Rb, deelgeschil: geen aansprakelijkheid voor oogletsel door wegschietende spijker

Samenvatting:

Verzoeker en verweer hangen gezamenlijk kerstversiering op in gemeenschappelijke woonkamer. Verzoeker, die 2 meter achter verweerder staat, krijgt hierbij wegschietende spijker in het oog en loopt blijvend oogletsel op. De rechtbank toets aan de criteria van het Kelderluik-arrest en acht het handelen van verweerder niet onrechtmatig. Verweerder heeft deugdelijk materiaal gebruikt en het wegspringen is niet zo waarschijnlijk dat hij had behoeven te waarschuwen of maatregelen had moeten nemen.

Volledige uitspraak:

LJN: BW7278, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 409494 / HA RK 11-775

 

 

Datum uitspraak: 16-05-2012

Datum publicatie: 01-06-2012

Rechtsgebied: Handelszaak

Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Letselschade. Deelgeschilprocedure. Aansprakelijkheid. Wegschieten spijker.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 409494 / HA RK 11-775

Beschikking van 16 mei 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Den Haag,

verzoeker,

advocaat mr. J.H. van der Wouden te Rotterdam,

tegen

1. [verweerder sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap

N.V. UNIVÉ SCHADE,

gevestigd en kantoorhoudende te Assen,

verweerders,

advocaat mr. G. Loman te Assen.

Partijen zullen hierna “[verzoeker]”, “[verweerder sub 1]”, “Univé” en – gedaagden gezamenlijk – “[verweerders]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 19 december 2011, met tien producties;

– het verweerschrift, met één productie;

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 april 2012.

1.2. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1. [verzoeker] en [verweerder sub 1] wonen beiden in een studentencomplex gelegen aan het [adressen] te [woonplaats].

2.2. Op 12 december 2010 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een ongeval. [verzoeker], [verweerder sub 1], [A.] en [B.] waren gezamenlijk kerstversiering en -verlichting aan het ophangen in de gemeenschappelijke woonkamer van het onder 2.1. vermelde studentencomplex. [verweerder sub 1] stond daartoe op een stoel en wilde een spijker in een betonnen muur slaan om kerstverlichting op te hangen, terwijl de anderen toekeken. [verzoeker] stond op dat moment twee meter achter [verweerder sub 1]. De spijker is vervolgens weggeschoten en in het oog van [verzoeker] terechtgekomen (hierna: “het ongeval”). Als gevolg van dit ongeval heeft [verzoeker] blijvend (oog)letsel opgelopen.

2.3. Univé is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder sub 1]. Univé heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank – zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) voor recht te verklaren dat [verweerders] gehouden zijn hem de schade te vergoeden die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval, met begroting van de kosten van deze procedure en, slechts voor het geval de aansprakelijkheid in deze procedure wordt vastgesteld, [verweerder sub 1] te veroordelen tot betaling van deze kosten.

3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [verweerder sub 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) door de wijze waarop hij, [verweerder sub 1], met daartoe ongeschikte spijkers in een betonnen muur trachtte te slaan. Volgens [verzoeker] moet er in zijn algemeenheid worden geboord in beton. Om die reden is het slaan van een spijker in beton een gevaarlijke bezigheid en is [verweerder sub 1] aansprakelijk, aldus [verzoeker]. [verzoeker] verwijst naar “de Kelderluikcriteria”.

3.3. [verweerders] voeren gemotiveerd verweer en verzoeken voorwaardelijk om voor recht te verklaren dat de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval geheel, dan wel voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, voor eigen rekening van [verzoeker] dient te blijven.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Aansprakelijkheid

4.1. De vraag of [verweerder sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker] dient te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. In het bijzonder dient daarbij te worden getoetst aan de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. In het kader van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid speelt de kenbaarheid van het gevaar een rol.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is van onrechtmatig handelen van [verweerder sub 1] geen sprake. Daarvoor is allereerst van belang dat [verweerder sub 1] deugdelijk materiaal heeft gebruikt. Ter zitting heeft [verzoeker] immers erkend dat [verweerder sub 1] betonspijkers heeft gebruikt bij het ophangen van de kerstverlichting. De kans dat ten gevolge van het wegspringen van de spijker [verzoeker] oogletsel zou oplopen is, mede gezien de afstand van circa 2 meter, zo gering dat [verweerder sub 1] daarop niet bedacht hoefde te zijn. Om die reden kan van [verweerder sub 1] ook niet worden verlangd dat hij voor dit risico zou waarschuwen. Van [verweerder sub 1] kon niet worden verlangd dat hij de door [verzoeker] genoemde voorzorgsmaatregelen nam. Op hem rustte onder de gegeven omstandigheden niet de verplichting om de anderen de kamer uit te sturen alvorens de spijker in het beton te slaan. Ook een waarschuwing aan [verzoeker] om voldoende afstand te houden was niet aan de orde, nu [verzoeker] zich op het moment dat het ongeval zich voordeed op een afstand van circa 2 meter van [verweerder sub 1] bevond. Een algemene waarschuwing om op te letten is niet aan de orde nu tussen partijen niet in geschil is dat [verzoeker] heeft staan toekijken en er derhalve mee bekend was dat [verweerder sub 1] de spijker in het beton zou gaan slaan.

4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afwijst.

Het voorwaardelijk tegenverzoek

4.4. Ten aanzien van het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerders] oordeelt de rechtbank dat aan de behandeling van dit verzoek niet wordt toegekomen, nu uit het bovenstaande is gebleken dat [verweerders] niet aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval, waarmee niet is voldaan aan de voorwaarde, waaronder het tegenverzoek is ingesteld.

Kosten

4.5. Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit is alleen dan anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu de zaak inhoudelijk is behandeld en het verzoek niet is afgewezen op grond van artikel 1019z is van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake. De rechtbank zal dus overgaan tot begroting van de kosten van deze procedure.

4.6. Mr. Van der Wouden voert aan € 2.261,41 aan kosten te hebben gemaakt, waarbij de kosten van (de voorbereiding van) de zitting nog dienen te worden opgeteld. Daarbij is hij uitgegaan van 9 uur à € 205,– per uur, 3% aan kantoorkosten en 19% aan BTW. [verweerders] hebben tegen de hoogte van de kosten niet afzonderlijk bezwaar gemaakt.

4.7. Gezien de aard van de zaak, komt de aan de zaak bestede tijd de rechtbank niet onevenredig voor. De kosten zullen worden vermeerderd met 4 uur voor de (voorbereidingstijd voor) zitting en het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 71,–. Dit betekent dat de rechtbank de kosten van deze procedure zal begroten op € 3.337,49 (inclusief BTW).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst af het verzoek,

5.2. begroot de kosten van dit verzoek aan de zijde van [verzoeker] op € 3.337,49 (inclusief BTW).

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey