Rb, deelgeschil: Afwijzing verzoek wegens onvoldoende onderbouwing causaliteit

Samenvatting:

Regels die gelden voor de bepaling van de mate van a.o. ingevolge de WAO of WIA komen niet overeen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan verdienvermogen dient te worden getoetst (namelijk causaliteit). De aansprakelijke partij dient daarover een volwaardig debat in rechte te kunnen voeren, in welk kader zo nodig ook bewijsvoering, eventueel in de vorm van tegenbewijs, aan de orde kan komen. Daarom is eerst nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig voordat de juridische causaliteit kan worden beoordeeld.
Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen of op nihil begroot moeten worden moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Bij de toetsing van de redelijkheid komt wel betekenis toe aan het antwoord op de vraag of het voorgelegde deelgeschil zodanig onderbouwd is dat een toewijzende beslissing daarop mogelijk is.

Datum publicatie: 06-02-2013
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: letselschade; deelgeschil; verzoek om voor recht te verklaren dat de gestelde klachten en beperkingen moeten worden toegerekend aan het ongeval; afwijzing verzoek nu onvoldoende onderbouwd; kosten gematigd ivm tekortschietende onderbouwing van verzoek.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Afdeling privaatrecht
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/10/414452 / HA RK 12-976
Beschikking van 6 februari 2013
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. K. Aantjes,
tegen
de naamloze vennootschap ALLIANZ SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster,
advocaat mr. M.R. Lauxtermann.
Partijen zullen hierna [verzoeker] en Allianz genoemd worden.
1.  De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
–  het op 6 december 2012 binnengekomen verzoekschrift, met producties;
–  het verweerschrift, met producties;
–  het faxbericht van 17 januari 2013 van mr. Aantjes, met bijlage;
–  de mondelinge behandeling ter zitting van 23 januari 2013.
2.  De vaststaande feiten
2.1.  Aan [verzoeker] is op 2 juli 2006 als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval overkomen (hierna: het ongeval). Daarbij is [verzoeker] frontaal aangereden door een verzekerde van Allianz, die eveneens een personenauto bestuurde.
2.2.  [verzoeker] heeft “whiplashachtige” klachten, zich uitend in (onder meer) hoofd-, nek- en rugpijn, uitstralend naar de armen.
2.3.  Allianz heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.
3.  Het geschil
3.1.  Het verzoek, zoals weergegeven in het petitum van het verzoekschrift en ter zitting toegelicht, luidt – verkort en zakelijk weergegeven – om voor recht te verklaren dat de gestelde klachten en beperkingen aan het ongeval moeten worden toegerekend, zulks onder begroting van en veroordeling van Allianz in de kosten van het onderhavige geschil.
3.2.  Allianz voert verweer, dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in het verzoek, althans afwijzing daarvan.
3.3.  Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.
4.  De beoordeling
4.1.  [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade
4.2.  Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat hij sedert en ten gevolge van het ongeval lijdt aan -kort gezegd- “whiplashachtige” klachten, zich uitend in (onder meer)
hoofd-, nek- en rugpijn, uitstralend naar de armen, met als gevolg dat hij wordt beperkt in (onder meer) het uitoefenen van zijn beroepsmogelijkheden. Allianz betwist dat op basis van de thans beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten en het ongeval. Volgens Allianz is (in ieder geval) onderzoek door een onafhankelijke deskundige nodig om het eventuele causale verband vast te stellen.
4.3.  De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat een dispuut over de causaliteitsvraag op zich een deelgeschil betreft.
4.4.  De rechtbank acht, anders dan Allianz, [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek. Ofschoon duidelijk is dat nog de nodige stappen gezet moeten worden, ziet de rechtbank voldoende mogelijkheden voor partijen om na haar beslissing het buitengerechtelijke onderhandelingstraject voort te zetten. Met een oordeel over het causaal verband kan de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken. Dat dit wellicht niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Van belang is immers dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling en dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval.
4.5.  Vooropgesteld wordt dat het op de weg van [verzoeker] ligt om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat er sprake is van causaliteit tussen het ongeval en de door hem gestelde klachten. Als die causaliteit komt vast te staan, dient vervolgens beoordeeld te worden of en in hoeverre de klachten leiden tot beperkingen en daarmee tot aantasting van (onder meer) het verdienvermogen van [verzoeker]. Aan dit bewijs kunnen in een geval als het onderhavige geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer van een verkeersongeval daardoor ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering, omdat bij deze klachten een anatomisch substraat ontbreekt, dat wil zeggen dat de klachten veelal niet aantoonbaar zijn op medisch beeldmateriaal. Enige objectivering van de subjectieve klachten is echter wel vereist. Daarvoor is voldoende dat bij zorgvuldige beoordeling van alle informatie kan worden vastgesteld dat aannemelijk is dat de klachten reëel, niet ingebeeld en niet overdreven zijn. Dit in de jurisprudentie ontwikkelde criterium komt er op neer dat de rechter er, op grond van de beschikbare medische informatie, van overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die de betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij tracht de situatie ernstiger te doen overkomen dan deze is. Voor het aanwezig zijn van causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.
4.6.  [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij als gevolg van het ongeval klachten heeft die leiden tot beperkingen en daarmee tot aantasting van (onder meer) zijn verdienvermogen diverse stukken overgelegd, waaronder brieven van de huisarts en de medisch adviseur, alsmede informatie van het UWV. Anders dan [verzoeker] is de rechtbank van oordeel dat op basis van de informatie waarnaar [verzoeker] verwijst en die in dit deelgeschil in het geding is gebracht niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking genomen dat uit de overgelegde brieven van de huisarts en de fysiotherapeut kan worden afgeleid dat hun oordeel klaarblijkelijk grotendeels is gebaseerd op de anamnese, dus op door [verzoeker] zelf verstrekte gegevens, waarbij de grondhouding van de behandelend arts zal zijn dat er in beginsel geen reden bestaat om kritisch te onderzoeken of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn. Dat is reden om voorzichtig te zijn met het verbinden van juridische gevolgen aan dat oordeel, zowel voor wat betreft het bestaan van klachten en beperkingen als ten aanzien van het causaal verband. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het feit dat [verzoeker] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is in de zin van de sociale verzekeringswetten niet zonder meer kan worden afgeleid dat bij [verzoeker] sprake is van schade in de zin van verlies aan verdienvermogen. [verzoeker] lijkt eraan voorbij te gaan dat de regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO of WIA niet overeenkomen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan verdienvermogen dient te worden getoetst. Voor zover arbeidsongeschiktheid niet samenhangt met ongevalsgevolgen, maar met ongevalsonafhankelijke oorzaken, kan de betreffende daaruit voortvloeiende schade niet zonder meer worden toegerekend aan de ter zake van de ongevalsgevolgen aansprakelijke partij. De aansprakelijke partij dient daarover een volwaardig debat in rechte te kunnen voeren, in welk kader zo nodig ook bewijsvoering, eventueel in de vorm van tegenbewijs, aan de orde kan komen. Ten slotte bevat de informatie waarnaar [verzoeker] verwijst en die in dit deelgeschil in het geding is gebracht geen neurologische gegevens. Met Allianz is de rechtbank dan ook van oordeel dat eerst nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig is voordat de juridische causaliteit kan worden beoordeeld. Dat inmiddels (zeer) lange tijd sinds het ongeval is verstreken, doet daaraan niet af. Dat tijdsverloop laat immers onverlet dat er voldoende onderbouwing moet zijn om de causaliteit tussen de gestelde klachten en het ongeval te kunnen beoordelen.
4.7.  Onder deze omstandigheden kan de rechtbank bij de huidige stand van zaken niet vaststellen dat de klachten van [verzoeker] in causaal verband staan tot het ongeval. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld, de nu voorhanden zijnde gegevens zijn daarvoor in ieder geval niet toereikend, dat het vereiste causaal verband tussen zijn klachten en het hem overkomen ongeval bestaat. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
4.8.  In het lichaam van het verzoekschrift verzoekt [verzoeker] subsidiair om te bepalen dat Allianz aansprakelijk is voor zodanig deel van de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade als de rechtbank naar billijkheid juist zal oordelen.
De rechtbank zal zich hierover niet uitlaten, nu [verzoeker] in het petitum slechts de verklaring voor recht verzoekt als onder 3.1 weergegeven. De rechtbank benadrukt dat zij gebonden is aan het petitum.
4.9.  De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking te nemen. Ook deze kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.10.  [verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van € 5.027,79, hetgeen neerkomt op 14 bestede uren tegen een tarief van € 280,00 per uur. Allianz vindt zowel het aantal aan de zaak bestede uren als het gehanteerde uurtarief bovenmatig. Daarnaast werpt Allianz de vraag op of de kosten in redelijkheid gemaakt zijn nu het verzoek in haar visie volstrekt onnodig en onterecht is ingediend. De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.  Afwijzing van het verzoek als zodanig staat niet in de weg aan het begroten van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen of op nihil begroot moeten worden moet er sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.
4.12.  Bij de toetsing van de redelijkheid om deze kosten te maken en de redelijkheid van de omvang van die kosten komt echter wel betekenis toe aan het antwoord op de vraag of het voorgelegde deelgeschil zodanig onderbouwd is dat een toewijzende beslissing daarop mogelijk is. Indien, zoals in het onderhavige geval, verschil van mening bestaat over de causaliteitsvraag had [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met het overleggen van informatie uit de behandelend sector en informatie van het UWV. Doorgaans vindt de beoordeling van de causaliteit in gevallen waarin discussie bestaat over het causaal verband tussen het ongeval en de schade bij letsels als de onderhavige immers plaats aan de hand van een onafhankelijk deskundigenbericht. Mede gezien het door Allianz ingenomen standpunt ter zake de causaliteit is het verzoek naar het oordeel van de rechtbank minder goed te beoordelen nu dat niet (mede) is onderbouwd met een (neurologisch) deskundigenrapport opgesteld door een onafhankelijke, eventueel door partijen gezamenlijk geraadpleegde, deskundige.
4.13.  Het voorgaande brengt mee dat, gelet op de tekortschietende onderbouwing van het verzoek, het aantal aan de zaak bestede uren naar het oordeel van de rechtbank te hoog is. Daarbij heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat, gelet op de beperkte omvang en complexiteit van de onderhavige zaak, bezien in samenhang met de ervaring en het specialisme van mr. Aantjes, haar een uurtarief van € 280,00 (exclusief kantoorkosten en BTW) bovenmatig voorkomt. De rechtbank zal de kosten al met al naar redelijkheid begroten op € 3.000,00, waaronder begrepen het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 267,00.
4.14.  Nu Allianz aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, zal zij in de hiervoor genoemde kosten worden veroordeeld.
4.15.  Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorzieningen open staat, zal de rechtbank de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.
5.  De beslissing
De rechtbank
5.1.  Begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op EUR 3.000,00.
5.2.  Veroordeelt Allianz tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van deze procedure, welke zijn begroot op € 3.000,00.
5.3.  Wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2013

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey