Rb: causaal verband klachten en ongeval onvoldoende vastgesteld, vordering erfgenaam afgewezen

Samenvatting:

De moeder van eiser loopt in 2011 diverse kneuzingen op bij aanrijding op weg naar Schiphol. Tegen advies in vliegt reist zij verder naar Italië. In 2013 overlijdt zij (in Egypte); eiser vordert (als erfgenaam) schadevergoeding van € 15.458,31 plus € 16.365,83 aan BGK; door de verzekeraar is 2x € 4000,- bevoorschot. De rechtbank oordeelt dat de medische stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een causale relatie tussen het ongeval en de gestelde klachten. Bovendien dient opgemerkt te worden dat de moeder, tegen het advies van de arts in, haar reis heeft voorgezet, hetgeen een nadelige invloed zou kunnen hebben gehad op haar herstelmogelijkheden. Moeder was niet bereid om naar Nederland te komen voor een medische expertise, terwijl hiervoor geld beschikbaar was gesteld. Vanwege het overlijden is een medische expertise ook niet meer mogelijk; dit dient voor rekening van eiser te komen. Vordering afgewezen.

RECHTBANK OOST-BRABANT
Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 3104904/303
Rolnummer: 14-4838
Uitspraak: 12 februari 2015

in de zaak van:

[Eiser],
wonende te [Woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [Eiser],
gemachtigde: A.S.A.A. Amman, Obtentus Recht en Advies

tegen:

1.[Gedaagde 1],
wonende te [Woonplaats],
hierna te noemen: [Gedaagde 1],
niet verschenen,
2. Unigarant N.V. Verzekeringen,
gevestigd en kantoorhoudende te Hoogeveen,
hierna te noemen: ‘Unigarant’,
gemachtigde: mr. D.D. Markvoort.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 13 november 2015,
– de comparitie van partijen van 21 januari 2015.

1.2. [Gedaagde 1]is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen. Dit vonnis wordt als een vonnis op tegenspraak beschouwd (artikel 140 Rv.).

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

2.1. De moeder van [Eiser], (hierna te noemen [moeder van Eiser]), is op 28 juli 2011 – toen zij op weg naar Schiphol was om te reizen naar Italië – aangereden door [Gedaagde 1]. Zij is op die dag medisch behandeld door een arts op de Airport Medical Service van Schiphol, die haar heeft verwezen naar het VU Medisch Centrum in Amsterdam. De moeder van [Eiser] heeft een verklaring getekend dat ze tegen medisch advies in toch ging vliegen.

2.2. Later op de dag heeft [Moeder van Eiser] in Italië een ziekenhuis in San Gerardo bezocht. De behandelend arts heeft toen geconcludeerd dat sprake was van een kneuzing van de rechterheup en rechterhand. Op 7 augustus 2011 is zij wederom in het ziekenhuis geweest met pijnklachten. Op de röntgenfoto’s die toen gemaakt zijn, was geen breuk te zien.

2.3. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft Unigarant, als WA-verzekeraar van de automobilist die de aanrijding veroorzaakte ([Gedaagde 1]), aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. Unigarant heeft [Moeder van Eiser] tevens verzocht om haar nader te informeren over de aard en ernst van het opgelopen letsel.
2.4. [Moeder van Eiser] is op 15 september 2011 teruggevlogen naar Nederland, waarna zij kort daarop gezien is door een huisarts. Deze huisarts heeft een röntgenfoto laten maken. Volgens de radioloog is het bot van de rechterheup intact en is geen overtuigende fractuur te zien.

2.5. Bij brief van 22 februari 2012 heeft Unigarant aan Obtentus Recht & Advies (hierna: Obtentus), die zich als belangenbehartiger van [Moeder van Eiser] opstelde, het medisch advies van haar medisch adviseur en de conceptvraagstelling voor een in de toekomst te verrichten medische expertise toegezonden.
Obtentus was akkoord om in Nederland een medische expertise te laten verrichten, maar gaf aan dat Unigarant voorschotten moest verstrekken om reiskosten en buitengerechtelijke incassokosten van [Moeder van Eiser] te dekken.
Unigarant heeft op 14 maart 2012 aan Obtentus een bedrag betaald van € 4.000,- als voorschot voor reis- en verblijfskosten die door [Moeder van Eiser] gemaakt zouden moeten worden voor de medische expertise. Voorts is een bedrag van € 4.000,- betaald als voorschot op de buitengerechtelijke kosten van [Moeder van Eiser].

2.6. Obtentus heeft op 3 juli 2012 aan Unigarant medegedeeld dat [Moeder van Eiser] niet bereid was om naar Nederland te komen voor een medische expertise, zonder opgaaf van reden.

2.7. [Moeder van Eiser] is op 18 januari 2013 overleden in Egypte. [Eiser] is een van de drie erfgenamen van [Moeder van Eiser]. [Eiser] is gemachtigd om namens alle erfgenamen aanspraak te maken op vergoeding van door [Moeder van Eiser] geleden schade.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert betaling van € 11.458,31 aan immateriële en materiele schade en een bedrag van € 12.365,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente en proceskosten als vermeld in de dagvaarding.
[Eiser] legt, tegen (een deel van) de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende aan zijn vordering ten grondslag.
De inmiddels overleden [Moeder van Eiser] heeft ten gevolge van het ongeval op 28 juli 2011 materiële en immateriële schade geleden. [Eiser] procedeert als erfgenaam ten behoeve van de gemeenschap. Het letsel heeft emotionele gevolgen gehad. [Eiser] vordert daarom een bedrag van € 7.500,- aan smartengeld. Tevens wordt aanspraak gemaakt op een bedrag van € 6.000,- voor het verlies van arbeidsvermogen, aangezien [Moeder van Eiser] als boerin op het land werkte en zorgde voor haar eigen inkomsten. Een bedrag van € 1.000,- wordt gevorderd voor de huishoudelijke hulp. [Moeder van Eiser] kon door het ongeval erg moeilijk voor zichzelf zorgen en heeft hulp moeten inschakelen. De gemaakte medische kosten komen neer op een bedrag van in totaal € 458,31. Verder worden de kosten die in Italië zijn gemaakt, waaronder het vliegticket voor de terugvlucht naar Nederland, begroot op € 500,-. De totale kosten komen neer op een bedrag van € 15.458,31, waarop in mindering strekt het betaalde voorschot van € 4.000,-, zodat resteert een bedrag van € 11.458,31.
De totale buitengerechtelijke incassokosten komen neer op een bedrag van € 16.365,83. Daarvan is € 4.000,- als voorschot voldaan, zodat resteert € 12.365,83. Deze kosten zijn noodzakelijk geweest om de belangen van eisers te waarborgen.

3.2. Unigarant voert, kort weergegeven, het volgende verweer.
Voor Unigarant is onduidelijk welk letsel [Moeder van Eiser] door het ongeval op 28 juli 2011 had opgelopen. Een medische expertise heeft niet plaatsgevonden. Unigarant kan niet bepalen of een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten. Gezien de beperkte medische informatie heeft zij meer gedaan dan van haar mocht worden verwacht. De schade van [Moeder van Eiser] die voldoende is aangetoond wordt ruimschoots gedekt door de voorschotten die zijn betaald.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat Unigarant als WA-verzekeraar van de automobilist die de aanrijding veroorzaakte aansprakelijkheid heeft erkend voor het ontstaan van het ongeval en in dat kader twee voorschotbedragen heeft uitgekeerd. [Eiser] heeft in onderhavige procedure een zestal schadeposten opgevoerd, welke schade gelet op de ontvangen bedragen in ieder geval gedekt is voor een bedrag van € 4.000,-. De bevoorschotting had voor een bedrag van € 4.000,- weliswaar betrekking op de kosten die [Moeder van Eiser] zou maken voor de medische expertise, maar aangezien een medische expertise niet heeft plaatsgevonden en deze kosten niet zijn gemaakt, kan dit voorschot worden aangewend voor de schade. Partijen gaan hier ook van uit. Daarnaast is gebleken dat de gemaakte buitengerechtelijke kosten gedekt zijn voor een bedrag van € 4.000,-.
De vraag die voorligt is of [Eiser] aanspraak kan maken op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan reeds uitgekeerd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2. Aan de hand van de overgelegde producties kan worden vastgesteld dat [Moeder van Eiser] als gevolg van de aanrijding op 28 juli 2011 enig letsel heeft opgelopen. In ieder geval kan worden uitgegaan van letsel in de vorm van kneuzingen. De desbetreffende arts die [Moeder van Eiser] in Italië heeft onderzocht, heeft immers geconcludeerd dat sprake was van een kneuzing van de rechter heup en hand. Of ten gevolge van het ongeval een fractuur in het rechter schaambeen is opgetreden, kan niet worden vastgesteld omdat er direct na het ongeval – ondanks het advies van de arts op de Airport Medical Service van Schiphol- geen röntgenfoto’s zijn gemaakt. In Italië zijn op 7 augustus 2011 wel röntgenfoto’s gemaakt. Deze toonden echter geen fractuur. Nadat de klachten aanhielden zijn eind september 2011 in Nederland wederom röntgenfoto’s gemaakt, waarop volgens de betreffende radioloog geen overtuigende fractuur te zien was. Door de radioloog is toen geconstateerd dat het bot van de rechterheup in tact is. Voor zover al sprake zou zijn geweest van een schaambeenfractuur, kan gelet hierop ervan worden uitgegaan dat deze in normale stand is hersteld. De door Obtentus ingeschakelde medisch adviseur MediThemis maakt in haar brief van 3 oktober 2012 (prod. 7 bij dagvaarding) wel melding van ‘doorgemaakte fracturering’. Maar ook deze constateert dat de fractuur inmiddels als genezen is te beschouwen en dat de delen goed aan elkaar zijn gegroeid.

4.3. Aangenomen kan worden dat [Moeder van Eiser] enige pijnklachten heeft ervaren naar aanleiding van het ongeval. Volgens [Eiser] zijn de lichamelijke klachten blijven bestaan en is sprake van een beperkte mobiliteit als gevolg van het ongeval. De vraag die beantwoord dient te worden is of de gestelde klachten en beperkingen de directe gevolgen zijn van het ongeval op 28 juli 2011. Unigarant kan worden gevolgd in haar standpunt dat de medische stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een causale relatie tussen het ongeval en de gestelde klachten. Bovendien dient in dit kader opgemerkt te worden dat [Moeder van Eiser], tegen het advies van de betreffende arts in, haar reis heeft voorgezet, hetgeen een nadelige invloed zou kunnen hebben gehad op haar herstelmogelijkheden. Een medische expertise om meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent het letsel van [Moeder van Eiser] en de relatie tussen het ongeval en de gestelde klachten en beperkingen, waarbij de vraag aan de orde dient te komen of door eigen toedoen de gestelde ongevalsgevolgen zijn verergerd, heeft niet plaatsgevonden. [Moeder van Eiser] was niet bereid om naar Nederland te komen voor een medische expertise, terwijl hiervoor geld beschikbaar was gesteld door Unigarant. Vanwege het overlijden van [Moeder van Eiser] in 2013 is een medische expertise ook niet meer mogelijk. Een causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten en beperkingen kan daardoor niet meer vastgesteld worden. Dit dient voor rekening van [Eiser] te komen, die verklaard heeft dat [Moeder van Eiser] niet bereid was om naar Nederland te komen voor de medische expertise. De stelling dat [Moeder van Eiser] lichamelijk niet in staat zou zijn om naar Nederland te komen is niet nader onderbouwd. Daarbij komt dat de door Obtentus ingeschakelde medisch adviseur MediThemis, zoals vermeld in de brief van 3 oktober 2012, geen overwegende bezwaren aanwezig acht om een expertise in Nederland te laten plaatsvinden.

4.4. Bij gebrek aan een voldoende causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten kan Unigarant niet volledig aansprakelijk gesteld worden voor de opgevoerde schadeposten. Daarnaast is de omvang van de schade, behoudens de medische kosten in Nederland, door [Eiser] niet deugdelijk onderbouwd. De medische kosten die in Nederland gemaakt zijn van in totaal € 458,31 worden door Unigarant niet betwist en komen voor vergoeding in aanmerking. Het bedrag van € 4.000,- dat al is uitgekeerd aan [Eiser], gaat dit bedrag en een eventuele beperkte vergoeding ter compensatie van pijn en verdriet naar aanleiding van het ongeval, ruim te boven. De door [Eiser] aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen in beginsel geen hoger smartengeld dan € 1.500,-, ook als in aanmerking wordt genomen dat [Moeder van Eiser] voor het eerst in ruim 15 jaar haar zonen in Europa bezocht en de aanrijding en het letsel in dat licht voor haar extra vervelend en belemmerend zijn geweest. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat het gevorderde bedrag van € 11.458,31 aan immateriële en materiele schade wordt afgewezen.
4.5. Ter zake de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 12.365,83 oordeelt de kantonrechter als volgt. Slechts buitengerechtelijke incassokosten waarvan vast staat dat deze in de gegeven omstandigheden redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om de vordering te innen, komen voor vergoeding in aanmerking. In verhouding tot de omvang van de vordering en de verrichte werkzaamheden wordt het gevorderde bedrag excessief geacht. Voorts is onvoldoende gebleken dat alle verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om de belangen van [Eiser] te kunnen behartigen. Van een incassogemachtigde mag bovendien worden verwacht dat hij zijn opdrachtgever niet op kosten jaagt en enkel kosten maakt die daadwerkelijk noodzakelijk zijn. [Eiser] heeft reeds een bedrag van € 4.000,- aan buitengerechtelijke incassokosten uitgekeerd gekregen. De kantonrechter ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om nog een nadere vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen. De vordering op dit onderdeel wordt daarom afgewezen.

4.6. Het door Unigarant gevoerde verweer strekt ook ten gunste van [Gedaagde 1], tegen wie verstek is verleend. In dit geschil, waarin naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding wordt gevorderd van zowel de veroorzaker van het ongeval als de verzekeraar van deze veroorzaker, is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zodat de kantonrechter de weren van de wel verschenen gedaagde (Unigarant) moet laten doorwerken in die van de niet verschenen gedaagde ([Gedaagde 1]). De verstekverlening brengt aldus niet mee dat de vorderingen van [Eiser] tegen [Gedaagde 1] toewijsbaar zijn.

4.7. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [Eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Unigarant tot aan deze uitspraak
begroot op € 800,- wegens salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey