokalen bezocht om het uitje en de daarbij behorende instructies aan de leerlingen uit te leggen, waaronder de instructies (i) dat de leerlingen de duinpan niet mogen verlaten en (ii) dat zij in het zicht van de begeleiders moeten blijven.

 

[naam zoon] is op het moment van het uitje 11 jaar en zit in groep 8.

 

Het uitje is (conform het draaiboek) als volgt verlopen:

 

– 08:30 uur: het Koningsontbijt in het eigen klaslokaal;

 

– 09:15 uur: de leerlingen vertrekken naar de duinen voor de Koningspelen (…)

 

– 09:30: de leerlingen komen aan in de duinen en om 09:40 uur in de duinpan, die De Vlinderboom voor de Koningsspelen heeft uitgezocht;

 

– 09.30: Vrij spel voor alle leerlingen in de duinpan;

 

– 10.45 uur: fruit eten;

 

– 11 .00 uur: voor de groepen 1 t/m 4 opnieuw vrij spel in de duinpan en voor de groepen 5 t/m 8 het spel vlag veroveren (levend stratego) in het bos;

 

– 12.15 uur: lunch;

 

– 12.50 uur: spullen verzamelen;

 

– 13.00 uur: vertrek terug naar school;

 

– (…)

 

 

Op enig moment na de lunch blijkt dat [naam zoon] in een boom buiten de duinpan is geklommen en van een hoogte van ongeveer 5 meter naar beneden is gevallen. Hij heeft daarbij een ruggenwervel gebroken, en tevens is sprake van “licht traumatisch hersenletsel”. [naam zoon] is, na onderzoek ter plaatse door een trauma-arts, met de ambulance naar het Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg vervoerd en is daar gedurende één dag ter observatie opgenomen geweest.

 

Bij schrijven d.d. 9 juni 2016 hebben [verzoekers] De Vlinderboom aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade van [naam zoon] .

 

Achmea Schadeverzekeringen N.V. (Avéro/Achmea) heeft namens Stichting Bravoo bij schrijven van 17 augustus 2016 aansprakelijkheid afgewezen.

 

Op verzoek van [verzoekers] hebben vervolgens op 9 oktober 2018 en 19 december 2018 voorlopige getuigenverhoren bij deze rechtbank plaatsgevonden waarbij van de zijde van [verzoekers] een zestal getuigen is gehoord. Stichting Bravoo heeft afgezien van contra-enquete.

 

De Vlinderboom heeft bij brief van 18 maart 2019 aansprakelijkheid afgewezen.

 

3.2.

 

[verzoekers] leggen aan hun verzoek ten grondslag dat Stichting Bravoo aansprakelijk is voor de door [naam zoon] geleden en mogelijk nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. [verzoekers] stellen dat De Vlinderboom jegens [naam zoon] tekort is geschoten in haar zorgplicht en/althans niet heeft gezorgd voor een voldoende veilige speelomgeving en/althans niet heeft gezorgd voor voldoende maatregelen ter voorkoming van ongevallen.

3.3.

 

Stichting Bravoo betwist aansprakelijk te zijn voor de schade van [naam zoon] . Zij stelt dat De Vlinderboom tijdens het uitje niet onzorgvuldig heeft gehandeld of nagelaten. Volgens Stichting Bravoo heeft De Vlinderboom haar zorgplicht niet geschonden. Stichting Bravoo voert aan dat de maatregelen en instructies duidelijk waren, meermaals gegeven en afgestemd op de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de leerlingen. Ook was er een strakke organisatie met draaiboek en was er voldoende toezicht door leerkrachten en ouders. De zorgplicht van een school is bovendien een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis, waarbij bovendien een spanningsveld bestaat tussen het belang van spelen en bewegen enerzijds en veiligheid anderzijds, aldus Stichting Bravoo.

3.4.

 

Het debat tussen partijen ziet op de vraag of de Vlinderboom haar zorgplicht heeft geschonden. Ter beoordeling ligt dan voor of de Vlinderboom heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een school mag worden verwacht. Vooropgesteld wordt dat de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een aan een uitje c.q. activiteit buiten de school inherent gevaar, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat er sprake is van onzorgvuldig handelen. Enerzijds zijn activiteiten zoals het uitje in de duinen van belang voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen, ook al is daaraan uit de aard der activiteit een bepaalde mate van gevaar verbonden. Anderzijds dient een school te zorgen voor een veilige omgeving waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden. In dit geval dient de vraag te worden beantwoord of er bij het uitje voldoende en passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen c.q. veiligheidsinstructies zijn gegeven ter voorkoming of beperking van het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan. Verder dient te worden beoordeeld of de school gedurende het uitje voldoende toezicht heeft gehouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aard van de activiteit, de ernst van de mogelijke gevolgen, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen/toezicht en de kans op schade.

 

Voorzorgsmaatregelen c.q. veiligheidsinstructies

3.5.

 

Vaststaat dat er voorafgaand aan het uitje een draaiboek is gemaakt en dat dit draaiboek met de leerkrachten is besproken. Verder staat vast dat de Vlinderboom aan de leerlingen de instructie heeft gegeven om (i) de duinpan niet te verlaten en (ii) om in het zicht van de begeleiders te blijven (‘wij moeten jou kunnen zien en jij moet ons kunnen zien’) en dat deze instructies herhaaldelijk zowel in de klas als ter plaatse van de activiteit zijn gegeven. Niet in geschil is dat de leerkrachten en de aanwezige ouders ook bekend waren met deze instructies. Evenmin in geschil is dat de Vlinderboom de leerlingen tijdens het uitje de grens van de duinpan heeft aangewezen waarvan vaststaat dat dit een verhoging was.

 

Toezicht

3.6.

 

Ten aanzien van het toezicht is van belang dat – hetgeen tussen partijen niet (langer) in geschil is – er ten tijde van het uitje ongeveer 85 leerlingen op de Vlinderboom zaten die meegingen met het uitje. Vast staat ook dat er 6 docenten en 8 ouders zijn meegegaan, derhalve in totaal 14 volwassenen. Hoewel aanvankelijk discussie was tussen partijen over of de ouders bij het toezicht betrokken waren – volgens [verzoekers] beperkte de rol van de ouders zich volgens het draaiboek tot het ranja schenken – bleek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat ook [verzoekers] zich op het standpunt stellen dat ouders bij een dergelijke activiteit ook altijd een toezichthoudende rol hebben. De verantwoordelijkheid van aanwezige ouders voor het toezicht is anders dan die van de leerkrachten, maar dat neemt niet weg dat zij bij zo’n uitje wel een toezichthoudende rol vervullen, al vanuit hun natuurlijke rol als ouder. Daarmee staat vast dat er toezicht was van 14 volwassenen op 85 kinderen, oftewel gemiddeld 1 volwassene op 6 kinderen. Vaststaat ook dat het toezicht (onder andere) inhield dat de leerlingen zich aan de hiervoor omschreven instructies moesten houden en dus in het zicht en binnen de duinpan moesten blijven en dat zij er door de leerkrachten en ouders op mochten en moesten worden aangesproken indien zij zich daar niet aan hielden.

3.7.

 

De vraag is nu of voormelde voorzorgsmaatregelen c.q. veiligheidsinstructies en de wijze van toezicht houden voldoende zijn geweest ter voorkoming of beperking van het risico op ongevallen als bedoeld in r.o. 3.4. Belangrijk daarbij is dat het specifiek gaat om het voorkomen of beperken van het risico op het weglopen van leerlingen uit de duinpan, waarna zij zich in het bos bevonden en er geen zicht meer op hen was.

 

Naar het oordeel van de rechtbank waren de gegeven instructies voor [naam zoon] als toen 11-jarige leerling van groep 8 voldoende duidelijk. [naam zoon] wist dat hij de duinpan niet mocht verlaten. Dat is ook niet in geschil. Bovendien staat vast dat de grens van de duinpan uitdrukkelijk nog was aangewezen terwijl er door de verhoging van de rand van de duinpan ook sprake was van een natuurlijke grens.

 

Ook het numerieke toezicht van 1 volwassene op 6 leerlingen moet gezien de leeftijd van [naam zoon] en de samenstelling van de groep als voldoende en adequaat worden beschouwd. Het enkele feit dat het mogelijk is gebleken dat [naam zoon] uit de duinpan is weggelopen zonder dat dit door de leerkrachten of de ouders is gesignaleerd, maakt dat niet anders. Gezien de aard van de activiteit in de natuur kon niet op elke leerling direct toezicht worden gehouden zodanig, dat elke onregelmatigheid direct werd opgemerkt. [verzoekers] hebben nog aangevoerd dat [naam zoon] met meerdere leerlingen de duinpan heeft verlaten hetgeen er volgens [verzoekers] eens te meer op wijst dat er onvoldoende toezicht was, hetgeen Stichting Bravoo heeft betwist. De rechtbank volgt deze stelling van [verzoekers] niet. Allereerst staat niet zonder meer vast dat [naam zoon] met meer dan 1 andere leerling de duinpan heeft verlaten, nu daarover door de getuigen verschillend wordt verklaard. De aantallen variëren tussen 1 en “ongeveer 6” andere leerlingen. Echter ook indien veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de juistheid van de verklaring van [naam 2] dat er met [naam zoon] ongeveer 6 klasgenoten de duinpan hadden verlaten, dan leidt dat nog niet tot het oordeel dat het toezicht onvoldoende was. Daarbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [naam zoon] en de betreffende leerlingen gedurende langere tijd weg zijn geweest. Integendeel: aangenomen moet worden dat [naam zoon] slechts korte tijd is weggeweest nu vast staat dat [naam zoon] nog met zijn groepje heeft geluncht en het ongeval kort daarna heeft plaatsgevonden. In zoverre was er ook geen sprake van een situatie waarin de begeleiders extra alert hadden moeten zijn of waarin de afwezigheid van de kinderen eerder had moeten opvallen.

 

Van de zijde van [verzoekers] is nog aangevoerd dat extra voorzorgsmaatregelen genomen hadden moeten worden zoals het met linten, bordjes of paaltjes afzetten van de duinpan. Naar het oordeel van de rechtbank hadden deze maatregelen echter geen doel gediend nu voor de leerlingen en [naam zoon] voldoende duidelijk was wat wel en wat niet mocht. Het voert ook te ver om activiteiten zoals het uitje in een geheel afgeschermd gebied te laten plaatsvinden of met nog meer toezicht. Dat strookt niet met het karakter van een buitenactiviteit waar kinderen ook een zekere vrijheid moeten hebben om te spelen.

3.8.

 

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat Stichting Bravoo haar zorgplicht jegens [naam zoon] niet heeft geschonden. De verzoeken van [verzoekers] moeten dan ook worden afgewezen.

 

Kosten deelgeschil

3.9.

 

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Begroting kan alleen achterwege blijven, als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat de rechtbank de kosten die [verzoekers] voor deze procedure heeft gemaakt, zal begroten.

3.10.

 

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de zogenaamde “dubbele redelijkheidstoets” hanteren; zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. [verzoekers] stellen in het verzoekschrift een bedrag van € 6.309,34 aan kosten te hebben gemaakt, dat wil zeggen 18 uur tegen het door de raadsman van [verzoekers] gehanteerde en overeengekomen uurtarief van € 275,- (excl btw), een en ander overeenkomstig de aan het verzoekschrift gehechte begroting. De raadsman van [verzoekers] heeft ter zitting aangegeven dat er naast de begroting nog 3 uur aan de voorbereiding van de zitting is besteed. Daarmee komt het urentotaal op 21 uren tegen een uurtarief van € 275,- excl btw. De rechtbank acht de totale tijdsbesteding gezien de aard van het deelgeschil en de complexiteit ervan, niet bovenmatig. Ook het uurtarief van € 275,- excl btw is redelijk. Daarmee worden de kosten begroot op 21 uur * € 275,- , oftewel een bedrag van € 5.775,-, te vermeerderen met 21 % btw en het griffierecht van € 288,00 en de reiskosten van € 31,84.

3.11.

 

Omdat de aansprakelijkheid van Stichting Bravoo niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Stichting Bravoo niet veroordelen tot betaling daarvan.

4 De beslissing

 

De rechtbank

4.1.

 

wijst de verzoeken af;

4.2.

 

begroot de deelgeschilkosten aan de zijde van [verzoekers] op een bedrag van € 5.775,- aan honorarium (21 uur * € 275,-) te vermeerderen met 21 % btw, het griffierecht van € 288,00 en € 31,84 aan reiskosten.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. Van ‘t Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey