Rb, deelgeschil: Nederlandse rechter onbevoegd in zaak tussen twee Belgische partijen

Samenvatting:

Nu het onderhavige geschil een internationaal karakter heeft (beide partijen zijn gevestigd dan wel woonachtig in België) dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Herschikte EEX-Verordening. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo dient een verweerder in beginsel te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waarin hij zijn woonplaats heeft. Dit laat onverlet dat een Nederlandse rechter bevoegd kan zijn op basis van een van de alternatieve bevoegdheidsregels van de Herschikte EEX-Vo. De rechtbank komt echter tot de slotsom dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, zodat de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaart.

ECLI:NL:RBROT:2019:2321
Uitspraak delen
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/10/565638 / HA RK 19-27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Letselschade, deelgeschil, IPR, rechtsmacht, herschikte EEX-Verordening, Nederlandse rechter niet bevoegd.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rekestnummer: C/10/565638 / HA RK 19-27

Beschikking van 19 maart 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Brussel, België, mede kantoorhoudende te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht,

tegen

[verweerster] ,
wonende te Plombieres, België,
verweerster,
advocaat mr. P.H.M. Hartmans-Jansen te Margraten.

1
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, met producties;

de brief van 21 februari 2019 van de zijde van verweerster, houdende exceptie van onbevoegdheid voor alle weren;

het faxbericht van 5 maart 2019 van de zijde van verzoekster, houdende reactie op het bevoegdheidsverweer.
2
De beoordeling
2.1.
Nu het onderhavige geschil een internationaal karakter heeft (beide partijen zijn gevestigd dan wel woonachtig in België) dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken), ook genoemd Brussel I bis Verordening, hierna verder aangeduid als Herschikte EEX-Vo.

2.2.
Het feit dat tussen partijen eerder deelgeschillen zijn gevoerd bij de rechtbank Maastricht neemt, anders dan namens [verweerster] is gesteld, niet weg dat in deze nieuwe procedure opnieuw de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden vastgesteld en dat daarbij de Herschikte EEX-Vo als Unierecht boven nationaal recht(elijke bepalingen) gaat.
2.3.
Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo dient een verweerder in beginsel te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waarin hij zijn woonplaats heeft, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 24 en artikel 25 Herschikte EEX-Vo, maar dat laatstgenoemde twee artikelen in deze zaak spelen is gesteld noch gebleken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan derhalve niet op artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo worden gebaseerd.

2.4.
Het vorenstaande laat onverlet dat een Nederlandse rechter bevoegd kan zijn op basis van een van de alternatieve bevoegdheidsregels van de Herschikte EEX-Vo. Ingevolge de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dienen die alternatieve bevoegdheidsregels restrictief te worden uitgelegd.

2.5.
Verzoekster verwijst naar artikel 7 lid 5 Herschikte EEX-Vo. Dit artikel bepaalt dat een inwoner van een lidstaat voor een van de gerechten van een andere lidstaat kan worden opgeroepen ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging. In dat geval kan oproeping plaatsvinden voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of andere vestiging gelegen zijn. Anders dan verzoekster is de rechtbank van oordeel dat een geschil in het kader van de schadeafwikkeling van een verkeersongeval waar een filiaal van verzekeraar betrokken is bij de schadeafwikkeling niet kan worden aangemerkt als een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal. Dat betekent dat artikel 7 lid 5 Herschikte EEX-Vo in deze zaak geen alternatieve bevoegdheid schept voor de Nederlandse rechter.

2.6.
Hetzelfde geldt voor artikel 7 lid 1 en artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo. Naar laatstgenoemd artikellid verwijst verweerster. Artikel 7 leden 1 en 2 Herschikte EEX-Vo luiden, voor zover relevant:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
(…)
2. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
(…)”

2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank valt hetgeen wordt verzocht in deze procedure (te weten voor recht te verklaren dat een rapport van een deskundige bindend is tussen partijen en als uitgangspunt moet dienen bij de verdere schadeafwikkeling; zie pagina 26 van het verzoekschrift) niet onder de reikwijdte van artikel 7 lid 1 Herschikte EEX-Vo. Gesteld noch gebleken is dat tussen verzoekster en verweerster een contractuele relatie bestaat, zodat het verzochte geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Herschikte EEX-Vo.

2.8.
Ten aanzien van toepasselijkheid van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo overweegt de rechtbank als volgt. Een verzoek om voor recht te verklaren dat een rapport van een deskundige bindend is tussen partijen en als uitgangspunt moet dienen bij de verdere schadeafwikkeling heeft niet tot doel de aansprakelijkheid van verzoekster in rechte aan de orde te stellen. Deze uitleg van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo sluit aan bij de ratio van dit artikel. De alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo berust immers op een bijzonder nauw verband tussen het verzoek enerzijds en een andere rechter dan die van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder anderzijds, zodat de bevoegdheid van deze rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting. De rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of waar de schade is ingetreden, is vanwege de geringe afstand en de eenvoudiger bewijsvoering normaliter het best in staat om uitspraak te doen over het geschil (vgl. o.m. HvJ 11 januari 1990, C-220/88 en HvJ 1 oktober 2002, C-167/00, NJ 2005, 221). Voor een verzoek inhoudende om voor recht te verklaren dat een rapport van een deskundige bindend is tussen partijen en als uitgangspunt moet dienen bij de verdere schadeafwikkeling gaan die argumenten niet op. Een andersluidende, ruimere uitleg van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo strookt voorts niet met het stelsel van de verordening, waarbij de woonplaats van de verweerder als bepalend voor de bevoegdheid geldt en slechts in een gering aantal – duidelijk omschreven, strikt uit te leggen en door de doelstelling van de verordening gewettigde – gevallen een alternatieve rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Van een verbintenis uit onrechtmatige daad is ten aanzien van het verzochte dan ook geen sprake.

2.9.
Aan toepassing van de aanvullende rechtsmachtsbepaling van artikel 35 Herschikte EEX-Vo komt de rechtbank evenmin toe. Dit artikel komt eerst aan de orde indien hetgeen wordt verzocht, kan worden aangemerkt als een voorlopige of bewarende maartregel in de zin van dit artikel. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu het petitum van het verzoekschrift (slechts) een verklaring voor recht (en derhalve een beslissing met een definitief karakter, bedoeld om de rechtspositie van partijen vast te stellen) inhoudt en evenmin bewarend van aard is.

2.10.
De slotsom is dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, zodat de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd zal verklaren om van het verzoek kennis te nemen.

3
De beslissing

De rechtbank

verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.1
1
801/1582

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots