Rb, deelgeschil: Eerdere beslissing over VAV is definitief, tandartskosten toegewezen, matiging kosten

Samenvatting:

Verzoeker raakte bij het beladen van een vrachtwagen onder pakketten ijzer. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de onderneming heeft volledige aansprakelijkheid erkend en bood €15.000,– netto per jaar VAV aan, €25.000,– smartengeld, €7.500,– herstel gebit en €7.500,– overige kosten. In 2015 heeft verzoeker de rechtbank ook al gevraagd om een beslissing in deelgeschil over het VAV. Dit verzoek is toen afgewezen vanwege onvoldoende feitelijke onderbouwing. Verzoeker heeft geen bodemprocedure gestart. Er is sprake van volledige a.o. en ongeveer 7% b.i. met PTSS en ernstig gebitsletsel. De rechtbank ziet geen aanleiding een hoger bedrag aan smartengeld te bepalen dan het aangeboden bedrag. De begroting van de tandarts betreft het plaatsen van implantaten in de kaak, onderprotheses en het onderzoek. De rechtbank acht de staat van het gebit voor het ongeval niet relevant en wijst daarvoor €15.970,28 toe, alsmede als kosten van de procedure de helft van het aantal uren waarbij het uurloon van €240 gematigd wordt tot €220 en de kantoorkosten daarin begrepen worden geacht.

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 30-01-2019
Datum publicatie 08-02-2019
Zaaknummer C/16/470064 / HA RK 18-317
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie
Deelgeschilprocedure. Al eerder in deelgeschil geoordeeld over verlies aan verdienvermogen. In zoverre afwijzing wegens gebrek aan belang. Tandartskosten, smartengeld.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/470064 / HA RK 18-317

Beschikking ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 30 januari 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. H. Uzumcu in Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd in Utrecht,
verweerster,
advocaat mr. M.M. Klunder in Ermelo.

Partijen zullen hierna [verzoeker] respectievelijk ASR worden genoemd.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift met 16 producties, ter griffie ingekomen op 19 oktober 2018;
– het verweerschrift met 7 producties, ter griffie ingekomen op 22 november 2018;
– de bij brief van 30 november 2018 toegezonden producties van [verzoeker] ;
– de bij brief van 5 december 2018 toegezonden productie van [verzoeker] ;
– de mondelinge behandeling op 6 december 2018, waarvan door de griffier aantekening is gehouden.

1.2. Na de mondelinge behandeling is de procedure aangehouden tot en met 14 december 2018 voor schikkingsoverleg tussen partijen. Bij fax van 17 december 2018 hebben partijen de rechtbank bericht dat geen overeenstemming is bereikt. Hierna is uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1952, is op 23 februari 2011 tijdens zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam] bv (hierna te noemen: [bedrijfsnaam] ) een bedrijfsongeval overkomen. Terwijl hij bezig was met/assisteerde bij het beladen van een vrachtwagen met grote pakketten staal/ijzer is een van de pakketten van de vrachtwagen geschoven en op hem gevallen. Als gevolg daarvan raakte [verzoeker] bekneld.

2.2. Met medewerking van de brandweer is [verzoeker] uit zijn positie gehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Daar is hij de volgende dag geopereerd aan diverse schedelbreuken en later aan zijn rechter onderbeen. Daarna heeft [verzoeker] lange tijd gerevalideerd, onder meer in een revalidatiecentrum. [verzoeker] is nadien volledig arbeidsongeschikt verklaard.

2.3. Vanaf 2007 werkte [verzoeker] voor [bedrijfsnaam] , eerst via een uitzendbureau en vanaf 1 november 2007 als ZZP-er. Zijn nettowinst (voor belasting) bedroeg in 2008 € 26.978,–, in 2009 € 24.701,– en in 2010 € 23.996,–.

2.4. ASR is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijfsnaam] . Zij heeft op 20 juni 2011 de aansprakelijkheid van [bedrijfsnaam] voor het ontstaan van het ongeval volledig erkend. [bedrijfsnaam] is per 1 november 2014 opgehouden te bestaan.

2.5. ASR heeft [verzoeker] een bedrag van € 15.000,– netto per jaar geboden/betaald ter zake van verlies aan verdienvermogen over de periode van het ongeval tot zijn 66e levensjaar (pensioendatum), zijnde € 120.000,– in totaal, € 25.000,– aan smartengeld en € 7.500,– aan ‘herstel aan het gebit’ en € 7.500,– aan ‘overige kosten’.

2.6. Ook in 2015 heeft [verzoeker] een beslissing van deze rechtbank in deelgeschil verzocht. De rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2015 beslist (zaaknummer 403453 HARK 15-258).

3 Het deelgeschil

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank – kort weergegeven – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat het verlies aan verdienvermogen aan zijn zijde vanaf het moment van het ongeval tot 2015 een bedrag van € 20.800,– per jaar beloopt, en vanaf 2015 tot de dag van pensionering € 42.000,– per jaar;
te bepalen dat als redelijke en billijke smartengeldvergoeding, voor alle door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, een bedrag van € 100.000,– zal gelden, dan wel een ander bedrag of berekeningsmethode;
te bepalen dat als vergoeding voor de schade aan het gebit en de kaak een bedrag van € 15.970,28 redelijk en billijk is, dan wel een ander bedrag of berekeningsmethode;
ASR te veroordelen aan [verzoeker] aan buitengerechtelijke kosten te betalen de vergoeding conform de staffel behorende bij Tabel BGK-PIV 2016/2018 over het verschil als nader door [verzoeker] te ontvangen bedrag, subsidiair een bedrag behorende bij verrichte werkzaamheden van 18 uren tegen en uurtarief van € 240,– exclusief 21% BTW en 6% kantooropslag;
de vergoeding voor deze procedure te bepalen conform het onder D verzochte met een nadere vergoeding van 6 uren.

3.2. Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat de door ASR geboden bedragen van € 15.000,– netto per jaar aan verlies aan verdienvermogen van de ongevalsdatum tot zijn pensionering en € 25.000,– aan smartengeld te laag zijn. Daarnaast moet de schade aan zijn gebit en kaak worden vergoed conform de in 2011 gemaakte begroting.

3.3. ASR voert gemotiveerd verweer met als conclusie dat de rechtbank [verzoeker] op zijn verzoek onder A niet-ontvankelijk verklaart, althans de verzoeken A tot en met E afwijst.

3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
Deelgeschilprocedure

4.1. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gelet op dit doel moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst dan wel, als dat niet het geval is, het verzoek moet worden afgewezen (artikel 1019z Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv).

4.2. Het onder A. gedane verzoek betreft het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen vanaf de ongevalsdatum tot de pensionering van [verzoeker] (op 66-jarige leeftijd). ASR is tot nu toe uitgegaan van een bedrag van € 15.000,– netto per jaar. [verzoeker] meent dat dit bedrag te laag is, nu hij hoe dan ook meer zou hebben verdiend. Dit is volgens hem € 20.800 netto per jaar en vanaf 2015, na het herstel in de bouwbranche, € 42.000,– netto per jaar.

4.3. In 2015 heeft [verzoeker] deze rechtbank ook al gevraagd om een beslissing in deelgeschil ten aanzien van het verlies aan verdienvermogen, namelijk te bepalen dat die € 22.225,– per jaar beloopt vanaf de datum van het ongeval tot de dag van pensionering. Dit verzoek is toen afgewezen vanwege – kort gezegd – onvoldoende feitelijke onderbouwing.
In feite vraagt [verzoeker] met zijn verzoek onder A. nu een nieuwe beslissing over een eerder beslecht geschilpunt door dezelfde rechter. Het verzoek gaat uitsluitend uit van andere bedragen en er wordt een aantal verklaringen (van potentiële werkgevers) als nieuw bewijsmateriaal bijgebracht (productie 13 van [verzoeker] ). De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken ongewenst is. ASR heeft daartegen ook bezwaar gemaakt.

4.4. Ingevolge artikel 1091bb Rv staat tegen de beschikking in deelgeschil namelijk geen hogere voorziening (hoger beroep) open, behalve op grond van het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 Rv in het kader van een bodemprocedure (en al dan niet na verlof van de rechter in eerste aanleg).
Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] een bodemprocedure is gestart en in hoger beroep is gegaan tegen de beschikking van 9 december 2015. De beslissing over het verlies aan verdienvermogen is nu dan ook onaantastbaar. Er is geen sprake van bijzondere (andere) omstandigheden die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Het verzoek van [verzoeker] onder A. zal vanwege een gebrek aan belang worden afgewezen.

4.5. De overige verzoeken van [verzoeker] gaan over de hoogte van het smartengeld en de vergoeding van de na het ongeval te maken kosten aan gebit en kaak. Met een oordeel daarover kán de tussen partijen ontstane impasse wel worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Immers, met een oordeel over de hoogte van de door ASR hiervoor geboden bedragen en de eerdere beschikking ten aanzien van het verlies aan verdienvermogen moeten partijen eruit kunnen komen. ASR heeft ook al verschillende bedragen betaald. Dat de verzoeken B. en C. de laatste openstaande posten betreft staat daarin niet in de weg.

Smartengeld

4.6. Over het verzoek van [verzoeker] de bedrag aan smartengeld te bepalen op € 100.000,– overweegt de rechtbank het volgende.
Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW lid 1 en onder b Burgerlijk Wetboek, BW).
Bij de begroting moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkenen. De rechter moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de concrete benadeelde. Bij de begroting moet de rechter ook meewegen de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekend bedragen, rekening houdend met een eventueel opgetreden geldontwaarding. Ook mag gekeken worden naar bedragen die buitenlandse rechters toekennen, maar de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen zijn niet beslissend voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

4.7. [verzoeker] is zonder twijfel een traumatiserend ongeval overkomen. Hij is bedolven geraakt onder grote pakketten staal/ijzer, zat klem met hoofd en benen en moest door de brandweer moeten worden bevrijd. Dat hij daarbij voor zijn leven heeft gevreesd, is begrijpelijk. Naast ernstig aangezichtsletsel en gebitsletsel had [verzoeker] een stabiele C7 fractuur, een crurisfractuur rechts en een ischiadicus letsel van het linkerbeen (rapport van [A] , orthopedisch chirurg, d.d. 4 januari 2016, productie 5 van [verzoeker] ).
Dat het doorlopen van operaties, een lang revalidatietraject en het leven met beperkingen als gevolg van het ongeval moeilijk was en is, is ook begrijpelijk. De opmerking van [verzoeker] ter zitting dat hij “nu in leven is, maar niet leeft” heeft de rechtbank geraakt.

4.8. In de door [verzoeker] overgelegde (meest recente) stukken ziet de rechtbank alleen geen aanleiding het door hem verzochte bedrag van € 100.000,– aan smartengeld toe te wijzen. Het aangezichtsletsel van [verzoeker] is met goed resultaat behandeld, ondanks dat er tussendoor een infectie is geweest en bij een herhaling daarvan de orbitaplaat zal moeten worden verwijderd (brief van dr. [C] , kaakchirurg in het [naam ziekenhuis] te [vestigingsplaats] , d.d. 10 november 2017, productie 4 van [verzoeker] ).
De mate van functionele invaliditeit is door dr. [A] in 2016 vastgesteld op 0% voor de doorgemaakte C7 fractuur, voor de doorgemaakte crurisfractuur 6% onderste extremiteit en voor het linker been 1% van de onderste extremiteit. Verbetering zal volgens [A] niet meer optreden, verslechtering in het rechterbeen als zich posttraumatische artrose ontwikkelt. Op medische gronden worden door hem lichte beperkingen bevestigd bij ‘staan, lopen, trappen lopen, klimmen of klauteren’. Een matige beperking wordt geconstateerd bij ‘knielen, kruipen of hurken’.
Daarnaast hebben zich bij [verzoeker] na het ongeval stemmingsklachten en trauma gerelateerde klachten (PTSS) ontwikkeld, welke in stand werden gehouden door lichamelijke beperkingen, juridische zaken en psychosociale problemen (brief van GZ-psycholoog [B] van [naam instelling] d.d. 13 november 201, productie 11 van [verzoeker] ). Een rapport over [verzoeker] ’s huidige psychische toestand ontbreekt. Wel blijkt uit het bij brief van 30 november 2108 overgelegde huisartsenjournaal van 29 november 2018 dat [verzoeker] zich nog steeds (in 2018) regelmatig meldt met klachten als depressie, moeheid, PTSS, naast oogklachten (zwellingen) en huidproblemen.
Ten tijde van het ongeval was [verzoeker] 58 jaar oud. Sindsdien werkt hij niet meer. Hij oefent geen sport en hobby’s uit. Niet bekend is hoe dit voor het ongeval was.

4.9. In het licht van deze omstandigheden, mede gelet op het – ook door ASR genoemde – toegekende smartengeld in andere zaken, ziet de rechtbank geen aanleiding een hoger bedrag aan smartengeld te bepalen dan het door ASR geboden bedrag van € 25.000,–. Dat sprake is van een ‘ [.] ’-leven kan objectief gezien niet worden vastgesteld, zonder dat de rechtbank daarbij voorbij wil gaan aan de door [verzoeker] ervaren pijn en beperkingen.

Gebitsschade

4.10. [verzoeker] verzoekt de rechtbank te bepalen dat de schade aan het gebit en de kaak wordt vastgesteld op € 15.970,28 conform de begroting van [naam tandartsenpraktijk] te [vestigingsplaats] d.d. 25 augustus 2011 (productie 12 van [verzoeker] ). ASR heeft een bedrag van €7.500,– aan ‘herstel aan het gebit’ betaald en een bedrag dienaangaande van € 1.927,58 en € 34,10 onder de noemer ‘overige kosten’. In totaal is er dus € 9.461,68 ter zake van schade aan het gebit betaald. ASR heeft gesteld dat onbekend is hoe de toestand van het gebit van [verzoeker] was vóór het ongeval, dat dus onduidelijk is of de begroting geheel de gevolgen van het ongeval betreft, dat [verzoeker] eerder een bedrag van € 7.500,– in totaal heeft genoemd en dat hij de behandelingen beter en goedkoper in Turkije zou laten uitvoeren. De overgelegde nota’s van uitgevoerde behandelingen komen in totaal slechts neer op €2.032,16 (productie 12 van [verzoeker] ), zodat met de betaalde bedragen de kosten ruimschoots zijn voldaan, aldus ASR.

4.11. Zonder twijfel had [verzoeker] (bij een ernstig aangezichtstrauma) forse schade aan het gebit en de kaak na het ongeval. Kaakchirug [C] schrijft in zijn brief van 20 juni 2013 (productie 10 van [verzoeker] ) dat er sprake is van een goed herstel na uitgebreid aangezichtsletsel, ‘met nog enkele te herstellen gebitselementen’. Verzekeringsarts [D] schrijft in zijn brief van 23 februari 2015 in ieder geval dat er op tandheelkundig gebied nog geen eindsituatie is (productie 6 van [verzoeker] ). Gelet op de aard van het ongeval en het beschreven letsel is naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel dat de begroting van 25 augustus 2011 betrekking heeft op de gevolgen van het ongeval. Immers, deze begroting betreft het plaatsen van implantaten in de kaak, onderprotheses en het onderzoek. Omdat [verzoeker] ook uitsluitend vergoeding van deze begroting vordert, acht de rechtbank de staat van zijn gebit voor het ongeval niet relevant. ASR heeft de begroting als zodanig ook niet (als overbodig of onzinnig) ter discussie gesteld. De vergoeding voor de gebitsschade zal dan ook worden bepaald op € 15.970,28 (waarvan dus al een deel, zoals hiervoor omschreven, is betaald).

Kosten van de procedure

4.12. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
[verzoeker] maakt aanspraak op een vergoeding van (18 + 6) 24 uren x € 240,–, te vermeerderen met 6% kantooropslag en 21% BTW, althans de rechtbank begrijpt zijn verzoeken onder D. en E. in die zin.
Anders dan ASR is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen, moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig, althans niet wat betreft alle verzoeken.

4.13. ASR voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is, terwijl zij met betrekking tot het uurtarief aanvoert dat het bovenmatig is.
Deze zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil.
Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming, temeer niet omdat er geen belang is bij (herhaling van) het verzoek met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen zoals hiervoor is overwogen. De met het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank worden begroot op (1/2 x 18 + 6) 15 uren x € 220,– exclusief BTW en kantoorkosten. Bij dit uurtarief ziet de rechterbank geen aanleiding voor vergoeding van kantoorkosten. Het te begroten bedrag komt neer op € 3.993,– inclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 291,–.
ASR zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

4.14. Omdat tegen een beschikking op een verzoek in een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening openstaat, zal de rechtbank het verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. bepaalt het bedrag aan smartengeld naar billijkheid op € 25.000,–;

5.2. bepaalt de vergoeding voor de schade aan gebit en kaak op € 15.970,28;

5.3. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.993,–, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 291,– en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

5.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.1 1
type: HV (4061) coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey