Rb: BGK: aantal uren onredelijk, onvoldoende aangetoond dat werkzaamheden zijn verricht

Samenvatting:

Geschil over BGK. 1. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat ook in relatief eenvoudige zaken de belangen van de benadeelde goed behartigd moeten worden. “Dit mag echter geen excuus vormen voor de belangenbehartiger om de professionele wederpartij op kosten te jagen door onnodig veel correspondentie te voeren. (…) Het is de taak van de professionele belangenbehartiger om zijn client daarop te wijzen en overbodige werkzaamheden en kosten te beperken.” (r.o. 4.1). 2. Uurtarief € 235,- niet ongebruikelijk. 3. Door belangenbehartiger opgevoerde tijdsbesteding is onredelijk groot. 4. Onvoldoende onderbouwd dat de werkzaamheden zijn verricht en dat zij noodzakelijk waren (r.o. 4.2.3) 5. Geen specialistentarief voor secretariële werkzaamheden en reiskosten. 6. Van gevorderde € 9653,01 wordt € 4833,95 toegewezen, waarvan reeds € 4000,- is betaald. 7. 6% kantoorkosten afgewezen; kosten zijn in uurtarief begrepen. 8. Kosten deelgeschil: € 2922,50.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

Civiel recht kantonrechter

 

locatie Almere

 

 

Beschikking van 5 maart 2019

 

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 7164176 / ME VERZ 18-133 van

 

[Benadeelde] ,

wonende te [woonplaats], verzoeker,

hierna ook te noemen: [Benadeelde],

gemachtigde [gemachtigde],  advocaat te Rotterdam,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder,

hierna ook te noemen: NN,

gemachtigde mr. J.M. Bruidegom, advocaat te Den Haag.

 

 

  1. De procedure

 

1.1.        Het verloop van de procedure blijkt uit:

–              het verzoekschrift van 23 augustus 2018 met 22 producties

–              het verweerschrift van 25 januari 2019 met producties A tot en met J

–              de mondelinge behandeling op 5 februari 2019.

 

1.2.        Ten slotte is bepaald dat vandaag de beschikking wordt gegeven.

 

  1. De feiten

 

2.1.        Op 15 april 2017 heeft een ongeval plaatsgevonden waar [Benadeelde] bij betrokken was. Het betrof een aanrijding tussen [Benadeelde] en een verzekerde van (de rechtsvoorganger van) NN.

 

2.2.        [Benadeelde] had na het ongeval pijn aan hoofd, nek, linker schouder, linker heup en linker ribben. [Benadeelde] is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar zijn röntgenfoto’s gemaakt, waarop geen breuken te zien waren. [Benadeelde] mocht met pijnstillers naar huis.

 

2.3.        NN heeft op 8 mei 2017 aansprakelijkheid erkend.

 

2.4.        Met zijn e-mail van 13 mei 2017 heeft mr. [naam advocaat] (hierna: de advocaat) zich als belangenbehartiger van [Benadeelde] bij NN geïntroduceerd.

 

2.5.        Vervolgens, in de periode tot augustus 2018, hebben partijen elkaar over en weer enkele beknopte deskundigenrapporten toegestuurd, heeft de advocaat NN enkele keren gerappelleerd voor de betaling van zijn facturen voor buitengerechtelijke kosten en heeft een huisbezoek bij [Benadeelde] plaatsgevonden.

 

2.6.        Op verzoek van [Benadeelde] heeft NN hem op 9 mei 2018 ter afwikkeling van de zaak een voorstel gedaan voor een slotbetaling van€ 10.972,50 voor geleden en te lijden schade. Voor buitengerechtelijke kosten heeft NN voorgesteld nog € 2.076,00 te betalen.

 

2.7.        [Benadeelde] heeft het voorstel op 22 mei 2018 afgewezen. In zijn e-mail van die dag schrijft de advocaat onder meer:

 

‘U geeft tevens in uw brief van 9 mei jl. aan dat u met betrekking tot de kosten buiten rechte aansluiting zoekt bij de PIV-staffel. lk wil u, wellicht ten overvloede, er op wijzen dat ons kantoor niet gebonden is aan de PIV-staffel. Een akkoord zal ook pas tot stand kunnen komen bij afzonderlijke en integrale betaling van de buitengerechtelijke kosten.’

 

2.8.        Onder verwijzing naar een eerdere brief heeft NN [Benadeelde] op 25 juli 2018 meegedeeld niet van plan te zijn de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten volledig te betalen. Op dat moment had NN € 3.000,00 aan buitengerechtelijke kosten betaald.

 

2.9.        De onderhandelingen van partijen over de afwikkeling van de schade zijn in een impasse geraakt. NN heeft omstreeks 6 juni 2018 nog een bedrag van€ 1.000,00 aan buitengerechtelijke kosten betaald.

 

2.10.      Tot aan het indienen van het verzoekschrift heeft de advocaat NN de volgende declaraties voor buitengerechtelijke kosten gestuurd:

DatumBedragUren

 

10 okt 2017€ 4.401,6113,72
16 apr 20183.533,8310,44

 

9 jul 2018994,182,85
9 aug 2018723,392,40

 

Totaal€ 9.653,0129,41

 

 

  1. Het verzoek

 

3.1.        Gorgi.in verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. NN te veroordelen tot betaling van de tot op heden gedeclareerde en onbetaald gebleven buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 5.653,01,
  2. de kosten van deze procedure te begroten op € 4.219,75 aan salaris en € 79,00 aan griffierecht, en NN te veroordelen tot betaling daarvan.

3.2.        Gorgi.in stelt zich op het standpunt dat de gefactureerde kosten redelijk zijn. Het uurtarief van € 235,00 is redelijk voor een advocaat die is gespecialiseerd in personenschade. De werkzaamheden zijn niet ongebruikelijk in een geval waarin het slachtoffer om een schadevergoeding vraagt en de verzekeraar blijft aandringen op bewijs van klachten en van causaal verband voordat tot enige vergoeding wordt overgegaan. Bovendien heeft de advocaat de zaak inmiddels vijftien maanden in behandeling. Volgens Gorgi.in is het voor een belangenbehartiger niet doenlijk om de kosten voor te financieren. Doordat NN weigert de buitengerechtelijke kosten van Gorgi.in te voldoen, zijn de onderhandelingen met NN gestaakt. Daardoor wordt Gorgi.in extra geschaad in zijn status als rechtshulpzoeker en rechtshulpbehoevende. Bovendien leidt deze situatie voor Gorgi.in tot financiële problemen. De PIV-staffel kan niet als uitgangspunt worden gehanteerd.

 

3.3.        NN voert verweer. Zij voert aan dat zij niet is gehouden het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke kosten aan Gorgi.in te voldoen omdat deze kosten, mede gelet op de op dit moment inzichtelijke schade, niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek en begroting van de kosten van deze procedure op maximaal 7 uren waarbij de toeslag voor kantoorkosten wordt afgewezen.

 

3.4.        NN onderbouwt haar standpunt als volgt. Met het eerdere aanbod om€ 4.000,00 voor haar rekening te nemen, heeft NN voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 6:96 lid 2 BW. Dit volgt uit een aantal omstandigheden die betrokken moeten worden bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.

 

3.4.1.     Zo is het de vraag of de werkzaamheden van de advocaat in het buitengerechtelijke traject bijdragen aan het bereiken van een oplossing, want op het moment dat de advocaat zijn eerste brief stuurde had NN de aansprakelijkheid al erkend. Een tweede punt is dat de verdere correspondentie tussen NN en de advocaat beperkt is gebleven: de advocaat heeft enkel een paar korte briefjes of rappels gestuurd. Op het op verzoek van Gorgi.in door NN gedane aanbod voor een eindregeling heeft de advocaat niet inhoudelijk gereageerd. Zonder enige onderbouwing heeft hij het voorstel namens Gorgi.in afgewezen. Er heeft een huisbezoek met een medewerker van NN plaatsgevonden waarbij de advocaat aanwezig was.

 

3.4.2.     Tegen de declaraties van de advocaat heeft NN de volgende bezwaren. Het door de advocaat gehanteerde uurtarief is te hoog, althans het staat niet in verhouding tot het aantal gedeclareerde uren en het soort werkzaamheden dat is verricht. De advocaat is geen geregistreerde letselschadeadvocaat. Daarnaast rechtvaardigt de aard van zijn werkzaamheden het uurtarief niet, omdat er eigenlijk geen juridisch inhoudelijke discussie is gevoerd. Het uurtarief zou daarom moeten worden bijgesteld naar € 190,00. In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam is het salaris op dat bedrag vastgesteld omdat de deelgeschilprocedure was gebruikt als verkapte incassoprocedure. Dat geldt ook voor een groot deel van de in dit dossier gedeclareerde werkzaamheden, nu zij zien op handelingen van administratieve of secretariële aard, die onder de kantoorkosten behoren te vallen. Daar komt bij dat de werkwijze van de advocaat weinig efficiënt is geweest, gelet op de talloze ‘handelingen’ die in rekening zijn gebracht. Van een belangenbehartiger die een dergelijk hoog tarief rekent, mag verwacht worden dat hij een dossier efficiënt en snel behandelt en dat de bestede tijd tot een minimum wordt beperkt.

 

3.4.3.     Het is onredelijk dat de advocaat voor reistijd het volle uurtarief in rekening heeft gebracht. De helft van een redelijk uurtarief zou in rekening gebracht kunnen worden.

 

3.4.4.     Over de hoeveelheid en de duur van de werkzaamheden merkt NN het volgende op. De advocaat heeft bovenmatig veel telefonisch en schriftelijk contact gehad met [Benadeelde]. Soms meerdere keren op een dag, waar hij telkens een tijdseenheid van zes minuten voor heeft gerekend. Met het oog op het geringe debat en de geringe complexiteit van de zaak is het onredelijk om dit bij NN in rekening te brengen. Hetzelfde geldt voor contact met derden, waarvan het voor NN niet is na te gaan of dit redelijke kosten zijn die voor rekening van NN moeten komen. Voor doorsturen van ontvangen correspondentie aan [Benadeelde] wordt het volledige uurtarief in rekening gebracht, terwijl dit secretariële werkzaamheden zijn.

 

3.4.5.     Ten slotte heeft NN de vier declaraties minutieus bestudeerd en daarover op detailniveau kritische opmerkingen gemaakt.

 

3.5.        Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

  1. De beoordeling

 

4.1.        Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag naar de redelijkheid van de door de advocaat van [Benadeelde] gedeclareerde buitengerechtelijke kosten. De hoogte van de kosten wordt beoordeeld aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets, die inhoudt dat in de gegeven omstandigheden de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. In dit kader neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat ook in relatief eenvoudige zaken of zaken met een relatief klein procesbelang, de belangen van de benadeelde goed behartigd moeten worden. Als de verhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de omvang van de schade de enige of doorslaggevende factor zou zijn, zou dat als ongewenst gevolg hebben dat de mogelijkheid op rechtsbijstand voor een slachtoffer met beperkte schade ernstig wordt beperkt, omdat bijna alle kosten daarvan per definitie voor eigen rekening zouden komen. Het uitgangspunt dat in alle zaken de belangen van de benadeelde goed behartigd moeten worden mag echter geen excuus vormen voor de belangenbehartiger om de professionele wederpartij op kosten te jagen door, kart gezegd, onnodig veel correspondentie te voeren of onnodig veel (telefonisch) contact met zijn client te hebben. Het is aan de belangenbehartiger om steeds rekening te blijven houden met een efficiënte tijdsbesteding die leidt tot een redelijke verhouding tussen de schadeomvang en de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten. Dus op zichzelf genomen staat het de belangenbehartiger vrij om contact op te nemen met zijn client (en andersom) waar daar behoefte aan is, maar tegelijkertijd moet een professioneel belangenbehartiger (zoals een advocaat) voorkomen dat de wederpartij (zoals een verzekeraar) uiteindelijk opdraait voor onnodige buitengerechtelijke werkzaamheden en de daarbij behorende declaraties. Het is dan ook de taak van de professionele belangenbehartiger om zijn client daarop te wijzen en overbodige werkzaamheden en kosten te beperken. Er is geen sprake van een regel dat een verzekeraar onbeperkt alle gemaakte buitengerechtelijke kosten moet voldoen. Het moet gaan om in redelijkheid gemaakte kosten.

 

4.2.        Het standpunt van NN komt er in de kern op neer dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet in een redelijke verhouding staan tot de schadeomvang zoals die nu inzichtelijk is en dat vergoeding wordt gevraagd van veel onnodig gemaakte kosten. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

 

4.2.1.     Vooropgesteld wordt dat het uurtarief van € 235,00 niet ongebruikelijk is voor een advocaat die is gespecialiseerd in personenschade, zolang de 6% kantoorkosten niet zelfstandig in rekening worden gebracht. De kantonrechter acht dit uurtarief daarom redelijk en zal niet overgaan tot een aanpassing daarvan zoals NN heeft verzocht. Bij haar beoordeling van het aantal gedeclareerde uren neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de schade van [Benadeelde] niet complex van aard is. In het licht van deze uitgangspunten is de kantonrechter van oordeel dat de door [Benadeelde] opgevoerde tijdsbesteding onredelijk groot is. Daartoe overweegt zij als volgt.

 

4.2.2.     Uit de stellingen van NN en de overgelegde stukken volgt dat de werkzaamheden van de advocaat – buiten het opstellen van de schadestaat en het huisbezoek aan [Benadeelde] – niet uitvoerig of bijzonder ingewikkeld zijn geweest. Op vragen van de kantonrechter tijdens de zitting naar de aard van de uitgevoerde werkzaamheden kon de advocaat niet veel meer verklaren dan dat hij vaak contact had met zijn client, en dat het veel werk is geweest om informatie van artsen te krijgen. Dit laatste blijkt evenwel niet uit de door [Benadeelde] in het geding gebrachte stukken. Een onderbouwing van zijn stelling dat alle verrichte werkzaamheden noodzakelijk zijn geweest, door bijvoorbeeld overlegging van een uitgebreide en bewerkelijke correspondentie is niet getoond en evenmin is aangeboden om dergelijke stukken over te leggen. Dat al deze gedeclareerde werkzaamheden noodzakelijk zijn geweest, is dan ook niet inzichtelijk gemaakt.

 

4.2.3.     Daar komt bij dat de advocaat weliswaar stelt dat zijn werkzaamheden ook inhielden dat de schadestaat moest worden bijgewerkt, maar niet gebleken is dat de schadestaat, nadat deze in 2017 is opgesteld, daadwerkelijk is aangepast  en opnieuw  met NN is gedeeld. Ook is niet gebleken dat een aangepaste schadestaat zou zijn gebruikt voor een inhoudelijk tegenvoorstel  op, of een onderbouwing  van de afwijzing van, het slotvoorstel van NN. Dit had wel voor de hand gelegen. Al met al is niet voldoende onderbouwd dat deze werkzaamheden zijn verricht, en voor zover zij wel zijn verricht, dat  zij daadwerkelijk de omvang hebben gehad zoals in de declaraties weergegeven en dat zij noodzakelijk zijn geweest. Het declareren van deze werkzaamheden kan dan ook niet als redelijk worden aangemerkt.

 

4.2.4.     Het vele contact tussen de advocaat en [Benadeelde] heeft de advocaat ter zitting toegelicht. Dat was volgens hem nodig om de ontwikkelingen in het dossier te bespreken. Maar uit de stukken volgt juist dat heel weinig ontwikkelingen in het dossier hebben plaatsgevonden, en dat er vooral gewacht werd op door de behandelaars van [Benadeelde] te verstrekken medische informatie. Dat de advocaat zo vaak contact  had met zijn client over  de ontwikkelingen in zijn dossier, soms zelfs meerdere keren op een dag, strookt dan ook niet met de inhoud van het door [Benadeelde] overgelegde dossier. Een groot deel van de gedeclareerde tijd valt daarom niet binnen het hiervoor onder 4.1. weergegeven kader.

 

4.2.5.     NN heeft voorts aangevoerd dat voor het doorsturen van brieven aan client of het doorsturen van rapporten van de medisch adviseur aan NN specialistentarief in rekening is gebracht, terwijl  het werkzaamheden zijn die op secretarieel niveau kunnen warden verricht. Daarnaast betoogt NN dat het niet redelijk is dat voor reiskosten het volledige uurtarief in rekening wordt gebracht. [Benadeelde] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter volgt NN hierin.

 

4.2.6.     De hiervoor opgesomde uitgangspunten en omstandigheden leiden ertoe dat de totaal in dit schadedossier tot de datum van het indienen van het verzoekschrift gedeclareerde buitengerechtelijke kosten van€ 9.653,01 (bestaande uit 29,41 gedeclareerde uren) bovenmatig zijn, zodat het in deze procedure verzochte bedrag aan onbetaald gebleven buitengerechtelijke kosten van€ 5.653,01 niet volledig toewijsbaar is. De kantonrechter acht een tot het moment van indienen van bet verzoekschrift totaal aan het schadedossier bestede uren van zeventien redelijk. Dat leidt tot een totaalbedrag aan buitengerechtelijke kosten van 17 x € 235,00 = € 3.995,00 exclusief BTW. Inclusief BTW is een bedrag van€ 4.833,95. Hiervan heeft NN inmiddels € 4.000,00 voldaan, zodat een door NN te betalen bedrag van € 833,95 resteert. NN zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

4.3.        De verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen. [Benadeelde] heeft dit deel van zijn verzoek niet nader toegelicht en van een belang van [Benadeelde] bij een dergelijke verklaring is niet gebleken.

 

4.4.        De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure en daarbij ook de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting daarvan dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren. Dit betekent dat indien een deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

 

4.5.        [Benadeelde] begroot de kosten van deze procedure op€ 3.290,00 exclusief 21% BTW en 6% kantoorkosten. Ter onderbouwing van de kantoorkosten voert [Benadeelde] aan dat deze tegenwoordig zien op de software, het archief en het systeem. NN heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze kosten. Zij voert aan dat het aantal bestede uren (totaal 14) onredelijk is, terwijl zij met betrekking tot bet uurtarief aanvoert dat het bovenmatig is. Zij voert onder meer aan dat bet verzoekschrift in grote mate gelijk is aan verzoekschriften die de advocaat in andere deelgeschilprocedures heeft gebruikt waarin eveneens de vergoeding van buitengerechtelijke kosten centraal stond. Het verzoekschrift bestaat voorts voor een groot deel uit citaten uit rechtspraak. In deze omstandigheden mag van een advocaat die een specialistisch uurtarief in rekening brengt, worden verwacht dat deze een zaak efficiënt ter hand neemt. Om die reden verzoekt NN de kantonrechter om bet aantal uren dat met dit deelgeschil gemoeid gaan te begroten op 7. Tegen de kantoorkosten maakt zij eveneens gemotiveerd bezwaar.

 

4.6.        De onderhavige zaak betreft naar bet oordeel van de kantonrechter een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar bet oordeel van de kantonrechter niet in overeenstemming. Zoals de kantonrechter in 4.2.1. heeft overwogen is een uurtarief van € 235,00 redelijk. De kantoorkosten worden afgewezen, omdat deze kosten – ook wanneer zij zien op de kosten voor kantoorautomatisering en onderhoud van het archief – geacht worden te zijn inbegrepen in bet uurtarief. De met de opstelling van bet verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 10 uren x € 235,00 exclusief BTW, derhalve op€ 2.843,50 inclusief BTW, te vermeerderen met het door [Benadeelde] betaalde griffierecht van€ 79,00. In totaal derhalve € 2.922,50. NN zal tot betaling daarvan aan [Benadeelde] worden veroordeeld.

 

  1. De beslissing

 

De kantonrechter

 

5.1.        veroordeelt NN tot betaling aan NN van een bedrag van€ 833,95 (inclusief BTW) ten titel van buitengerechtelijke kosten,

 

5.2.        begroot de kosten van dit deelgeschil op€ 2.922,50, en veroordeelt NN tot betaling van dit bedrag aan [Benadeelde],

 

5.3.        verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

 

5.4.        wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar op 5 maart 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey