Rb, deelgeschil: betrokkenheid scooter niet aangetoond, Waarborgfonds niet aansprakelijk

Samenvatting:

Verzoeker stelt dat hij met zijn fiets ten val is gekomen, doordat een achterop komende scooter hem in het voorbij rijden heeft geraakt. De identiteit van de bestuurder van de scooter is onbekend. Een vriend die samen met verzoeker fietste heeft de aanrijding zelf niet gezien. Verzoeker vraagt een verklaring voor recht dat het Waarborgfonds Motorverkeer de schade dient te vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek af. De verklaring van verzoeker zelf kan slechts ter aanvulling op ander, onvolledig bewijs worden gebruikt. Dit bewijs ontbreekt. Betrokkenheid motorrijtuig niet voorshands aangenomen. Het horen van getuigen kost te veel tijd, kosten en moeite voor een deelgeschilprocedure. Kosten deelgeschil vastgesteld op € 2821,21.

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
zaaknummer / rekestnummer: C/l 7/137005 / HA RK 14-124

Beschikking in het kader van de deelgeschillen procedure ex artikel 1019w lid 1 Rv van 15 januari 2015

in de zaak van

[Eiser],
wonende te [Woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. N.T.G. Greven, die kantoor houdt in Leeuwarden,

tegen

de stichting STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,
gevestigd te Rijswijk,
verweerster,
advocaat mr. R. Gruben, die kantoor houdt in Voorburg.

Partijen worden hierna [Eiser] en het Waarborgfonds genoemd.

De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift van [Eiser] van 17 september 2014;
– het verweerschrift van het Waarborgfonds van 10 december 2014:
– de mondelinge behandeling van 11 december 2014.

1.2. Ten slotte is beschikking bepaald op 15 januari 2015.

2. De feiten

De rechtbank kan bij de beoordeling van het deelgeschil uitgaan van de navolgende feiten.

2.2. Op 31 augustus 2013 omstreeks 03.15 uur is [Eiser] op de Cornelis van Eesterenlaan in Amsterdam gevallen met zijn fiets na een avondje stappen. [Eiser] kwam uit de richting van de Oostelijke Handelskade winkelcentrum Brazilië en reed samen met zijn vriend [Vriend] (hierna: Vriend) aan de rechterzijde van het wegdek op het fietspad. [Eiser] fietste achter [Vriend].

2.3. [Eiser] meent dat hij ten val is gekomen doordat een achterop komende scooter hem in het voorbij rijden heeft geraakt. In het proces-verbaal van de politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt op 9 september 2013, staat vermeld, voor zover van belang: "Op zaterdag 31 augustus 2013 omstreeks 03,50 uur hoorde wij verbalisanten de melding over de portofoon dat er een aanrijding zou zijn gebeurd op de C van Eesterlaan. Er zou een fietser zijn aangereden door een snor/bromfiets.
Ter plaatse zagen wij twee personen staan. Een van de personen stond met zijn been omhoog. [Eiser] vertelde dat hij was aangereden door een snor/bromfiets. Hij wist niet hoe het was gebeurd alleen dat hij was gevallen en op zijn knie was terecht gekomen."

2.4. [Eiser] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. In verband met de onbekende identiteit van de bestuurder van de scooter heeft de gemachtigde van [Eiser] het Waarborgfonds bij brief van 28 november 2013 aangeschreven, met het verzoek om [Eiser] op grond van bepaalde in artikel 185 WVW een recht op schadevergoeding toe te kennen.

2.5. Het Waarborgfonds heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen, omdat de betrokkenheid van een motorrijtuig bij de valpartij niet is komen vast te staan.

2.6. Blijkens het proces-verbaal van 12 september 2013 heeft [Eiser] telefonisch verklaard, voor zover van belang: "Ik hoorde achter mij een scooter aan komen rijden. Ik wilde de scooter voorbij laten gaan. Ik week vervolgens uit naar rechts. Ik voelde vervolgens dat de scooter het stuur, aan de rechterzijde van mijn fiets, raakte. Ik voelde dat ik de controle over mijn fiets verloor en dat ik op de grond viel. Ik voelde meteen een verschrikkelijke pijn aan mijn rechterknie. Ik heb door het incident niet goed gelet op de scooter en de bestuurder/passagier. (…)
Ik zag dat ik werd geholpen door een jongeman. (…)
Ik zag dat hij uit de richting van de scooter kwam lopen. Ik kan niet met zekerheid vertellen of deze jongen ook de bestuurder was, ik ga daar wel van uit. Ik dacht dat hij een helm bij zich had. (..)

Ik zag dat, kort nadat ik door de jongen ben overeind geholpen, de jongen weer snel vertrok. (…)
Ik had op het moment van het ongeval wel wat alcohol gedronken."

2.7. In opdracht van het Waarborgfonds heeft onderzoeksbureau Toedrachtonderzoek Nederland een onderzoek ingesteld naar het ongeval. Blijkens het rapport van 28 januari 2014 heeft [Vriend] op 15 januari 2014 tegenover de rapporteur van Toedrachtonderzoek Nederland verklaard, voor zover van belang: "[Eiser] reed op een geleende fiets linksachter mij. Wij waren op stap geweest en hadden een paar biertjes op. Ik hoorde dat er achter mij iets gebeurde. Direct daarna kwam een scooter mij rechts voorbij. Ik zag [Eiser] op de grond liggen. Ik zag dat hij veel pijn had. Hij is zelf opgestaan met mijn hulp. (..) De bromfiets, een witte of crèmekleurige scooter dacht ik, stopte even verderop. Die twee jongens stapten even af. [Eiser] is even tegen een hekje aan gaan staan (..). Hij belde zelf 112. Op dat moment hoorde ik dat die jongens op de bromfiets wegreden. Ik kan niet zeggen dat ik gezien heb dat de bromfiets [Eiser] aanreed (..)."

2.8. Uit het rapport van 28 januari 2014 kan verder worden afgeleid dat aan de fiets geen schade zichtbaar was die door het ongeval zou kunnen zijn veroorzaakt. Ook op het wegdek konden geen bruikbare sporen (meer) worden waargenomen. Verder is in het rapport aangegeven dat de aanrijding heeft plaatsgevonden ter hoogte van perceel 50, een school. Voor perceel 50 is een hekwerk geplaatst als afscheiding fietspad-trottoir. Direct voorbij perceel 50 eindigt dit hekwerk. Het ongeval heeft (blijkens de verklaringen van [Eiser] en [Vriend]) voorbij dit hekwerk plaatsgevonden. De betreffende scooter zou zowel via het fietspad als via het trottoir gereden kunnen hebben, aldus [Eiser] en [Vriend]. Door het ontbreken van getuigen die dit hebben kunnen waarnemen en het ontbreken van sporen kan dit volgens het rapport niet aannemelijk worden gemaakt. Als [Eiser] ter hoogte van perceel 50 naar rechts zou zijn uitgeweken kan hij volgens het rapport evengoed in aanraking zijn gekomen met het hekwerk.

2.9. Naar aanleiding van het onderhoud met de politie vermeldt het rapport: (..) betrokkenen verklaarden aanvankelijk niet te weten wat er gebeurd was. Er is wel verklaard over een bromfiets of een snorfiets, dat wisten [Eiser] en [Vriend] niet zeker. (..) Op de vraag van de rapporteur of het slachtoffer, zoals deze dat zelf had verklaard, alcoholhoudende drank had gedronken, antwoordde de politie bevestigend. Beiden, [Eiser] en [Vriend], hadden behoorlijk gedronken, ze spraken met "dubbele tong", feitelijk was er geen zinnig gesprek met ze mogelijk."

2.10. Concluderend vermeldt het rapport, voor zover van belang: “(..) Benadrukt dient te worden dat getuige [Vriend] feitelijk niet heeft gezien wat er gebeurde. Of er dus een aanrijding heeft plaatsgevonden met een bromfiets (of een handeling van deze bromfiets waardoor de fietser ten val is gekomen) is niet aannemelijk gemaakt. Als betrokkene [Eiser] ter hoogte van perceel 50 naar rechts zou zijn uitgeweken is een aanraking met het hekwerk niet uit te sluiten. Ook dit is overigens niet vastgesteld. Aannemelijk is wel dat betrokkene [Eiser] onder invloed van alcohol is geweest ten tijde van het ongeval waardoor hij niet in staat is geweest die handelingen te verrichten die van hem als fietser in het verkeer mochten worden verwacht."

3. Het geschil

3.1. [Eiser] verzoekt, verkort weergegeven, te verklaren voor recht dat het Waarborgfonds de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval op 31 augustus 2013 dient te vergoeden. Daartoe stelt [Eiser], samengevat weergegeven, dat een benadeelde op grond van artikel 25 en 26 WAM een recht op schadevergoeding tegen het Waarborgfonds geldend kan maken. [Eiser] grondt zijn verzoek op artikel 185 WVW en stelt dat hij kan bewijzen dat er een motorrijtuig bij het verkeersongeval betrokken is geweest. [Eiser] verwijst daartoe naar zijn eigen verklaring en naar de verklaring van [Vriend] en stelt dat de betrokkenheid van de scooterrijder daaruit kan worden afgeleid. Het voorgaande wordt versterkt door het feit dat de scooterrijder is gestopt. Indien de rechtbank van oordeel is dat [Eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, verzoekt [Eiser] de rechtbank om uit te gaan van een feitelijk vermoeden van causaliteit. Wanneer de rechtbank van mening is dat ook het alcoholgebruik van [Eiser] een causale bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het ongeval, hetgeen [Eiser] bestrijdt, dan dient dit zijn weg te vinden in de verdeelsleutel van artikel 6:101 BW.

3.2. Het verweer van het Waarborgfonds strekt tot niet-ontvankelijkheid van [Eiser], althans afwijzing van het verzoek. Het Waarborgfonds voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat [Eiser] op basis van de beschikbare gegevens de door hem gestelde toedracht van het ongeval niet heeft aangetoond, met name dat er een motorrijtuig bij de valpartij betrokken zou zijn geweest. De verklaring van [Eiser] kan alleen dienen ter ondersteuning van onvolledig bewijs en [Vriend] heeft de toedracht van de valpartij niet gezien. Het feit dat de bromfietser zou zijn gestopt levert geen indicatie op voor de juistheid van de door [Eiser] gestelde toedracht. De ervaring leert dat weggebruikers die zich willen onttrekken aan hun verantwoordelijkheid juist niet stoppen. Artikel 185 WVW is dan ook niet van toepassing. In geval van overmatig alcoholgebruik, zoals in dit geval, moet worden uitgegaan van een causaal verband tussen die normschending en het ontstaan van het ongeval. Het ligt dan op de weg van [Eiser] om aan te tonen dat het ongeval ook zonder die normschending zou hebben plaatsgevonden. [Eiser] heeft de gestelde toedracht echter niet aangetoond en andere verklaringen voor de valpartij zijn goed mogelijk. Het zou goed kunnen dat [Eiser], terwijl hij naar rechts ging, tegen het hek bij de school is aangereden gelet op het alcoholmisbruik. Dat het Waarborgfonds voor de schade aansprakelijk zou zijn is dan ook niet aangetoond.

4. De beoordeling

4.1. Het verzoek van [Eiser] strekt te komen tot vergoeding van (een deel van) zijn schade door het Waarborgfonds. Gelet op de mogelijkheid dat partijen tot nader overleg en een minnelijke regeling komen indien de rechtbank beslist dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de schade die [Eiser] stelt te lijden, kan [Eiser] in zijn verzoek worden ontvangen.

4.2. Voor het antwoord op de vraag of het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de schade die [Eiser] stelt te lijden, zal allereerst de feitelijke toedracht van het ongeval moeten komen vast te staan. Partijen twisten in dit verband met name over de vraag of er een motorrijtuig bij het ongeval betrokken was.

4.3. Het ligt op de weg van [Eiser] om feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen dat de aanrijding door een motorrijtuig is veroorzaakt.

4.4. De verklaring van [Eiser] zelf, erop neerkomend dat een scooter zijn stuur aan de rechterzijde van zijn fiets raakte, waardoor hij de controle over zijn fiets verloor en ten val is gekomen, heeft op grond van artikel 164 lid 2 Rv slechts beperkte betekenis in die zin dat die verklaring slechts ter aanvulling op ander, onvolledig bewijs, kan worden gebruikt.

4.5. Dat aanvullende bewijs is niet geleverd. De verklaring van [Eiser] wordt onvoldoende ondersteund door de verklaring van [Vriend]. Uit de verklaring van [Vriend] blijkt dat hij niets heeft waargenomen over de toedracht van de val. Het enkele feit dat [Vriend] heeft verklaard dat een scooter hem rechts voorbij kwam, nadat hij hoorde dat er achter hem iets gebeurde, betekent niet dat er sprake is geweest van betrokkenheid van die scooter bij het ongeval.

4.6. Uit de overige dossierstukken, waaronder de processen-verbaal van de politie Amsterdam-Amstelland en het rapport van onderzoeksbureau Toedrachtonderzoek Nederland, kan evenmin worden afgeleid dat de lezing van [Eiser] omtrent de toedracht van het ongeval de juiste is. De opmerkingen in het proces-verbaal van de politie van 9 september 2013 over de betrokkenheid van een motorrijtuig zijn enkel gebaseerd op verklaringen van [Eiser] zelf. Ook de door [Eiser] overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse bieden geen eenduidig bewijs voor de juistheid van de verklaring van [Eiser].

4.7. De feitelijke toedracht van het ongeval is dan ook niet komen vast te staan en evenmin is komen vast te staan dat de aanrijding door een motorrijtuig is veroorzaakt.

4.8. Ook leent de onderhavige procedure zich niet voor een voorshands aannemelijk geachte betrokkenheid van een motorrijtuig zoals door [Eiser] is betoogd. Op de deelgeschilprocedure is als verzoekschriftprocedure ingevolge artikel 284 lid 1 Rv het gewone bewijsrecht van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet. Dit laatste is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [Eiser] is om over de toedracht van het incident voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen. Zoals hiervoor al is overwogen is [Eiser] daarin niet geslaagd. Voor het horen van getuigen ziet de rechtbank evenmin aanleiding. De tijd, kosten en moeite die hiermee gepaard gaan wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de bijdrage die hiermee geleverd kan worden aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

4.9. Het vorenstaande brengt met zich dat niet is komen vast te staan dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor (de gevolgen van) de aanrijding, zodat het verzoek van [Eiser] zal worden afgewezen.

4.10. De wet bepaalt in art. 1019aa lid 1 Rv dat de rechtbank de kosten van de procedure moet begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is en zal daarom overgaan tot een begroting van de kosten aan de zijde van [Eiser]. De kosten van [Eiser] komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien in een -eventuele- bodemprocedure de aansprakelijkheid van het Waarborgfonds alsnog komt vast te staan.

4.11. [Eiser] stelt dat hij een bedrag van € 2.821,21 aan advocaatkosten heeft gemaakt, uitgaande van een tijdsbesteding van 9,36 uur, tegen een uurtarief van € 235,- vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% BTW. Deze kosten zijn niet betwist. De rechtbank begroot de totale kosten dan ook op voornoemd bedrag van € 2.821,21.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek van [Eiser] af;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 2.821,21.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots