Rb, deelgeschil: licht tot matig letsel geen reden voor billijkheidscorrectie

Samenvatting:

Verzoekster is als voetganger aangereden door een snorfiets op een fietspad. Een blijvende invaliditeit van 8% wordt verwacht. Een snorfiets is een motorrijtuig. De eigenaar is in beginsel o.g.v. art. 185 WVW aansprakelijk. Omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van overmacht, en er wel een fout van de voetganger is eist de billijkheid dat tenminste 50% van de schade ten laste van de snorfiets wordt gebracht. Ten aanzien van de andere helft is beslissend in hoeverre de – foutieve – gedragingen van de eigenaar/bestuurder en de voetganger tot de schade hebben bijgedragen. Verzoekster heeft haar stelling dat de snorfiets niet met aangepaste snelheid reed onvoldoende gemotiveerd nu zij heeft verklaard dat zij haastig heeft overgestoken, niet om zich heen heeft gekeken en de snorfiets niet heeft gezien. Er zijn geen gedragingen van de snorfietser geweest die in verhouding tot die van verzoekster voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen. In de ernst van het letsel ziet de rechtbank geen aanleiding de causaliteitsverdeling op grond van de billijkheid in het nadeel van verzekeraar te corrigeren. De rechter neemt in aanmerking dat het letsel in de ANWB Smartengeldgids is ingeschaald als ‘licht’ dan wel ‘matig’ letsel.

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 18-10-2018
Datum publicatie 23-10-2018
Zaaknummer C/13/648264 / HA RK 18-157
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Deelgeschil. Verdeling schade na aanrijding voetgangster door snorfiets.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0877

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/648264 / HA RK 18-157

Beschikking van 18 september 2018

in de zaak van

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. H.G. Kersting te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap
UNIGARANT VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Hoogeveen,
verweerster,
advocaat mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Unigarant worden genoemd.

1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, met producties,
– de tussenbeschikking van 21 juni 2018, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
– het verweerschrift,
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2018 en de daarin genoemde stukken.

2 De feiten

2.1. Op 13 maart 2016 is [verzoekster] een verkeersongeval (hierna: het ongeval) overkomen, waarbij zij als voetganger is aangereden door een snorfiets die in eigendom aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ) toebehoort en door [naam 1] werd bestuurd. [naam 1] was (met deze snorfiets) bij Unigarant overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd.

2.2. Het ongeval vond plaats omstreeks 17:13 uur op de [locatie ongeval] . [naam 1] kwam met zijn snorfiets uit de richting van de [adres 1] en ging in de richting van het [adres 2] . [naam 1] reed op het fietspad. [verzoekster] stak dat fietspad vervolgens over, waarna [naam 1] en [verzoekster] met elkaar in botsing kwamen. [verzoekster] is hierdoor ten val gekomen. Zij viel op haar linker knie en borstkas. Ook [naam 1] kwam ten val, maar heeft daaraan geen (blijvende) schade overgehouden.

2.3. Het proces-verbaal van de Politie Amsterdam-Amstelland vermeldt met betrekking tot de toedracht van het ongeval het volgende:
“(..) [verzoekster] stak volgens onbekend gebleven omstanders plots over zonder te kijken. Een aantal fietsers kon op tijd remmen. [naam 1] werd verrast en reed tegen [verzoekster] aan. (..)”

2.4. [verzoekster] heeft door het ongeval pijn ondervonden en letsel opgelopen, bestaande uit een breuk aan haar linker knie. [verzoekster] heeft geen klachten (meer) aan haar borst.

2.5. [verzoekster] is geopereerd aan haar knie en is vervolgens onder controle van de orthopedisch chirurg van het OLVG, [naam 2] (hierna: [naam 2] ), gebleven. Blijkens een schriftelijk advies van 9 augustus 2017 van de medisch adviseur van Unigarant, [naam medisch adviseur] (hierna: [naam medisch adviseur] ) van Veduma, heeft [naam 2] vijf maanden na het ongeval, op 4 juni 2016, het volgende aan de huisarts van [verzoekster] bericht:
“Betrokkene werd op 26-09-2016 opnieuw gezien. Het gaat beter met betrokkene, zij doet fysiotherapie. Er is sprake van een mooi litteken, er is een lichte valgus as (X-stand in de knie), buigen en strekken is verder verbeterd en de knie is stabiel. Bij röntgenonderzoek blijkt een vorderende consolidatie, wel is enige onregelmatigheid te zien van het laterale (buitenzijde) plateau. Betrokkene kan naar 100% belasting, de krukken moeten worden afgebouwd. (..)”

2.6. De medisch adviseur van [verzoekster] , [naam intermediair] Intermediair, heeft in een schriftelijk advies van 22 mei 2018 – in navolging op haar advies van 23 januari 2018 en de adviezen van [naam medisch adviseur] 9 augustus 2017 en 29 maart 2018 – het volgende vermeld:
“(..) Uit de brief van de huisarts blijkt dat uw cliënt voor het ongeval niet bekend was met knieklachten. (..)
Collega [naam medisch adviseur] benoemt een aantal punten, waarbij hij mijn mening deelt erin. Te weten risico op posttraumatische artrose, het aannemen van voorbehoud op complicaties van het fixatiemateriaal en dat er gesproken kan worden van een relatieve medische eindtoestand.
Uit röntgenverslagen blijkt dat een jaar na het ongeval, nog steeds een onregelmatig aspect van buitenste scheenbeenplateau te zien is, waardoor de kans op het ontstaan van posttraumatische artrose ongewijzigd blijft.
Het ongeval heeft inmiddels ruim twee jaar geleden plaatsgevonden, waardoor een relatieve medische eindtoestand aangenomen kan worden. (..) Collega [naam medisch adviseur] (..) verwacht een blijvende invaliditeit van 8% van de gehele persoon.
In het geval uw cliënte zich hierin kan vinden en de eerder aangegeven voorbehouden worden gehanteerd, kan mijns inziens een expertiseonderzoek eveneens uitblijven. (..)”

2.7. [naam medisch adviseur] heeft in een advies van 4 juli 2018 nog het volgende vermeld:
“(..) De inzakking is gering en zal een blijvende invaliditeit van 4-9% van de gehele mens geven. Er zijn verder geen nieuwe gezichtspunten. (..)”

2.8. Unigarant heeft erkend dat [naam 1] , en daarmee Unigarant als zijn verzekeraar, op de voet van artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) aansprakelijk is voor de door het ongeval aan [verzoekster] toegebrachte schade, maar heeft [verzoekster] bericht dat zij zich slechts gehouden acht om 50% van deze schade te vergoeden.

3 Het verzoek

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank te verklaren voor recht dat Unigarant volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dan wel gehouden is 100% van de geleden schade en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval aan haar te vergoeden. Daarnaast verzoekt zij Unigarant te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de kosten ter zake de voorbereiding op dit geschil, inclusief verschotten, alsmede de overige tot op heden gemaakte kosten ex artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW), totaal € 9.218,28.

3.2. Unigarant voert verweer.

4 De beoordeling

4.1. De mate waarin [naam 1] , en daarmee Unigarant als verzekeraar, gehouden is de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden aan haar te vergoeden, houdt partijen verdeeld en blokkeert daarmee de verdere afwikkeling van de schade. Partijen houdt voorts verdeeld in hoeverre [verzoekster] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Een oordeel over deze geschilpunten kan een bijdrage leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is dan ook, zoals niet tussen partijen ter discussie staat, geschikt voor behandeling als deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.2. Over de toedracht van het ongeval zijn partijen het in hoofdlijnen eens. Gesteld noch gebleken is dat te verwachten valt dat een nader feitenonderzoek nieuwe feiten aan het licht zal brengen. Daarom zal worden beslist op grond van de thans beschikbare feiten.

4.3. De door [naam 1] bereden snorfiets is een motorrijtuig. Wanneer de eigenaar van het motorrijtuig in beginsel krachtens artikel 185 WVW aansprakelijk is, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van overmacht, en er wel een fout van de voetganger is (zonder dat evenwel sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid), eist de billijkheid bij de verdeling van deze schade over de betrokkenen dat tenminste 50% van de schade ten laste van (de verzekeraar van) de eigenaar van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Dit brengt met zich dat deze eigenaar in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van de voetganger. Ten aanzien van de andere helft is in beginsel beslissend in hoeverre de – foutieve – gedragingen van de eigenaar/bestuurder en de voetganger tot de schade hebben bijgedragen (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566).

4.4. Unigarant heeft geen beroep op overmacht van [naam 1] gedaan. Evenmin heeft zij een beroep gedaan op opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van [verzoekster] . De schadevergoedingsplicht van Unigarant ex artikel 185 WVW juncto artikel 6 WAM staat daarmee vast. Gelet op voormelde maatstaf dient er van worden uitgegaan dat Unigarant in ieder geval gehouden is de helft van de schade van [verzoekster] aan haar te vergoeden.

4.5. Gelet op genoemd arrest zal vervolgens moeten worden nagegaan of naar de maatstaven van artikel 6:101 BW meer dan 50% van de schade ten laste van Unigarant, als verzekeraar van [naam 1] , moet worden gebracht, hetzij omdat de gedragingen van [naam 1] in verhouding tot die van [verzoekster] voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen, hetzij omdat de in artikel 6:101 lid 1 BW bedoelde billijkheid, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een zodanige verdeling eist dan wel eist dat de schade geheel ten laste van Unigarant komt. De gevaren die inherent zijn aan het desbetreffende motorvoertuig, zoals massa en remweg, zijn reeds volledig verdisconteerd in de 50%-regel en mogen in het kader van de toepassing van de billijkheidscorrectie op het resterende gedeelte niet nogmaals worden meegewogen (HR 24 december 1993, NJ 1995, 236).

4.6. Voor [verzoekster] geldt als voetganger de regel van artikel 5 WVW, waarin is bepaald dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Vast staat dat [verzoekster] het fietspad heeft overgestoken op een plaats waar geen voetgangersoversteekplaats (zebrapad) is. Ter comparitie heeft [verzoekster] verklaard dat zij zich precies tussen twee voetgangersoversteekplaatsen in bevond toen zij besloot over te steken. Zij heeft voorts verklaard dat zij desalniettemin plotseling besloot op die plek over te steken, omdat zij haar bus nog wilde halen. Zij heeft dit vervolgens zonder te kijken gedaan. [verzoekster] heeft hiermee, in strijd met haar verplichting ex artikel 5 WVW, het verkeer – [naam 1] – gehinderd, de kans op een aanrijding vergroot en daarmee gevaar op de weg veroorzaakt.

4.7. Voor [naam 1] als snorfietser geldt eveneens artikel 5 WVW, maar ook artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarin is bepaald dat een bestuurder in staat moet zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

4.8. Niet in geschil is dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid 30 km/uur is en dat [naam 1] die snelheidslimiet niet heeft overschreden. In geschil is of [naam 1] zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] haar stelling dat dit het geval was, in het licht van de gemotiveerde betwisting van Unigarant en het ter comparitie gevoerde debat, onvoldoende gemotiveerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [naam 1] , via Unigarant, heeft laten weten dat hij maximaal 15 à 20 km per uur heeft gereden. Nu [verzoekster] ter comparitie heeft verklaard dat zij haastig heeft overgestoken, niet om zich heen heeft gekeken en [naam 1] niet heeft gezien, betekent dit dat [verzoekster] niet heeft kunnen waarnemen met welke snelheid [naam 1] heeft gereden. Haar verklaring dat [naam 1] harder moet hebben gereden dan 15 à 20 km per uur, kan op dit punt dan ook geen afbreuk doen aan die van [naam 1] . Ook de overige zich in het dossier bevindende informatie biedt geen aanknopingspunten om aan de verklaring van [naam 1] te twijfelen. Het proces-verbaal van de politie maakt er bijvoorbeeld geen melding van dat [naam 1] zijn snelheid onvoldoende zou hebben aangepast, terwijl dat wel in de rede had gelegen als omstanders dit hadden waargenomen. Uit het proces-verbaal blijkt evenwel juist dat omstanders hebben verklaard dat [naam 1] ‘slechts’ werd verrast door het oversteken van [verzoekster] . Daar komt bij dat Unigarant onweersproken naar voren heeft gebracht dat het voor snorfietsers, gezien de drukte, ook helemaal niet mogelijk was en is om harder dan de gemiddelde fietser (en aldus met aangepaste snelheid) te rijden. De enkele omstandigheid dat uit het proces-verbaal van de politie kan worden afgeleid dat enkele fietsers wel tijdig tot stilstand hebben kunnen komen toen [verzoekster] plotseling overstak, geeft geen aanleiding anders te oordelen, reeds omdat uit dat proces-verbaal niet kan worden afgeleid waar de desbetreffende fietsers zich ten opzichte van [verzoekster] hebben bevonden, wat hun snelheid was en of zij een ander gezichtspunt dan [naam 1] hebben gehad.

4.9. Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat [naam 1] met gepaste snelheid op het fietspad reed, maar werd verrast door [verzoekster] die plotseling en zonder te kijken overstak en dat er dus geen gedragingen van [naam 1] zijn geweest die in verhouding tot die van [verzoekster] voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen.

4.10. In de ernst van het letsel van [verzoekster] en de gevolgen daarvan voor haar dagelijks leven en functioneren tot op heden, zoals zij dat mede heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, ziet de rechtbank geen aanleiding de causaliteitsverdeling van 50%-50% op grond van de billijkheid in het nadeel van Unigarant (naar boven) te corrigeren. Dat [verzoekster] vele fysiotherapeutische behandelingen heeft moeten ondergaan, bij haar (volgens de medisch adviseurs van beide partijen) sprake is van een blijvende invaliditeit van 8 à 9% en er een (enigszins geringe) kans bestaat dat zij in de toekomst, vanwege posttraumatische artrose, op een knieprothese aangewezen zal zijn, acht de rechtbank voor een dergelijke correctie onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het letsel van [verzoekster] in de ANWB Smartengeld gids is ingeschaald als ‘licht’ dan wel ‘matig’ letsel.

4.11. Tot slot is niet gebleken van overige omstandigheden die tot een andere verdeling nopen op basis van de billijkheid. De omstandigheid dat [verzoekster] – naast haar zorgverzekering – geen andere verzekering heeft afgesloten die haar schade zou kunnen dekken, geeft daartoe geen aanleiding.

4.12. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van [verzoekster] (slechts gedeeltelijk) worden toegewezen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat Unigarant gehouden is tot vergoeding van 50% van de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

4.13. [verzoekster] heeft voorts om vergoeding van een totaalbedrag van € 9.218,28 (27,5 uren x € 250,-, te vermeerderen met belaste verschotten, 6% kantoorkosten, 21% btw en het griffierecht van € 291,-) aan buitengerechtelijke kosten en kosten van het deelgeschil verzocht. Volgens opgave van [verzoekster] hebben 10,5 uren van de opgegeven 27,5 uren betrekking op het deelgeschil. De overige 17 uren betreffen de (overige) tot aan het deelgeschil verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden, aldus [verzoekster] .

4.14. Unigirant erkent dat [verzoekster] recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de kosten van het deelgeschil, maar betwist dat de opgegeven uren voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

4.1.5 De rechtbank neemt bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot uitgangspunt dat ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Bepalend voor toewijzing is de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Deze vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen. Van een onbegrensd recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten is dus geen sprake.

4.16. Niet in geschil is dat mr. Kersting voor [verzoekster] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Uit de door [verzoekster] overgelegde urenspecificatie van mr. Kersting blijkt dat hij tot aan het deelgeschil (veelvuldig) heeft getelefoneerd en gecorrespondeerd met [verzoekster] , de politie, de wederpartij, medische instanties (het ziekenhuis, de fysiotherapeut) en de medisch adviseur. Ondanks het gegeven dat de zaak, in welk kader deze buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zich niet als omvangrijk of complex laat kwalificeren, acht de rechtbank de tot aan het deelgeschil gemaakte kosten, bestaande uit 17 gedeclareerde uren, niet bovenmatig hoog. Bij dit oordeel wordt betrokken dat thans weliswaar duidelijk is hoe de situatie ten tijde van het ongeval was en wat de medische (eind)situatie van [verzoekster] thans is, maar dat dit bij aanvang van de werkzaamheden van mr. Kersting nog niet het geval was, in elk geval niet waar het de medische situatie betrof. De gemaakte uren in relatie tot het verkrijgen van informatie van de politie, maar met name van de medische instanties en de medische adviseurs, zoals die uit de specificatie blijken, kunnen dan ook worden beschouwd als redelijk gemaakte uren in het kader van de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. De overige uren kunnen worden beschouwd als gemaakt in het kader van verkrijgen van voldoening buiten rechte. Ook de hoeveelheid van de in dat verband gemaakte uren komt de rechtbank niet onredelijk voor.

4.17. Mr. Kersting heeft een uurtarief van € 250,- per uur, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21 % btw gehanteerd. In aanmerking nemende dat mr. Kersting een gespecialiseerd letselschadeadvocaat is, komt de rechtbank dit uurtarief redelijk voor. Gelet op het voorgaande wordt het bedrag van ((17 uren x € 250) + 6%) x 21% =) € 5.451,05 aan gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte dan ook redelijk geacht. Nu is geoordeeld dat Unigarant voor 50% aansprakelijk is voor de schade, zal de verplichting tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten evenredig worden verminderd. Unigarant zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van (€ 5.451,05 x 50% =) € 2.725,53.

4.18. Ten aanzien van de kosten van het deelgeschil wordt het volgende overwogen. Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient eveneens een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd, in die zin dat, indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit laatste is echter niet aan de orde.

4.19. Zoals uit het voorgaande reeds volgt, betreft de onderhavige zaak naar het oordeel van de rechtbank een, voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan, beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren 10,5, waarin de kosten voor de zitting en de nabespreking volgens opgave van [verzoekster] reeds zijn inbegrepen, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming.
De kosten van het deelgeschil, inclusief verschotten, zullen daarom, conform het verzoek, worden begroot op ((10,5 uren x € 250 + 6% + € 79,73 aan belaste verschotten (medisch dossier)) x 21%) + € 291 aan griffierecht en € 45 aan onbelaste verschotten (medisch dossier) =) € 3.799,30. Ook op deze kosten dient een correctie overeenkomstig de hiervoor vastgestelde verdeling plaats te vinden, zodat wordt toegewezen 50% van € 3.799,30, wat neerkomt op een bedrag van € 1.899,65.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Unigarant gehouden is om 50% van de geleden schade en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval aan [verzoekster] te vergoeden,

5.2. veroordeelt Unigarant om een bedrag van € 2.725,53 aan buitengerechtelijke kosten aan [verzoekster] te betalen;

5.3. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv aan de zijde van [verzoekster] op € 3.799,30 en veroordeelt Unigarant om € 1.899,65 (zijnde 50% hiervan) aan [verzoekster] te betalen,

5.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. N.M. Meijler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2018.

De griffier is verhinderd
de beschikking te ondertekenen.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots