Rb: burn-out, geen reden voor arbeidsrechtelijke omkeringsregel, bewijslast op werknemer

Samenvatting:

Werknemer (consultant) stelt werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW voor burn-out door werkomstandigheden. 1. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de stelling van eiser dat zijn burn-out is veroorzaakt door het structurele overwerk en de belasting onvoldoende vaststaat. Daar komt bij dat niet valt uit te sluiten dat zijn burn-out is veroorzaakt door factoren in de privésfeer. Dit alles tezamen bezien, is het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald, zodat voor het vermoeden van causaal verband geen plaats is. Aan eiser komt dan ook geen beroep op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe. Bewijslast causaal verband bij werknemer. 2. Werknemer wordt niet toegelaten tot bewijslevering, omdat werkgever heeft aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2020:3000

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

03-04-2020

Datum publicatie

24-04-2020

Zaaknummer

8030483 / CV EXPL 19-39147

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Aansprakelijkheid werkgever ex art. 7:658 BW na burn-out van werknemer. Geen reden voor omkeringsregel. Bewijslast causaal verband bij werknemer. Causaal verband niet vast komen te staan en geen schending zorgplicht. Werkgever is niet aansprakelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

 

zaaknummer: 8030483 / CV EXPL 19-39147

 

uitspraak: 3 april 2020

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats eiser] ,

 

eiser,

 

gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

SBM Schiedam B.V.,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

gedaagde,

 

gemachtigde: mr. Chr.H. van Dijk te Amsterdam.

 

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “SBM” genoemd.

  1. Het verloop van de procedure

 

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

 

 

de dagvaarding van 26 augustus 2019, met 9 producties;

 

de conclusie van antwoord, met 11 producties;

 

het tussenvonnis van 12 december 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

 

de brief van [eiser] van 31 januari 2020, met 10 producties;

 

de brief van SBM van 3 februari 2020, met 4 producties;

 

de brief van SBM van 4 februari 2020, met een productie;

 

de spreekaantekeningen van [eiser] en SBM ter gelegenheid van de op

 

14 februari 2020 gehouden comparitie van partijen.

  1. De vaststaande feiten

 

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

 

SBM houdt zich bezig met de productie van installaties voor de productie en opslag van olie- en gasproducten en werkt wereldwijd.

2.2

 

[eiser] , geboren op [geboortedatum eiseer] , is met ingang van 1 november 2000 in dienst bij SBM, laatstelijk in de functie van Gas Consultant.

 

De taak van [eiser] bestond uit de technische ondersteuning van de afdeling marketing en sales voor de gasactiviteiten (het liquid natural gas-team, hierna: “het LNG-team”) van SBM. Omdat het LNG-team werd aangestuurd vanuit Monaco maar de engineering werkzaamheden in Schiedam werden verricht, heeft [eiser] tussen 2001 en 2008 vrijwel wekelijks gereisd tussen het kantoor in Schiedam en dat in Monaco. Daarnaast vloog hij, vooral in de periode tot 2007, regelmatig voor zijn werk, zowel binnen Europa als intercontinentaal.

2.3

 

In het functioneringsverslag van [eiser] over 2004 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

 

“(…)

 

Finally, [eiser] [ktr: [eiser] ] frequent travelling and impact this may have on personal life is recognised and thanked for. At same time this opens question whether current work structure is sustainable for [eiser] .

 

(…)”

2.4

 

In het functioneringsverslag van [eiser] over 2006 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

 

“(…)

 

In addition, he has a wide interest and is open to pick-up general business development capabilities (such as finance, risk considerations, contracts), making him more and more versatile in his business skills. It is worth mentioning that [eiser] has undertaken a lot of travels and business visits to clients, partners, suppliers in a very professional way and without ever making a complaint.

 

The downside of [eiser] ’s versatility is that workload has indeed become (too?) high and it is believed that focus on a particular subject is further required to both make use of developed skill set as well as to ensure results at foreseeable future. This is to be discussed and mutually agreed on short notice.

 

(…)”

2.5

 

In de periode van 2007 t/m 2014 is [eiser] diverse malen uitgevallen wegens lichamelijke en/of psychische klachten. De ziekteperioden die langer dan een maand hebben geduurd, zijn geweest:

 

19 februari 2007 – 2 april 2007

 

7 april 2008 – 1 december 2009

 

24 februari 2010 – 7 februari 2011

 

30 januari 2012 – 19 maart 2012

 

27 augustus 2012 – 1 oktober 2012

 

12 mei 2014 – 8 december 2014

2.6

 

Bij e-mail van 15 maart 2007 heeft [eiser] het volgende aan zijn leidinggevende bij SBM medegedeeld:

 

“(…)

 

Gelukkig gaat het met de luchtwegen en longen een stuk beter. Het hoesten begint nu behoorlijk af te nemen. Ik blijf nog wel enkele weken medicijnen slikken.

 

Met de psoriasis gaat het echter niet goed. Sinds mijn infecties de afgelopen weken is het veel heviger geworden, en volgens de huisarts beinvloed dat ook mijn fysieke gesteldheid omdat het ontstekingen zijn die toch extra energie vergen. Ik heb voor morgen een intake gesprek staan met de dermatoloog. (…)

 

Zelf heb ik het idee dat ik dicht tegen een burn-out aanzat, met een weerstand die tot het nulpunt gezakt was. Ik had de eerste weken van mijn ziekte ook helemaal geen behoefte om met het werk bezig te zijn. De maanden voor mijn ziekte had ik al weinig energie meer en ik voelde zelf dat mijn concentratie en werktempo hieronder leden. Ik wilde alleen maar rust. De laatste dagen krijg ik overal weer meer zin in (komt misschien ook door het mooie weer hier).

 

Zodra ik weer aan het werk ben, moeten we wel praten over hoe we mijn werkdruk binnen hanteerbare proporties kunnen houden. De afgelopen jaren is het een ‘gekkenhuis’ geweest, met teveel gereis in verschillende tijdzones, en met een behoorlijk verstoorde werk-prive balans.

 

(…)”

 

In antwoord daarop heeft zijn leidinggevende diezelfde dag als volgt gereageerd:

 

“(…)

 

Ben het helemaal eens met je noot over gekkenhuis, en ik maakte me al zorgen over burn-out. Uiteraard moeten we een gulden middenweg zien te vinden voor een gezonde werk/leef balans.

 

Ik hoop inderdaad ook je snel weer spoedig te zien waarbij een goede and frisse vorm belangrijker is dan de snelheid.

 

(…)”

2.7

 

Naar aanleiding van de ziektemelding door [eiser] in april 2008 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse en advies opgesteld op 29 april 2008. Daarin is het volgende vermeld:

 

“(…)

 

Beperkingen en mogelijkheden

 

Betr heeft beperkingen in energie, concentratie, onthouden, verdelen van de aandacht en omgaan met stress.

 

Mogelijkheden: activiteiten zonder enige druk voor een beperkt aantal uur.

 

(…)

 

Prognose

 

op termijn goed.

 

(…)

 

Advies

 

Betr is onder behandeling van een psycholoog, de huisarts en de dermatoloog.

 

Er zijn op dit moment geen aanvullende interventies die het herstel kunnen bespoedigen.

 

Betr krijgt de ruimte van de leidinggevende om te werken aan zijn herstel.

 

(…)”

2.8

 

Gedurende de ziekteperiode van februari 2010 t/m februari 2011 heeft de bedrijfsarts de volgende prognose gesteld:

 

“Er zijn twijfels of dhr nog alle facetten van de eigen functie kan uitvoeren. Dit betreft met name de reizen naar het buitenland en werkzaamheden onder zware tijdsdruk.”

2.9

 

Met ingang van 1 oktober 2011 is de functie van [eiser] van Gas Consultant gewijzigd in die van Senior Department Manager.

2.10

 

In het functioneringsverslag van [eiser] over 2014 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

 

“(…)

 

CONCERNS [ktr: commentaar van [eiser] ]

 

(…)

 

The managerial tasks took the majority of my time, and I could give far too little attention to the technical support and use my expertise for the benefit of the FLNG developments in Schiedam.

 

Therefore during the period of sick leave, partly caused by the above situation, I decided not to continue as Department Manager, and I asked to be relieved from this responsibility. This request was granted by SBM, and effective from July 1st, my new job function was changed into Consultant Gas Technology. (…)

 

Planning of work is a continuing battle. First half of the year I had hardly time to engage in planned PTD work due to ongoing flow of ad-hoc activities taking priority. All the organization and personnel changes in the past couple of years have gradually reduced SBM’s ability to quickly respond to demands. Issues with systems, responsibilities, not knowing where to go for help, etc. Situation is slowly improving. Personally this has drained my motivation a lot, which together with the high workload, has probably contributed in part to my health problems.

 

(…)

 

Line Manager’s – Annual Summary [ktr: commentaar van SBM]

 

(…)

 

It was courageous to admit that his Department Manager’s role was not fitting that well with his interest and capabilities, and his decision to switch to the Consultant role was worth supporting, since in that role he will be more valuable.

 

(…)”

2.11

 

Met ingang van 1 juli 2014 is [eiser] op eigen verzoek wederom de functie van Gas Consultant gaan uitoefenen.

2.12

 

Sinds 22 juni 2015 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt.

2.13

 

Op 20 maart 2017 heeft QS Gezondheidsmanagement naar aanleiding van een belastbaarheidsonderzoek bij [eiser] onder meer het volgende gerapporteerd:

 

“(…)

 

Het betreft een chronische aandoening waar geen curatieve behandeling voor bestaat. Begeleiding kan ten hoogste stabiliserend zijn. De huidige beperkingen moeten als duurzaam worden gezien.

 

(…)”

2.14

 

Na daartoe op 4 december 2017 verlof te hebben gekregen van het UWV, heeft SBM de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 april 2018. In dat kader heeft [eiser] (uiteindelijk) een bedrag van € 141.256,14 bruto aan transitievergoeding ontvangen.

  1. De vordering

3.1

 

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. voor recht te verklaren dat SBM jegens [eiser] niet heeft gehandeld zoals van haar mag worden verwacht op grond van artikel 7:658 BW, althans artikel 7:611 BW, althans artikel 6:74 BW/6:162 BW, en dat SBM aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden en zal lijden;

 

  1. SBM te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] nader op te maken bij staat voor alle schade die [eiser] heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het jegens [eiser] schadeveroorzakend (niet) handelen (volgens de verklaring voor recht) door SBM;

 

III. SBM te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2

 

Aan zijn vordering heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

 

[eiser] had en ervaarde een enorme werkdruk bij SBM, mede door het vele reizen, de jetlags, de vele overuren en de bedrijfscultuur van SBM. Dit kwam diverse keren ter sprake bij evaluatiegesprekken en was bij SBM bekend. [eiser] heeft vier keer een burn-out (februari 2007-april 2007, april 2008-december 2009, mei 2014-december 2014 en vanaf juni 2015) gehad, hetgeen voor SBM een aanwijzing had moeten zijn welke invloed de arbeidsomstandigheden hadden op [eiser] . Dat is meer dan voldoende om aannemelijk te maken dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] is veroorzaakt door de schadelijke arbeidsomstandigheden bij SBM.

3.4

 

Het had op de weg gelegen van SBM om maatregelen te treffen en/of instructies te geven om te voorkomen dat [eiser] schade zou lijden door de arbeidsomstandigheden bij SBM. SBM had daartoe een zorgplicht. [eiser] verwijst daartoe naar de Richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd (2003/88/EG, hierna: “de Richtlijn”), artikel 4:1 en 5:7 Arbeidstijdenwet en artikel 3 lid 1 sub a Arbeidsomstandighedenwet. SBM had er in ieder geval voor moeten zorgen dat er binnen het werkrooster voldoende tijd was en zou worden genomen voor [eiser] om uit te rusten en/of de arbeidspatronen van [eiser] zodanig in te richten (desnoods door middel van een instructie) dat dit geen schadelijke gevolgen kon hebben voor [eiser] . Dat heeft zij nagelaten. Hoewel [eiser] na zijn 2e burn-out in 2008 niet veel meer hoefde te reizen, werd hem in 2011 een managementfunctie gegeven, welke zijn belasting c.q. werkdruk toch weer verhoogde. Door deze handelwijze heeft SBM als werkgever de op haar rustende zorgplicht niet nageleefd, zodat zij aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden, primair op grond van artikel 7:658 BW, subsidiair op grond van artikel 7:611 BW, meer subsidiair op grond van artikel 6:74 BW/6:162 BW en nog meer subsidiair op grond van artikel 6:98 BW.

3.5

 

[eiser] heeft schade geleden doordat hij door de werkdruk gedurende het dienstverband bij SBM volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geraakt. De schade bestaat uit het verschil tussen de inkomsten en andere emolumenten die hij tot aan zijn pensioen heeft uit de IVA-uitkering en de inkomsten die hij zou hebben gehad over die periode als hij in functie zou zijn gebleven bij SBM. [eiser] heeft voorts kosten gemaakt om de schade te begroten en vergoed te krijgen, waaronder de advocaatkosten. Er is sprake van immateriële schade door de psychosociale werkdruk die [eiser] heeft ervaren. De exacte hoogte van de schade zal nader moeten worden vastgesteld.

  1. Het verweer

4.1

 

Het verweer van SBM strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van

 

[eiser] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

4.2

 

SBM bestrijdt dat [eiser] is geconfronteerd met schadelijke werkomstandigheden en meent dat, indien daar al sprake van was, een causaal verband tussen de klachten van [eiser] en zijn werkzaamheden bij SBM ontbreekt.

 

[eiser] heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, geweigerd inzage te geven in zijn medisch dossier, zodat de aard en de ernst (en daarmee de oorzaak) van de klachten van [eiser] bij SBM onbekend zijn. [eiser] had last van ernstige huidklachten (psoriasis), psychische klachten en slapeloosheid. Dat zijn klachten die mogelijk niet werkgerelateerd zijn. Verder wijst SBM erop dat [eiser] in de jaren vóór zijn definitieve uitval zelden overwerkte, nagenoeg niet meer reisde en werkzaamheden verrichtte zonder enige druk.

 

Dit alles doet vermoeden dat de uitval van [eiser] niet werkgerelateerd was.

 

De (arbeidsrechtelijke) omkeringsregel is niet van toepassing, [eiser] draagt nog steeds de bewijslast van het causaal verband tussen zijn schade en zijn werkzaamheden voor SBM.

4.3

 

Voor zover wordt geoordeeld dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zijn oorzaak vindt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, meent SBM dat zij haar zorgplicht heeft nageleefd.

 

SBM benadrukt dat [eiser] een duidelijke seniorfunctie had met een bijbehorend (hoog) salaris en de vrijheid had zijn eigen agenda in te delen. Bij een functie van een dergelijk niveau mag niet alleen worden verwacht dat men een zekere mate van werkdruk aankan, maar ook dat men tijdig en uit eigen initiatief kan aangegeven wanneer het de werknemer te veel wordt.

 

Toen het voor SBM kenbaar werd dat de werkzaamheden te zwaar werden voor [eiser] , heeft SBM gepaste maatregelen genomen. Het verzoek van

 

[eiser] om niet meer te reizen werd gehonoreerd, [eiser] maakte vanaf zijn uitval in 2008 nagenoeg geen overuren meer en hij kreeg veel vrijheid in het bepalen hoeveel hij kon werken.

 

SBM betwist in strijd te hebben gehandeld met de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet. Wanneer een werknemer bij SBM overuren maakt, kan de werknemer hiervoor gecompenseerd krijgen in de vorm van tijd-voor-tijd. [eiser] koos echter steeds voor uitbetaling van zijn overuren in plaats van tijd-voor-tijd.

 

Op voorstellen vanuit SBM om minder te gaan werken reageerde [eiser] afwijzend.

4.4

 

SBM betwist de door [eiser] gestelde (hoogte van de) schade.

  1. De beoordeling

5.1

 

De vordering van [eiser] is primair gebaseerd op een schending van artikel 7:658 lid 1 BW door SBM. Op grond van dit artikel rust op de werkgever de (zorg)plicht om het redelijkerwijs noodzakelijke te doen teneinde te voorkomen dat een werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Lid 2 van artikel 7:658 BW bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn in het eerste lid genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Hieruit volgt in beginsel dat de werknemer die de werkgever aansprakelijk wil stellen, in de eerste plaats dient te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, derhalve dat er sprake is van een causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade. Indien dit vast komt te staan, dient de werkgever vervolgens te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om voor een veilige werkplek en gezonde arbeidsomstandigheden te zorgen.

5.2

 

Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Daarbij geldt een ondergrens, in die zin dat voor het toepassen van de omkeringsregel c.q. het vermoeden van causaal verband geen plaats is in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (vgl. HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 SVB/Van de Wege en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 Lansink/Ritsma).

5.3

 

[eiser] verwijt SBM kort gezegd dat zij [eiser] heeft blootgesteld aan stelselmatige overbelasting door overschrijding van de werktijden. Er is sprake van schending van de normen die zijn neergelegd in artikel 4:1 en 5:7 Arbeidstijdenwet en artikel 3 lid 1 sub a Arbeidsomstandighedenwet in de periode van 2001 t/m 2006, zo stelt hij. Ook daarna bleef de werkdruk van [eiser] , ondanks de signalen, onverminderd hoog. Dit alles heeft geleid tot de burn-out van [eiser] en uiteindelijk tot zijn definitieve uitval. Vanwege de schending van veiligheidsnormen en het feit dat SBM onvoldoende maatregelen heeft getroffen om [eiser] tegen de burn-out te beschermen, doet [eiser] een beroep op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel.

 

SBM heeft betwist dat er sprake was van schadelijke werkomstandigheden die hebben geleid tot de burn-out en voert aan dat zij, voor zover daarvan al sprake zou zijn, heeft voldaan aan haar zorgplicht.

 

Werkomstandigheden bij SBM

5.4

 

Gelet op de betwisting van SBM, zal eerst worden beoordeeld of en in hoeverre sprake was van de door [eiser] gestelde stelselmatige overbelasting c.q. schadelijke werkomstandigheden.

5.5

 

De Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet vormen een nadere uitwerking van de Richtlijn en zijn veiligheidsnormen die beogen te voorkomen dat een werknemer schade lijdt bij de uitoefening van zijn werkzaamheden.

 

Artikel 3 lid 1 sub a Arbeidsomstandighedenwet bepaalt dat de werkgever de arbeid zodanig organiseert dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. De algemene normen in deze wet zijn echter niet bedoeld als criteria ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de werkgever voor een burn-out in een individueel geval. Het zijn slechts aanknopingspunten die in een concreet geval als richtsnoer kunnen dienen bij de invulling van de zorgplicht van de werkgever.

 

Ten aanzien van de Arbeidstijdenwet heeft te gelden dat deze wet niet geldt voor werknemers die tenminste 3x het minimumloon verdienen, zodat aan [eiser] daarop geen beroep toekomt.

5.6

 

[eiser] had een dienstverband van 40 uur in de week. Hij heeft als productie 4 een overzicht van zijn (maandelijks) geregistreerde overuren over de periode van 2001 t/m 2008 in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat hij van 2001 t/m 2006, uitgezonderd vier maanden, elke maand overuren maakte. Aldus was sprake van structureel overwerk.

 

Duidelijk is dat de werkdruk van [eiser] onverminderd hoog was van 2001 t/m 2006, niet alleen door het hoge aantal arbeidsuren maar ook door de vele reisuren, onder andere voor intercontinentale vluchten met de daarbij behorende jetlags.

5.7

 

In de periode van 2007 tot oktober 2011 is [eiser] verschillende keren voor langere tijd uitgevallen door ziekte, voor het eerst op 19 februari 2007. Uit productie 4 van [eiser] kan worden afgeleid dat hij na zijn terugkeer in april 2007 aanmerkelijk minder overuren maakte. Vanaf juni 2008 zijn er geen overuren meer gemaakt. Van een structurele overbelasting in deze periode is niet gebleken. Uit de overgelegde verslagen van de bedrijfsarts kan worden opgemaakt dat [eiser] door SBM in de gelegenheid werd gesteld om geleidelijk terug te keren naar de eigen functie, waarbij hij aangepaste werkzaamheden zonder druk verrichtte. Ook wordt gewezen op de verklaring van

 

[eiser] over de periode voordat hij in oktober 2011 werd benoemd tot Senior Department Manager (zijn productie 10, p. 5 en 6):

 

“(…)

 

At the time I was quite happy with my function as Consultant, and I felt I could manage and contribute in a meaningful way to the company.

 

(…)

 

I think that if SBM had allowed me to keep the function of Consultant in 2012 and had waived the strict accountability system for me at the same time, I could probably have survived until my retirement, and put my knowledge to good use.

 

(…)”

5.8

 

Met ingang van oktober 2011 is [eiser] de functie van Senior Department Manager gaan uitoefenen. Aannemelijk is dat deze leidinggevende functie een zwaardere belasting voor [eiser] met zich bracht in vergelijking met zijn expertfunctie. SBM heeft echter, onder verwijzing naar schriftelijke verklaringen van dhr. [naam 1] en dhr. [naam 2] , gemotiveerd betwist dat deze functie te belastend was en voert aan dat [eiser] nog steeds hoofdzakelijk een expertfunctie had en de managementtaken die hij erbij kreeg beperkt waren, omdat slechts twee medewerkers en een student aan hem rapporteerden. [eiser] heeft verder onvoldoende onderbouwd waaruit de door hem gestelde overbelasting concreet bestond. Het feit dat hij in die periode een paar keer is uitgevallen, is, zonder verdere toelichting die ontbreekt, geen bewijs dat hij op dat moment was overbelast door het werk.

5.9

 

Uit het voorgaande vloeit voort dat met de voorliggende stukken alleen vast is komen te staan dat [eiser] van 2001 t/m 2006 te maken heeft gehad met structureel overwerk.

 

Causaliteit tussen burn-out en werkomstandigheden

5.10

 

De vraag is vervolgens of dit structurele overwerk en de wijze waarop [eiser] tegen die achtergrond door SBM is belast tijdens zijn dienstverband, hebben geleid tot de burn-out van [eiser] en zijn definitieve uitval in 2015.

5.11

 

De eerste significante uitval van [eiser] was op 19 februari 2007 voor een periode van 6 weken. Daar waar [eiser] stelt dat dit kwam door een burn-out, voert SBM aan dat [eiser] was uitgevallen vanwege griepverschijnselen. Anders dan [eiser] stelt, kan op basis van de e-mailcorrespondentie tussen partijen op 15 maart 2007 niet worden vastgesteld dat er sprake was van een burn-out.

 

[eiser] verklaart zelf dat hij tegen een burn-out aanzit, maar nergens uit blijkt dat daar op dat moment sprake van was en/of de bedrijfsarts dat heeft vastgesteld. Bovendien valt uit die mail op te maken dat [eiser] lijdt aan psoriasis. Van deze huidaandoening is gesteld noch gebleken dat die is ontstaan door het werk bij SBM, zodat ervan wordt uitgegaan dat de psoriasis valt onder een privéomstandigheid van [eiser] , die wel van invloed is op zijn gezondheidstoestand.

5.12

 

De volgende uitval is dan in april 2008. Uit het verslag van de bedrijfsarts kan worden opgemaakt dat [eiser] beperkingen heeft in het omgaan met stress, dat hij de gelegenheid krijgt van SBM om te werken aan zijn herstel zonder druk en dat de prognose op termijn goed is. [eiser] staat dan onder behandeling bij de huisarts, psycholoog en dermatoloog. Voor de rest is geen medische informatie overgelegd. Het wordt ervoor gehouden dat [eiser] aangepaste werkzaamheden heeft aangeboden gekregen en in de gelegenheid is gesteld om zijn werkzaamheden langzaam op te bouwen tot 1 december 2009, alwaar hij de werkzaamheden behorende bij zijn eigen functie weer volledig heeft opgepakt.

5.13

 

Gedurende zijn ziekteperiode van februari 2010 t/m februari 2011 heeft de bedrijfsarts er voor het eerst zijn twijfels over uitgesproken of [eiser] nog alle facetten van de eigen functie kon uitvoeren, met name de reizen naar het buitenland en werkzaamheden onder zware tijdsdruk. Anders dan [eiser] meent, is deze prognose van de bedrijfsarts geen bewijs dat het vele overwerken en reizen de oorzaak vormen van de arbeidsongeschiktheid. Nog daargelaten dat de bedrijfsarts enkel zijn twijfel heeft uitgesproken en het dus niet gaat om een vaststelling of harde conclusie, is in de diverse overgelegde periodieke evaluaties van de bedrijfsarts verder niet vermeld waardoor de arbeidsongeschiktheid van [eiser] is ontstaan, alleen wat de beperkingen van hem zijn en op welke wijze hij, gezien zijn beperkingen, kan worden ingezet.

5.14

 

Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] in de periode van 2012 t/m 2014 zijn geen stukken van de bedrijfsarts of overige medische stukken overgelegd, zodat over de achtergrond van die uitvallen niets bekend is.

 

Overigens heeft [eiser] het expliciet over 4 burn-outs (2007, 2008, 2014 en 2015). Niet geheel duidelijk is of hij de uitvallen in 2010 en 2012 ook wijt aan een burn-out.

5.15

 

In aanmerking wordt genomen dat psychische klachten zoals een burn-out doorgaans multifactorieel van aard zijn en sterk individueel bepaald. [eiser] liep (blijkens zijn eigen verklaring) vanaf 2002 t/m 2010 bij een psychotherapeut en had te kampen met psoriasis. Ook wijst SBM op het rapport van QS Management van 2017 waarin melding wordt gemaakt van een chronische aandoening waar geen curatieve behandeling voor bestaat. Gelet op deze factoren, die lijken te vallen in de privésfeer van [eiser] , kan niet worden uitgesloten dat de burn-out (hoofdzakelijk) door niet-werkgerelateerde factoren is veroorzaakt. Ondanks verzoeken daartoe van SBM, heeft [eiser] ook geen medische stukken overgelegd, zodat de achtergrond en de invloed van voorgaande factoren onbekend zijn gebleven.

5.16

 

Dat leidt tot het oordeel dat de stelling van [eiser] , dat zijn burn-out is veroorzaakt door het structurele overwerk over de periode van 2001 t/m 2006 en de belasting door SBM in de periode daarna, onvoldoende vaststaat. Sterker nog, nu niet is gebleken dat [eiser] na 2006 door SBM is overbelast, is het, zonder bijkomende omstandigheden, al helemaal niet aannemelijk dat de definitieve uitval in 2015 direct verband houdt met het structurele overwerk van 10 jaar daarvóór (2001 t/m 2006).

 

Daar komt bij dat niet valt uit te sluiten dat zijn burn-out is veroorzaakt door factoren in de privésfeer. Dit alles tezamen bezien, is het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald, zodat voor het vermoeden van causaal verband geen plaats is. Aan [eiser] komt dan ook geen beroep op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe.

5.17

 

Dat betekent dat de bewijslast van het causaal verband tussen de door hem gestelde overbelasting door SBM en zijn schade conform artikel 150 Rv op [eiser] rust.

 

De kantonrechter ziet echter geen reden om [eiser] toe te laten tot het leveren van dat bewijs, nu voldoende is gebleken dat SBM heeft voldaan aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

 

Zorgplicht van SBM

5.18

 

[eiser] wist bij aanvang van de arbeidsovereenkomst dat hij als consultant het LNG-team in Monaco diende te ondersteunen en hij kon weten dat hij daarvoor regelmatig naar Monaco moest afreizen. In zijn arbeidsovereenkomst is vermeld dat hij verplicht is zijn werk op een andere plaats en tijd dan gewoonlijk te verrichten, indien dat van hem wordt verlangd. [eiser] wist dus waar hij aan begon, toen hij de functie aanvaardde. Voorts is van belang dat werknemers van SBM ervoor kunnen kiezen de gemaakte overuren te compenseren via tijd-voor-tijd dan wel deze uit te laten betalen.

 

[eiser] koos ervoor de gemaakte overuren en reisuren te laten uitbetalen. Zijn stelling dat hij vanwege de werkdruk wel moest kiezen voor uitbetaling in plaats van tijd-voor-tijd, is ononderbouwd gebleven. [eiser] had een zelfstandige expertfunctie met verantwoordelijkheid en een hoge beloning. Zijn jaarsalaris inclusief alle emolumenten bedroeg in 2001 € 70.998,00 bruto. Dat is vervolgens gestegen naar € 138.118,00 bruto in 2006. Ook daarna is zijn loon jaarlijks verhoogd.

 

Het feit dat [eiser] in de periode van 2000 t/m 2006 veel moest reizen en veel overuren heeft moeten maken, is – gezien vorenomschreven verantwoordelijkheid van zijn functie en de daarop toegespitste beloning – niet genoeg om aan te nemen dat SBM had moeten begrijpen of weten dat [eiser] zodanig werd overbelast dat dit onvermijdelijkerwijs zou leiden tot gezondheidsklachten. SBM heeft gesteld dat het aantal arbeidsuren in die branche en op dat niveau gebruikelijk was en [eiser] heeft dat onvoldoende weersproken.

5.19

 

Voor zover die overuren zijn gemaakt op instructie van SBM – hetgeen door [eiser] is betoogd maar door SBM is betwist – doet dat er niet aan af dat van

 

[eiser] , gelet op zijn hoge functie, mag worden verwacht dat hij, indien hij de werkdruk als te hoog ervaarde, dat kenbaar maakte tegenover SBM. Niet gebleken is dat SBM uit een mededeling of houding van [eiser] wist of had moeten begrijpen dat hij de werkdruk niet aankon. Uit de 2 functioneringsverslagen met betrekking tot 2004 en 2006 (zie 2.3 en 2.4) waar [eiser] naar verwijst, kan alleen worden afgeleid dat SBM de vraag stelde of [eiser] een hoge werkdruk ervaarde, maar daaruit blijkt niet of en in hoeverre [eiser] toen duidelijk heeft gemaakt dat het hem inderdaad teveel was. Dat had wel op zijn weg gelegen. In het verslag over 2006 adviseert SBM

 

[eiser] om meer focus te betrachten. Niet duidelijk is of en in hoeverre daar iets mee is gedaan door partijen. In ieder geval heeft [eiser] geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt van signalen van overbelasting, op grond waarvan SBM maatregelen had moeten treffen. Tot 2007 was slechts sprake van één ziekmelding, namelijk op 3 juli 2006 voor één dag.

5.20

 

Vanaf 2007 is [eiser] regelmatig uitgevallen, maar uit de verslagen van de bedrijfsarts blijkt voldoende dat SBM voldeed aan haar re-integratieverplichtingen door aan [eiser] aangepaste werkzaamheden zonder werkdruk te laten verrichten.

 

In zijn mailbericht van 15 maart 2007 aan SBM heeft [eiser] laten weten dat hij wil praten over een betere balans tussen werk en privé. Diezelfde dag heeft SBM positief gereageerd op die wens (zie 2.6). Of er een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden nadat [eiser] zijn werkzaamheden had hervat, is niet duidelijk. Wel blijkt uit productie 4 van [eiser] dat hij na zijn terugkeer in april 2007 aanmerkelijk minder overuren maakte. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] toen kenbaar heeft gemaakt dat die vermindering nog steeds niet afdoende was.

 

In de periode van 2011 t/m 2015 maakte [eiser] nog veel minder reizen dan voorheen het geval was (van één reis in 2014 tot zes reizen in 2011) en deze reizen vonden plaats binnen Europa (dus met een relatief korte reistijd). Aldus hield SBM rekening met de beperkingen van [eiser] en nam zij maatregelen om [eiser] te ontlasten, wanneer [eiser] kenbaar maakte dat het hem teveel werd.

 

In reactie op het verwijt van [eiser] dat SBM tegen het advies van de bedrijfsarts in, nimmer een plan van aanpak heeft opgesteld in 2008 en 2012, heeft SBM de voor die periode betrekking hebbende plannen van aanpak overgelegd. Beide plannen zijn voor akkoord ondertekend door [eiser] . Vervolgens heeft [eiser] weliswaar aangevoerd dat er per saldo geen plan van aanpak was, maar hij heeft nagelaten dit verder toe te lichten of te onderbouwen.

5.21

 

In 2011 heeft SBM aan [eiser] de positie van Senior Department Manager aangeboden. Het verwijt dat [eiser] SBM op dat punt maakt, valt niet te begrijpen. Het stond [eiser] vrij om dit aanbod te weigeren. Zijn stelling dat hij zich daartoe gedwongen voelde, is onvoldoende toegelicht en niet aannemelijk gemaakt. Voor zover deze positie een te hoge werkdruk met zich meebracht voor [eiser]

 

– hetgeen door SBM gemotiveerd is betwist – geldt ook hier dat het op de weg van

 

[eiser] lag om daarover te klagen. Dat is in ieder geval in de beginjaren niet gebeurd. Dat SBM dit had moeten weten door de ziekmeldingen van [eiser] (van januari t/m maart 2012 en van augustus tot oktober 2012) kan, zonder verdere toelichting of onderbouwing, niet worden gevolgd. Blijkens het functioneringsverslag over 2014 maakte [eiser] pas in 2014 duidelijk dat hij de positie als te zwaar ervaarde en ervan af wilde. Dit verzoek is toen gehonoreerd door SBM, waarna [eiser] per 1 juli 2014 weer een expertfunctie is gaan bekleden. Daarnaast valt uit de schriftelijke verklaring van [eiser] (zijn productie 10, pagina 5, alinea 4) op te maken dat, toen [eiser] eind 2014 aangaf dat hij tijd nodig had voor zijn herstel, partijen overeenkwamen dat [eiser] 4,5 dagen per week zou werken, waarvan een halve dag thuis. Derhalve valt ook over de periode vanaf 2011 niet in te zien dat SBM haar zorgplicht zou hebben geschonden.

5.22

 

Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat [eiser] de door hem ervaren werkdruk onvoldoende tijdig kenbaar maakte tegenover SBM en dat, wanneer dat wel gebeurde, SBM steeds voldoende maatregelen trof om hem te ontlasten. [eiser] heeft weliswaar tegenbewijs aangeboden, maar hij heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt, zodat er geen aanleiding is hem toe te laten tot tegenbewijs. Aldus stelt de kantonrechter vast dat SBM heeft voldaan aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. In dat geval kan van aansprakelijkheid aan de zijde van SBM geen sprake zijn, zelfs niet indien en voor zover zou komen vast te staan dat de burn-out van [eiser] het gevolg is van de te hoge werkdruk.

5.23

 

De vordering kan derhalve niet worden toegewezen op basis van de primaire grondslag van artikel 7:658 BW.

5.24

 

Nu SBM niet tekortgeschoten is in de nakoming van de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen is er geen plaats voor een op ‘gebruik en billijkheid’ dan wel op goed werkgeverschap in het algemeen rustende verplichting om aan [eiser] een schadevergoeding of tegemoetkoming te betalen. Een dergelijke verplichting kan met name niet worden aangenomen, omdat daardoor, in strijd met de strekking van artikel 7:658 BW, op de werkgever een aansprakelijkheid zou worden gelegd zonder dat er sprake is van een tekortkoming aan zijn kant (HR 17 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9375 De Kok / Jansen’s Schoonmaakbedrijven B.V.). Om die reden kan de vordering, voor zover gebaseerd op artikel 7:611 BW, niet slagen.

5.25

 

Ook het beroep van [eiser] op artikel 6:74 BW, 6:162 BW en 6:98 BW wordt verworpen. Indien al zou komen vast te staan dat de burn-out is veroorzaakt door de structurele overbelasting bij SBM, staat het oordeel dat SBM heeft voldaan aan haar zorgplicht en er in die zin geen sprake is van een tekortkoming van haar kant, eraan in de weg dat de daaruit voortvloeiende schade van [eiser] aan SBM kan worden toegerekend.

5.26

 

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure te dragen.

5.27

 

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

  1. De beslissing

 

De kantonrechter:

 

wijst de vordering af;

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SBM vastgesteld op € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

 

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan nasalaris, indien [eiser] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [eiser] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

 

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

775

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey