Rb, deelgeschil: Geen belang bij deelgeschil door toezegging volledige schadevergoeding

Samenvatting:

Een scooter en drie fietsers, waaronder verzoeker, waren betrokken bij een ongeval. De bestuurder van de scooter is overleden. De Wam-verzekeraar van de scooter erkent 50% aansprakelijkheid en is bereid de gehele schade te vergoeden. Verzoeker stelt een belang te hebben dat komt vast te staan dat hij op geen enkele wijze aan het ontstaan van de schade de bestuurder heeft bijgedragen. Eerst dan zal hij in staat zijn het ongeval en de gevolgen daarvan te verwerken. Door toezegging van volledige schadevergoeding is het hoogst haalbare van deze procedure reeds bereikt. Nu een erkenning van volledige aansprakelijkheid niet van invloed is op de hoogte van de schadevergoeding levert dit belang, ondanks dat dit zwaarwegend is voor verzoeker, geen voldoende belang op bij het voeren van deze deelgeschilprocedure. Een zuiver emotioneel belang, hoe zwaarwegend ook, kan niet worden aangemerkt als een voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW. De deelgeschilprocedure is volstrekt onnodig of onterecht ingesteld. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil niet.

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-01-2019
Datum publicatie 29-01-2019
Zaaknummer C/13/654331 / HA RK 18-301
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Deelgeschil. Een beslissing in dit deelgeschil kan niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het hoogst haalbare is dat de volledige schade wordt vergoed. Dat is toegezegd door de verzekeraar. Geen voldoende belang.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/654331 / HA RK 18-301

Beschikking van 3 januari 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. B.A. van Beest te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap
HEMA VERZEKERINGEN,
gevestigd te Leusden,
verweerster,
advocaat mr. A.L. Mijnssen te Leusden.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Hema Verzekeringen genoemd.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
­ het op 18 september 2018 ter griffie binnengekomen verzoekschrift, met producties,
­ de beschikking van deze rechtbank van 1 november 2018, waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
­ het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 december 2018, met de daarin genoemde stukken, waaronder het verweerschrift.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Op 2 april 2016 heeft zich een ongeval voorgedaan tussen een scooter, bestuurd door [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ) en drie fietsers, te weten [naam fietser 1] (hierna: [naam fietser 1] ), [naam fietser 2] en [verzoeker] .

2.2. [naam bestuurder] is met zijn scooter in aanraking gekomen met [naam fietser 1] en daarna met [verzoeker] . [naam bestuurder] en [verzoeker] zijn beiden ten val gekomen.

2.3. [naam bestuurder] is op 30 juni 2017 overleden.

2.4. [naam bestuurder] was (met deze scooter) bij Hema Verzekeringen overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd.

2.5. [verzoeker] heeft Hema Verzekeringen als WAM-verzekeraar van [naam bestuurder] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Hema Verzekeringen heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat “de aansprakelijkheid voor het ongeval voor 50% wordt erkend”, maar dat zij bereid is de volledige schade van [verzoeker] te vergoeden.

3 Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
voor recht verklaart dat Hema Verzekeringen als optredende partij namens [naam bestuurder] gehouden is op grond van artikel 6 WAM 100% aansprakelijkheid te erkennen en daardoor gehouden is de volledige materiële en immateriële schade die [verzoeker] ten gevolge van het ongeval op 2 april 2016 heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, te vergoeden;
Hema Verzekeringen te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het deelgeschil.

3.2. Hema Verzekeringen voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Hema Verzekeringen voert tot haar verweer aan dat het verzoek, bij gebrek aan belang aan de zijde van [verzoeker] , zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Van een impasse in de onderhandelingsfase is geen sprake, nu Hema Verzekeringen heeft aangeboden de volledige schade van [verzoeker] te vergoeden, aldus Hema Verzekeringen.

4.2. [verzoeker] stelt in reactie hierop wel degelijk een belang bij een beoordeling van zijn verzoek te hebben. Hij brengt in dit kader naar voren dat hij, gezien de polisvoorwaarden van zijn eigen WAM-verzekering, gehouden was in te stemmen met een minnelijke regeling die tussen de drie fietsers, waaronder hijzelf, en de erven van [naam bestuurder] is getroffen ter zake de schade van (de erven van) [naam bestuurder] . Bij die regeling is expliciet in het midden gelaten of en in welke mate de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Voor [verzoeker] is echter van belang dat komt vast te staan dat hij op geen enkele wijze aan het ontstaan van de schade (van [naam bestuurder] ) heeft bijgedragen. Als Hema Verzekeringen erkent – zoals zij tot op heden heeft geweigerd te doen – dat [naam bestuurder] volledig aansprakelijk is voor het ongeval (en dat zij daarom gehouden is 100% van de schade van [verzoeker] te vergoeden) of als dit met een beschikking in dit deelgeschil komt vast te staan, is duidelijk dat [verzoeker] geen enkele blaam treft. Eerst dan zal hij in staat zijn het ongeval en de gevolgen daarvan te verwerken. Het belang van [verzoeker] bij het voeren van deze deelgeschilprocedure is voorts gelegen in de omstandigheid dat regresnemers, zoals de zorgverzekeraar en de werkgever van [verzoeker] , zich tot [verzoeker] zouden kunnen wenden als niet komt vast te staan dat [verzoeker] geen (enkele) schuld heeft aan het ongeval. Omdat Hema Verzekeringen niet de volledige aansprakelijkheid erkent, zouden eventuele regresnemers bij [verzoeker] kunnen uitkomen en hem dan kunnen tegenwerpen dat hij (ten onrechte) in die situatie heeft berust, aldus steeds [verzoeker] .

4.3. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase stuiten op geschilpunten die de voortgang van dat onderhandelingstraject belemmeren. Partijen kunnen de rechter vragen om een beslissing op die geschilpunten, zodat zij vervolgens verder kunnen met de onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het verzoek wordt afgewezen als de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling.

4.4. Een beslissing in dit deelgeschil kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het voor [verzoeker] hoogst haalbare is dat zijn volledige schade wordt vergoed. Nu Hema Verzekeringen heeft toegezegd dat zij de volledige schade van [verzoeker] zal vergoeden, is het hoogst haalbare in het kader van een te sluiten vaststellingsovereenkomst dan ook reeds bereikt. Er bestaat dan ook geen noodzaak voor partijen om op dat punt nog nader in overleg te treden. Indien de rechtbank een beslissing zou nemen over de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de causaliteit), zal die beslissing niet kunnen afdoen aan de uitgangspunten van de vaststellingsovereenkomst; meer in het bijzonder niet aan de hoogte van de te vergoeden schade.

4.5. Anders dan [verzoeker] betoogt, is het voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst niet vereist dat daarin ook een uitspraak wordt gedaan over de causaliteit. [verzoeker] wenst dit evenwel onderdeel van de vaststellingsovereenkomst te laten zijn, omdat de (al dan niet middels deze procedure afgedwongen) erkenning van Hema Verzekeringen dat hij geen (enkele) schuld heeft aan het ongeval, hem in staat zal stellen dit ongeval te verwerken. Nu een dergelijke erkenning echter niet van invloed is op de hoogte van de door [verzoeker] te verkrijgen schadevergoeding, levert dit belang, ondanks dat dit zwaarwegend is voor [verzoeker] , geen voldoende belang op bij het voeren van deze deelgeschilprocedure. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZC2735; het Jeffrey-arrest), waarin is geoordeeld dat een ‘zuiver emotioneel belang’, hoe zwaarwegend ook, niet kan worden aangemerkt als een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek.

4.6. De stelling van [verzoeker] dat de positie van mogelijke regresnemers bij het in het midden laten van de causaliteit aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in de weg staat, levert evenmin een belang op bij het voeren van deze deelgeschilprocedure. [verzoeker] heeft in het licht van de betwisting van Hema Verzekeringen onvoldoende gemotiveerd toegelicht dat hij daadwerkelijk geconfronteerd zou kunnen worden met eventuele regresnemers. Daar komt bij dat [verzoeker] , gezien de inhoud van deze beschikking, kan aantonen dat hij niet in de situatie heeft berust, zodat hem dat ook niet door eventuele regresnemers kan worden tegengeworpen.

4.7. Gezien de toezegging van Hema Verzekeringen bij de mondelinge behandeling om alle redelijk gemaakt buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [verzoeker] te vergoeden, is ook daarin geen belang gelegen voor een inhoudelijke beslissing op het verzoek van [verzoeker] .

4.8. De slotsom van het voorgaande is dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.9. Ook als het verzoek afgewezen wordt, moet de rechter de kosten van de procedure aan de kant van de verzoeker begroten. Dit is alleen anders als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is in dit geval sprake. [verzoeker] was toen hij deze procedure startte, immers al bekend met het aanbod van Hema Verzekeringen om alle schade te vergoeden. De door [verzoeker] gemaakte kosten van het deelgeschil zal de rechtbank dan ook niet begroten.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2019.1 1
type: CEPH coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey