Rb, deelgeschil: De moeder was te onzorgvuldig t.o.v. haar kind

Samenvatting:

Verzoekster, trad qq op voor haar zesjarige dochter. Zij was tevens persoonlijk verweerster 2. Samen met een vijfjarige jongen liep de dochter naar een weiland honderden meters verderop met daarin een wit en een bruin paard. Verweerder 1 was eigenaar van het bruine paard. Verzoekster heeft de kinderen twee maal te verstaan gegeven dat zij niet bij de paarden in de wei mochten komen en voor het hek moesten blijven staan. De dochter is toch het weiland met de paarden ingegaan en is door één van de twee paarden tegen het hoofd getrapt. In opdracht van verzoekster qq bezocht een registerexpert de jongen thuis. Van het gesprek is een video-opname gemaakt. Dat verweerder 1 bij de totstandkoming niet is betrokken doet afbreuk aan de overtuigingskracht. Hooguit kan in deelgeschil voorshands bewezen worden geacht dat het bruine paard trapte. Voor bewijs is nadere instructie nodig hetwelk daarin niet past. Een ouder heeft de plicht het kind te behoeden voor gevaar, maar dient ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind te bevorderen. Paarden vormen voor kleine kinderen een bijzonder ernstig veiligheidsrisico. Daaraan heeft zij haar dochter welbewust blootgesteld. Haar instructie aan de dochter was ambivalent omdat zij de paarden wel mocht voeren. haar handelen was dermate inadequaat dat verzoekster te onzorgvuldig was.

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-09-2018
Datum publicatie 17-10-2018
Zaaknummer C/05/329203 17-292
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Beschikking
Inhoudsindicatie
Deelgeschil. Letselschade 6 jarig kind door trap van een paard. Voor vaststelling van bezit van het paard dat heeft getrapt is instructie nodig. Aansprakelijkheid ouder voor gebrek aan toezicht. Toetsingsmaatstaf.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/329203 / HA RK 17-292 / 103 / 512

Beschikking van 10 september 2018

in de zaak van

[verzoekster] ,
in hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordiger van [dochter verzoekster]
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.C.J. Peters te Arnhem,

tegen

1 [verweerder]
wonende te [woonplaats] , België,
verweerder,
advocaat mr. G.J. de Lange te Voorburg,

2. [verweerder 2, tevens verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn,

3. de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
verweerster,
advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

De partijen worden verder enerzijds [verzoekster] qq en anderzijds [verweerder] , [verzoekster] en Achmea genoemd. [dochter verzoekster] zal verder [dochter verzoekster] worden genoemd.

1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift
– de verweerschriften
– de brief met bijlagen van [verweerder] van 4 mei 2018
– de e-mail met bijlage van [verzoekster] qq van 4 mei 2018
– de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [verzoekster] qq, bijgestaan door mr. Peters voornoemd, en mrs. Spronck en De Lange voornoemd. De advocaten van partijen hebben de standpunten van hun cliënten mede aan de hand van spreekaantekeningen uiteen gezet.

2. De feiten

2.1. Op 18 september 2016 zijn [verzoekster] en de toen zesjarige [dochter verzoekster] op bezoek gegaan bij [persoon A] en diens zonen [zoon A] en de toen vijfjarige [zoon B] , die woonden in een boerderij aan [straatnaam] te [woonplaats] .

2.2. Op een weiland, gelegen op een paar honderd meter afstand van de boerderij van [persoon A] , liepen toen twee paarden; een wit paard en een bruin paard, genaamd [paard 1] , dat toen in eigendom toebehoorde aan [verweerder] . Dit weiland werd door een houten hek, een ander weiland zonder dieren, een ander houten hek en het perceel van de boerderij van [persoon A] , van die boerderij gescheiden.

2.3. Na het avondeten zijn [dochter verzoekster] en [zoon B] met toestemming van [verzoekster] en [persoon A] naar de wei gelopen om de paarden een appel te voeren. De kinderen is twee maal te verstaan gegeven dat zij niet bij de paarden in de wei mochten komen en voor het hek moesten blijven staan. Op de naleving hiervan hebben de ouders niet toegezien.

2.4. [dochter verzoekster] is toch het weiland met de paarden ingegaan en daar door een van de twee paarden tegen het hoofd getrapt. Daarbij is ernstig traumatisch schedel- en hersenletsel ontstaan. Na verschillende operaties en revalidatie-inspanningen kan [dochter verzoekster] thans weer 30 minuten lopen. Zij heeft verlammingsverschijnselen, oogklachten en cognitieve klachten. [dochter verzoekster] kan niet meer spreken en niet meer normaal eten.

2.5. In opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder] heeft SRB Rasenberg B.V. (verder: Rasenberg) gerapporteerd over de toedracht van het ongeval. Rasenberg heeft onder meer verklaringen van [verzoekster] en [persoon A] opgetekend, die als bijlage bij haar rapport zijn gevoegd.

2.6. [verzoekster] is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

2.7. [verweerder] en [verzoekster] , bij monde van Achmea, hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8. In opdracht van [verzoekster] qq heeft registerexpert M. Veenstra (verder: Veenstra) op 9 september 2017 [zoon B] thuis gehoord over de toedracht van het ongeval. [verweerder] noch Achmea zijn hierin betrokken. Van het gesprek tussen Veenstra en [zoon B] is een video-opname gemaakt.

3 Het geschil

3.1. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, op de voet van art. 1019w e.v. Rv,

1. voor recht zal verklaren dat [verweerder] op grond van art. 6:179 BW aansprakelijk is voor alle door [dochter verzoekster] geleden en nog te lijden schade in verband met het ongeval op 18 september 2016,

2. voor recht zal verklaren dat [verweerder] gehouden is 100% van de schade te vergoeden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage,

3. voor recht zal verklaren dat [verzoekster] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is voor alle door [dochter verzoekster] geleden en nog te lijden schade in verband met het ongeval op 18 september 2016,

4. voor recht zal verklaren dat [verzoekster] gehouden is 100% van de schade te vergoeden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage,

5. voor recht zal verklaren dat Achmea, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van [verzoekster] , dekking dient te verlenen voor de onderhavige schade en op grond van art. 7:954 BW gehouden is hetgeen [dochter verzoekster] van [verzoekster] te vorderen heeft rechtstreeks aan [dochter verzoekster] te voldoen,

6. verweerders hoofdelijk te veroordelen om bij wijze van voorschot op de door [dochter verzoekster] geleden en nog te lijden schade een bedrag van € 14.000,00 aan [dochter verzoekster] te voldoen,
met begroting van de kosten aan de zijde van [verzoekster] qq bij de behandeling van het verzoek, waaronder de kosten van de werkzaamheden van Veenstra, en (hoofdelijke) veroordeling van verweerders tot betaling van het aldus begrote bedrag aan [dochter verzoekster] .

3.2. Aan het verzochte legt [verzoekster] qq het volgende ten grondslag.
[paard 1] heeft [dochter verzoekster] getrapt. [verweerder] is de bezitter van [paard 1] en is daarom op de voet van art. 6:179 BW aansprakelijk voor de schade die de trap heeft aangericht en tot vergoeding van de schade gehouden.
[verzoekster] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door [dochter verzoekster] toe te staan de paarden te gaan voeren zonder begeleiding van een volwassene, in de wetenschap dat paarden onberekenbaar en gevaarlijk zijn en een kind van zes jaar niet in staat is dit gevaar adequaat in te schatten en daarnaar te handelen. [verzoekster] heeft aldus onrechtmatig gehandeld jegens haar dochter [dochter verzoekster] en is op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk voor de schade en tot vergoeding van de schade gehouden.
Dit laatste geldt ook voor Achmea, die op de voet van art. 7:954 BW gehouden is de verzekeringsuitkering waarop [verzoekster] aanspraak heeft rechtstreeks aan [verzoekster] qq te betalen.

3.3. [verweerder] , [verzoekster] en Achmea voeren verweer.

4 De beoordeling
De tegen [verweerder] gerichte verzoeken

4.1. Deze rechtbank komt in ieder geval ingevolge art. 26 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening rechtsmacht toe in de procedure tegen [verweerder] .

4.2. Voor toewijzing van het verzochte is onder meer vereist dat komt vast te staan dat [verweerder] ten tijde van het ongeval de bezitter was van het paard dat [dochter verzoekster] heeft getrapt. [verweerder] was toen de bezitter van [paard 1] . In geschil is dat dit bruine paard het letsel heeft aangericht, zoals [verzoekster] qq stelt en [verweerder] betwist. In dit verband is het volgende van belang.

4.3. In de wei liep destijds ook een wit paard dat het letsel van [dochter verzoekster] veroorzaakt zou kunnen hebben. Ter onderbouwing van haar stelling dat [paard 1] [dochter verzoekster] heeft getrapt heeft [verzoekster] qq erop gewezen dat [persoon A] en [verzoekster] tegenover Rasenberg hebben verklaard dat [zoon B] hen heeft gezegd dat hij heeft gezien dat het bruine paard [dochter verzoekster] schopte. Verder wijst zij erop dat [zoon B] dit ook tegen Veenstra heeft gezegd. [verzoekster] qq heeft de video-opname van deze verklaring van [zoon B] in het geding gebracht. De rechtbank heeft deze opname bekeken. De schriftelijke verklaringen en de beelden van het gesprek tussen Veenstra en [zoon B] bieden op zichzelf duidelijke aanwijzingen dat [paard 1] [dochter verzoekster] heeft getrapt. Het betreffen weliswaar schriftelijke verklaringen van horen zeggen, waarvan de overtuigingskracht op zichzelf niet heel sterk is, maar bezien in verband met de beelden wordt de door [verzoekster] qq gestelde toedracht aannemelijk. Dat [verweerder] bij de totstandkoming van de beelden niet is betrokken en dus geen invloed heeft kunnen hebben op de vraagstelling, doet echter afbreuk aan de overtuigingskracht van dit bewijsmiddel (vergelijk art. 192 Rv). Daar komt bij dat, hoe integer Veenstra ook te werk lijkt te zijn gegaan, [verweerder] kan worden toegegeven dat in een enkele vraag de suggestie van een bepaald antwoord besloten zou kunnen liggen. Getuigenbewijs is nog niet geleverd. Alles overziende kan thans hooguit voorshands bewezen worden geacht dat [dochter verzoekster] door [paard 1] is getrapt. Voordat dit feit kan worden vastgesteld dient derhalve (tegen)bewijslevering plaats te vinden. De investering in tijd en geld die met deze nadere instructie, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van getuigenverhoren, gepaard zal gaan weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de vordering ten gronde en de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. De tegen [verweerder] gerichte verzoeken zullen dan ook worden afgewezen op de voet van art. 1019z Rv.

4.4. Dat ook Rasenberg [zoon B] had kunnen vragen naar de toedracht van het ongeval en niet kenbaar heeft onderzocht wie de bezitter van het witte paard was, maakt het voorgaande niet anders. Deze omstandigheden betreffen niet de bewijswaardering. Voor het niet ondervragen van [zoon B] heeft [verweerder] bovendien een niet onaannemelijke verklaring gegeven, namelijk dat [persoon A] tegenover Rasenberg heeft verklaard dat [zoon B] niet meer over het ongeval praat. Het voert te ver om van [verweerder] , in het kader van de motivering van zijn betwisting van de door [verzoekster] qq gestelde toedracht, te verlangen dat hij (toch) dit onderzoek zou hebben verricht. [verzoekster] qq heeft in dit verband nog gesuggereerd dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder] ook de aansprakelijkheidsverzekeraar is van de bezitter van het witte paard. Wat hiervan zij, ook als deze suggestie juist is kan dit niet bijdragen aan bewijs dat [verweerder] op de voet van art. 6:179 BW voor de schade aansprakelijk is.

De tegen [verzoekster] en Achmea gerichte verzoeken

4.5. Het betreft hier een moeder die namens haar dochter zichzelf verwijt te zijn tekortgeschoten in haar ouderlijke zorgplicht. Zij heeft nagelaten het in het maatschappelijk verkeer betamelijke toezicht op [dochter verzoekster] te houden, aldus [verzoekster] qq. Over de in dit verband aan te leggen toetsingsmaatstaf wordt het volgende overwogen.

4.6. Een ouder heeft de zorg en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het kind en heeft uit dien hoofde de plicht het kind te behoeden voor gevaar. Een ouder dient echter ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind te bevorderen en meer in het algemeen het kind op te voeden. Hierbij past dat een ouder het kind de nodige vrijheid en zelfstandigheid gunt zodat het kind zich ook kan ontwikkelen. Daarbij zal het kind onvermijdelijk welbewust aan risico’s moeten worden blootgesteld. Vergelijk art. 1:247 leden 1 en 2 BW. Het is in de eerste plaats aan de ouder om, aan de hand van zijn visie op opvoeden en het karakter en de leeftijd van het kind, te bepalen welke risico’s nog wel en welke niet meer aanvaardbaar zijn. De rechter heeft deze beoordelingsvrijheid in beginsel te respecteren. Dit betekent niet dat de keuze van een ouder tegenover het kind niet onrechtmatig kan zijn. Ter invulling van de zorgvuldigheidnorm van art. 6:162 lid 2 BW, kan echter niet onverkort worden getoetst of een goed ouder die keuze kon maken, en kan evenmin onverkort worden getoetst aan de algemene gezichtspunten voor gevaarzetting. Er moet ruimte worden gelaten voor een persoonlijke ouderlijke afweging. In deze zin is de drempel voor aansprakelijkheid verhoogd. Tegen deze achtergrond worden de omstandigheden van dit geval als volgt beoordeeld.

4.7. Dieren zijn gevaarlijk vanwege de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. Dit geldt te meer voor een paard, dat mede vanwege zijn grootte en massa zeker bij een klein, kwetsbaar kind ernstig letsel kan veroorzaken. Paarden vormen dus voor kleine kinderen een bijzonder ernstig veiligheidsrisico. [verzoekster] heeft dit gevaar op zichzelf ook onderkend. Zij heeft [dochter verzoekster] tot twee maal toe geïnstrueerd voor het hek te blijven staat en niet bij de paarden in de wei te komen. Aldus heeft zij [dochter verzoekster] welbewust blootgesteld aan het risico dat aan de paarden inherent was, in de verwachting dat zij dat gevaar, zonder nader toezicht, met de herhaalde instructie beteugeld had. In dit laatste verband geldt het volgende.

4.8. [dochter verzoekster] was amper de kleuterleeftijd ontgroeid. Van haar mocht in verband met haar leeftijd slechts een beperkt inzicht in het aan paarden inherente gevaar en een beperkt vermogen zich naar dit inzicht te gedragen worden verwacht. (Vergelijk HR 8 december 1989, NJ 1990/778.) Ook het vermogen van [dochter verzoekster] om strikt naar instructies van [verzoekster] te handelen en aldus weerstand te bieden aan de aantrekkingskracht van (het voeren van) de paarden, mocht vanwege haar leeftijd slechts beperkt worden geacht. Zeker nu de paarden zich op enige honderden meters afstand en buiten het (toe)zicht van [verzoekster] of een andere volwassene bevonden en de instructie aan [dochter verzoekster] in die zin ambivalent was dat het mogen voeren van paarden impliceert dat je in de nabijheid van die paarden mag komen en zij het ene houten hek niet mocht passeren, terwijl zij het andere houten hek juist moest passeren om de paarden te kunnen voeren. Goed te voorzien was derhalve dat de (herhaalde) instructie niet zou leiden tot gedrag waardoor het ernstige gevaar dat aan paarden kleeft zou worden vermeden.

4.9. De rechtbank acht het gevaar en de voorzienbare gevolgen van een ongeval zo ernstig en de veiligheidsmaatregel tegen dit gevaar dermate inadequaat dat het nalaten van [verzoekster] zo onzorgvuldig wordt geacht dat zij daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Zij kon de verantwoordelijkheid voor de ernstig bedreigde veiligheid van [dochter verzoekster] niet volledig in handen geven van deze zesjarige dochter, maar had zelf op de daadwerkelijke naleving van haar instructie moeten toezien. Bezwaarlijk was dat niet.

4.10. Dat [dochter verzoekster] ponyrijles had maakt het voorgaande niet anders. Daaruit kan wellicht meer inzicht in het gevaar van een paard en ervaring met de omgang met paarden worden verwacht, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat [dochter verzoekster] minder risico liep dan een leeftijdsgenootje dat niet op ponyrijles zat. Onder ogen moet echter ook worden gezien dat de bekendheid met paarden de drempel om bij de paarden in de buurt te komen verlaagt, zodat van [dochter verzoekster] minder dan van een leeftijdsgenootje dat niet op ponyrijden zat mocht worden verwacht dat zij niet de wei in zou gaan. Gelet op de jonge leeftijd van [dochter verzoekster] acht de rechtbank deze omstandigheid per saldo van ondergeschikt belang.

4.11. De rechtbank zal dan ook voor recht verklaren dat [verzoekster] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is voor alle door [dochter verzoekster] geleden en nog te lijden schade in verband met het ongeval op 18 september 2016. Daartegen hebben [verzoekster] en Achmea verder geen beletselen opgeworpen. [verzoekster] en Achmea hebben voorts niet betwist dat [verzoekster] gehouden is 100% van de schade te vergoeden en dat Achmea, op grond van art. 7:954 BW, gehouden is hetgeen [dochter verzoekster] van [verzoekster] te vorderen heeft rechtstreeks aan [dochter verzoekster] te voldoen. Dit kan dan voor recht worden verklaard zoals onder 4. en 5. is verzocht.

Voorschot

4.12. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Achmea en de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder] sans préjudice ieder € 7.500,00 aan [verzoekster] qq zullen betalen. [verzoekster] qq heeft niet meer aangegeven dat zij niettemin belang heeft bij het gevraagde voorschot van € 14.000,00. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding een voorschot op de schadevergoeding op te leggen, zoals onder 6 is verzocht.

Kosten

4.13. De verweerders hebben op verschillende gronden de redelijkheid betwist van de opgevoerde kosten. Wat het uurtarief van de advocaat van [verzoekster] qq betreft acht de rechtbank, anders dan [verweerder] , in deze zaak het bedongen uurtarief van € 265,00, exclusief 21% btw nog redelijk (vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1004, RBP 2016/30). De gevraagde opslag van 6% wegens kantoorkosten wordt achterwege gelaten nu [verzoekster] qq in reactie op het verweer van [verweerder] niet meer heeft toegelicht waarop deze kosten concreet zien. [verzoekster] qq verzoekt in totaal 40,65 uur aan werkzaamheden van haar advocaat te begroten. [verweerder] noch [verzoekster] en Achmea hebben de redelijkheid hiervan betwist.
De kosten van de werkzaamheden van Veenstra acht de rechtbank, anders dan [verweerder] , in redelijkheid gemaakt. [verweerder] is weliswaar niet in het verhoor van [zoon B] betrokken, als gevolg waarvan het door Veenstra verzamelde bewijs in rechte niet de doorslag heeft gegeven, maar [verweerder] had zich door de beelden, die zeker niet gefabriceerd overkomen, wel kunnen laten overtuigen. In die zin is het verhoor te kenmerken als een redelijke poging om aansprakelijkheid vast te stellen en buiten rechte voldoening te verkrijgen.
De kosten aan de zijde van [verzoekster] qq bij de behandeling van de verzoeken worden aldus begroot op een bedrag van € 14.664,52 (40,65 uur × € 265,00 + 21% + € 1.343,10 aan kosten Veenstra + € 287,00 aan griffierecht).
[verzoekster] , die voor de schade aansprakelijk is geoordeeld, en Achmea van wie [verzoekster] qq rechtstreeks betaling van schadevergoeding kan verlangen, zullen hoofdelijk tot betaling van de aldus begrote kosten worden veroordeeld, voor zover deze kosten betrekking hebben op de behandeling van de tegen deze twee partijen gerichte verzoeken. Daartoe behoren niet de kosten van de werkzaamheden van Veenstra nu [verzoekster] en Achmea de door [verzoekster] qq gestelde toedracht, ten bewijze waarvan het werk van Veenstra strekt, niet hebben betwist. De rechtbank zal 15 uur van de werkzaamheden van de advocaat van [verzoekster] qq toerekenen aan de tegen [verweerder] gerichte verzoeken, zodat [verzoekster] en Achmea hoofdelijke tot betaling van een bedrag van € 8.511,67 zullen worden veroordeeld (25,65 uur (40,65 – 15) × € 265,00 + 21% + € 287,00 aan griffierecht).

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [verzoekster] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is voor alle door [dochter verzoekster] geleden en nog te lijden schade in verband met het ongeval op 18 september 2016,

5.2. verklaart voor recht dat [verzoekster] gehouden is 100% van de schade te vergoeden,

5.3. verklaart voor recht dat Achmea, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van [verzoekster] , dekking dient te verlenen voor de onderhavige schade en op grond van art. 7:954 BW gehouden is hetgeen [dochter verzoekster] van [verzoekster] te vorderen heeft rechtstreeks aan [dochter verzoekster] te voldoen,

5.4. begroot de kosten van [verzoekster] qq bij de behandeling van de verzoeken op een bedrag van € 14.664,52,

5.5. veroordeelt [verzoekster] en Achmea hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [dochter verzoekster] een bedrag van € 8.511,67 te betalen op een door [verzoekster] qq aan te wijzen bankrekening,

5.6. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots