Rb, deelgeschil: niet dragen van gordel vergroot risico, 25% eigen schuld

Samenvatting:

Verzoeker stelt dat verzekeraar ten onrechte een gordelkorting van 25% hanteert, omdat niet vaststaat of het niet dragen van de gordel van invloed is geweest op het letsel. De rechtbank overweegt dat het dragen van autogordels wettelijk verplicht is gesteld, omdat vast staat dat een autogordel de kans op ernstig letsel aanzienlijk vermindert. In het algemeen kan er dan ook van worden uitgegaan dat het dragen van een gordel een schadebeperkende maatregel is en dat het niet dragen daarvan een risicofactor oplevert die als eigen schuld aan het slachtoffer van een aanrijding moet worden toegerekend. 25% eigen schuld. 2. Schade wegens verlies van arbeidsvermogen onvoldoende onderbouwd. Kosten deelgeschil: € 2.589,40 (min 25%).

 

ECLI:NL:RBMNE:2017:6762

Instantie Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak20-09-2017 Datum publicatie05-02-2018 Zaaknummer C/16/437841 / HA RK 17-94

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. verkeersongeval, eigen-schuldkorting. verlies aan verdienvermogen. tarief medisch adviseur.

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR 2018/678

PS-Updates.nl 2018-0117

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .beschikking

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

 

handelskamer

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/16/437841 / HA RK 17-94

 

 

 

 

Beschikking van 20 september 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. J. Cortet te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

 

gevestigd te Den Haag,

 

verweerster,

 

advocaat mr. L.C. Dufour te Amsterdam.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [verzoeker] en NN worden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoekschrift met 17 producties in het geding gebracht, NN een verweerschrift met 10 producties. Bij brief van zijn advocaat van 24 mei 2017 heeft [verzoeker] enkele aanvullende producties in het geding gebracht.

 

 

1.2.

Op 30 mei 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar partijen, bijgestaan door hun advocaten, hun standpunten nader hebben toegelicht. De advocaat van NN heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.

 

 

1.3.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen een poging ondernomen tot een minnelijke oplossing. Bij brief van 6 juli 2017 heeft mr. Cortet de rechtbank geïnformeerd dat niet op alle punten overeenstemming is bereikt en is om een beschikking gevraagd. Daarna is uitspraak bepaald op 23 augustus 2017.

 

 

1.4.

 

Bij brief van 20 augustus 2017 heeft [verzoeker] de rechtbank nog een aanvullende productie gestuurd. Daarop heeft de rechtbank beslist dat de beschikking zou worden aangehouden in afwachting van een reactie van NN op de aanvullende productie. Na de ontvangst van deze reactie is wederom uitspraak bepaald.

 

  1. De feiten

 

2.1.

[verzoeker] is op 16 juli 2016 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Een Renault Twingo, verzekerd bij NN, wisselde op een rotonde van baan en raakte daarbij de zijkant van de door [verzoeker] bestuurde Fiat Punto. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen.

 

 

2.2.

NN heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval meteen erkend.

 

 

2.3.

 

[bedrijfsnaam] B.V. heeft bij brief van 4 augustus 2016 het volgende aan [verzoeker] laten weten:

 

“Zoals ook mondeling toegelicht kunnen wij helaas jouw contract niet ondertekenen en als reden hiervoor geven wij aan dat jij helaas niet 100% gezond en functioneel bent.

 

Zoals je ook weet zijn wij op 4 juli 2016 mondeling overeengekomen, dat jij per 1 augustus bij ons in loondienst mocht komen, wij hadden toen die tijd aangehouden omdat wij in de weken 29 en 30 gesloten zijn wegens de bouwvakantie.

 

 

 

 

Helaas is er in die periode een en ander gebeurd zodat jij niet meer 100% voor die functie geschikt bent geworden.”

 

 

 

2.4.

NN heeft, nadat zij de aansprakelijkheid had erkend, [naam expertisebureau] opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval. In haar rapport van 18 oktober 2016 heeft [naam expertisebureau] het volgende vermeld:

 

 

 

“Op 29 september 2016 bracht ik een bezoek aan (…) [verzoeker] (…). Ik trof alhier tevens mevrouw (…) Cortet (…) die (…) als belangenbehartiger optreedt.

 

            (…)

 

 

 

 

Ik heb aangegeven dat de aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding weliswaar is erkend doch dat ik graag nog van hem verneem wat er nu exact gebeurd is. (…)

 

De bestuurder reed naar rechts en raakte zijn auto aan de rechterachterzijde. Hij kwam door de klap met zijn linkerarm en linkerheup tegen het deurpaneel (links) en werd getorpedeerd tegen de vangrail aan de linkerkant van de weg en is vervolgens aan de rechterzijde van de weg weer tegen de vangrail gebotst. Hij is hierbij op twee grote ANWB borden afgegaan en dacht dat zijn eind was genaderd. Na de tweede klap tegen de vangrail is hij naar eigen zeggen bewusteloos geraakt. Het raam aan de rechterzijde van de Fiat was kapot en wederpartij is met zijn borst op de stuurkolom en met zijn voorhoofd door de voorruit gegaan.

 

Hij gaf op mijn vraag of hij de gordel heeft gedragen aan dat hij deze ten tijde van het voorval niet droeg. Ik heb aangegeven dat dit voor de schadevergoedingsverplichting in verband met “eigen schuld” consequenties heeft.

 

De heeft [verzoeker] deelde mede dat hij de veiligheidsgordel niet draagt omdat een neef in 1996 een fataal ongeval heeft gehad waarbij de gordel zijn adamsappel heeft doorgesneden. Indien hij de gordel niet had omgehad zou hij – naar later is gebleken – nog geleefd hebben.

 

Ik heb aangegeven dat er altijd uitzonderingsgevallen zullen blijven doch dat de veiligheidsgordel niet voor niets verplicht dient te worden gedragen ter voorkoming van letsel bij aanrijdingen/botsingen.

 

De advocaat gaf aan dat door Nationale Nederlanden aannemelijk gemaakt zal dienen te worden dat het niet dragen van de gordel heeft bijgedragen aan het ontstaan van extra letsel.

 

(…)

 

 

 

 

Ik heb aangegeven dat er met betrekking tot de arbeidssituatie onduidelijkheden zijn gerezen. Ik heb hieromtrent direct ingehaakt op de schriftelijke verklaring van de heer [A] van [bedrijfsnaam] BV dd 4-8-2016.

 

Mevrouw Cortet deelde mede dat zij de werkgever heeft verzocht om een en ander op papier te zetten ter onderbouwing van het verlies van verdienvermogen. Ik heb ingebracht het opmerkelijk te vinden dat hierin niet is genoteerd om welke functie, welk loon en welke werkzaamheden het zou gaan. Dit behoeft zo wie zo nadere verduidelijking van de werkgever, desnoods in een persoonlijk gesprek.

 

De heeft [A] is volgens de heer [verzoeker] eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam] BV (…). Wederpartij verkreeg vanaf maart 2016 een WW uitkering en werd door kennissen getipt dat er vacatures vrij waren aldaar. De heer [verzoeker] ervoer overigens ook druk vanuit de WW waarbij hem via brieven werd aangegeven dat hij kansen diende te benutten en zijn actieradius voor wat voor wat betreft sollicitaties diende te verbreden (grotere straal vanaf woonplaats). Ik heb opgemerkt dat het werkzaamheden in Schiedam betroffen en dat wederpartij in Utrecht woonachtig is. De heer [verzoeker] bevestigde dit doch deelde mede dat hem dit niet stoorde omdat hij graag wilde werken.

Hij heeft een gesprek met de heer [A] gehad waarbij hem werkzaamheden als intercedent/relatiebeheerder werden aangeboden. (…)

Het betrof een kantoorfunctie van 09.00u tot 17.00u. Het loon zou € 2.000,00 bruto per 4 weken bedragen en er zou hem een jaarcontract worden verschaft. Onderdeel van gesprek was nog het verkrijgen van een leaseauto in verband met de reisafstand van Utrecht naar Schiedam en het feit dat mogelijk ook klanten op locaties zouden dienen te worden bezocht. Hieromtrent was overigens nog geen definitief uitsluitsel.

Het gesprek werd door wederpartij als plezierig ervaren en hij gaf aan dat hij zich direct “thuisvoelde”. Hij sprak af dat hij op 1-8-2016 zou starten. Hijzelfde wilde met vakantie en het bedrijf was gesloten vanwege de bouwvakanties. Het daadwerkelijk arbeidscontract zou dan later wel getekend worden. Dit is er dus echter nooit van gekomen. Nadat wederpartij het ongeval heeft gekregen heeft hij op enig moment de heer [A] gebeld en aangegeven wat hem was overkomen. De heer [A] heeft vervolgens aangegeven dat het dan wat hem betreft ophield en hem beterschap gewenst. De heer [verzoeker] heeft geen ZW uitkering aangevraagd en verkrijgt momenteel geen inkomen. Er is ook geen recht op een WWB uitkering aangezien hij vermogen op zijn bankrekening heeft.

 

(…)”

 

 

 

2.5.

De medisch adviseur van NN heeft op 1 november 2016 het volgende gerapporteerd:

 

“Concluderend kunnen diverse kneuzingen als ongevalsgevolg gezien worden. Voor een distorsie van de nek (…) is geen enkele onderbouwing te vinden in de brief van de SEH. (…)

Niet onaannemelijk is dat betrokkene gedurende een korte periode wellicht algeheel licht verminderd belastbaar is geweest. Bij het ontbreken van posttraumatische structurele afwijkingen is er volgens de richtlijnen geen grond om blijvende invaliditeit dan wel blijvende beperkingen aan te nemen.

 

Later geeft betrokkene bij de huisarts psychische klachten aan, deze kunnen als een normale reactie gezien worden op een ongeval en (…) [daarvan] kan worden aangenomen dat er sprake zal zijn van tijdelijke problematiek.

 

(…)

 

Met betrekking tot uw vragen:

 

(…)

 

  1. Wat zijn de klachten en beperkingen van betrokkenen?

 

Betrokkene geeft klachten aan van nek, hand, enkel, heup en psychische klachten. Er is geen grond om aanhoudende beperkingen aan te nemen gezien de medische informatie.”

 

 

 

2.6.

De medisch adviseur van [verzoeker] rapporteerde op 31 januari 2017 het volgende:

 

 

 

“(…) medisch gezien is het letsel nog van recente datum. De klachten zijn dan nog wel van maximale omvang, en naarmate de tijd verstrijkt en betrokkene behandeld wordt, is de verwachting dat er herstel zal optreden.”

 

2.7.

Bij e-mailbericht aan de advocaat van [verzoeker] van 7 december 2016 heeft NN het volgende laten weten:

 

“75% aansprakelijkheid ivm het niet dragen van de autogordel

 

Inmiddels heb ik het rapport van [naam expertisebureau] kunnen bestuderen. Inzake de aansprakelijkheid geef ik aan dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van uw cliënt. Immers, de autogordel werd niet gedragen. Uw cliënt is onder andere met het hoofd tegen de voorruit gekomen. Het dragen van de autogordel ziet er juist op toe dat dat wordt voorkomen. Alhoewel ik meen dat het percentage eigen schuld in dit geval rond de 40 zou moeten liggen, ben ik bereid om het gebruikelijke percentage van 25 te hanteren. Dit percentage zal ik toepassen op de persoonlijke schade, waaronder ook de buitengerechtelijke kosten (exclusief de medische verschotten).

 

(…)”

 

 

 

2.8.

De advocaat van [verzoeker] heeft diezelfde dag als volgt gereageerd:

 

 

 

“75% aansprakelijkheid i.v.m. het niet dragen van de autogordel

 

Cliënt kan zich niet verenigen met dit uitgangspunt. Het enkele feit dat hij de ruit heeft geraakt met zijn hoofd is onvoldoende om eigen schuld aan te nemen. het ligt immers op uw weg om aannemelijk te maken dat het letsel van cliënt bij het dragen van een gordel minder ernstig zou zijn geweest. Met andere woorden u dient aan te tonen dat cliënt door het niet dragen van een gordel letsel heeft opgelopen dat hij bij het dragen van een gordel niet zou hebben opgelopen en dat hij in dat geval in een betere situatie zou verkeren dan waarin hij thans verkeert. (…)”

 

 

 

2.9.

Bij brief van 12 juli 2017 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht het volgende aan [verzoeker] laten weten:

 

 

 

“Op 30 mei 2017 heeft u een bijstandsuitkering aangevraagd. In deze brief leest u ons besluit.

 

            Wat is ons besluit?

 

            Wij wijzen deze aanvraag af.

 

 

 

 

De reden hiervoor is dat u met het verstrekken van de door ons aan u gevraagde inlichtingen onvoldoende aannemelijk hebt gemaakt dat u in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou verkeren.

 

 

 

 

Juridische grondslag: […]

 

 

 

 

Art 11 PW (rechthebbenden)

 

 

 

 

(…)”

 

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om bij beschikking in deelgeschil, uitvoerbaar bij voorraad,

 

– voor recht te verklaren [verzoeker] geen eigen schuld heeft aan het hem overkomen ongeval, althans dat de eigen-schuldaftrek minder is dan 25%,

 

– NN te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een voorschot op zijn schade vanwege verlies aan verdiencapaciteit,

 

– NN te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een aanvullend voorschot vanwege schade aan zijn kleding en bril, en vanwege door [verzoeker] zelf voorgeschoten medische kosten,

 

– NN te veroordelen tot vergoeding van de volledige declaraties van de medisch adviseur en de advocaat van [verzoeker] ,

 

– NN te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het deelgeschil, welke kosten door [verzoeker] zijn begroot op € 2.000,00, te vermeerderen met 7% kantoorkosten en 21% btw.

 

 

3.2.

Ter onderbouwing van dat verzoek heeft [verzoeker] , kort gezegd, gesteld dat NN de aansprakelijkheid aanvankelijk zonder voorbehoud heeft erkend en nu alsnog een beroep doet op eigen schuld van [verzoeker] , en dat NN voorts gemaakte kosten en schade niet, althans niet volledig, vergoedt. Volgens [verzoeker] is dat ten onrechte.

 

 

3.3.

NN heeft verweer gevoerd, concluderend tot afwijzing van het verzoek.

 

 

3.4.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen een schikkingspoging ondernomen. Bij brief van 6 juli 2017 heeft [verzoeker] de rechtbank laten weten dat partijen op enkele punten overeenstemming hebben bereikt. NN heeft ook enkele aanvullende betalingen verricht en heeft daarnaast toezeggingen gedaan over nog te verrichten betalingen. Partijen blijven echter verdeeld over de vraag of [verzoeker] eigen schuld moet worden verweten, meer in het bijzonder over de vraag of de hem toekomende uitkering vanwege die eigen schuld dient te worden verminderd met een zogenoemde eigen-schuldaftrek. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of, indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat een eigen-schuldaftrek geïndiceerd is, die aftrek dan ook zou moeten doorwerken in de kosten van het deelgeschil. Ook blijven partijen verdeeld over de vraag of sprake is van een verlies aan verdienvermogen. In dit verband heeft [verzoeker] de rechtbank op 20 augustus 2017 nog een aanvullende productie gestuurd, te weten de afwijzende beslissing van de gemeente op zijn bijstandsuitkeringsaanvraag. Partijen hebben de rechtbank verzocht op deze punten nu een beslissing te geven. En tot slot willen zij ook nog een oordeel van de rechtbank over het door de medisch adviseur van [verzoeker] gehanteerde uurtarief. NN heeft de reeds door die adviseur gedeclareerde kosten inmiddels voldaan, maar blijft van mening dat diens factuur de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW niet kan doorstaan. Om eventuele toekomstige discussies over het gehanteerde uurtarief te voorkomen, wensen partijen een oordeel van de rechtbank daarover.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure is bedoeld ter vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De beslissing door de rechter in de deelgeschilprocedure dient derhalve bij te dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, in die zin dat zijn oordeel een eventuele impasse in de onderhandelingen die tot die overeenkomst zouden moeten leiden, kan doorbreken. In deze zaak acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat partijen na een oordeel van de rechtbank alsnog tot een vaststellingsovereenkomst zullen kunnen komen, temeer daar ook partijen na de mondelinge behandeling al op enkele twistpunten overeenstemming hebben kunnen bereiken. Dat sterkt de verwachting dat een rechterlijk oordeel over de punten die hen nu nog verdeeld houden, de ontstane impasse in hun onderhandelingen alsnog zal kunnen doorbreken. De rechtbank zal nu de nog resterende geschilpunten beoordelen en het verzoekschrift voor het overige als ingetrokken beschouwen.

 

 

4.2.

[verzoeker] heeft gesteld dat NN ten onrechte een eigen-schuldkorting van 25% hanteert, omdat niet vaststaat of de omstandigheid dat [verzoeker] geen gordel droeg, van invloed is geweest op de aard en omvang van het door het ongeval ontstane letsel, en zo ja, in welke mate. Volgens [verzoeker] is het aan NN om te onderbouwen welke klachten hij niet, of in mindere mate, zou hebben gehad als hij wel een gordel had gedragen. Nu NN dat niet heeft gedaan, heeft als uitgangspunt te gelden dat NN 100% aansprakelijk is, aldus [verzoeker] . NN heeft zich hiertegen verweerd. [verzoeker] is, zo heeft hijzelf verklaard, met zijn hoofd tegen de voorruit geklapt en met zijn lichaam tegen het linker portier getorpedeerd. Als hij een autogordel had gedragen, wat wettelijk verplicht is, zou hij niet door de auto zijn geslingerd, en zou hij geen, of in ieder geval minder letsel hebben gehad aan zijn hoofd, nek en schouders. Om die reden moet hem eigen schuld worden verweten, en moet de schadevergoedingsverplichting van NN worden verminderd met 25%, zodat [verzoeker] volgens NN slechts recht heeft op 75% van de door hem gestelde onderbouwde schadeposten.

 

 

4.3.

De rechtbank overweegt dat het dragen van autogordels wettelijk verplicht is gesteld, omdat op grond van onderzoeken is komen vast te staan dat het dragen van een autogordel de kans op ernstig letsel bij een aanrijding aanzienlijk vermindert. In het algemeen kan er dan ook van worden uitgegaan dat het dragen van een gordel een schadebeperkende maatregel is en dat het niet dragen daarvan een risicofactor oplevert die als eigen schuld aan het slachtoffer van een aanrijding moet worden toegerekend. Door na te laten die schadebeperkende maatregel te nemen, neemt het slachtoffer immers het risico dat zijn schade aanzienlijk groter is dan in het geval hij wel een autogordel draagt. In dit geval staat tussen partijen vast dat [verzoeker] met zijn hoofd tegen de voorruit is geklapt, en met zijn lichaam tegen het linker portier. Het is zeer aannemelijk dat het gebruik van de autogordel op juist die bewegingen een remmende werking zou hebben gehad. De klap zou in ieder geval minder hard zijn aangekomen, als de gordel het contact met de voorruit en het linker portier al niet zou hebben voorkomen. Daarom oordeelt de rechtbank dat [verzoeker] door het niet dragen van de autogordel heeft bijgedragen aan het ontstaan van zijn schade, en wel voor 25%. De rechtbank kan op zichzelf begrijpen dat [verzoeker] had besloten de autogordel niet te dragen, gelet op hetgeen zijn neef is overkomen. Maar die situatie, hoe tragisch ook, is zeer uitzonderlijk en doet niets af aan de beschermende werking van de autogordel in het algemeen, en in de situatie zoals [verzoeker] die nu zelf heeft meegemaakt in het bijzonder. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de omstandigheid dat NN de aansprakelijkheid aanvankelijk zonder voorbehoud heeft erkend, niet tot gevolg heeft dat zij zich, nadat is gebleken dat [verzoeker] ten onrechte geen autogordel droeg, niet meer op eigen schuld zou kunnen beroepen.

 

 

4.4.

De verzochte verklaring voor recht moet aldus worden afgewezen.

 

 

4.5.

In het verlengde van het voorgaande overweegt de rechtbank het volgende. Indien de schadevergoedingsplicht evenredig met de mate van eigen schuld van het slachtoffer wordt verminderd, dient de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden, in dezelfde mate verminderd te worden. De kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding en de behandeling van het deelgeschil gelden ingevolge artikel 1019aa lid 2 Rv ook als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, en treffen daardoor hetzelfde lot. NN hoeft daarom slechts 75% van deze kosten te vergoeden.

 

 

4.6.

[verzoeker] heeft gesteld dat hij schade lijdt, omdat hij door het ongeval is aangetast in zijn vermogen in zijn inkomsten te voorzien. Hij zou namelijk met ingang van 1 augustus 2016 in dienst zijn getreden van [bedrijfsnaam] B.V., als het ongeval hem niet zou zijn overkomen, en daar zou hij € 2.000,00 bruto per vier weken zijn gaan verdienen. Overigens blijkt zijn verlies aan verdienvermogen ook reeds uit zijn arbeidsverleden, aldus [verzoeker] . Weliswaar ontving hij ten tijde van het ongeval een WW-uitkering, maar voordien heeft hij steeds gewerkt. Uit de in het geding gebrachte bankafschriften blijkt slechts een gemiddeld maandloon van € 250,38, maar dat had te maken met de omstandigheid dat beslag op zijn inkomsten was gelegd. Feitelijk verdiende [verzoeker] meer, zoals wel blijkt uit de door hem in het geding gebrachte specificatie van zijn WW-uitkering over de periode van 8 juni 2015 tot 5 juli 2015: zijn uitkering bedroeg namelijk € 1.118,66 bruto / € 880,26 netto. Aangezien die WW-uitkering 70% bedroeg van het laatstverdiende loon, moet volgens [verzoeker] worden geconcludeerd dat zijn salaris destijds € 1.598,09 bruto / € 1.257,51 netto per vier weken bedroeg. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij niet in aanmerking komt voor een ziektewetuitkering en dat zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering is afgewezen. Na de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] een (nieuwe) bijstandsaanvraag gedaan. Uit de nadere productie blijkt dat (ook) die is afgewezen. Daar komt nog bij dat de relevantie van een uitkering [verzoeker] ontgaat, omdat een toegekende bijstandsuitkering weer worden teruggevorderd als de schade van [verzoeker] zou worden afgewikkeld.

 

 

4.7.

NN heeft hiertegen aangevoerd dat niet vaststaat dat [verzoeker] per augustus 2016 in dienst zou zijn getreden van [bedrijfsnaam] . Zij heeft daartoe onder andere opgemerkt dat partijen hun overeenstemming niet hebben vastgelegd, en de essentialia van de overeenkomst, zoals het loon, evenmin. NN heeft verder aangevoerd dat ook uit het arbeidsverleden van [verzoeker] geen verlies aan verdienvermogen blijkt. Uit de door [verzoeker] in het geding gebrachte bankafschriften blijkt een gemiddeld inkomen van slechts ongeveer € 250,00 per maand, veel minder dan de bijstandsnorm. Op grond daarvan kan niet worden geconcludeerd dat [verzoeker] schade lijdt. Jaaropgaves waaruit de gestelde hogere inkomsten blijken, zijn niet in het geding gebracht. NN heeft er verder op gewezen dat [verzoeker] gehouden is zijn schade zo veel mogelijk te beperken, en dat om die reden van hem mag worden verwacht dat hij een uitkering aanvraagt. Dat inmiddels is gebleken dat die aanvraag is afgewezen, brengt volgens NN echter niet met zich, dat sprake is van schade ter zake verlies aan verdienvermogen die aan het ongeval kan worden toegerekend en die voor vergoeding door NN in aanmerking zou komen.

 

 

4.8.

De rechtbank overweegt dat [verzoeker] weliswaar heeft gesteld dat hij schade lijdt ter zake verlies aan verdienvermogen, maar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij beperkingen heeft overgehouden aan het ongeval, in welke mate en in hoeverre hij daardoor wordt belet om arbeid te verrichten. Het dossier biedt op dit punt niet veel meer aanknopingspunten dan de rapportages van de beide medisch adviseurs van partijen. Zij hebben allebei, onafhankelijk van elkaar, aangegeven op basis van de beschikbare medische stukken te verwachten dat de klachten en beperkingen van [verzoeker] tijdelijk zijn. Zonder nadere onderbouwing, die niet is verstrekt, kan de rechtbank daaruit niet concluderen dat [verzoeker] tot op dit moment wordt beperkt in de mogelijkheid om in zijn eigen inkomsten te voorzien. Om die reden kan niet worden geoordeeld dat [verzoeker] schade lijdt ter zake verlies aan verdienvermogen en voor welk bedrag, welke schade door NN zou moeten worden vergoed.

 

 

4.9.

Reeds daarom moet het verzochte voorschot op de schade vanwege verlies aan verdiencapaciteit worden afgewezen. Wat partijen verder over en weer nog hebben betoogd (zowel over de aannemelijkheid van Joemmans dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V., over zijn arbeidsverleden als over de relevantie van de afgewezen bijstandsuitkering), kan buiten beschouwing blijven.

 

 

4.10.

Tot slot is verzocht om een oordeel van de rechtbank ten aanzien van het door de medisch adviseur van [verzoeker] gehanteerde tarief, en wel om eventuele toekomstige discussies daarover te voorkomen. De rechtbank overweegt dat op zichzelf niet is uitgesloten dat een verzoek nog wordt aangevuld, ook nog ná de mondelinge behandeling, zeker als partijen daar eenstemmig toe overgaan. Dat neemt niet weg dat zij wel een concreet procesbelang moeten hebben, en dat ontbreekt in dit geval, omdat de declaratie van deze medisch adviseur inmiddels is voldaan. Reeds daarom moet dit deel van het verzoek worden afgewezen. Daarbij komt dat niet op voorhand, zonder informatie over het onderwerp waarover wordt geadviseerd, kan worden geoordeeld wat een redelijke prijs zal zijn voor dat advies. In zijn algemeenheid kan wel worden gesteld dat in geval van een specialist een hoger uurtarief toelaatbaar is, omdat hij in de regel ook minder tijd zal hoeven te besteden dan een minder gespecialiseerd adviseur, en dat een minder gespecialiseerd adviseur normaliter meer uren in rekening kan brengen, maar dan wel tegen een lager tarief.

 

 

4.11.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. De rechtbank begrijpt dat partijen onderling inmiddels overeenstemming hebben bereikt over het totale met de procedure gemoeide bedrag (te weten € 2.000,00, vermeerderd met 7% kantoorkosten en 21% btw, leidend tot een totaalbedrag van € 2.589,40), en dat zij alleen nog twisten over de vraag of daarop 25% in mindering moet worden gebracht. Uit overweging 4.5. van deze beschikking volgt dat dit zo is. De rechtbank zal uitgaan van het bedrag waarover kennelijk overeenstemming bestaat, en zal NN veroordelen tot 75% daarvan, te weten € 1.942,05.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

wijst het verzoek af,

 

 

5.2.

begroot de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van dit deelgeschil op € 1.942,05 en veroordeelt NN tot betaling daarvan aan [verzoeker] .

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots