Rb, deelgeschil: kapitalisatiedatum schadeberekening niet in het verleden

Samenvatting:

Benadeelde verzoekt rechtbank een nieuwe overlijdensschadeberekening te laten maken met als kapitalisatiedatum de datum van het ongeval. Verzekeraar stelt dat de kapitalisatiedatum zo dicht mogelijk bij het moment van berekening dient te liggen. 1. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de geleden schade niet concreet kan worden begroot. Voorts is gesteld noch gebleken dat het verstrekte voorschot die concrete schade, inclusief renteverlies, niet dekt. Zonder nadere toelichting valt naar het oordeel van de kantonrechter niet in te zien waarom de peildatum in dit specifieke geval moet worden verlegd naar de datum van het ongeval. 2. BGK. De verzekeraar heeft haar bezwaren onvoldoende concreet en onderbouwd. De kantonrechter acht de mededeling dat de post ‘bestudering dossier’ een terugkerend fenomeen is, die wijst op dubbel gedeclareerde werkzaamheden onvoldoende. 3. Kosten deelgeschil: € 1487,81

ECLI:NL:RBNNE:2015:793
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak: 20-02-2015
Datum publicatie: 26-03-2015
Zaaknummer: 3578448 EJ VERZ 14-238
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Op tegenspraak
Beschikking:
Inhoudsindicatie: Deelgeschil, peildatum, kapitalisatie
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
Zaakrolnummer: 3578448 EJ VERZ 14-238

Beschikking van 20 februari 2015

Inzake

[verzoekster]
wonende te[plaats],
verzoekster, hierna te noemen[verzoekster],
gemachtigde mr. L.H. Poortman-de Boer, advocaat te Groningen,

tegen
de naamloze vennootschap Aegon Schadeverzekering N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
verweerster, hierna te noemen Aegon,
gemachtigde mr. V. Oskam, advocaat te Rotterdam.

PROCESVERLOOP
Op 3 december 2014 is zijdens[verzoekster] een (gewijzigd) verzoek ingevolge artikel 1019w Rv ter griffie binnengekomen. Op 5 januari 2015 heeft Aegon een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen – Aegon deugdelijk vertegenwoordigd – en hun gemachtigden plaatsgevonden op 13 januari 2015. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden van partijen – die van[verzoekster] aan de hand van pleitaantekeningen – de wederzijdse nader standpunten toegelicht. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden. Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1.1 Op 23 januari 2003 is de partner van[verzoekster], [partner], geboren op 16 december 1965, bij een bedrijfsongeval te Grijpskerk om het leven gekomen. Hij liet na zijn partner[verzoekster], met wie hij sedert oktober 1987 samenleefde, en twee minderjarige kinderen,[naam]en [naam]

1.2 De voormalige werkgever van [partner] heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval, waarna er is onderhandeld tussen diens verzekeraar Aegon en de toenmalige belangenbehartiger van[verzoekster] met betrekking tot de schadeloosstelling.

1.3 In het kader van de onderhandelingen zijn diverse schadeberekeningen opgemaakt. De eerste twee berekeningen konden de toets der kritiek niet doorstaan. Op basis van gezamenlijk geformuleerde uitgangspunten hebben Aegon en (de nieuwe, huidige, gemachtigde van)[verzoekster] het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NLR) bereid gevonden een nieuwe berekening te maken.

1.4 Om de berekening mogelijk te maken hebben partijen een gemeenschappelijke aanbiedingsbrief doen toekomen aan het NLR. Deze brief heeft geresulteerd in een concept rapport van 15 augustus 2012. De eindberekening van het NLR is op 8 oktober 2013 gereedgekomen. Daarin is de schade bepaald op € 186.960,00. Daarop diende in mindering te komen de betaalde voorschotten (€ 85.000) en een uitkering ten bedrage van € 34.786,80 in het kader van een overlijdensrisicoverzekering. De schade van de dochter werd vastgesteld op € 22.357,00 en die van de zoon op € 68.885,00. Het totale schadebedrag bedroeg derhalve € 245.202,00. Bij de berekeningen heeft het NLR 1 januari 2013 als kapitalisatiedatum gekozen.

1.5 Vervolgens heeft[verzoekster] aan Aegon verzocht de kapitalisatiedatum aan te passen en 23 januari 2003, zijnde de datum waarop[partner] is verongelukt, als uitgangspunt te nemen voor de berekening. Tevens heeft zij doen verzoeken de onbetaald gebleven kosten van rechtsbijstand van € 3.068,86 te vergoeden. Aegon heeft de verzoeken van[verzoekster] niet gehonoreerd.
|
2 De standpunten van partijen

2.1 [verzoekster] heeft doen betogen dat de dag van het overlijden van [partner] in het licht van de heersende jurisprudentie en de omstandigheden van het geval als uitgangspunt dient te gelden voor de berekening van de schade, omdat de nabestaanden anders tekort wordt gedaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij aanspraak kan maken op de kosten van rechtsbijstand. Haar gemachtigde heeft in dat kader uiteengezet dat zij als specialist letselschade maandelijks middels een urenspecificatie de verrichte werkzaamheden tegen een gangbaar uurtarief in rekening brengt en dat Aegon deze kosten tot 1 juli 2014 zonder commentaar of protest heeft voldaan. Voorts heeft[verzoekster] betoogd dat het hier gaat om een juridisch en emotioneel complexe zaak waarin Aegon in het verleden de nodige steken heeft laten vallen. Zij meent dat beslissingen in dit deelgeschil daaromtrent kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in deze slepende zaak.

2.2 Aegon heeft aangevoerd dat de berekening van het NRL op basis van gezamenlijke uitgangspunten is uitgevoerd en dat[verzoekster] daar thans niet op terug kan komen door een nieuwe variabele op te werpen. Daarnaast heeft zij gesteld dat de berekening van het NRL ook inhoudelijk als juist moet worden aangemerkt, nu de kapitalisatiedatum zo dicht mogelijk bij het moment van berekening dient te liggen. Ten slotte heeft zij opgeworpen dat de declaraties van de raadsvrouw van[verzoekster] te ondoorzichtig zijn en diverse vraagtekens oproepen met betrekking tot onder meer dubbel verrichte werkzaamheden, het aantal noodzakelijk te besteden uren en de reeds betaalde buitengerechtelijke kosten, zodat het niet doenlijk is halverwege het traject een dubbele redelijkheidstoets te doen, reden waarom eerst aan het eind van de rit kan worden afgerekend.

2.3 Voor zover nodig zal de kantonrechter de standpunten van partijen nader uitwerken en bespreken bij de beoordeling.

3. Het verzoek
[verzoekster] heeft verzocht Aegon te veroordelen:
– voor rekening van Aegon een nieuwe berekening ter zake overlijdensschade ex artikel 6: 108 BW te laten maken met als kapitalisatiedatum de datum van het ongeval (23 januari 2003), alsmede
– tot betaling van alle tot op heden openstaande buitengerechtelijke kosten (€ 4.585,80) te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander kosten rechtens.

4 De beoordeling

4.1 Uitgangspunt in de heersende jurisprudentie en de literatuur is dat aan de rechter een grote mate van vrijheid toekomt met betrekking tot de begroting van schade als de onderhavige. Het is aan de rechter om mede aan de hand van de feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval te beslissen. Daarbij kan hij bepalen dat moet worden gekapitaliseerd tegen een peildatum in het verleden, bijvoorbeeld de ongevalsdatum, maar verplicht is hij daartoe niet. De rechter mag ook opteren voor kapitalisatie met ingang van de datum waarop de berekening wordt gedaan.

4.2 Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat een gelaedeerde in beginsel recht heeft op vergoeding van de schade die hij daadwerkelijk heeft geleden. Die concrete schade is evenwel niet in alle gevallen eenvoudig vast te stellen, zeker niet als het gaat om zogeheten toekomstige schade. Teneinde niettemin ook in die gevallen tot afwikkeling van de schade te kunnen komen wordt die overeenkomstig de abstracte methode in kaart gebracht.

4.3 In casu doet zich de situatie voor dat er sprake is van geleden en toekomstige schade. Gesteld noch gebleken is dat de geleden schade niet concreet kan worden begroot. Voorts is gesteld noch gebleken dat het inmiddels door Aegon uitgekeerde voorschot die concrete schade, inclusief renteverlies, niet dekt. Zonder nadere toelichting van[verzoekster], welke toelichting ontbreekt, valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet in te zien waarom de peildatum in dit specifieke geval moet worden verlegd naar de datum van het ongeval. De enkele omstandigheid dat de door[verzoekster] bepleite rekenmethode tot hogere (rente)uitkomsten leidt, acht de kantonrechter niet redengevend.

4.4 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de eerste vordering van[verzoekster] worden afgewezen.

4.5 Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter nader als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW heeft als uitgangspunt te gelden dat kosten van rechtsbijstand die de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan vergoed dienen te worden.

4.8 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft[verzoekster] genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de kosten van rechtsbijstand (vooralsnog) voldoen aan de daaraan te stellen eisen en had het op de weg van Aegon gelegen ter zake concreet en onderbouwd aan te geven waar de schoen wringt. Aegon heeft dat niet gedaan, maar slechts in (te) algemene bewoordingen en eerst in deze procedure vraagtekens gezet bij de declaraties van de raadsvrouw en de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden, terwijl zij die declaraties voorheen zonder protest heeft aanvaard. Zij kan thans niet volstaan met de blote mededeling dat de post bestudering dossier een terugkerend fenomeen is en dat zulks wijst op dubbel gedeclareerde werkzaamheden. Advocaten zijn geen robots met een fotografisch geheugen. Bij iedere nieuwe fase in het proces is het, binnen redelijke grenzen, noodzakelijk dat de advocaat zijn dossier raadpleegt teneinde te kunnen beoordelen welke vervolgstappen moeten worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde van[verzoekster] bedoelde grenzen heeft overschreden. De omstandigheid dat andere belangenbehartigers dat dossier ook hebben bestudeerd kan Aegon evenmin baten. Gelet op het, eufemistisch uitgedrukt, bepaald ongelukkige beginverloop van de zaak, kan[verzoekster] bezwaarlijk worden verweten dat zij een andere gemachtigde heeft ingeschakeld. Voorts staat het Aegon vrij de kosten voor rechtsbijstand bij wijze van voorschot te betalen, zodat correctie achteraf tot de mogelijkheden behoort.

4.9 Met betrekking tot de proceskosten verwijst de kantonrechter om te beginnen naar hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van de buitengerechtelijke kosten. Gelet op de uitkomst van de procedure acht de kantonrechter evenwel termen aanwezig deze kosten te matigen tot de helft. De kosten van het deelgeschil zullen daarom op de voet van artikel 1019aa Rv worden begroot op € 1.487,81 (inclusief het betaalde griffierecht ad € 219,00).

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Aegon om binnen 14 dagen na deze beschikking aan[verzoekster] te voldoen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.585,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de factuurdata;

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 1.487,81;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey