Rb, deelgeschil: gemeente niet aansprakelijk voor val over ontbrekende stoeptegel

Samenvatting:

Benadeelde komt ten val als zij in winkelcentrum met haar voet in gat van ontbrekende stoeptegel blijft haken en loopt letsel op. 1. De rechtbank overweegt dat niet van doorslaggevende betekenis of de stoeptegel al dan niet ontbrak. De rechtbank oordeelt op grond van door partijen overgelegd beeldmateriaal dat het om een relatief klein verschil in hoogte van maximaal 2 cm gaat. Een dergelijke kleine oneffenheid levert geen gebrek op in de zin van art. 6:174 BW. De omstandigheid dat meteen de volgende dag drie nieuwe tegels waren gelegd op de desbetreffende plek, maakt dit niet anders. De rechtbank acht de gemeente niet aansprakelijk ex art. 6:174 BW. 2. Kosten deelgeschil vastgesteld op € 2000, maar afgewezen (gevorderd: € 4416,50, maar aantal uren buitenproportioneel).

ECLI:NL:RBMNE:2014:6749
Instantie: Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak: 22-10-2014
Datum publicatie: 16-12-2014
Zaaknummer: C/16/371806 / HA RK 14-138 MAR
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Letselschade. Deelgeschil. Aansprakelijkheid gemeente voor ontbrekende stoeptegel op plein voor winkelcentrum.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/16/371806 / HA RK 14-138 MAR

Beschikking van 22 oktober 2014

in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
advocaat mr. H. Mollema-de Jong,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMERSFOORT,
zetelend te Amersfoort,
verweerster,
advocaat mr. M.T. Spronck.

Partijen worden hierna [verzoekster] en de Gemeente genoemd.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt u
– het verzoekschrift in het kader van de wet deelgeschillen (artikel 1019w Rv), ter griffie ingekomen op 23 juni 2014;
– de brief van 25 juni 2014 van [verzoekster], waarbij een toelichting is verstrekt op de aard en het vermoedelijke beloop van de vordering;
– de brief van 6 augustus 2014 van [verzoekster], waarbij een getuigenverklaring is overgelegd;
– het verweerschrift ex artikel 1019 w e.v. Rv, ter griffie ingekomen op 15 september 2014;
– de mondelinge behandeling op 29 september 2014, waarvan aantekening is gehouden;
– de pleitnota van [verzoekster].

1.2. Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [verzoekster] is op 10 mei 2013 toen zij in het winkelcentrum Emiclaer in Amersfoort richting de C1000 liep, op het plein voor de C1000 ten val gekomen. Daarbij heeft zij een subcapitale humerusfractuur aan haar rechterschouder opgelopen en fracturen aan haar linker pols en hand.

2.2. [verzoekster] heeft de Gemeente op 21 mei 2013 door middel van een digitaal formulier “Aanvraag Schadevergoeding” aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het haar overkomen ongeval. Per brief van 23 juli 2013 heeft de advocaat van [verzoekster] deze aansprakelijkstelling herhaald.

2.3. De Gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het deelgeschil

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
– te bepalen dat de Gemeente op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval op 10 mei 2013 heeft geleden;
– de kosten van de behandeling van dit verzoek te begroten op € 4.416,50 inclusief btw en kantoorkosten, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, en te vermeerderen met het griffierecht van € 77,00 en de Gemeente te veroordelen tot betaling daarvan, met bepaling dat de Gemeente de wettelijke rente over toegewezen kosten verschuldigd is indien zij het toegewezen bedrag niet binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking heeft voldaan.

3.2. Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag. [verzoekster] is ten val gekomen als gevolg van de omstandigheid dat een stoeptegel ontbrak en zij met haar voet in het gat van de ontbrekende stoeptegel is blijven haken. Door het ontbreken van een stoeptegel voldeed het plein voor de C1000 niet aan de eisen die men daaraan mag stellen. Een ontbrekende stoeptegel midden op een plein voor een winkelingang is niet normaal. Als voetganger behoeft geen rekening te worden gehouden met zo’n situatie. Ook is er geen sprake van zo’n beperkt hoogteverschil tussen de omringende tegels en de ontbrekende stoeptegel dat [verzoekster] daarop bedacht had moeten zijn. De volgende dag al is de ontbrekende stoeptegel vervangen door drie nieuwe tegels. Op grond van artikel 6:174 BW is de Gemeente aansprakelijk voor de schade van [verzoekster] die het gevolg is van de val.

3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4. De rechtbank zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op standpunten van partijen.

4 De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil over of de Gemeente aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden schade als gevolg van de val op 10 mei 2013.

4.2. Zonder afbreuk te doen aan hetgeen [verzoekster] is overkomen en de gevolgen die dat voor haar heeft (gehad), komt de rechtbank tot de conclusie dat de Gemeente niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW.

4.3. Daartoe wordt het navolgende overwogen, waarbij de rechtbank – overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2012 (ECLI:NL:HR:2010:BN6236) – vooropstelt dat het bij de beantwoording van de vraag of de openbare weg voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen, aankomt op de naar objectieve maatstaven te beantwoorden vraag of de weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen inzake deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijkerwijze redelijkerwijs te vergen zijn.

4.4. Volgens [verzoekster] ontbrak er een stoeptegel op het plein waar zij ten val is gekomen. Zij wijst daarbij op de kopieën van foto’s die zij als productie 1 heeft overgelegd alsmede op de vier ter zitting overgelegde afdrukken (foto’s) van de situatie ter plaatse. De Gemeente betwist dat sprake was van een ontbrekende stoeptegel. Volgens de Gemeente volgt dat uit de door haar als productie 2 overgelegde print van een foto. Daarop is te zien dat sprake is van een iets versleten bovenlaag van de betonklinker en bovendien is daarop te zien dat het hoogteverschil minder dan 2 cm bedraagt. De rechtbank acht het niet van doorslaggevende betekenis of de stoeptegel/klinker al dan niet ontbrak. Op basis van het door beide partijen overgelegde beeldmateriaal is de rechtbank van oordeel dat het om een relatief klein verschil in hoogte van maximaal 2 cm gaat. Gezien de verhouding tussen de grootte van de klinker en het pleinoppervlak moet het verschil in hoogte als een kleine oneffenheid van het wegdek worden beschouwd. Een dergelijke kleine oneffenheid levert geen gebrek op in de zin van artikel 6:174 BW. De omstandigheid dat, zoals [verzoekster] stelt, meteen de volgende dag drie nieuwe tegels waren gelegd op de desbetreffende plek, maakt dit niet anders. De Gemeente heeft toegelicht dat het beleid is dat wanneer er een melding plaatsvindt, er in principe aanpassing plaatsvindt. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat sprake was van een gevaarlijke situatie die los van een melding reeds aanpassing behoefde. Het verzoek te bepalen dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van de val op 10 mei 2013 heeft geleden, zal de rechtbank derhalve afwijzen.

4.5. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 4.416,50. De Gemeente stelt zich kort gezegd op het standpunt dat het aantal bestede uren (18 uur) buitenproportioneel is. Zij heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief.
De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 10 uren x het door de advocaat van [verzoekster] gehanteerde uurtarief van € 200,00 exclusief BTW en kantoorkosten, derhalve op € 2.000,00 exclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het (in debet gestelde) griffierecht van € 77,00.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.000,00 exclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het (in debet gestelde) griffierecht van € 77,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey