Rb: comparitie na neuropsychologische deskundigenbericht in whiplashzaak

Samenvatting:

Whiplash, kapster. Vonnis na neuropsychologische deskundigenbericht. 1. Voor de periode na 2016 leidt de rechtbank uit het deskundigenrapport af dat eiseres objectief gezien thans geen cognitieve en/of neuropsychologische stoornissen heeft. Wel blijkt uit het deskundigenrapport dat sprake is van (pre-existente) psychologische factoren die het functioneren van [eiseres] (nog) nadelig beïnvloeden. In het kader van de schadebegroting kan een dergelijke pre-existentie ertoe leiden dat de looptijd van de schade wordt bekort. 2. Voor toerekening aan het ongeval geldt de voorwaarde dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Aan deze voorwaarde wordt deels niet voldaan, waar de deskundige spreekt over lichte functionele aggravatie en somatische fixatie. Daarom vraagt de rechtbank zich af of het benoemen van deskundigen, zoals door eiseres verzocht, de meest doelmatige stap is. 3. De rechtbank gelast een inlichtingen- en schikkingscomparitie.

ECLI:NL:RBGEL:2018:3698

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

29-08-2018

Datum publicatie

31-08-2018

Zaaknummer

C/05/288887 / HZ ZA 15-390

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Letselschade. Whiplash. Beoordeling neuro-psychologische expertise. Verwijzing naar de meervoudige kamer voor inlichtingen- en schikkingscomparitie.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Zutphen

 

zaaknummer / rolnummer: C/05/288887 / HZ ZA 15-390

 

Vonnis van 29 augustus 2018

 

in de zaak van

 

[eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. N.P.H. Borm te Deventer,

 

tegen

 

de vennootschap naar Belgisch recht,

 

ALLIANZ BENELUX N.V., mede h.o.d.n.

 

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERINGEN,

 

statutair gevestigd te Brussel (België),

 

kantoorhoudende te Rotterdam,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en Allianz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het tussenvonnis van 8 februari 2017

 

het deskundigenbericht van 20 maart 2018

 

de beschikking van 30 maart 2018

 

de conclusie na deskundigenbericht van Allianz

 

de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [eiseres] .

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

 

Bij tussenvonnis van 2 november 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat [eiseres] in de periode van 10 februari 2011 tot 1 juli 2016 klachten over hoofdpijn en nekpijn heeft gehad als gevolg van het ongeval. Omdat discussie bleef bestaan over de vraag in hoeverre het ongeval de oorzaak is/was van de door [eiseres] ervaren klachten over prikkelovergevoeligheid, concentratiestoornissen en vermoeidheid heeft de rechtbank besloten tot een neuropsychologische expertise en partijen gevraagd zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de te stellen vragen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat Allianz wat betreft de schadeafhandeling niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en beslist dat de daarmee samenhangende vorderingen bij eindvonnis zullen worden afgewezen.

2.2.

 

Bij tussenvonnis van 8 februari 2017 heeft de rechtbank drs. A.F.M.M. Verdonck (hierna ook Verdonck), neuropsycholoog, als deskundige benoemd en hem een vijftal vragen ter beantwoording voorgelegd. De deskundige heeft naar aanleiding van het onderzoek van [eiseres] op 10 en 11 juli 2017 het rapport neuropsychologisch onderzoek van 20 maart 2018 uitgebracht.

2.3.

 

De deskundige heeft de vragen als volgt beantwoord:

 

“Vraag I.

 

Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie

 

van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

 

Antwoord :

 

Er zijn geen stoornissen in de helderheid van het bewustzijn. Er zijn op grond van de bevindingen bij het neuropsychologisch onderzoek geen aanwijzingen voor organisch cerebraal bepaalde stoornissen van de aandachts- en geheugenfunctie, de taalfunctie, de

 

perceptieve functies en de motorische vaardigheden. Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische deterioratie der cognitieve vermogens; er zijn geen aanwijzingen voor cognitieve beperkingen. Echter, de effectiviteit waarmee en het tempo waarin de beschikbare capaciteiten worden gebruikt kan af en toe enigszins nadelig worden beïnvloed

 

door de ervaren klachten en door de beschreven werkhouding, waardoor zij minder goed geconcentreerd en iets oppervlakkiger werkt.

 

Bovendien kan het functioneren nadelig worden beïnvloed door de subjectief ervaren vermindering van vitaliteit en energie en de ervaren verminderde spankracht en enkele psychologische factoren, met name de lichte verwerkings- en acceptatieproblemen de lichte functionele aggravatie en de somatische fixatie en het geconditioneerd beeld.

 

Er zijn geen indicaties voor een organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en de emoties. Er zijn geen aanwijzingen voor een stoornis in de planning en controle van het gedrag. Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatisch stress syndroom.

 

Er zijn aanwijzingen voor lichte verwerkings- en acceptatieproblemen en voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld.

 

Anamnestisch zijn er aanwijzingen voor praeëxistente psychologische factoren, samenhangend met de persoonlijkheidsstructuur, die het functioneren kunnen beïnvloeden.

 

Vraag II.

 

Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het aan [eiseres] op 10 februari 2011 overkomen ongeval?

 

Antwoord :

 

Er zijn geen neuropsychologische functiestoornissen geobjectiveerd die zouden kunnen wijzen op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 10 februari 2011.

 

De door mevrouw [eiseres] gepresenteerde klachten op neuropsychologisch gebied kunnen niet worden verklaard door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 10 februari 2011.

 

Vraag III.

 

Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen zonder dat een hersenbeschadiging is

 

aangetoond het gevolg kunnen zijn van het aan [eiseres] op 10 februari 2011 overkomen

 

ongeval? Hoe is de samenhang te verklaren?

 

Antwoord :

 

Er zijn geen neuropsychologische functiestoornissen geobjectiveerd die zouden kunnen wijzen op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 10 februari 2011.

 

Indien er, zoals vastgesteld bij neurologisch onderzoek, bij mevrouw [eiseres] geen sprake is van een hersenbeschadiging en er bij neuropsychologisch onderzoek geen neuropsychologische en/of cognitieve functiestoornissen zijn geobjectiveerd, kunnen de door betrokkene ervaren klachten op neuropsychologisch gebied niet als ongevalsgevolgen worden aangemerkt.

 

Het is aannemelijk dat mevrouw [eiseres] klachten ervaart met betrekking tot de concentratie, het geheugen en de mentale spankracht op grond van de ervaren fysieke klachten en op grond van de beschreven psychologische factoren.

 

Vraag IV .

 

Zij [n] er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen? Ondergetekende gaat er vanuit dat bij deze vraag als “die bepaalde gebeurtenis of aandoening” het ongeval d.d. 70 februari 2017 wordt bedoeld.

 

Antwoord :

 

Er zijn geen neuropsychologische functiestoornissen geobjectiveerd die zouden kunnen wijzen op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 10 februari 2011.

 

Het is aannemelijk dat de problemen die betrokkene ervaart in haar functioneren verklaard kunnen worden door de pijnklachten, de ervaren prikkel overgevoeligheid, de ervaren verminderde spankracht en door de beschreven psychologische factoren, met name de duidelijke somatische fixatie en het geconditioneerde beeld, de lichte verwerkings- en acceptatieproblematiek en tevens door praeëxistente psychologische factoren, samenhangend met de persoonlijkheidsstructuur.

 

Anamnestisch zijn er aanwijzingen voor enkele verstoringen van de balans tussen belasting en draagkracht, resulterend in lichamelijke klachten.

 

Vraag V .

 

Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van het aan [eiseres] op 10 februari 2011 overkomen ongeval ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

 

Antwoord :

 

Er zijn geen neuropsychologische of cognitieve functiestoornissen geobjectiveerd die zouden kunnen wijzen op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 10 februari 2011.

 

Op strikt neuropsychologische gronden zijn dan ook geen beperkingen aannemelijk in het functioneren van mevrouw [eiseres] .

 

Op grond van de ervaren pijnklachten, de prikkel overgevoeligheid, de ervaren verminderde spankracht en de beschreven psychologische factoren zijn lichte beperkingen aannemelijk ten aanzien van het langdurig geconcentreerd werken onder tijdsdruk en in drukke situaties en ten aanzien van het hanteren van stress en conflictsituaties.”

2.4.

 

Allianz verwijst naar het advies van de medisch adviseur (productie 21 van Allianz) die onder meer het volgende opmerkt:

 

“De expert is helder en duidelijk. Er zijn geen neuropsychologische functiestoornissen geobjectiveerd, die zouden kunnen wijzen op een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval. Op basis hiervan kunnen er ook geen neuropsychologische beperkingen worden geformuleerd.

 

Daarnaast wordt een belaste voorgeschiedenis beschreven in de vorm van pre-existente psychologische factoren, die samenhangen met de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene. Hierdoor wordt het functioneren van betrokkene beïnvloed. Er worden pre-existente klachten beschreven, die ten dele samenhangen met spanningsfactoren.

 

Ook wordt beschreven, dat er in de voorgeschiedenis reeds sprake is van langdurige structurele overbelasting. Hieruit zou men mogen concluderen, dat aannemelijk in de hypothetische situatie zonder ongeval een dergelijke periode zou kunnen recidiveren. Met als mogelijk gevolg fysieke en psychische klachten, omdat de expert duidelijke aanwijzingen heeft voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld.”

 

Volgens Allianz is niet aangetoond dat sprake is van de door [eiseres] gestelde ongevalsgerelateerde cognitieve klachten. Bovendien heeft [eiseres] niet aangetoond dat alternatieve oorzaken voor die gestelde klachten ontbreken. Mocht [eiseres] ongevalsgerelateerde cognitieve klachten ervaren, dan is Allianz van oordeel dat die kennelijk moeten worden gezien als een gevolg van zowel niet-ongevalsgerelateerde factoren als wel ongevalsgerelateerde factoren, waarbij onder die laatste de tijdelijke fysieke klachten kunnen worden geschaard. Volgens Verdonck leiden deze (subjectieve) cognitieve klachten in elk geval tot lichte beperkingen ten aanzien van het langdurig geconcentreerd werken onder tijdsdruk en in drukke situaties en ten aanzien van het hanteren van stress- en conflictsituaties. [eiseres] is kapster aan huis en dus lijkt daarvan geen sprake te zijn bij haar, aldus Allianz. Voorts is nog maar de vraag of dergelijke lichte beperkingen, als daarvan tijdelijk – tot 1 juli 2016 – sprake is geweest, daadwerkelijk tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Dit maakt dat aanvullend onderzoek van een verzekeringsdeskundige en een arbeidsdeskundige niet in de rede ligt. Met de betaalde voorschotten van € 31.500,00 is [eiseres] afdoende schadeloos gesteld, zodat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen, aldus Allianz.

2.5.

 

De medisch adviseur van [eiseres] heeft over het rapport van Verdonck onder meer het volgende opgemerkt:

 

“Er zijn echter wel afwijkingen die worden toegeschreven aan een combinatie van klachten, werkhouding en enkele psychologische factoren zoals lichte verwerking- en acceptatieproblemen.

 

Met betrekking tot de beantwoording van de vragen 3, 4 en 5 dient de conclusie mijns inziens te zijn dat er sprake is van reële klachten en beperkingen in het cognitief functioneren in relatie tot het ongeval waarbij nog van belang is dat de uitkomst van het neuro-psychologisch onderzoek een reële afspiegeling is van het cognitief functioneren van cliënte. (…)

 

Het is mijns inziens zonder meer aannemelijk dat cliënte cognitieve klachten, klachten van prikkel overgevoeligheid alsmede vermoeidheidsverschijnselen ervaart. Dit wordt bevestigd in het rapport van Verdonck. Ook in de informatie waarover wij beschikken worden deze klachten consequent genoemd. Deze klachten zijn mijns inziens reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven. (…)

 

Uit het dossier komen geen alternatieve oorzaken naar voren anders dan het ongeval. De klachten worden wel onderhouden door factoren buiten het ongeval gelegen maar dit kan men zien als een predispositie. Mijns inziens is dit typisch het geval van “take the victim as you find him”.

 

Over de persoonlijkheid wordt aangegeven dat er aanwijzingen zijn voor onevenwichtige- en kwetsbare persoonlijkheidskenmerken en een neiging tot het somatiseren van psychische problematiek. Dit kan ertoe leiden dat klachten anders beleefd worden en ook een onderhoudende factor zijn bij een persisterend klachtenbeeld.

 

(…)

 

Er zijn mijns inziens geen aanwijzingen dat de door cliënte ervaren cognitieve klachten, klachten van prikkel overgevoeligheid alsmede vermoeidheidsverschijnselen en daaruit voortvloeiende beperkingen zich in een situatie zonder ongeval ook zouden hebben ontwikkeld.”

 

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij met de neurologische en neuropsychologische expertises aannemelijk heeft gemaakt dat zij cognitieve klachten, klachten van prikkelovergevoeligheid en vermoeidheidsverschijnselen ervaart. Het klachtenpatroon is plausibel en de klachten zijn medisch gedocumenteerd. De door [eiseres] ervaren klachten zijn reëel en er is geen alternatieve verklaring voor. De stelling van Allianz dat de cognitieve klachten na 1 juli 2016 geen ongevalsgevolg zouden zijn omdat deze klachten het gevolg zijn van de aan het ongeval gerelateerde fysieke klachten, is onjuist. De cognitieve klachten worden volgens Verdonck immers onderhouden door psychologische factoren die samenhangen met haar persoonlijkheidsstructuur en acceptatie- en verwerkingsproblematiek. Dit kan Allianz niet aan [eiseres] tegenwerpen, omdat zij het slachtoffer heeft te nemen zoals ze is. Er is sprake van verstoring van de balans tussen belasting en draagkracht, aldus [eiseres] . Bovendien heeft Allianz bijgedragen aan het onderhouden van de klachten door het uitblijven van bevoorschotting. Anders dan de medisch adviseur van Allianz doet voorkomen, is geen sprake van een langdurige structurele overbelasting, maar zijn er volgens Verdonck slechts aanwijzingen voor enkele perioden van langdurige overbelasting. De surmenage in 2009 heeft zich voorgedaan kort nadat de moeder van [eiseres] ernstig ziek is geworden en [eiseres] zowel fysiek als emotioneel werd overbelast met de mantelzorg voor haar moeder. De nekklachten hingen samen met de lichaamshouding van [eiseres] tijdens het werk als kapster. Van langdurige overbelasting was destijds geen sprake. Bovendien hebben de surmenage en de nekklachten nooit geleid tot problemen in het functioneren en tot arbeidsongeschiktheid. Het causaal verband tussen de klachten van [eiseres] en het ongeval staat vast, aldus [eiseres] . Nu ook subjectieve klachten tot relevante beperkingen kunnen leiden, verzoekt [eiseres] de rechtbank om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te laten verrichten door de heer Hullen uit Wapenveld om de beperkingen in beeld te brengen en aansluitend een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren door de heer Hulsen verbonden aan Heling & Partners.

2.6.

 

Vooropgesteld wordt dat het deskundigenrapport consistent en logisch is opgebouwd en is onderbouwd met de behaalde testresultaten. Uit de vergelijking door de deskundige van de testresultaten van het onderzoek in 2013 met het huidige onderzoek blijkt dat [eiseres] thans tot het uitvoeren van aanmerkelijk meer tests in staat is en op de uitgevoerde tests betere resultaten heeft behaald dan in 2013. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat het deskundigenrapport een goede weergave geeft van de cognitieve (on)mogelijkheden van [eiseres] in juli 2017. Voor het antwoord op de vraag of [eiseres] cognitieve klachten als gevolg van het ongeval aannemelijk heeft gemaakt, zal onderscheid worden gemaakt tussen de periode van 10 februari 2011 tot 1 juli 2016 en de periode daarna. Voor de beoordeling van de situatie na 1 juli 2016 is het thans beschikbare deskundigenrapport de maatstaf.

2.7.

 

De deskundige laat er geen twijfel over bestaan dat bij neuropsychologisch onderzoek (uitgevoerd in juli 2017) geen neuropsychologische en/of cognitieve stoornissen zijn geobjectiveerd. Hierbij tekent hij aan dat het functioneren van [eiseres] nadelig wordt beïnvloed door de subjectief ervaren vermindering van vitaliteit en energie. Er zijn aanwijzingen voor lichte verwerkings- en acceptatieproblemen ten aanzien van het ongeval en vooral ten aanzien van de ervaren ongevalsgevolgen en daarmee samenhangende veranderingen in haar functioneren (p. 21). [eiseres] toont lichte functionele aggravatie, somatische fixatie en een geconditioneerd beeld. Tevens is sprake van pre-existente psychologische factoren, samenhangend met de persoonlijkheidsstructuur. Onder het persoonlijkheidsonderzoek (p. 21) is vermeld dat het aannemelijk is dat de pre-existente nekklachten niet alleen samenhingen met de lichaamshouding tijdens het werk als kapster, maar ten dele ook met spanningsfactoren. Ook de vermelde hyperventilatie (omstreeks 2000) en de surmenage (eind 2009) kunnen wijzen op een onvoldoende balans tussen belasting en draagkracht, aldus de deskundige.

 

Over eventuele beperkingen merkt de deskundige op dat op grond van ervaren pijnklachten en prikkelovergevoeligheid, de ervaren verminderde spankracht en de beschreven psychologische factoren lichte beperkingen aannemelijk zijn ten aanzien van het langdurig geconcentreerd werken onder tijdsdruk, in drukke situaties en ten aanzien van het hanteren van stress en conflictsituaties.

2.8.

 

Voor de periode van 10 februari 2011 tot 1 juli 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiseres] hoofdpijn- en nekpijnklachten heeft gehad als gevolg van het ongeval. Het neuropsychologisch onderzoek van Koene van 6 maart 2013 is niet te beoordelen omdat [eiseres] daarbij onder haar niveau heeft gepresteerd. Zij was op dat moment onder behandeling bij Klimmendaal (revalidatiecentrum). Aannemelijk is dat de door Verdonck beschreven psychologische factoren en persoonlijkheidsstructuur ook een rol hebben gespeeld in het ervaren van klachten en beperkingen in deze periode. Hieruit laat zich verklaren dat het algehele functioneren en daarmee de belastbaarheid is beïnvloed door de pijnklachten die de rechtbank voor deze periode heeft aangenomen, de prikkelovergevoeligheid, alsmede de vermindering van vitaliteit en energie (p. 22).

 

[eiseres] heeft verzocht om aanvullend een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aansluitend arbeidsdeskundig onderzoek uit te laten voeren om de daaruit voortvloeiende beperkingen in kaart te brengen. De rechtbank vraagt zich af of dit voor de periode in het verleden doelmatig is. In deze periode heeft [eiseres] binnen haar feitelijke mogelijkheden weer langzaamaan haar werkzaamheden als kapster opgepakt en daarmee inkomsten verworven. Gegeven deze omstandigheid is een alternatief om thans aan de hand van de inkomenssituatie zonder ongeval en de inkomenssituatie met ongeval de feitelijke inkomensachteruitgang voor deze periode vast te stellen. Vervolgens dient te worden beoordeeld of die achteruitgang in lijn is met de door de rechtbank aannemelijk geoordeelde klachten en beperkingen van [eiseres] . Hiervoor dienen adequate financiële gegevens waaronder belastingaanslagen, over de relevante periode ter beschikking te komen.

2.9.

 

Voor de periode na 1 juli 2016 geldt het volgende. De rechtbank leidt uit het deskundigenrapport af dat objectief gezien [eiseres] thans geen cognitieve en/of neuropsychologische stoornissen heeft. Voor de periode na 1 juli 2016 heeft de rechtbank al eerder geoordeeld dat geen sprake meer is van aan het ongeval toe te rekenen hoofdpijn- en nekpijnklachten. Wel blijkt uit het deskundigenrapport dat sprake is van (pre-existente) psychologische factoren die het functioneren van [eiseres] (nog) nadelig beïnvloeden. Er wordt gesproken over lichte problemen. Omdat de verzekeraar/aansprakelijke partij het slachtoffer dient te nemen zoals zij is, staan predispositie of pre-existente factoren niet in de weg aan toerekening van subjectief ervaren klachten aan het ongeval, zoals door Verdonck beschreven. In het kader van de schadebegroting kan een dergelijke pre-existentie ertoe leiden dat de looptijd van de schade wordt bekort. Geen van partijen heeft op dit punt een gemotiveerd standpunt ingenomen. De rechtbank sluit niet uit dat aan de wijze waarop [eiseres] erin is geslaagd haar werk (langzaamaan) te hervatten argumenten kunnen worden ontleend ter beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat de lichte problemen die het gevolg zijn van de predispositie en persoonlijkheidsstructuur in de toekomst nog verder zullen verminderen. Voorts dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre de lichte problemen op den duur nog zijn toe te rekenen aan het ongeval. Voor toerekening aan het ongeval geldt de voorwaarde dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Aan deze voorwaarde wordt deels niet voldaan, waar de deskundige spreekt over lichte functionele aggravatie en somatische fixatie. Daarom vraagt de rechtbank ook voor de periode na 1 juli 2016 zich af of het benoemen van deskundigen, zoals door [eiseres] verzocht, de meest doelmatige stap is.

2.10.

 

Bij deze stand van zaken komt het de rechtbank daarom geraden voor om met partijen te bespreken of het mogelijk is om op basis van de thans beschikbare gegevens de schade te begroten. Anders dan [eiseres] bij dagvaarding heeft gesteld, kan met de huidige deskundigenrapporten niet worden aangenomen dat tot het 67-ste jaar schade wordt geleden. Evenmin kan zonder enige toelichting de stelling van Allianz worden beoordeeld dat met het voorschot van € 31.500,00 alle schade van [eiseres] is betaald. Daarom zal een comparitie van partijen worden gelast. Deze zitting zal plaatsvinden ten overstaan van de meervoudige kamer.

2.11.

 

Op deze comparitie wil de rechtbank de volgende onderwerpen bespreken. Het verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, werkzaamheden woning/tuin, smartengeld en de grondslag voor verrekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering met de schade-uitkering. Om effectief over deze onderwerpen te kunnen onderhandelen dienen beide partijen de nog ontbrekende relevante stukken hiervoor tijdig in het geding te brengen. Het betreft in elk geval de in rechtsoverweging 2.8 genoemde financiële gegevens, alsmede de financiële gegevens over de periode na 1 juli 2016.

2.12.

 

Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen adviseur.

2.13.

 

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.

2.14.

 

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

 

De rechtbank

3.1.

 

verwijst de zaak naar de meervoudige kamer,

3.2.

 

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, mr. J.T.G. Roovers en mr. M.M. Klaasen in het gerechtsgebouw te Zutphen aan De Martinetsingel 2 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3.

 

bepaalt dat [eiseres] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Allianz dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.4.

 

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 september 2018 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2018, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

3.5.

 

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

3.6.

 

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

3.7.

 

wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken,

3.8.

 

bepaalt dat de in rechtsoverweging 2.11 genoemde stukken tot uiterlijk twee weken voor de zitting kunnen worden ingediend,

3.9.

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots