Rb, deelgeschil: gezamenlijk expertise rapport bindend; predispositie doet niet af aan causaliteit; geen voorschot

Samenvatting:

Deelgeschil over causaliteit. Hoofdpijnklachten na ongeval; geen stoornissen vastgesteld. 1. Verzoek van verzekeraar om op gezamenlijk verzoek opgestelde expertiserapporten als bindend uitgangspunt te nemen toegewezen. Geen zwaarwegende argumenten tegen. 2. De rechtbank oordeelt dat predispositie niet afdoet aan het causaal verband; kan wel een rol spelen in looptijdiscussie. 3. Voorschot op verlies van arbeidsvermogen afgewezen, nu nog onderzoek door arbeidsdeskundige nodig is. 4. Kosten deelgeschil: uurtarief € 235,-; € 6239 toegewezen (gevorderd € 9624, 57).

Volledige uitspraak:

LJN: BV2505, Rechtbank Rotterdam , 380851 / HA RK 11-127

 

 

Datum uitspraak: 01-02-2012

Datum publicatie: 01-02-2012

Rechtsgebied: Civiel overig

Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: deelgeschil letselschade; partijrapport uitgangspunt schadeafwikkeling; causaal verband; predispositie; verzoek tot betaling van voorschot op schadevergoeding afgewezen; verzoek tot verlenen van medewerkering aan nadere rapportage toegewezen; tegenverzoek tot benoeming deskundige afgewezen; kostenbegroting.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 380851 / HA RK 11-127

Beschikking van 1 februari 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Weert,

verzoeker,

advocaat mr. G.Z.U. Virágh te Bergen op Zoom,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Allianz genoemd.

1.  De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  het op 14 juni 2011 binnengekomen verzoekschrift, met producties;

  het op 2 september binnengekomen verweerschrift, met producties;

  de brief van 5 september 2011 van mr. Virágh, met bijlagen;

  de brief van 20 september 2011 van mr. Wildenburg, met bijlage;

  de mondelinge behandeling ter zitting van 21 september 2011;

  de ter zitting door mr. Virágh overgelegde aantekeningen;

  het toegewezen verzoek van 10 oktober 2011 van mr. Wildenburg en mr. Virágh tot aanhouding van de procedure;

  de brief van 24 oktober 2011 van mr. Virágh, met bijlagen;

  de brief van 24 oktober 2011 van mr. Wildenburg;

  het faxbericht van 24 oktober 2011 van mr. Virágh, met bijlage;

  de brief van 13 december 2011 van mr. Virágh, waarin verzocht wordt uitspraak te doen.

2.  De vaststaande feiten

2.1.  Op 6 juli 2003 is [verzoeker], rijdende op zijn motor, een ongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen. Het ongeval – en het letsel bij [verzoeker] – was het gevolg van onoplettend verkeersgedrag van een bestuurder van een bij Allianz conform de WAM verzekerd motorrijtuig. Allianz heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval jegens [verzoeker] erkend.

2.2.  Ten tijde van het ongeval was [verzoeker] 19 jaar oud en was hij in de functie van militair doende zijn laatste opleidingsweek voor het Ministerie van Defensie af te ronden.

2.3.  Eind 2003 valt [verzoeker] uit voor zijn militaire beroepswerkzaamheden vanwege (toenemende) geheugen- en hoofdpijnklachten. In de periode daarna zijn diverse re-integratiepogingen ondernomen. In de loop der tijd ontstaan tevens psychische klachten.

2.4.  Per 4 juli 2008 is aan [verzoeker] een WAO-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100%.

2.5.  Op verzoek van partijen heeft [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), neuroloog, op 23 oktober 2008 een rapport uitgebracht over [verzoeker], dat – voor zover van belang – inhoudt:

“Betrokkene is het slachtoffer geweest van een schedeltrauma waarbij het niet eenvoudig is retrospectief de ernst vast te stellen. Enerzijds is er geen bewustzijnsverlies geweest en heeft betrokkene blijkens ter beschikking staande gegevens na het ongeval volledig normaal gefunctioneerd waarbij hij een aantal ingewikkelde handelingen heeft verricht, anderzijds bestaat er amnesie voor het gebeuren. Dit is een geruime antegrade amnesie. De gegevens uit de behandelende sector zijn onvoldoende nauwkeurig om tot een inschatting te komen. Na het ontslag uit het ziekenhuis heeft betrokkene wederom volledig normaal gefunctioneerd, hij heeft een uitgebreide vakantie met activiteiten ondernomen. Na terugkeer heeft betrokkene nog maanden normaal gefunctioneerd als beroepsmilitair, waarna pas duidelijke geheugenstoornissen aan het licht kwamen. Mede gezien alle gegevens uit de behandelende sector hierna en de resultaten van het recent verrichte uitgebreide neuropsychologisch onderzoek is er in feite geen reden om aan te nemen dat de vanaf dat moment aanwezige klachten van het geheugen een organische basis hebben.

Zoals wel vaker in de behandelende sector gebeurt zijn gegevens van diverse behandelaars niet volledig juist overgenomen en is uiteindelijk bij betrokkene de diagnose contusio cerebri gedocumenteerd. Betrokkene is hiervoor vervolgens in een revalidatieprogramma terechtgekomen.

De door betrokkene ervaren hoofdpijnklachten zijn vanaf het begin gedocumenteerd en zijn vanaf dat moment in wisselende mate aanwezig. Opvallend is dat de hoofdpijnklachten maanden na het ongeval toenemen en sedertdien sterk belemmerend werken. Het lijkt reëel om bij betrokkene enige mate van posttraumatische hoofdpijnklachten aan te nemen, het blijft echter de vraag in hoeverre de thans ondervonden vaak fors aanwezige hoofdpijn volledig aan het ongeval kan worden toegeschreven. Wanneer hoofdpijnklachten binnen 7 dagen na het ongeval worden beschreven kunnen deze volgens de IHS classificatie als posttraumatisch worden geclassificeerd, waarbij het voorstelbaar is dat in de eerste weken na het ongeval de hoofdpijnklachten nog wat toenemen, maar het is moeilijker voorstelbaar dat dit alsnog maanden na het ongeval gebeurt na verder normaal functioneren. De na het ongeval aanwezige hoofdpijnklachten hebben betrokkene in de eerste twee tot drie maanden na het ongeval niet of nauwelijks gehinderd. Ik ben dan ook van mening dat de thans door betrokkene ondervonden hoofdpijnklachten niet of nauwelijks als posttraumatisch kunnen worden geclassificeerd en grotendeels berusten op een combinatie van verwerkingsproblemen en persoonlijkheidskenmerken, zoals ook door de neuropsycholoog beschreven is.

Posttraumatische hoofdpijnklachten kunnen volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en volgens de AMA gidsen 5e editie niet tot functieverlies leiden, de AMA gidsen editie 6 bieden echter wel de mogelijkheid om op grond van chronische pijnklachten een percentage functieverlies toe te kennen. Dat deel van de thans aanwezige hoofdpijnklachten dat als posttraumatisch zou kunnen worden gezien is echter zodanig gering dat dit ook op basis van de AMA-6 niet tot een percentage functieverlies aanleiding geeft.

(…)

Als diagnose is te stellen “klachten van hoofdpijn en geheugenstoornissen opgetreden na een ongeval, waarvoor geen neurologisch substraat is aan te geven”.

(…)

Op grond van de door betrokkene ondervonden hoofdpijnklachten zou men, het hoofdstuk “chronische pijn” van AMA-6 toepassend, een percentage van 1% functieverlies toe kunnen kennen. Het is daarbij echter van belang nogmaals te benadrukken dat dit percentage niet direct als ongevalsgevolg te zien is.

(…)

Er zijn op neurologische gronden geen redenen betrokkene als beperkt te zien (…).

(…)

Er zijn bij betrokkene geen redenen om blijvende gevolgen van het ongeval op neurologisch terrein aan te nemen. De door hem ondervonden klachten zouden gunstig kunnen reageren op een steunende psychotherapeutische behandeling, zoals ook door de heer [persoon 2] voorgesteld.

(…)

De verbetering zou mijns inziens binnen twee jaar op kunnen treden.

(…)

Gezien het frequente voorkomen van hoofdpijnklachten in de algemene bevolking en het niet-directe verband tussen de huidige klachten en het ongeval is het voorstelbaar dat betrokkene ook zonder dit ongeval vergelijkbare klachten zou hebben ontwikkeld. Meer valt hierover niet te zeggen.

(…)

Betrokkene is in een revalidatieproces terecht gekomen onder een onjuiste diagnose. Dit lijkt voornamelijk het gevolg van niet nauwkeurige documentatie in de behandelende sector. Indien betrokkene eerder op basis van het juiste inzicht naar de ernst van het schedeltrauma in een overwegend ondersteunende psychologische begeleiding zo zijn gekomen, was het herstel mogelijk voorspoediger verlopen.”

2.6.  Op verzoek van [persoon 1] heeft [pe[persoon 2] (hierna: [persoon 2]), klinisch psycholoog, op 10 en 14 april 2008 bij [verzoeker] een neuropsychologisch onderzoek verricht. In het rapport van 14 november 2008 naar aanleiding van dit onderzoek is onder meer het volgende vermeld:

“Afgaande op de resultaten bij het klinisch neuropsychologisch onderzoek ben ik van mening dat er bij de heer [verzoeker] geen aanwijzingen zijn voor een organisch cerebraal dysfunctioneren. Er zijn geen indicaties voor specifieke neuropsychologische functiestoornissen die het algehele functioneren nadelig kunnen beïnvloeden en welke rechtstreeks en uitsluitend herleid zouden kunnen worden tot het ongeval d.d. 6 juli 2003. Er zijn geen aanwijzingen voor een stoornis van het bewustzijn, evenmin voor een stoornis ten aanzien van de aandacht en concentratie en de geheugenfunctie. Ook ten aanzien van de perceptieve functies en de motorische vaardigheden zijn er geen afwijkingen geconstateerd. Hij beschikt over ruim gemiddelde tot bovengemiddelde intellectuele capaciteiten. Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische deterioratie der cognitieve vermogens. De neuropsychologische en cognitieve functies zijn na het ongeval goed hersteld.

Op grond van de anamnese, de resultaten bij het persoonlijkheidsonderzoek en de observaties bij het klinisch neuropsychologisch onderzoek zijn er aanwijzingen voor onevenwichtige en kwetsbare persoonlijkheidskenmerken en enige neiging tot somatiseren van psychische problematiek. Tevens zijn er bij deze extraverte man met een beperkte stressweerstand en een lage frustratietolerantiedrempel aanwijzingen voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld. Naast enige acceptatieproblematiek ten aanzien van de ervaren ongevalsgevolgen is er een tendens tot gelaten berusting.

Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en de emoties. Anamnestisch zijn er aanwijzingen voor praeëxistente psychologische factoren, samenhangend met de persoonlijkheidsontwikkeling en de persoonlijkheidsstructuur, die het algehele functioneren kunnen beïnvloeden.

(…)

Er zijn geen stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het denken, begrijpen en de taalfunctie, de aandachts- en geheugenfunctie, de perceptieve functies en de motorische vaardigheden. Er is geen stoornis aantoonbaar in de helderheid van het bewustzijn. Er is geen indicatie voor een organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en de emoties.

Als symptoomvaliditeitstests zijn afgenomen de AKTG en de TOMM. Het resultaat hierbij geeft geen indicatie voor onderpresteren of malingering.

Er zijn op grond van de resultaten bij dit onderzoek geen stoornissen aantoonbaar die rechtstreeks en uitsluitend gerelateerd kunnen worden aan het ongeval. Evenmin zijn er aanwijzingen voor een organisch cerebraal bepaalde stoornis of disregulatie van het gedrag en de emoties. Het is daarentegen niet geheel uitgesloten te achten dat de enkele praeëxistent aanwezige gedragskenmerken enigszins zijn versterkt na het ongeval.

Op grond van bovenstaande bevindingen ben ik van mening dat een geruststellende attitude en een steunende, tevens directieve, deconditionerende psychologische behandeling het algehele functioneren van betrokkene gunstig kunnen beïnvloeden. Een geleidelijke en verantwoorde uitbreiding der beroepsactiviteiten, begeleid door een deskundige (register arbeidsdeskundige) kan het herstel bevorderen.”

2.7.  Van 7 februari 2011 tot 7 februari 2012 heeft [verzoeker] een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor individuele begeleiding van 2 tot 3,9 uur per week.

2.8.  Allianz heeft tot op heden aan voorschotten een bedrag van in totaal EUR 87.750,= aan [verzoeker] betaald.

3.  Het geschil

3.1.  Het verzoek van [verzoeker], zoals dat uit het verzoekschrift is af te leiden en ter zitting is toegelicht, strekt er – samengevat en zakelijk weergegeven – toe:

(A)  een door Allianz aan [verzoeker] te betalen bedrag ter zake van voorschot op de schadevergoeding vast te stellen;

(B)  Allianz te veroordelen haar medewerking te verlenen aan een deskundigenonderzoek op grond waarvan ter zake van [verzoeker] de behoefte aan huishoudelijke hulp, het verlies van zelfwerkzaamheid en de mogelijkheid tot re-integratie kan worden vastgesteld;

(C)  een en ander met begroting van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv.

3.2.  [verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w Rv e.v.) en legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij tengevolge van het ongeval letsel, dat zich uit in geheugen- en hoofdpijnklachten heeft opgelopen. Deze klachten hebben ertoe geleid dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is geraakt. Het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) heeft in opdracht van [verzoeker] het verlies van arbeidsvermogen berekend op EUR 597.663,= (inclusief fiscale component, exclusief wettelijke rente). De – onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten – verschenen schade bedraagt in totaal EUR 52.469,10 (inclusief buitengerechtelijke kosten ad EUR 12.000,=).

3.3.  Allianz heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans dat verzoek af te wijzen. Allianz is van oordeel dat de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade door haar volledig is vergoed door betaling van het bedrag van EUR 87.750,= (zie onder 2.8. hiervoor) en acht zich jegens [verzoeker] dan ook finaal gekweten. Allianz stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Subsidiair stelt Allianz zich op het standpunt dat het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds ontbreekt.

3.4.  Het zelfstandig verzoek (tegenverzoek of verzoek in reconventie) van Allianz, zoals dat uit het verweerschrift is af te leiden en ter zitting is toegelicht, strekt ertoe te bepalen dat de rapportages van [persoon 1] (deels weergegeven onder 2.5. hiervoor) en [persoon 2] (deels weergegeven onder 2.6. hiervoor) als bindend uitgangspunt hebben te gelden voor de verdere schaderegeling en dat een verzekeringsgeneeskundige dient te worden benoemd ten behoeve van het opstellen van een beperkingenprofiel, waarna eventueel een arbeidsdeskundige een nader oordeel kan geven.

3.5.  Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.  De beoordeling

4.1.  Gelet op de samenhang tussen beide verzoeken, zullen het verzoek van [verzoeker] en het tegenverzoek van Allianz hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2.  De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter. Doel van de procedure is het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over onderwerpen die partijen verdeeld houden en aldus in de weg staan aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Hieruit vloeit voort dat de rechter dient te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil afwijst (artikel 1019z Rv).

4.3.  Hetgeen partijen in essentie verdeeld houdt, betreft de vraag naar het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade. Nu een beslissing op dit punt kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de letselschade, kan het verzoek van [verzoeker] in behandeling worden genomen als een deelgeschil als bedoeld in de artikelen 1019 tot en met 1019cc Rv.

4.4.  Ofschoon duidelijk is dat nog de nodige stappen gezet moeten worden, ziet de rechtbank voldoende mogelijkheden voor partijen om na haar beslissing het buitengerechtelijke onderhandelingstraject voort te zetten. Dat dit wellicht niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Van belang is immers dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst – en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling – en dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. Dat er niet alleen op medisch-, maar ook op verzekeringsgeneeskundig en – in voorkomend geval – arbeidsdeskundig vlak onduidelijkheid bestaat, staat aan het aanmerken als deelgeschil niet in de weg. Deze onduidelijkheid op meerdere vlakken is inherent aan veel letselschadeprocedures en het is blijkens de toelichting van de wetgever op de Wet deelgeschilprocedure juist de gedachte achter de wet dat eliminatie van één of meer geschilpunten de totstandkoming van een minnelijke regeling bevordert. Dit betekent dat het primaire verweer van Allianz wordt verworpen.

4.5.  Een en ander neemt niet weg dat de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren moet opwegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de deelgeschilprocedure. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat het niet de bedoeling van de deelgeschilprocedure is dat zij zonder meer alle andere mogelijkheden vervangt.

4.6.  In een geschil als dit is deskundige (medische) voorlichting vereist. De rechtbank stelt ten aanzien van de waardering van de rapporten van [persoon 1] en [persoon 2] het volgende voorop. Partijen zijn het indertijd eens geworden over de inschakeling van [persoon 1] en [persoon 2] als deskundigen, alsmede over de aan hen te stellen vragen. Indien partijen in het kader van een onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen, overeenkomen om gezamenlijk medisch deskundigen aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen dienen te beantwoorden, verbinden zij zich daarmee om de rapportages van die ingeschakelde deskundigen in beginsel als uitgangspunt voor de verdere afwikkeling te nemen. Een andere opvatting zou de bestaande – wenselijke – praktijk, waarin het overgrote deel van de letselschadezaken buiten rechte wordt afgewikkeld, ook ernstig bemoeilijken. Een partij kan naar het oordeel van de rechtbank slechts dan niet worden gehouden aan de uitkomsten van op deze wijze tot stand gekomen rapporten, indien sprake is van zwaarwegende argumenten ten aanzien van de wijze waarop de deskundigen hun werkzaamheden hebben verricht of de inhoud van de rapporten niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. Zulks is echter gesteld noch gebleken. De rechtbank begrijpt dat [verzoeker] er ook van uitgaat dat de rapporten van [persoon 1] en [persoon 2] tot uitgangspunt kunnen dienen. Dit betekent dat het tegenverzoek van Allianz om te bepalen dat de rapportages van [persoon 1] en [persoon 2] als bindend uitgangspunt dienen te gelden voor de verdere schadeafwikkeling, zal worden toegewezen.

4.7.  Allianz betwist op grond van de door [persoon 1] en [persoon 2] in hun respectieve rapporten getrokken conclusies dat de geheugen- en hoofdpijnklachten van [verzoeker] het gevolg – in medische zin – zijn van het ongeval. Een belangrijk punt hierbij is de mogelijke (persoonlijkheids) predispositie bij [verzoeker].

4.8.  Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en – in voorkomend geval – de bewijslast betreffende het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade in beginsel op [verzoeker] rust, met dien verstande dat aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer van een verkeersongeval daardoor ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering. Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit. De vraag naar het (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de klachten is, nu het een juridisch oordeel betreft, voorbehouden aan de rechter. Voor het aanwezig zijn van dat laatste gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.

4.9.  Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] vóór het ongeval vergelijkbare klachten had. Integendeel, de beschikbare informatie – met name de medische goedkeuring – wijst sterk in de richting dat dit niet zo was. De klachten die [verzoeker] sinds het ongeval ervaart kunnen bovendien op zichzelf door het ongeval verklaard worden, terwijl evenmin geoordeeld kan worden dat sprake is van een alternatieve oorzaak. Een verkeersongeval als [verzoeker] is overkomen leidt niet zelden tot het ontstaan van geheugen- en hoofdpijnklachten. De rechtbank ziet in de overgelegde medische stukken, in het bijzonder de rapporten van [persoon 1] en [persoon 2], geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de klachten, het ongeval weggedacht, in deze periode ook bij [verzoeker] zouden zijn ontstaan. Allianz betoogt niet dat de klachten van [verzoeker] (gedeeltelijk) voorgewend en/of overdreven en/of niet reëel zouden zijn, zodat daarmee vaststaat dat van bewuste onjuiste voorstelling (simulatie of aggravatie) geen sprake is. Het voorgaande betekent dat voor de schadeafwikkeling tussen partijen als uitgangspunt heeft te gelden dat de geheugen- en hoofdpijnklachten die [verzoeker] thans ondervindt toegeschreven kunnen worden aan het ongeval en dat het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is.

4.10.  De gestelde predispositie doet niet af aan het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker]. Deze (mogelijke) predispositie wordt namelijk op grond van de heersende jurisprudentie aan Allianz toegerekend (Allianz heeft het slachtoffer, [verzoeker], te nemen zoals hij is). Voor zover Allianz van een ander standpunt uitgaat, is dit onjuist. Ook de omstandigheid dat [verzoeker] nog enige tijd heeft doorgewerkt doet daaraan niet af. De aard van de ondervonden klachten kan een zekere mate van negeren daarvan mogelijk maken, terwijl daarnaast uit de beschikbare informatie duidelijk is dat er in toenemende mate problemen ontstonden. Tenslotte is een onjuiste diagnose (en daarmee een onjuiste aanpak [behandeling]) in redelijkheid een omstandigheid die voor risico van Allianz, niet van [verzoeker], moet worden gebracht. Wel kan de gestelde predispositie onder omstandigheden een rol spelen bij de schadebegroting en dan met name bij de vraag of ook zonder ongeval dezelfde of soortgelijke klachten later toch zouden zijn ontstaan en, zo ja, wanneer (looptijddiscussie).

4.11.  [verzoeker] heeft betaling gevorderd van een voorschot (ad EUR 52.469,10; zie onder 3.2.) op de uiteindelijk door hem geleden en te lijden schade. Dat bevoorschotting bij deelgeschil kan worden gevraagd, blijkt uit de parlementaire geschiedenis die dit uitdrukkelijk noemt (Kamerstukken II 2008/09, 31 518, nr. 3, p. 16). Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.

De enkele omstandigheid dat het verstrekken van een voorschot geen einde zou maken aan het meningsverschil tussen partijen over het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade, welk meningsverschil klaarblijkelijk in de weg staat aan de (verdere) buitengerechtelijke onderhandelingen is daarvoor, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.9. is overwogen, onvoldoende.

4.12.  Beantwoording van de vraag of Allianz gehouden is een (nader) voorschot op de schadevergoeding aan [verzoeker] te verstrekken is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of het voldoende aannemelijk is dat tenminste het bedrag van het door [verzoeker] gevorderde voorschot op de schadevergoeding, boven het voorschot dat Allianz reeds heeft betaald, bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan hem zal worden toegewezen. Allianz heeft al EUR 87.750,= betaald. Mede in aanmerking genomen de (financiële) positie van [verzoeker] is dat een aanzienlijk bedrag. Uit de schadeopstelling van [verzoeker] volgt, dat de voornaamste schadepost het verlies aan arbeidsvermogen betreft. Ter beantwoording van de vraag of deze schade aannemelijk is, dient te worden beoordeeld of en over welke periode [verzoeker] volledig arbeidsongeschikt is (geweest). Nu hiertoe nog onderzoek moet worden verricht, acht de rechtbank het thans onvoldoende aannemelijk dat het bedrag van het door [verzoeker] gevorderde voorschot bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan hem zal worden toegewezen.

4.13.  Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het feit dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is in de zin van de sociale verzekeringswetten niet zonder meer kan worden afgeleid dat bij [verzoeker] sprake is van schade (van de door hem gestelde omvang) in de zin van verlies aan arbeidsvermogen. [verzoeker] lijkt eraan voorbij te gaan dat de regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO (of WIA) niet overeenkomen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan arbeidsvermogen in een onrechtmatige daad actie dient te worden getoetst. Voor zover het niet werken niet samenhangt met fysieke en geestelijke beperkingen en/of de arbeidsongeschiktheid niet samenhangt met ongevalsgevolgen, kan de betreffende daaruit voortvloeiende schade niet (zonder meer) worden toegerekend aan de ter zake van de ongevalsgevolgen aansprakelijke partij. De aansprakelijke partij dient daarover een volwaardig debat in rechte te kunnen voeren, in welk kader zo nodig ook bewijsvoering, eventueel in de vorm van tegenbewijs, aan de orde kan komen. Immers, de (omvang van de) gestelde schade wordt door Allianz inhoudelijk en gemotiveerd betwist en voor de beoordeling daarvan is onderzoek nodig. Een voorzichtige inschatting van de gestelde schade en het causale verband met het ongeval leidt vooralsnog niet tot de conclusie dat in het kader van deze procedure kan worden vastgesteld dat Allianz minder heeft vergoed dan waarop [verzoeker] (voor wat betreft de thans reeds geleden schade) in rechte aanspraak zou kunnen maken.

4.14.  Het enkele feit dat [verzoeker] in geldnood verkeert – wat daarvan overigens ook

zij – rechtvaardigt niet het toekennen van een voorschot, nog daargelaten dat [verzoeker] nagelaten heeft duidelijkheid te verschaffen over de besteding van het reeds door hem van Allianz ontvangen voorschotbedrag ad EUR 87.750,=.

Aandacht verdient in dit verband ook het restitutierisico. [verzoeker] heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn vermogenspositie, zodat niet aannemelijk is dat de eventuele restitutie van het schadebedrag ook nog zonder al te veel moeite mogelijk is indien [verzoeker] het schadebedrag, na toewijzing en ontvangst ervan, spendeert. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] tot het betalen van een voorschot wordt afgewezen.

4.15.  De rechtbank is – met partijen – van oordeel dat (nader) onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en – in voorkomend geval – een arbeidsdeskundige in de rede ligt, teneinde een vaststellingsovereenkomst dichterbij te brengen. Het verzoek van [verzoeker] Allianz te veroordelen haar medewerking te verlenen aan een deskundigenonderzoek zal dan ook in zoverre worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het tegenverzoek van Allianz tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige geen verzoek dat voor toewijzing in het kader van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in aanmerking komt. Er bestaat voor de behandeling van een dergelijk verzoek een passend procesrechtelijk instrument in de vorm van het voorlopig deskundigenbericht, terwijl bovendien niet valt in te zien waarom partijen daar samen geen afspraken over zouden kunnen maken, mede gelet op het volgende.

4.16.  Allianz heeft aangegeven dat zij graag wil dat [persoon 3] als verzekeringsgeneeskundige wordt benoemd. [verzoeker] heeft ter zitting aangegeven met benoeming van deze deskundige te kunnen instemmen. Gelet op het feit dat tussen partijen reeds in goed onderling overleg twee deskundigenrapporten tot stand zijn gekomen ([persoon 1] en [persoon 2]), geeft de rechtbank partijen in overweging [persoon 3] zelf als deskundige aan te zoeken. Dat over de vraagstelling partijen geen overeenstemming hebben bereikt doet daaraan niet af. De vragen aan een verzekeringsarts in een zaak als deze zijn in het algemeen tamelijk eenvoudig en komen er op neer, dat de verzekeringsarts de beperkingen in kaart brengt. Het ligt in de rede dat Allianz in dat geval het voorschot ter zake van de kosten van het onderzoek zal dragen, nu zij aansprakelijkheid heeft erkend.

4.17.  [verzoeker] heeft verzocht zijn kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa lid 1 Rv. De rechtbank overweegt dat artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu dit is gesteld noch gebleken dient de rechtbank de kosten te begroten.

4.18.  Mr. Virágh stelt 27,16 uur te hebben besteed aan het opstellen van het verzoekschrift (inclusief overleg met cliënt), 2 uur aan de reistijd voor de zitting en 2 uur aan het bijwonen van de zitting. Uitgaande van een uurtarief van EUR 235,=, vastgesteld aan de hand van de criteria van de LSA, 6% kantoorkosten en 19% BTW, en een basisuurtarief van EUR 125,= voor de reistijd, begroot [verzoeker] zijn kosten op

EUR 9.624,57 inclusief griffierecht ad EUR 588,=.

4.19.  Allianz voert aan dat het niet redelijk is dat het opstellen van het verzoekschrift 27,16 uur met zich heeft meegebracht. Dat geldt met name omdat mr. Virágh enerzijds een ervaren advocaat is en anderzijds in het verzoekschrift niet alle relevante informatie in het geding heeft gebracht, in het bijzonder niet de rapportages van [persoon 1] en [persoon 2], aldus Allianz.

4.20.  De rechtbank overweegt dat de kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, gelet op het vastlopen van de onderhandelingen. Voor wat betreft de aan het opstellen van het verzoekschrift bestede tijd acht de rechtbank 27,16 uur in het kader van dit deelgeschil echter niet redelijk. Zij zal daarvoor in het verband van dit geschil nu een aantal uren van 16 in aanmerking nemen. De rechtbank begroot de kosten mitsdien op EUR 6.239,50 inclusief griffierecht ad EUR 588,=.

4.21.  Door [verzoeker] is tevens veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure verzocht. Nu noch juridische noch praktische redenen zich tegen toewijzing van een dergelijk verzoek verzetten, zal het hiervoor onder 4.19. begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.

5.  De beslissing

De rechtbank

5.1.  bepaalt dat de rapportages van [persoon 1] en [persoon 2] tussen partijen als bindend uitgangspunt dienen te gelden voor de verdere schadeafwikkeling;

5.2.  veroordeelt Allianz haar medewerking te verlenen aan een nader deskundigenonderzoek als onder 4.15. en 4.16. bedoeld;

5.3.  begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op EUR 6.239,50;

5.4.  veroordeelt Allianz tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van deze procedure, welke zijn begroot op EUR 6.239,50;

5.5.  wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.?

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey