Rb, deelgeschil: bewoonster huis niet aansprakelijk voor letsel brandweerman door ontploffende gasflessen

Samenvatting:

Benadeelde, hoofd brandwacht bij de vrijwillige brandweer, verliest zijn been als bij bluswerkzaamheden in een schuurtje bij een huis gasflessen exploderen. Hij verzoekt om verklaring voor recht dat de bewoonster van het huis aansprakelijk is, omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld door ontkennend te antwoorden op vragen van de brandweer omtrent de aanwezigheid van gasflessen in de brandende schuur. De rechtbank oordeelt dat met de verklaringen in het voorlopig getuigenverhoor de gestelde toedracht niet is vast komen te staan. De rechtbank merkt daarbij op dat als de toedracht wél zou zijn komen vast te staan, dat nog niet zonder meer tot de conclusie zou hebben geleid dat de bewoonster onzorgvuldig zou hebben gehandeld. De mogelijke aanwezigheid van gasflessen in een schuur in het buitengebied geldt als een bij de brandweer bekend risico en de brandweer dient er rekening mee te houden dat een burger tijdens een brand– met alle emoties van dien – niet steeds de juiste informatie geeft.

ECLI:NL:RBOBR:2014:721

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

05-03-2014

Datum publicatie

10-03-2014

Zaaknummer

C/01/271866

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Letselschade. Deelgeschil. Bewijswaardering omtrent feitelijke toedracht van een ongeval tijdens werkzaamheden als brandweerman. Aansprakelijkheid afgewezen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/271866 / EX RK 13-198

Beschikking deelgeschil letselschade van 5 maart 2014

in de zaak van

de heer

[X],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. J.N.R.M. Aarts te Uden,

tegen

mevrouw

[B],

wonende te [plaats],

verweerster,

advocaat mr. J.C. van den Dries te Goes.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk [X] en mevrouw [B].

1.De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoekschrift ex art. 1019w Rv (deelgeschil), ingekomen ter griffie op 2 december 2013, met 21 producties,

·        

het verweerschrift van mevrouw [B], ingekomen ter griffie op 15 januari 2014

·        

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2014.

1.2.

De rechtbank heeft de datum van de uitspraak bepaald op 5 maart 2014.

2 De feiten

2.1.

Op de avond van 30 januari 2004 om 19.21 uur meldt mevrouw [B] via de 112-alarmcentrale dat er brand woedt in één van de schuren op haar erf aan de [straat] in [plaats]. Zij geeft in het telefoongesprek met de centralist van de meldkamer aan dat zich in de schuur olie bevindt.

2.2.

Zowel het brandweerkorps van Son en Breugel als dat van Lieshout (gemeente Laarbeek) ontvangen via de meldkamer het ‘pager-bericht’ dat op het adres [straat] in [plaats] sprake is van een “uitslaande brand schuur met olie” en gaan met een tankautospuit ter plaatse.

2.3.

[X] is werkzaam als hoofd brandwacht bij de vrijwillige brandweer van het brandweerkorps Son en Breugel. Onderweg naar de brand wordt hij door zijn bevelvoerder, de heer [U], ingedeeld in een ‘aanvalsploeg’. Bij aankomst blijkt dat de brandweerlieden van het korps Lieshout reeds ter plaatse zijn, hetgeen betekent dat hun bevelvoerder, de heer [V], aldaar de operationele leiding heeft.

2.4.

Aangekomen op de locatie van de brand begint [X] met de voorbereiding van de bluswerkzaamheden. Hij rolt samen met zijn directe collega [P] de hogedrukslang uit, zet het daar aanwezige hek open en wil teruglopen om de ‘lage druk’ in te zetten. Op dat moment – [X] staat dan op korte afstand schuin voor de roldeur van de brandende schuur – ontploft plotseling één van de zich in de schuur bevindende gasflessen. Als gevolg van deze explosie verliest [X] zijn rechter-onderbeen.

2.5.

Door de politie Brabant Zuid-Oost is een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval. Op 31 januari 2004 verklaart de heer [R], lid van het brandweerkorps Lieshout, tegenover de politie:

“(…) Ik heb toen terplaatse de eigenaresse van de woning en schuur aangesproken. Deze eigenaresse is de mij bekende mevrouw [B]. (…) Ik heb vervolgens aan ter plaatse aanwezige mevrouw [B] en haar twee zonen duidelijk gevraagd of er gasflessen in de schuur aanwezig waren. Zowel mevrouw [B] als haar beide zonen ontkenden dat er gasflessen in de schuur aanwezig waren. Ik vroeg dit met name omdat ik weet dat de zonen van Mevrouw [B] wel eens klussen in de schuur. (…) Zoon [D] antwoordde mij dat er een tractor binnen stond (…). Ik heb toen nogmaals gevraagd of er mogelijk gasflessen in de schuur aanwezig zouden zijn. [D] en de andere zoon heb ontkenden dit. Mevrouw [B] stond op dat moment niet meer in mijn omgeving. (…)”

Mevrouw [B] verklaart op 1 februari 2004 tegenover de politie:

“(…) Toen de brandweer kwam vroegen ze meteen aan ons hiermee bedoel ik [D], [A] en ik of er brandbare spullen waren en waar ze stonden. Ik heb hierop de brandweer meteen doorverwezen naar [D] die naast mij stond. Hij komt nl vaker in die garage dan ik en kon ook beter vertellen waar alles zou staan. Ik heb verder niet met een brandweerman gesproken over brandbare of ontploffingsgevaarlijke stoffen. Ik heb niet gehoord wat [D] tegen de brandweer heeft gezegd.” (…)

De heer[D], de oudste zoon van mevrouw [B], verklaart op 1 februari 2004 tegenover de politie:

(…) “In het voorste en middelste gedeelte van de schuur stonden twee gasflessen met hierin de vloeistof propaan. (…) Ook stond er in de schuur nog wat olie. (…)

Hierop liep ik naar de voorzijde van de schuur. Ik zag dat hier mijn moeder, mijn broer en de buurman stonden. Hier bleven wij wachten tot de brandweer kwam.

Toen de brandweer kwam, hoorde ik dat een van hen vroeg of dat er brandbare spullen in de schuur stonden. Ik noemde hierop de goederen die ik u zojuist heb verteld. Ik vertelde de brandweerman ook dat er een tweetal gasflessen stonden. Ik kan u zeggen dat er verschillende malen gevraagd werd of er brandbare goederen in de schuur stonden. Ik vertelde ook alle keren dat er gasflessen inde schuur aanwezig waren.

U vraagt mij of mij specifiek naar de gasflessen gevraagd was. Ik kan u daarop zeggen dat mij inderdaad is gevraagd of er gasflessen in de schuur stonden. Ik kan u zeggen dat ik daarop beide keren verteld heb dat er gasflessen in de schuur aanwezig waren. Echter heb ik de eerste keer gezegd dat er maar een gasfles inde schuur aanwezig was. Echter toen ik erachter kwam dat er meerdere in stonden heb ik dit direct medegedeeld aan de brandweer. (…)”

De heer [A], de jongste zoon van [B], verklaart op 1 februari 2004 tegenover de politie:

“(…) Er heeft niemand aan mij gevraagd of dat er gasflessen in de schuur stonden. Tenminste dit kan ik me niet herinneren. Het enige wat een brandweerman vroeg was of ik kon vertellen wat er allemaal in de schuur stond. (…)”

[X] verklaart op 2 februari 2004, in het ziekenhuis, tegenover de politie:

“(…) Ik weet dat er door een aantal mensen is gevraagd of er brand cq ontplofbare goederen in de schuur stonden, of dat er mensen binnen waren. Ik weet in ieder geval zeker dat [M] van de brandweer dit heeft gevraagd aan de bewoners. Ik heb zelf ook nog aan de collega’s gevraagd of er brand cq ontplofbare goederen in de schuur stonden. Telkenmale werd bevestigd dat dit niet het geval was. Dit werd bevestigd door de bewoners en de officier van dienst. Ik was er dus van overtuigd dat wij veilig konden werken. (…)”

De heer [K], lid van het brandweerkorps Lieshout, verklaart op 2 februari 2004 tegenover de politie:

“(…) Voordat we wilden gaan blussen ben ik naast de eigenaren gaan staan. Dit waren moeder [B] en haar twee zonen. (…) Ik vroeg aan hen of er gevaarlijke stoffen, gasbrander of iets dergelijks in de schuur stonden. Ze vertelden aan me wat voor goederen in de schuur stonden (…), ik kreeg een opsomming alsvolgt: tractor met dieseltank, antieke brandweerspuit. Ik heb de vraag nogmaals herhaald. (…)

Ik liep naar een viertal collega’s te weten: [X], [L] en [P]. We stonden bij elkaar en ineens ontstond er een ontploffing. Ik kon dus nog niet eens aan mijn collega’s vertellen dat er volgens de eigenares niet brandbaars in de schuur stond.

Ik wist dat bevelvoerder [L] ook al aan de eigenaren had gevraagd of dat er explosieve goederen in de schuur stonden, dit was negatief. (…)

2.6.

De heer [P], lid van het brandweerkorps Lieshout, schrijft in een verklaring, gedateerd 2 februari 2004, over de gebeurtenissen op de dag van het ongeval:

“(…) De eigenaar hoor ik nog zeggen tegen de bevelvoerder dat er geen gasflessen of andere gevaarlijke stoffen in de schuur staan, de bevelvoerder zegt nog tegen hem, weet je het zeker en de eigenaar zegt zeker weten. (…)

2.7.

Naar aanleiding van de melding van het ongeval door de politie is op 15 april 2004 door de Arbeidsinspectie, kantoor Roermond, een ongevalsrapport opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de Inspectie geen verband heeft kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de oorzaak van het meldingsplichtige ongeval.

[X] verklaart op 12 februari 2004 tegenover de Arbeidsinspectie:

“(…) In aanwezigheid van de bevelvoerder van Lieshout hoorde onze bevelvoerder dat er geen gevaarlijke stoffen in de garage lagen. Dit bericht heeft de heer [U] doorgegeven aan ons. Tot tweemaal toe vertelde hij mij dat er geen gevaarlijke stoffen lagen opgeslagen. (…)”

[U] verklaart op 20 februari 2004 tegenover de Arbeidsinspectie:

“(…) Toen we op de locatie [straat] aankwamen (ca. 19.30 uur) zag ik dat de tankautospuit van Lieshout net gearriveerd was. Dit betekent dat formeel de bevelvoerder [V] van de brandweer Lieshout de locatieverantwoordelijke is (…) tot het moment dat de Officier van Dienst (OvD) komt.

Voordat we uitstapten uit de tankauto heb ik aan mijn aanvalsploegen (waarvan [X] deel uitmaakte) de opdracht gegeven dat ze twee hogedrukstralen moesten afleggen. Ook heb ik aan de andere manschappen de instructie gegeven dat ze de “waterwinning gereed moesten maken”(in verband met de lage druk).

Ik ben uitgestapt en ben meteen naar de bevelvoerder van Lieshout gelopen voor overleg. [V] had inmiddels gesproken met één van de bewoners van het particuliere huis. [V] vertelde mij dat met betrekking tot de melding “olie” het volgens de bewoner zou gaan om een dieseltank van een tractor, die in de schuur stond en om een oude brandweerspuit, waaraan ter aandrijving een benzinetankje bevestigd was.

Met deze melding concludeerden [V] en ik dat er geen sprake was van direct gevaar. Ofwel explosiegevaar was niet aan de orde aangaande bovengenoemde mededeling.

Vervolgens vroeg ik aan [V] of hij gevraagd had aan de bewoner of er gasflessen aanwezig waren. Hierop antwoordde de bewoner volgens [V] ontkennend. Dezelfde vraag is ook door één van de manschappen van Lieshout gesteld aan één van de andere bewoners. Dus tot tweemaal toe is op deze vraag ontkennend geantwoord. Deze informatie gaf [V] aan mij door. Hieruit concludeerde ik dat er van gevaarlijk stoffen geen sprake was. Met deze mededeling wilde ik vervolgens naar mijn manschappen lopen.

Ze waren op dat moment bezig om de hogedrukslangen uit te rollen. Mijn manschappen weten dat als er mogelijk sprake is van gevaarlijke stoffen ze op een plaats moeten staan, die veilig is. Dit betekent in geval dat er sprake is van gevaarlijke stoffen, dat bijvoorbeeld een steense muur (brandwerendheid van minimaal 30 minuten) veilig is. Dus achter een garagedeur is geen veilige plaats. [X] stond echter op het moment van de explosie, schuin voor de garagedeur. Hij was ter voorbereiding van zijn bluswerkzaamheden onderweg naar een veilige plaats aan de linkerzijde van de schuur. En toen volgde er een explosie (…)”

[V] verklaart op 5 maart 2004 tegenover de Arbeidsinspectie:

“(…) Tijdens het verdelen van de taken heb ik twee van mijn manschappen geïnstrueerd dat ze de bewoners (vrouw/twee zonen) moesten uitvragen over de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Beide manschappen zijn afzonderlijk naar één van de bewoners gelopen. Ze kwamen beiden met de volgende informatie terug;

Die luidde:

·        

Er stond een tractor met ca. 20 liter diesel.

·        

Er waren verfbussen en spuitbus met verf aanwezig.

·        

Er waren géén gasflessen aanwezig.

·        

Er stond een oude brandspuit.

(…) de informatie met betrekking tot de gevaarlijke stoffen heb ik doorgegeven aan de bevelvoerder van Son en Breugel, de heer [U]. Na een kort overleg met hem kwamen we tot de conclusie dat aangezien het al een uitslaande brand was we niet naar binnen zouden gaan.

De heer [U] en ik hebben hierop de taakverdeling vastgesteld over de twee tankautospuiten.

Met betrekking tot de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen kwamen we samen tot de conclusie dat de aanwezige stoffen mogelijk alleen werken als katalysator. Alleen de spuitbus met verf kan een knal geven, maar de gevolgen daarvan zijn in deze situatie beheersbaar. Van ernstig explosiegevaar, zoals bijvoorbeeld in geval van aanwezigheid van gasflessen, was volgens onze (mijn) informatie op dat moment géén sprake.

Toen ik bovengenoemde informatie had doorgegeven aan mijn manschappen volgde een explosie en zag ik een steekvlam. Ik zag dat één van de brandweerlieden viel. Niet veel later bleek dat de heer [X] zijn onderbeen had verloren. (…)”

2.8.

Bij brief van 27 april 2004 stelt de rechtsbijstandsverzekeraar van [X] (onder meer) mevrouw [B] aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

2.9.

Bij brief van 17 mei 2004 wijst de aansprakelijkheidsverzekeraar van mevrouw [B], Onderlinge Verzekering Maatschappij ZLM u.a. (hierna: ZLM), de aansprakelijkheid voor het ongeval af.

2.10.

Bij brief van 5 juli 2005 stelt (de belangenbehartiger van) [X] ZLM nogmaals aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. ZLM laat daarop op 11 juli 2005 weten dat zij in deze brief geen aanleiding ziet om haar standpunt te herzien.

2.11.

Bij brief van 27 januari 2009 stuit [X] de verjaring van zijn vordering jegens mevrouw [B].

2.12.

Op verzoek van [X] heeft voor deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden over de toedracht van het ongeval. Op 2 december 2010 zijn aan de zijde van [X] als getuigen gehoord de heer [X] zelf, mevrouw [B] zelf en haar zoon [D]. Op 17 december 2010 zijn gehoord de heren [A], [U], [K], [P] en [V]. Op 6 april 2010 is aan de zijde van [X] nog gehoord de heer [R]. Op diezelfde dag is aan de zijde van [B] gehoord de heer [C], Officier van Dienst van de brandweer (OvD) ten tijde van het ongeval. De verklaringen van deze getuigen zijn in deze zaak in het geding gebracht.

2.13.

Bij brief van 29 april 2010 heeft [X] (de verzekeraar van) mevrouw [B] verzocht op basis van de processen-verbaal van de getuigenverhoren aansprakelijkheid te erkennen. Op 7 juli 2010 heeft (de verzekeraar van) mevrouw [B] de aansprakelijkheid afgewezen. Op 2 december 2013 is het onderhavige verzoekschrift bij de rechtbank ingediend.

3 Het deelgeschil

3.1.

[X] verzoekt de rechtbank in deze deelgeschilprocedure, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):

1.     te verklaren voor recht dat mevrouw [B] jegens [X] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 30 januari 2004,

2.     mevrouw [B] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de immateriële schade van [X] van € 25.000,-;

3.     de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv, waaronder het griffierecht, te begroten op € 4.326,90 en mevrouw [B] te veroordelen dit bedrag binnen 14 dagen na de op het onderhavige geschil te geven beschikking te betalen.

3.2.

[X] stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat hij ernstig blijvend letsel heeft opgelopen bij de explosie die zich op 30 januari 2004 heeft voorgedaan. Dit letsel heeft er onder meer toe geleid dat het voor hem nog maar beperkt mogelijk is om zijn beroep van zelfstandig hovenier uit te oefenen. Mevrouw [B] is op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval. Zij heeft maatschappelijk onzorgvuldig – en aldus onrechtmatig – jegens hem gehandeld door, bij herhaling, ontkennend te antwoorden op gerichte vragen van de brandweer omtrent de aanwezigheid van gasflessen in de brandende schuur.

3.3.

Mevrouw [B] voert gemotiveerd verweer. Zij is primair van mening dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Subsidiair stelt mevrouw [B] zich op het standpunt dat zij niet onrechtmatig jegens [X] heeft gehandeld. Zij betwist in dat verband zowel de gestelde toedracht van het ongeval als de daaruit door [X] getrokken conclusies.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, bij de beoordeling nader ingegaan.

4 De beoordeling

Is sprake van een deelgeschil?

4.1.

Mevrouw [B] voert primair aan dat de verzoeken van [X] moeten worden afgewezen omdat het geschil zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. Zij onderbouwt dit verweer als volgt. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor zaken waarin het oordeel van de rechter omtrent een onderdeel van het geschil zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In de onderhavige zaak moet echter, aldus mevrouw [B], de feitelijke toedracht van het ongeval worden vastgesteld en moet (vervolgens) worden beoordeeld – zo nodig door middel van deskundigenonderzoek – of de handelwijze van de brandweer heeft beantwoord aan de daaraan te stellen deskundigheidsnormen. In een dergelijke gecompliceerde kwestie past het niet dat in beginsel definitieve, want niet appellabele eindbeslissingen worden genomen in een deelgeschilprocedure. Verder wijst mevrouw [B] erop dat na 7 juli 2010 geen buitengerechtelijke onderhandelingen tussen partijen meer hebben plaatsgehad en dat [X] de onderhavige deelgeschilprocedure zonder overleg of aankondiging vooraf aanhangig heeft gemaakt.

4.2.

Beoordeeld zal moeten worden of de verzochte beslissing naar verwachting een zodanige bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, dat dit opweegt tegen de financiële- en tijdsinvesteringen die met deze deelgeschilprocedure gepaard gaan. Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat tussen partijen al geruime tijd geen buitengerechtelijke onderhandelingen meer hebben plaatsgevonden – en zelfs geen procedureel overleg meer is gevoerd – onvoldoende voor het oordeel dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. Juist het feit dat partijen op cruciale punten van mening verschillen over de feitelijke toedracht van het ongeval, en mede om die reden twisten over de aansprakelijkheid, heeft ertoe geleid dat de buitengerechtelijke onderhandelingen op een dood spoor zijn geraakt. Een inhoudelijke beslissing van de rechtbank op het verzoek van [X] stelt partijen in staat een (efficiënte) vervolgstap te zetten en biedt daarmee het door de wetgever beoogde perspectief op een buitengerechtelijke beslechting van het geschil, al dan niet in de vorm van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feitelijke toedracht van het ongeval aan de orde is geweest in het kader van de voorlopig getuigenverhoren en dat de fase van bewijslevering op dat punt is afgerond (zie ook hierna onder r.o. 4.4. en 4.4.5.). Daarmee voldoet het verzoek aan de criteria van artikel 1019w juncto 1019z Rv en kan worden toegekomen aan een inhoudelijke behandeling daarvan.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

Het verzoek van [X] komt in de kern neer op de vraag aan de rechtbank om te beslissen dat mevrouw [B] maatschappelijk onzorgvuldig (en daarmee onrechtmatig) jegens hem heeft gehandeld. Voor toewijzing van dat verzoek is allereerst noodzakelijk dat de door [X] gestelde (en door mevrouw [B] gemotiveerd betwiste) feitelijke toedracht van het ongeval in rechte komt vast te staan.

4.4.

Ingevolge artikel 192 Rv hebben, indien alle partijen bij de voorlopig getuigenverhoren aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, de getuigenverklaringen afgelegd in een voorlopig getuigenverhoor dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd. Nu de advocaten van beide partijen aanwezig waren bij alle voorlopig getuigenverhoren, is hiermee voldaan aan deze voorwaarde van artikel 192 Rv.

4.5.

In onderhavige procedure hebben partijen zich niet op het standpunt gesteld dat hun stellingen omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval nog door andere getuigen zouden kunnen worden bevestigd of dat de voorlopige getuigenverhoren op dat punt nog in enige andere zin zouden moeten worden aangevuld. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van de verklaringen zoals deze blijkens de processen-verbaal van de voorlopige getuigenverhoren zijn afgelegd.

4.6.

[X], op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust van de door hem gestelde feitelijke gang van zaken, heeft gesteld dat mevrouw [B] in de tijdspanne tussen haar melding van de brand bij de 112-alarmcentrale en het moment van de explosie bij herhaling ontkennend heeft geantwoord op specifieke vragen van de brandweer naar de aanwezigheid van gasflessen in de brandende schuur. De rechtbank is van oordeel dat [X] er niet in is geslaagd deze stellingen omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval te bewijzen. Zij komt daartoe op grond van de volgende overwegingen.

4.6.1.

Er zijn twee getuigen die hebben verklaard dat zij mevrouw [B] expliciet hebben gevraagd naar de mogelijke aanwezigheid van gasflessen in de schuur. Eén van deze getuigen is de heer [R]. Kort na het ongeval verklaart hij bij de politie dat ‘zowel mevrouw [B] als haar beide zonen’ ontkennend antwoordden op zijn vraag of er gasflessen in de schuur aanwezig waren en dat hij korte tijd daarna nogmaals – doch ditmaal buiten aanwezigheid van mevrouw [B]! – bij haar oudste zoon [D] heeft geïnformeerd naar de mogelijke aanwezigheid van gasflessen. Bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor (ruim zeven jaar na het ongeval) verklaart de heer [R] [onderstreping Rechtbank]:

“(…) Ik ben met de auto naar de kazerne gereden en daarna met de brandweerauto naar de [straat] meegereden. Daar aangekomen ben ik op de bewoners van het pand aan de [straat], die ik ken, afgestapt. (…) De bewoners die ik trof waren de vrouw des huizes, haar zoon en de buurman de heer [E]. (…) Ik vroeg de bewoners of er nog mensen of dieren binnen waren en of er brandbaar materiaal binnenstond. Ik heb specifiek gevraagd of er binnen nog gasflessen, benzine of diesel aanwezig was. De bewoonster van het huis meldde mij dat er geen gasflessen en benzine aanwezig was maar wel een tractor met daarin dieselolie. De heer [E] en de zoon van de bewoonster van het huis hebben niets gezegd.

(…)

Ik heb rechtstreeks aan de vrouw des huizes gevraagd wat er voor spullen in de schuur waren. Zij antwoordde dat er geen gasflessen of andere brandbare spullen waren behalve dan een dieseltank van een tractor. Toen ik terugliep naar de brandweerwagen zeiden beide zoons, althans een zoon en iemand waarvan ik dacht dat hij een zoon was, dat er in de schuur verder geen brandbare spullen voorhanden waren. Ik heb het niet specifiek aan de zoons gevraagd maar toen ik terugliep meldde ik mijn collega’s van mijn eigen korps Lieshout wat ik had gehoord van de vrouw des huizes. De heer [X] heeft dit niet van mij gehoord. De zoons hoorden dit wel en beaamden dat. (…)”

4.6.2.

[X] (partijgetuige) heeft bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor zelf echter onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik zag op een meter of vijf dat de twee bevelvoerders, te weten die van Lieshout [toevoeging rechtbank: [X] doelt hiermee op dhr. [R]] en onze bevelvoerder van het korps Son en Breugel, stonden te overleggen met drie mensen, de eigenaresse van het pand waar de schuur bij hoorde die in brand stond en haar twee zonen. (…) Zij spraken gezien de omstandigheden luider dan normaal. Ik hoorde dat de bevelvoerder van Lieshout aan de zoons vroeg of er gevaarlijke stoffen voorhanden waren in de schuur. Hij heeft ook gevraagd of er gasflessen of acetyleenflessen in de schuur stonden. De zoon [D] zei toen dat er geen gasflessen in de schuur stonden. Hij gaf wel aan dat er olievaten en een tractor en nog wat meer in de schuur stond. Voor zover ik mij kan herinneren hebben de andere zoon en de eigenaresse van het pand op dat moment niets tegen de bevelvoerder van Lieshout gezegd. Ik hoorde zelf wat [D] tegen de bevelvoerder van Lieshout zei. De bevelvoerder van Son en Breugel vroeg even later wederom aan de eigenaresse en haar twee zoons wat er in de schuur stond opgeslagen. (…). Dat mijn bevelvoerder aan de eigenaresse en haar twee zoons heeft gevraagd wat er in de schuur stond heb ik zelf gehoord. Ook het antwoord heb ik zelf meegekregen. Het kwam erop neer dat er niks in de schuur stond. Ik denk dat dat ook weer door [D] is gezegd. Hij stond nogal hard te roepen namelijk. Later heeft ook [K] nog eens aan het drietal gevraagd wat er in de schuur stond. Ook dat heb ik gehoord. [D] gaf wederom aan dat er geen gasflessen of acetyleenflessen in de schuur stonden, maar wel andere zaken zoals een tractor en olievaten en gereedschap en andere dingen. (…)”

4.6.3.

Deze verklaring van [X] doet het vermoeden rijzen dat getuige [R] zich vergist waar hij verklaart dat zijn vraag naar de gasflessen is beantwoord door mevrouw [B]. [X] verklaart immers dat de vraag van [R] (ook de eerste keer) is beantwoord door haar zoon [D], hetgeen past bij de verklaringen die mevrouw [B] heeft afgelegd en waarin zij – zowel bij de politie als bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor – aangeeft dat zij de brandweer meteen heeft verwezen naar haar zoon [D], omdat deze vaker in de betreffende schuur kwam dan zijzelf en dus degene was die het beste wist welke spullen daar stonden. Ook de verklaring die [D] kort na de brand bij de politie heeft afgelegd (hierboven weergegeven onder 2.5.) sluit op dit scenario aan, nu hij daarin bevestigt dat de brandweer hem meerdere malen heeft gevraagd of er gasflessen in de schuur aanwezig waren. Voor zover [D] bij de politie heeft verklaard dat hij de brandweer vanaf het begin heeft verteld dat er wél gasflessen in de schuur stonden, komt zijn lezing van de feiten de rechtbank overigens minder betrouwbaar voor. Zij acht in dat verband relevant dat, indien [D] meteen zou hebben bevestigd dat er gasflessen in de schuur stonden, [R] geen reden meer zou hebben gehad om hem daar enige tijd later nogmaals naar te vragen en het in dat geval ook voor de hand zou hebben gelegen dat [R] dergelijke, voor ieders veiligheid cruciale, informatie onmiddellijk zou hebben doorgespeeld aan zijn bevelvoerder [V]. Daar komt bij dat [D] geen verklaring heeft gegeven voor de grote discrepanties tussen zijn verklaring bij de politie en zijn verklaring bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor:

“U vraagt mij of het niet vreemd is dat ik nu zeg dat ik geen enkel woord gewisseld heb met de brandweer voor de explosie, waar in de verklaring van de politie ik meld dat dat wel het geval is. Ik heb daarvoor geen goede verklaring.”

4.6.4.

De – tamelijk algemeen geformuleerde – verklaring die getuige [K] bij de politie heeft afgelegd (hierboven weergegeven onder 2.5), draagt naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan het bewijs van de stelling van [X] dat mevrouw [B] ontkennend heeft geantwoord op de vraag van de brandweer of er gasflessen in de schuur stonden, laat staan dat zij dit meerdere malen zou hebben gedaan. [K] heeft zijn verklaring bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor bovendien nader genuanceerd:

“(…) Voor het huis, bij de voordeur, zag ik mevrouw [O] [toevoeging rechtbank: [K] doelt hiermee op mevrouw [B]], die ik ken omdat ik haar overleden man kende, haar twee zoons, die ik gewoon ken vanuit het dorp en de buurman, [E], staan.

Ik ben op de vier afgelopen. Op zo’n anderhalve meter afstand stond nog een brandweerman, of misschien nog wel meerdere brandweermannen, dat weet ik niet meer precies. Ik heb mevrouw [O] gevraagd of er nog gasflessen in de schuur stonden, omdat ik wist dat er misschien een oude tractor in de schuur stond, die werd gestart met behulp van een brander die op gas gestookt werd en die op gasflessen werd aangesloten. Mevrouw [O] zei niet zoveel. Ik had het idee dat zij erg onder de indruk was van de brand. Een van de twee zoons, ik weet niet meer precies wie, heeft mij gezegd dat er diesel aanwezig was in een tractor en oude brandweerspuit. Hij heeft ook gezegd dat er geen gasflessen in de schuur stonden. Ik heb dat twee keer gevraagd en beide keren kreeg ik hetzelfde antwoord. Ik heb in elk geval aan [X] ook gezegd wat ik van de zoon van mevrouw [O] gehoord had. (…)”

Bovenstaande verklaring van [K] vindt bovendien bevestiging in de verklaring die zijn collega [P] bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd:

“(…) Op de oprit stond de eigenaresse van het huis en naar ik mij herinner een zoon. Of er nog meer mensen bijstonden weet ik niet precies. Zij hadden overleg met de bevelvoerders van Son en Breugel en Lieshout. Wij als manschappen stonden in de buurt te wachten op een opdracht. Ik hoorde dat tegen de bevelvoerders werd gezegd dat er een drum olie in de schuur stond. Ook hoorde ik nog de heer [K] roepen: “staat er echt geen gas binnen?” of woorden van gelijke strekking. Het antwoord was negatief. Ik weet niet meer precies wie de bevelvoerders de informatie gaf. Volgens mij was het de zoon van de eigenaresse. (…)”

4.6.5.

De andere getuige die mevrouw [B] heeft aangewezen als directe informatiebron van de brandweer in de periode voorafgaand aan de explosie, is [U]. Hij verklaart bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor onder meer het volgende:

“(…) Ikzelf ben naar de bevelvoerder van Lieshout gelopen. Ik ken die bevelvoerder, dat is de heer [V].

Bij de heer [V] stond een corpslid van Lieshout, een oudere man waarvan ik de naam nu niet meer precies weet, voorts de eigenaresse c.q. bewoonster van het woonhuis, waar de schuur bij hoorde en nog een andere man, niet zijnde een brandweerman. Later kwam ook de heer [K], een van mijn collega’s, er nog bij staan.

De heer [V] meldde mij dat hij de eigenaresse gevraagd had wat er in de schuur stond. Zij had aangegeven dat er een tractor en een dieseltank in de schuur stonden. Ikzelf heb toen aan de eigenaresse gevraagd of er geen gasflessen in de schuur stonden, omdat die in dit soort boeren schuren nog wel eens aanwezig zijn. Zij gaf mij aan dat er geen gasflessen in de schuur stonden. Ik heb toen nog een keer gevraagd of ze dat zeker wist. Ook toen gaf zij aan dat er geen gasflessen in de schuur stonden. Ook het oudere corpslid van Lieshout heeft nog gevraagd aan de eigenaresse en de andere man, niet zijnde een brandweerman, of er gasflessen in de schuur stonden. Tenslotte heeft ook de heer [K] dezelfde vraag gesteld. Telkens was het antwoord dat er geen gasflessen binnen stonden. De heer [K] heeft naar de gasflessen gevraagd in relatie tot een cateringbedrijf, waarvan hij wist dat de andere man die uitoefende. Hij heeft daarbij woorden gebruikt in de trant van: “Weet je zeker dat er geen gasflessen binnen staan, ook niet in relatie tot je catering?”. Dit gesprek vond overigens plaats op de oprit waar wij toen stonden. (…)

Ik heb de eigenaresse en de man waarover ik eerder sprak na de klap niet meer gesproken.

(…)

Op vragen van mr. Haans antwoord ik als volgt. U houdt mij voor mijn verklaring die ik ten overstaan van de arbeidsinspectie op 20 februari 2004 heb afgelegd. U meldt mij dat ik in die verklaring niet heb aangegeven dat ik zelf aan de eigenaresse zou hebben gevraagd of er gasflessen aanwezig waren. Mijn antwoord daarop is dat ik zeker weet dat ik dat heb gedaan. (…)”

[U] verklaart echter pas bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor voor het eerst dat mevrouw [B] degene is geweest die hem, zelfs tot tweemaal toe, zou hebben medegedeeld dat er geen gasflessen in de schuur aanwezig waren. In zijn verklaring bij de Arbeidsinspectie – die kort na het ongeval is opgenomen (hiervoor weergegeven onder 2.7.) – noemt [U] echter alléén zijn collega-bevelvoerder [V] als bron van informatie. Dit contact over de gasflessen tussen beide bevelvoerders vindt bevestiging in de verklaringen van [V] bij de Arbeidsinspectie en bij het voorlopig getuigenverhoor. Dit geldt niet voor het contact tussen [U] en mevrouw [B]: géén van de andere getuigen verklaart over enig mondeling contact tussen [U] en mevrouw [B] (zie hiervoor onder 2.5. t/m 2.7.). [U] geeft desgevraagd geen verklaring voor het feit dat hij omtrent dit contact geen melding heeft gemaakt bij de Arbeidsinspectie, terwijl de wijze waarop de brandweer aan haar informatie omtrent de gasflessen was gekomen ook voor dat onderzoek relevant was. [X] zelf, die verklaart dat hij zijn bevelvoerder [U] bij de eigenaresse van het pand en haar twee zoons heeft horen informeren naar de inhoud van de schuur, geeft tegenover de rechter-commissaris aan te denken dat het antwoord op de vraag ‘weer’ afkomstig was van [D], die ’nogal hard stond te roepen’. Dit alles maakt dat de rechtbank (ook) op grond van de verklaring die [U] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris niet de overtuiging heeft bekomen dat het mevrouw [B] is geweest die de brandweer onjuist heeft geïnformeerd over de aanwezigheid van gasflessen in de schuur.

4.6.6.

De in tegenverhoor gehoorde getuige [C] was ten tijde van de explosie niet ter plaatse en heeft ook niets anders verklaard dat zou kunnen bijdragen aan het bewijs omtrent de vraag van wie de brandweer haar informatie over het al dan niet aanwezig zijn van gasflessen in de schuur heeft betrokken.

4.7.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [B] ontkennend heeft geantwoord op een expliciete vraag van de brandweer naar de aanwezigheid van gasflessen in de brandende schuur, en al helemaal niet dat zij dit – zoals door [X] is gesteld – meerdere malen zou hebben gedaan.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de verzoeken sub 1 en 2 niet voor toewijzing in aanmerking komen.

4.9.

De rechtbank hecht eraan nog op te merken dat, zo de door [X] gestelde toedracht van het ongeval wél zou zijn komen vast te staan, zulks nog niet zonder meer tot de conclusie zou hebben geleid dat mevrouw [B] daarmee ook maatschappelijk onzorgvuldig zou hebben gehandeld jegens [X]. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen vast staat dat de (mogelijke) aanwezigheid van gasflessen in een schuur in het buitengebied geldt als een bij de brandweer bekend risico en dat de brandweer – als professional – bij de uitoefening van haar werkzaamheden rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een burger, die korte tijd daarvoor en veelal volstrekt onverwacht is geconfronteerd met een uitslaande brand in (bijvoorbeeld) zijn schuur – met alle emoties en onzekerheid van dien – niet steeds met juistheid zal aangeven welke (potentieel gevaarlijke) goederen zich daarin bevinden. Dit leidt tot een relatief hoge drempel voor het aannemen van onrechtmatigheid.

Kosten deelgeschil

4.10.

Gelet op de afwijzing van de verzoeken sub 1 en 2, zal de sub 3 verzochte kostenveroordeling eveneens worden afgewezen.

4.11.

[X] vraagt de rechtbank ten slotte zijn kosten te begroten als bedoeld in artikel 1019aa Rv. In het verzoekschrift heeft zijn advocaat die kosten berekend op € 4.326,90 (inclusief het griffierecht ad € 274,-), uitgaande van een uurtarief van € 220,-, te verhogen met 5% kantoorkosten en 21% btw. Hij rekent in totaal 14,5 uur:

dossierstudie 4,0 uur

overleg met cliënt 1,0 uur

opstellen verzoekschrift 3,0 uur

bestuderen verweerschrift 2,0 uur

behandeling verzoekschrift 3,0 uur

reistijd 1,5 uur.

4.12.

Mevrouw [B] heeft geen verweer gevoerd tegen de omvang van de genoemde kosten, maar stelt dat (ook) een begroting van de kosten niet aan de orde is omdat het verzoek volstrekt onnodig c.q. onterecht is ingesteld. Dit standpunt deelt de rechtbank niet. Mede gelet op hetgeen [X] in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd, kan het door hem ingediende verzoekschrift immers niet als bij voorbaat volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd.

4.13.

De rechtbank zal de kosten, conform de opgave van mr. Aarts, begroten op een bedrag van € 4.326,90, nu mevrouw [B] tegen deze opgave geen bezwaar heeft gemaakt en de rechtbank ook overigens geen grond ziet om kosten van dit deelgeschil op een lager bedrag te begroten. Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd zal zijn indien de aansprakelijkheid van mevrouw [B] alsnog in rechte komt vast te staan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.326,90,

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey