Rb, deelgeschil: Diverse posten bgk onjuist, matiging uurloon van procedure

Samenvatting:

Voldoende aannemelijk is dat een beslissing over de buitengerechtelijke kosten mede kan bijdragen aan het treffen van een eventuele minnelijke regeling. Het staat de gemachtigde vrij om zijn cliënt te contacteren waar daar behoefte aan is, maar hij dient ervoor te waken dat de wederpartij uiteindelijk opdraait voor onnodige buitengerechtelijke werkzaamheden. De opgevoerde tijdsbesteding is bovenmatig. De aansprakelijkheid is reeds erkend. Het voorwerk was als gedaan door de voorganger. Onvoldoende is als specificatie ‘correspondentie cliënt in/uit’ dan wel ‘telefoon cliënt in/uit’. Kosten van huisbezoek worden onterecht gevorderd omdat verzoeker niet thuis was. Het opvragen van (medische) informatie en het verrichten van eenvoudige handelingen vallen onder kantoorkosten. Literatuurstudie, het raadplegen van een juridische databank en bespreking met een kantoorgenoot zijn voor een gespecialiseerd letselschadeadvocaat overbodig. Toewijsbaar is 50%. Het deelgeschil betreft in de kern een zaak over de onbetaald gebleven declaraties. Als kosten voor deze procedure komt in redelijkheid als tarief € 190 in aanmerking.

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-12-2018
Datum publicatie 10-01-2019
Zaaknummer 6927115 VZ VERZ 18-11412
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Beschikking
Inhoudsindicatie
deelgeschil, buitengerechtelijke kosten deels afgewezen
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 6927115 / VZ VERZ 18-11412

uitspraak: 6 augustus 2018

beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te Rotterdam,
verzoeker,
gemachtigde: mr. O. Emre te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap
[verweerster] ,
gevestigd te Utrecht,
verweerster,
gemachtigde: mr. P.C. Knijp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “ [verzoeker] ” resp. “ [verweerster] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Van de volgende processtukken is kennisgenomen:
– het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 24 mei 2018;
– het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2018.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2018.
Voor [verzoeker] is verschenen zijn gemachtigde mr. Emre (voornoemd).
Namens [verweerster] is verschenen mevrouw [naam] , bijgestaan door de gemachtigde
mr. Knijp (voornoemd) en mr. W. Knoester.
De gemachtigden van partijen hebben ieder het eigen standpunt mondeling toegelicht, waarbij mr. Emre gebruik heeft gemaakt van een schriftelijke pleitnota die aan het procesdossier is toegevoegd.
Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3 De kantonrechter heeft de datum van deze uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Op 24 januari 2015 heeft een aanrijding plaatsgevonden te Rotterdam waarbij een drietal voertuigen betrokken waren. Het middelste voertuig werd bestuurd door [verzoeker] die op dat moment stilstond voor een rood stoplicht. Hij werd aangereden door het voertuig achter hem, als gevolg waarvan [verzoeker] tegen het voertuig dat voor hem stond aanbotste.

2.2 [verweerster] is de WAM-verzekeraar van de schadeveroorzakende partij.

2.3 [verweerster] heeft de aansprakelijkheid voor het verkeersongeval en de daaruit voor [verzoeker] voortvloeiende schade erkend.

2.4 Aan [verzoeker] zijn voorschotten onder algemene titel voldaan ter vergoeding van (geleden) schade. Aan de huidige gemachtigde van [verzoeker] , mr. Emre, is een voorschot voldaan ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, zijnde het bedrag van € 1.742,94.
Voorheen werd [verzoeker] bijgestaan door een andere gemachtigde aan wie [verweerster] een bedrag van € 6.500,- ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft betaald.

3 Het geschil

3.1 [verzoeker] heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren en te bepalen dat [verweerster] aan [verzoeker] dient te voldoen:
(i) de nog openstaande declaraties aan buitengerechtelijke kosten van de gemachtigde van [verzoeker] ad € 8.037,27 (inclusief kantoorkosten en btw), en
(ii) de kosten van de onderhavige procedure, door [verzoeker] begroot op € 3.616,93 (incl. kantoorkosten en btw), te vermeerderen met het door [verzoeker] voldane griffierecht.

3.2 Ter toelichting op dat verzoek heeft [verzoeker] – samengevat weergegeven en voor zover thans van belang weergegeven – het volgende aangevoerd.
[verweerster] heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Dat betekent dat zij gehouden is de volledige schade van [verzoeker] te vergoeden, daarmee ook de onderhavige buitengerechtelijke kosten die hij heeft moeten maken om ‘zijn recht te halen’.
[verweerster] weigert de gemaakte buitengerechtelijke kosten volledig te vergoeden. Het nog openstaande en thans gevorderde bedrag is € 8.037,27. Het voorschot dat reeds is voldaan door [verweerster] strekt volgens [verzoeker] niet in mindering op de thans nog openstaande declaraties.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat alle gedeclareerde werkzaamheden de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en daarom vergoed moeten worden door [verweerster] .
Er is door de gemachtigde van [verzoeker] veel werk verricht, mede te wijten aan de trage houding van [verweerster] en het feit dat de gemachtigde veelvuldig heeft gerappelleerd. Op dit moment zijn de onderhandelingen tussen partijen gestaakt, als gevolg van de discussie over de buitengerechtelijke kosten. Dat leidt tot financiële problemen bij [verzoeker] . [verzoeker] zag zich genoodzaakt deze deelgeschilprocedure te starten zodat dit punt beslecht kan worden, en de voortgang van de letselschadeafhandeling niet langer wordt belemmerd.

3.3 [verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het verzoek.
Samengevat weergegeven betoogt zij dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat het meningsverschil met betrekking tot de kosten niet zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Partijen twisten, kort gezegd, nog over de causaliteit tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker] . [verweerster] sluit niet uit dat de klachten niet steeds ongeval gerelateerd zijn. Los daarvan kunnen de opgevoerde kosten de toetsing aan de dubbele redelijkheidstoets ex art. 6:96 lid 2 BW niet doorstaan. Er is volgens [verweerster] in deze zaak buitensporig gedeclareerd terwijl daartegenover weinig juridisch inhoudelijke werkzaamheden staan. Er is voornamelijk administratief werk gedaan. Dat rechtvaardigt niet het gevorderde bedrag. Daar komt nog bij dat er door de gemachtigde onnodig veel is getelefoneerd met [verzoeker] . Er zitten bovendien dubbele nota’s in het dossier. Er overheerst bij [verweerster] een gevoel dat deze kwestie ‘niet pluis’ is, om welke reden zij niet tot volledige vergoeding is overgegaan. [verweerster] heeft tot slot afzonderlijk verweer gevoerd tegen de verzochte proceskostenveroordeling ex art. 1019aa Rv.

3.4 Op hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, voor zover althans voor de uitkomst van de procedure van belang, wordt hierna teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1 [verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen.

4.2 Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

Nog openstaande declaraties kosten rechtsbijstand (bgk)

4.3 Partijen verschillen (kort gezegd) van mening over de mate waarin de buitengerechtelijke kosten vergoed moeten worden. Bepalend voor het antwoord op die vraag is of – zoals hiervoor al gezegd – de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

[verweerster] heeft in dit verband als (formeel) verweer aangevoerd dat het verzoek zich niet leent voor een deelgeschilprocedure omdat de beslechting van de discussie over de declaraties de verdere onderhandelingen tussen partijen niet vlot trekt.

4.4 Overwogen wordt dat -in beginsel- een verzoek tot toekenning van een (aanvullend) voorschot op de buitengerechtelijke kosten in een deelgeschil aan de orde kan komen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal worden beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarde dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (vgl. ECLI:NL:RBROT:2016:9274).

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk gemaakt dat een beslissing over de buitengerechtelijke kosten mede kan bijdragen aan het treffen van een eventuele minnelijke regeling van de onderhavige kwestie, zodat geconcludeerd wordt dat deze kwestie wel degelijk onder het bereik van het onderhavig deelgeschil valt.
[verweerster] heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval en de gevolgen daarvan voor [verzoeker] erkend. Daarna zijn de onderhandelingen over een regeling op gang gekomen. Er is, zo blijkt uit het procesdossier, ook gesproken en onderhandeld over een totaalbedrag binnen een (finale) regeling. De eindstreep was in zicht. Tussen partijen is een impasse ontstaan, nu het onderhandelingstraject tussen hen is gestaakt als gevolg van de -voortdurende- discussie over de bevoorschotting van de buitengerechtelijke kosten. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat partijen die impasse zelf kunnen doorbreken terwijl dat wel noodzakelijk is om het verdere schaderegelingstraject weer op gang te brengen.
Het verzoek als weergegeven onder sub (i) ligt in zoverre voor toewijzing gereed.

4.5. Vervolgens moet beoordeeld worden of de gevorderde kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets. In dat kader wordt overwogen dat ook in relatief eenvoudige zaken of zaken met een relatief gering procesbelang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd moeten worden. Dat mag er evenwel niet toe leiden dat die belangenbehartiger dit uitgangspunt aangrijpt om de professionele wederpartij op kosten te jagen door, kort gezegd, onnodig veel correspondentie te voeren. Een efficiënte tijdsbesteding die leidt tot een redelijke verhouding tussen de schadeomvang en de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten, moet voor ogen worden gehouden.

[verweerster] meent dat de opgevoerde declaraties buitensporig zijn. Zij heeft dat onderbouwd in een tweetal e-mails, door [verzoeker] overgelegd bij zijn verzoekschrift (e-mail van 5 juli 2017 en e-mail van 28 februari 2018, producties 7 en 16).
Allereerst wordt door [verweerster] bezwaar gemaakt tegen de grote hoeveelheid correspondentie die is gevoerd en de telefoon/contactmomenten tussen de gemachtigde en [verzoeker] .

Feitelijk is die stelling van [verweerster] erkend zijdens [verzoeker] . Blijkens de e-mail van de gemachtigde van [verzoeker] van 1 maart 2018 (productie 11 bij verweerschrift) reageert de gemachtigde richting [verweerster] met de volgende bewoordingen: “zoals hierboven aangegeven heeft cliënt wellicht meer aandacht nodig dan gebruikelijk, maar ook dat komt voor rekening van uw maatschappij. U hebt het slachtoffer te nemen zoals die is.”.

Op zichzelf genomen staat het de gemachtigde vrij om zijn cliënt te contacteren (en vice versa) waar daar behoefte aan is, maar tegelijkertijd dient een professioneel belangenbehartiger (zoals een advocaat) ervoor te waken dat de wederpartij (zoals een verzekeraar) uiteindelijk opdraait voor onnodige buitengerechtelijke werkzaamheden en de daarbij behorende declaraties.
Die professionele belangenbehartiger dient het dan tot zijn taak te rekenen zijn cliënt daarop te wijzen en -indien noodzakelijk- overbodige werkzaamheden én kosten te beperken.
Het is geenszins een regel dat, zoals de gemachtigde van [verzoeker] het doet voorkomen, dat een verzekeraar onbeperkt álle gemaakte buitengerechtelijke kosten moet voldoen.

4.6. Dat uitgangspunt indachtig leidt de kantonrechter tot de volgende beoordeling van de door [verzoeker] opgevoerde buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter is met [verweerster] van oordeel dat de opgevoerde tijdsbesteding bovenmatig is, rekening houdend (ook) met het feit dat niet alleen de aansprakelijkheid door [verweerster] reeds is erkend (zodat dat geen discussiepunt tussen partijen is geweest) en dat ter zake van de bemoeiingen van de voorganger van de huidige gemachtigde door [verweerster] een bedrag van € 6.500,- aan buitengerechtelijke kosten is vergoed. Kortom, het voorwerk was al gedaan en de huidige gemachtigde van [verzoeker] heeft zich voor het eerst bij e-mail van 3 mei 2017 formeel gemeld bij [verweerster] als de nieuwe gemachtigde.

Zijdens [verzoeker] is ten eerste niet onderbouwd of inzichtelijk gemaakt waarom de opgevoerde tijdsbesteding aan correspondentie en telefoon noodzakelijk is geweest, bezien tegen de achtergrond dat het hier om een relatief eenvoudige zaak gaat. Waarom er veelvuldig telefooncontact is geweest tussen [verzoeker] en zijn gemachtigde wordt niet nader onderbouwd. Er is veel correspondentie, soms op dezelfde dag of enkele dagen kort achter elkaar, zo heeft [verweerster] aangevoerd en is de kantonrechter ook gebleken afgaand op de specificatie van de declaraties. Het gaat daarbij steeds om de omschrijving op de specificatie die luidt: ‘correspondentie cliënt in/uit’ dan wel ‘telefoon cliënt in/uit’.
Evenmin is die correspondentie overgelegd bij het procesdossier, zodat, zoals door [verweerster] is aangevoerd, ook niet is na te gaan of alle opgevoerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht.

Verder wordt op de specificaties van de gemachtigde herhaaldelijk de vermelding ’correspondentie derde in/uit’ weergegeven. [verweerster] heeft in haar e-mail van 5 juli 2017 (terecht) de vraag gesteld dat niet duidelijk is gemaakt in de specificatie wie die derde is.
Dat had wel op de weg van [verzoeker] geleden nu ook dit een terugkomende kostenpost is.
Een en ander komt voor rekening van [verzoeker] .

Verder wordt door [verweerster] geklaagd dat de kosten van het huisbezoek aan [verzoeker] van 2 november 2017 door de gemachtigde zijn opgevoerd. Het gaat blijkens de omschrijving op de specificatie om reistijd, bespreking, telefoon en correspondentie, gedateerd op de betreffende dag, 2 november 2017. Het huisbezoek heeft niet plaatsgevonden en die kosten zijn om die reden niet gemaakt, want [verzoeker] was op de afgesproken datum en tijd niet thuis. In dat geval blijven die kosten (een totaal is opgevoerd van 1.57 uren) voor rekening van [verzoeker] , zoals [verweerster] terecht aanvoert.

Voorts heeft [verweerster] terecht aangevoerd dat het opvragen van (medische) informatie en het verrichten van eenvoudige handelingen, al dan niet administratief, verondersteld wordt onder kantoorkosten te vallen.

Dan zijn er nog kosten gedeclareerd die zien op literatuurstudie, het raadplegen van een juridische databank en bespreking met een kantoorgenoot. Omdat hier geen sprake is van zeldzame of complexe materie die een rechtvaardiging oplevert voor een verdieping in relevante literatuur, acht de kantonrechter die werkzaamheden overbodig. Het gaat hier om een gespecialiseerd letselschadeadvocaat waarvan, zoals door [verweerster] in haar e-mails is aangegeven, mag worden verwacht dat hij de benodigde vakkennis ook buiten de dossierbehandeling up-to-date houdt.

Ten slotte wordt nog opgemerkt dat eventuele dubbele nota’s vanzelfsprekend moeten worden gecorrigeerd in de opgave door de gemachtigde van [verzoeker] .

Rekening houdend met alle hiervoor opgesomde omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de tijdsbesteding en uitgaande van het uurtarief van € 235,- (vermeerderd met 6% kantoorkosten en de btw) is in totaal toewijsbaar 50% van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, hetgeen neerkomt op € 4.018,-.
[verweerster] zal hierna worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.

Kosten deelgeschil

4.6 In het verzoekschrift vraagt [verzoeker] voorts een vergoeding voor de kosten van deze procedure, begroot op € 3.616,93 (incl. kantoorkosten en btw).
[verweerster] heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.7 Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure (ambtshalve) dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval geen sprake, zodat de kantonrechter over zal gaan tot begroting van de kosten van dit deelgeschil.

4.8 De kantonrechter overweegt als volgt. In dit geval dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Volgens de overgelegde specificatie van de gemachtigde van [verzoeker] is in totaal 12 uren besteed (tegen het specialistentarief van € 235,- en vermeerderd met 21% btw en 6% kantoorkosten, derhalve € 3.616,93).

Meer specifiek gaat het om:
het opstellen van het verzoekschrift (8.9 uren);
studie dossier (1.25 uren);
studie literatuur (0.50 uren);
bespreking kantoorgenoot (0.25 uren);
bespreking cliënt (1 uur);
administratieve werkzaamheden (0.10 uren).

4.9 De kantonrechter acht het gedeclareerde aantal uren niet redelijk, nu de zaak niet bijzonder complex is en nu van een gespecialiseerde letselschadeadvocaat verwacht mag worden dat deze minder tijd dan gemiddeld nodig heeft voor een dergelijke zaak. Daar komt bij dat [verzoeker] , zonder enig bericht van verhindering, niet is verschenen op de mondelinge behandeling zodat de opgevoerde kosten die zien op de ‘bespreking cliënt’ (1 uur) voor eigen rekening blijven. De vergoeding van de gemaakte kosten zal worden beperkt tot 6 uren voor het opstellen van het verzoekschrift, en 1.5 uren voor de bespreking met de kantoorgenoot en studie dossier tezamen, derhalve in totaal 7.5 uren.

4.10 Dan staat ook de redelijkheid van het door de gemachtigde gehanteerde uurtarief van € 235,- (te vermeerderen met kantoorkosten en btw) ter discussie. Het maximaal redelijke uurtarief hangt onder meer af van de aard van de procedure. In casu wordt gewicht toegekend aan de omstandigheid dat, in de kern, dit geen letselschadezaak betreft maar een zaak over de onbetaald gebleven declaraties van de gemachtigde van [verzoeker] .
Een rechtvaardiging voor het hanteren van het specialistentarief van € 235,- door de gemachtigde is niet gegeven. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om dat hogere tarief in deze zaak als uitgangspunt te nemen, zodat dit in redelijkheid wordt gematigd tot € 190,-, exclusief de daarbij komende verhogingen aan kantoorkosten en btw.

De totale gemaakte en te vergoeden kosten daarmee op:

7.5 uren x € 190,-, vermeerderd met 21% en 6% kantoorkosten = € 1.827,70, vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,- = € 1.906,70.

[verweerster] zal hierna worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

4.11 Tot slot wordt overwogen dat, gelet op de hiervoor toegewezen bedragen en de veroordeling van [verweerster] tot betaling daarvan aan [verzoeker] , niet ingezien wordt welk belang [verzoeker] thans nog heeft bij de door hem verzochte verklaring van recht op beide onderdelen.
Bij een gebrek aan belang wordt die verzochte verklaring van recht afgewezen.

5 De beslissing
De kantonrechter:

wijst het verzoek toe:

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 4.018,- (incl. btw en kantoorkosten) ten titel van buitengerechtelijke kosten;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 1.906,70 (incl. btw, kantoorkosten en griffierecht) en veroordeelt [verweerster] tot vergoeding van dat bedrag aan [verzoeker] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

741

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots