Rb: hoger smartengeld toegewezen na eerdere toewijzing lager bedrag in strafzaak

Samenvatting:

Mishandeling; schietpartij. Benadeelde vordert onder meer smartengeld € 25.000, -, nadat in strafzaak eerder € 5.000, – aan immateriële schade werd toegekend en andere schadeposten. Gedaagde stelt dat geen hoger bedrag kan worden gevorderd dan in de strafzaak werd toegewezen. De rechtbank overweegt dat uit het voegingsformulier genoegzaam kan worden afgeleid dat de vordering van benadeelde partij in het strafproces tegen als een voorwaardelijke vordering moet worden gezien, dan wel als een vordering tot betaling van een voorschot. De rechtbank wijst € 25.000, smartengeld toe, onder aftrek van eerdere € 5000,-. Andere schadeposten eveneens toegewezen.   

 

ECLI:NL:RBROT:2021:2935

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

31-03-2021

Datum publicatie

06-04-2021

Zaaknummer

C/10/589078 / HA ZA 20-11

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Vordering tot vergoeding van letselschade na poging tot doodslag. Bewijskracht strafvonnis. Komt eiser een vorderingsrecht toe voor meer schade dan de schade die in het strafproces is gevorderd?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2021-0309

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

 

Team handel en haven

 

zaaknummer / rolnummer: C/10/589078 / HA ZA 20-11

 

Vonnis van 31 maart 2021

 

in de zaak van

 

[naam eiser] ,

 

wonende te [woonplaats eiser] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. J.H. van der Wouden te Rotterdam,

 

tegen

  1. [naam gedaagde 1] ,

 

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

 

gedaagde,

 

niet verschenen,

 

  1. [naam gedaagde 2],

 

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. J.F. Overes te Amsterdam.

 

Partijen zullen hierna [naam eiser] , [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] genoemd worden.

  1. De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding van 11 september 2019, met producties;

 

de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 2] , met producties;

 

de conclusie van repliek, met producties;

 

de conclusie van dupliek van [naam gedaagde 2] .

 

1.2.

 

Op de rol van 22 januari 2020 is verstek verleend tegen [naam gedaagde 1] .

1.3.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

  1. De feiten

2.1.

 

Op 4 oktober 2014 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij enerzijds [naam eiser] en anderzijds [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] waren betrokken. Daarbij is [naam eiser] onder meer meermalen met een pistool beschoten.

2.2.

 

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn in verband met dit incident strafrechtelijk vervolgd.

2.2.1.

 

Bij op tegenspraak gewezen arrest van 14 december 2016 heeft het gerechtshof Den Haag [naam gedaagde 1] voor zijn aandeel in het incident veroordeeld wegens medeplegen van poging tot doodslag, waarbij aan hem is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder aftrek van voorarrest.

2.2.2.

 

Bij op tegenspraak gewezen arrest van 14 december 2016 heeft het gerechtshof Den Haag [naam gedaagde 2] voor zijn aandeel in het incident veroordeeld wegens medeplegen van poging tot doodslag, waarbij aan hem is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, onder aftrek van voorarrest.

2.2.3.

 

Genoemde arresten zijn in kracht van gewijsde gegaan.

2.3.

 

[naam eiser] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces tegen zowel [naam gedaagde 1] als [naam gedaagde 2] en een vordering ingediend tot vergoeding van de door hem als gevolg van het incident geleden materiële en immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 32.350,33. Het gerechtshof Den Haag heeft [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] bij genoemde arresten hoofdelijk veroordeeld om aan [naam eiser] een bedrag te betalen van € 7.360,25, bestaande uit € 2.360,25 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, onder niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiser] in de vordering voor het overige en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

2.4.

 

Het gerechtshof Den Haag overweegt in zijn arresten van 14 december 2016 ten aanzien van de vordering benadeelde partij voor zover van belang als volgt:

 

“Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.360,25 materiële schade (…) is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

 

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00.

 

Voor het overige levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”

  1. Het geschil

3.1.

 

[naam eiser] vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] tot betaling van € 44.191,73, vermeerderd met rente en kosten, onder verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het overige.

3.2.

 

Ter onderbouwing van die vordering heeft [naam eiser] – in essentie – het volgende aangevoerd. Op 4 oktober 2014 is hij meerdere malen beschoten met een pistool. [naam eiser] heeft als gevolg hiervan het nodige letsel opgelopen in verband waarmee hij meerdere malen is geopereerd en hij lang heeft moeten revalideren. Hij heeft aan het incident blijvende loopstoornissen opgelopen. Naast de fysieke beperkingen leidt [naam eiser] ook aan de psychische nasleep van het incident. [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn voor medeplegen van poging tot doodslag strafrechtelijk veroordeeld. Die strafrechtelijke veroordeling maakt dat er sprake is van een onrechtmatige daad van [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] jegens [naam eiser] , zodat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] op de voet van artikel 6:162 BW gehouden zijn [naam eiser] de schade die hij hierdoor heeft geleden te vergoeden.

 

De reeds verschenen schade bestaat onder meer uit:

 

 

daggeldvergoedingen opname Erasmus MC en Antonius IJsselmonde € 2.374,00

 

kosten verzorging/verpleging € 3.920,00

 

– kosten huishoudelijke hulp € 405,00

 

 

smartengeld € 32.500,00

 

niet door verzekering gedekte geneeskundige kosten € 1.653,11

 

reis- en parkeerkosten € 313,50

 

eigen bijdrage/eigen risico 2014/2015 € 625,90

 

eigen bijdrage/eigen risico 2016 € 1.555,95

 

eigen bijdrage/eigen risico 2017 € 798,38 +

 

€ 44.191,73 + p.m.

 

Omdat de nadere omvang van de materiële schade op dit moment nog niet (eenvoudig) kan worden vastgesteld, vordert [naam eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het overige.

3.3.

 

[naam gedaagde 2] voert verweer, dat primair strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiser] in zijn vordering voor zover deze vordering een schadebedrag van € 25.022,73 overtreft, althans hem deze vordering in zoverre te ontzeggen, met veroordeling van [naam eiser] in de kosten van het geding.

3.4.

 

[naam gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat [naam eiser] in deze civiele procedure niet alsnog een hoger bedrag aan materiële en immateriële schade kan vorderen dan het bedrag van in totaal € 32.350,33 dat hij als benadeelde partij in het strafproces tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] heeft gevorderd, verminderd met de aan hem in dat strafproces toegewezen en inmiddels door de Staat betaalde bedragen aan materiële schade van € 2.360,25 en immateriële schade van € 5.000,00.

3.5.

 

Subsidiair betwist [naam gedaagde 2] de omvang van de schade.

3.6.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1.

 

[naam gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen. Aan hem is verstek verleend. De vordering tegen [naam gedaagde 1] is derhalve in beginsel toewijsbaar, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of hetgeen [naam gedaagde 2] tot zijn verweer heeft aangevoerd slaagt.

 

Immers, de aansprakelijkheid (en, in het verlengde daarvan, de verplichting tot vergoeding van schade) van [naam gedaagde 2] is gebaseerd op dezelfde gronden als die van [naam gedaagde 1] . De rechtsbetrekking tussen partijen noopt derhalve tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. Dit brengt met zich dat, indien het door [naam gedaagde 2] gevoerde verweer wordt aanvaard, ook de vordering tegen [naam gedaagde 1] , al dan niet gedeeltelijk, niet kan worden toegewezen. Nu [naam gedaagde 2] wel in de procedure is verschenen, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat op grond van artikel 140 lid 3 Rv wordt beschouwd als een vonnis op tegenspraak.

4.2.

 

Ter beoordeling ligt allereerst voor of [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [naam eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van het incident dat op 4 oktober 2014 heeft plaatsgevonden. Deze vraag dient beantwoord te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 6:162 BW. Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt te vergoeden. De concreet te beantwoorden vraag is dan ook of [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [naam eiser] als gevolg waarvan laatstgenoemde schade heeft geleden. De bewijslast ter zake hiervan rust krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [naam eiser] .

4.3.

 

[naam eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee arresten van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2006 overgelegd, waarbij [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn veroordeeld voor het medeplegen van poging tot doodslag op [naam eiser] . De rechtbank gaat ervan uit dat deze arresten in kracht van gewijsde zijn gegaan, nu geen van partijen stelt dat hiertegen hoger beroep is ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn en het wel voor de hand had gelegen dat dit was aangevoerd als hiervan sprake was geweest. Ingevolge artikel 353 Rv juncto artikel 161 Rv levert een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen arrest waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Op grond van artikel 151 lid 1 Rv houdt dwingend bewijs in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Ingevolge het tweede lid van artikel 151 Rv staat tegenbewijs ook vrij tegen dwingend bewijs, tenzij de wet het uitsluit. Omdat [naam gedaagde 2] geen tegenbewijs heeft geleverd en evenmin een aanbod tot het leveren van tegenbewijs heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zich op 4 oktober 2014 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag op [naam eiser] doordat zij meermalen vanaf een korte afstand met een vuurwapen kogels in de richting van het lichaam van [naam eiser] hebben geschoten waardoor [naam eiser] in zijn benen en zijn bil is geraakt. Dat [naam eiser] ten gevolge daarvan (enige) schade heeft geleden, is niet betwist. Dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond (die maakt dat de onrechtmatigheid aan het handelen van [naam gedaagde 1] en/of [naam gedaagde 2] komt te ontvallen) en/of een schulduitsluitingsgrond (die ziet op de toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad) is gesteld noch gebleken.

4.4.

 

Uit het voorgaande volgt dat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] jegens [naam eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, hetgeen hen kan worden toegerekend. [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn derhalve aansprakelijk voor de dientengevolge door [naam eiser] geleden en te lijden schade. Thans dient beoordeeld te worden welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.

4.5.

 

De rechtbank verwerpt het verweer van [naam gedaagde 2] dat [naam eiser] ter zake van geleden en te lijden schade geen vorderingsrecht meer toekomt voor meer schade dan de schade die in het strafproces is gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

4.6.

 

[naam eiser] heeft als benadeelde partij in het strafproces tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] de volgende vordering tot vergoeding van schade ingediend (productie 1 conclusie van antwoord; voegingsformulier benadeelde partij):

 

 

Eigen risico 2015 € 334,90

 

Kosten theorie-examen € 25,55

 

Immateriële schade € 25.000,00

 

Medische kosten € 1.654,11 (medicijnen, fysiotherapie)

 

Eigen risico 2014 € 291,00

 

Verhuiskosten/huurachterstand € 2.419,42

 

Kilometervergoeding € 600,00 (reiskosten)

 

Daggeldvergoedingen € 2.058,00 (EMC, revalidatiecentrum)

 

Op het voegingsformulier benadeelde partij staat op pagina 2 onderaan het volgende vermeld: Voor de overige schade worden alle rechten voorbehouden.

4.7.

 

Het voegingsformulier is destijds blijkbaar toegestuurd aan de officier van justitie met een begeleidende brief van 14 oktober 2015 van de toenmalige belangenbehartiger van [naam eiser] (mr. K. Kuster) (productie 21 bij conclusie van repliek). Uit deze brief blijkt dat:

 

 

[naam eiser] de hoogte van het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding eventueel in een later stadium wenst aan te passen;

 

[naam eiser] immateriële schade heeft gevorderd “bij wijze voorschot”;

 

er voor wat betreft het verlies aan verdienvermogen nog geen sprake is van een medische eindtoestand.

 

Gesteld noch gebleken is dat [naam gedaagde 1] en/of [naam gedaagde 2] geen kennis hebben genomen van (de inhoud van) deze brief.

4.8.

 

Uit het voegingsformulier en voormelde daarbij behorende begeleidende brief, kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden afgeleid dat de vordering van [naam eiser] als benadeelde partij in het strafproces tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] als een voorwaardelijke vordering moet worden gezien, dan wel als een vordering tot betaling van een voorschot op de nog nader te begroten schade. Uit het arrest van het gerechtshof valt ook niet af te leiden – zoals [naam gedaagde 2] betoogt – dat [naam eiser] de opgave van de schade definitief en zonder voorbehoud heeft gedaan en dat deze vordering geen voorschot betrof. Het gerechtshof heeft zich – logischerwijze – in zijn beoordeling beperkt tot de gevorderde schade en daarvan geoordeeld dat een gedeelte zo helder is dat beoordeling daarvan in het strafproces kon plaatsvinden en dat [naam eiser] voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard in die vordering in het strafproces en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter kon wenden. Hiermee heeft het gerechtshof niets gezegd over dat gedeelte van de schade dat nog in het geheel niet was gevorderd in het strafproces. Dat zou anders kunnen zijn geweest als het gerechtshof in het arrest al het meerdere zou hebben afgewezen. Hiervan is echter geen sprake.

4.9.

 

Uit het voorgaande volgt dat de schadevordering van [naam eiser] in deze procedure in zijn geheel kan worden beoordeeld. Wel dienen uiteraard de reeds door de strafrechter toegewezen bedragen in mindering te worden gebracht op de totale schade. De verschillende schadeposten zullen hieronder worden besproken.

 

Daggeldvergoedingen opname Erasmus MC en Antonius IJsselmonde

4.10.

 

[naam eiser] stelt dat hij als gevolg van opgelopen letsel in totaal 29 dagen in het ziekenhuis (Erasmus MC) heeft gelegen en vervolgens 111 dagen opgenomen is geweest op de revalidatieafdeling van Antonius IJsselmonde. Hij vordert in verband daarmee (conform de in de richtlijn van de Letselschaderaad opgenomen bedragen ter zake van daggeldvergoedingen) een bedrag van in totaal € 2.374,00. Dit deel van de vordering, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

 

Niet gedekte geneeskundige kosten, eigen bijdrage/risico en reiskosten

4.11.

 

[naam eiser] stelt voorts dat hij als gevolg van het opgelopen letsel geneeskundige kosten (niet door verzekering gedekte kosten van € 1.653,11) kosten in verband met eigen bijdrage/eigen risico over de jaren 2014 -2017 (€ 625,90, € 1.555,95 en € 798,38) en reiskosten (€ 313,15) heeft moeten maken. Hij vordert in verband daarmee een bedrag van in totaal € 4.946,84. [naam gedaagde 2] heeft tegen al deze schadeposten, na overlegging door [naam eiser] van nog een aantal bescheiden ter onderbouwing bij conclusie van repliek, bij conclusie van dupliek geen verweer meer gevoerd. Dit deel van de vordering zal dus worden toegewezen.

 

Kosten verzorging/verpleging en kosten huishoudelijke hulp

4.12.

 

[naam eiser] vordert tevens een bedrag van in totaal € 4.325,00 (€ 3.920,00 en € 405,00) voor – kort gezegd – door zijn moeder aan hem verleende mantelzorg en huishoudelijke hulp. Voor de berekening van zijn vordering verwijst [naam eiser] naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:181), waarin een PGB-tarief niet professionele zorg van € 25,00 per uur redelijk is geacht en de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad, waarin een tarief van € 9,00 per uur is opgenomen voor het verlenen van huishoudelijke hulp.

4.13.

 

[naam eiser] wijst er terecht op dat volgens vaste jurisprudentie in geval van letselschade de kosten van verleende mantelzorg en huishoudelijke hulp abstract berekend kunnen worden, en ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen als de hulp feitelijk kosteloos door familie is verleend, dus zonder dat concreet schade is geleden. Het moet dan gaan om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners (Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998).

4.14.

 

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat [naam eiser] ten tijde van het incident zelfstandig woonde en dat hij na zijn operatie tijdelijk bij zijn moeder is gaan wonen. [naam eiser] stelt dat zijn moeder hem heeft verpleegd, verzorgd, begeleid naar afspraken met diverse zorgverleners en, nadat hij weer in zijn eigen huis is gaan wonen, huishoudelijke hulp heeft verleend. [naam gedaagde 2] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

 

Nu niet is gesteld of gebleken dat [naam eiser] de huishoudelijke werkzaamheden voor het incident ook niet zelf verrichtte, geldt naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van alle hiervoor genoemde werkzaamheden dat het werkzaamheden betreft waarvoor het in zijn situatie gerechtvaardigd zou zijn geweest om professionele hulp in te huren.

4.15.

 

[naam gedaagde 2] voert nog aan dat [naam eiser] is tekortgeschoten in zijn schadebeperkingsplicht, omdat hij een beroep had kunnen doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Dit verweer gaat niet op, omdat die algemene maatschappelijke voorziening niet voorgaat op de specifieke, op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid en de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsplicht die hier voorligt. Het kan [naam eiser] niet worden tegengeworpen dat hij geen poging heeft gedaan om deze kosten op basis van de WMO vergoed te krijgen.

4.16.

 

Gelet op het voorgaande wordt ook dit deel van de vordering toegewezen.

 

Immateriële schade

4.17.

 

[naam eiser] maakt voorts aanspraak op een smartengeldvergoeding van € 32.500,00.

4.18.

 

[naam eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering het volgende. Door het incident, waarbij [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hem het leven hebben proberen te benemen, heeft hij doodsangsten uitgestaan, levensvreugde gederfd en derft hij nog altijd levensvreugde, Daarnaast heeft hij er een ernstige loopstoornis aan overgehouden en leidt hij aan een post traumatische stressstoornis (PTSS), slaapstoornissen, nachtmerries en angsten. Bij conclusie van antwoord heeft [naam gedaagde 2] betwist bij gebreke van medische stukken dat bij [naam eiser] PTSS is vastgesteld en dat [naam eiser] zich hiervoor heeft laten behandelen, alsmede is betwist dat [naam eiser] tot op heden fysieke beperkingen ondervindt. Ter onderbouwing van de diagnose van PTSS heeft [naam eiser] bij conclusie van repliek een brief van [naam] , gz-psycholoog, van 18 augustus 2015 (productie 25 bij conclusie van repliek) overgelegd. Volgens [naam gedaagde 2] , zoals aangevoerd bij conclusie van dupliek, volgt uit de overgelegde brief niet dat de diagnose PTSS is gesteld en dat [naam eiser] zich hiervoor heeft laten behandelen. [naam gedaagde 2] sluit zich aan bij het oordeel van de strafkamer van het gerechtshof Den Haag, die aanleiding heeft gezien het destijds door [naam eiser] als benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schade tot € 5.000,00 toe te wijzen.

4.19.

 

Het vaststellen van de omvang van geleden immateriële schade op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW, betreft een begroting van een naar billijkheid vast te stellen vergoeding. Daarbij moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de aard van het letsel, de duur en intensiteit van de uit de gebeurtenis voorvloeiende gevolgen voor de benadeelde en de ernst van de inbreuk op diens rechtsgevoel (zie o.a. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358). De rechtbank houdt bij de begroting ook rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

4.20.

 

Vast staat dat [naam eiser] door [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] is beschoten en dat meerdere kogels hem hebben geraakt, hetgeen een ernstige schending van de lichamelijke integriteit oplevert. Het ligt voor de hand dat [naam eiser] hierdoor doodsangsten heeft uitgestaan. Eveneens staat vast dat [naam eiser] vier keer is geopereerd aan zijn verwoningen als gevolg van het incident en lang heeft moeten revalideren. Anders dan [naam gedaagde 2] betoogt, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de door [naam eiser] overgelegde brief van gz-psycholoog [naam] wel worden afgeleid dat de diagnose PTTS is gesteld. Tevens kan in ieder geval uit deze brief worden opgemaakt dat een afspraak is gemaakt voor de start van de behandeling daarvan.

 

Dat [naam eiser] ernstig fysiek letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn been en daar lang last van heeft gehad, kan uit de overgelegde stukken worden afgeleid. Of en in hoeverre deze klachten tot blijvende beperkingen hebben geleid die [naam eiser] in zijn dagelijks leven beïnvloeden, is door de beperkte medische informatie die door [naam eiser] in de procedure is ingebracht, thans niet vast te stellen. De rechtbank acht in de onderhavige situatie, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, een immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,00 billijk.

 

Wettelijke rente

4.21.

 

Naast schadevergoeding heeft [naam eiser] wettelijke rente gevorderd over het toe te wijzen schadebedrag. Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling (art. 6:83 onder b BW). Dit betekent dat [naam eiser] vanaf het moment van het incident een opeisbare vordering heeft. De wettelijke rente over het bedrag aan smartengeld zal derhalve worden toegewezen vanaf 4 oktober 2014. De wettelijke rente over het bedrag aan materiële schade zal, zoals gevorderd en niet is weersproken, worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

 

Verwijzing naar schadestaat

4.22.

 

Ten slotte vordert [naam eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het overige. Uit de stukken blijkt dat [naam eiser] daarbij voornamelijk het oog heeft op schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen. Tussen partijen staat vast dat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [naam eiser] lijdt als gevolg van het incident op 4 oktober 2014. In het kader van de vraag of sprake is van verlies aan verdienvermogen bij [naam eiser] als gevolg van het incident op 4 oktober 2014 dient eerst vast komen te staan wat de fysieke en psychische beperkingen van [naam eiser] zijn als gevolg van het incident. Vervolgens zal moeten worden vastgesteld wat de schade, in de vorm van onder meer verlies aan verdienvermogen, is die [naam eiser] hierdoor lijdt. Hiertoe zal om te beginnen een psychiatrisch onderzoek moeten plaatsvinden, zodat beoordeeld kan worden wat de psychische gevolgen van het incident voor [naam eiser] zijn. Mogelijk zal daarna nog een verzekeringsgeneeskundig onderzoek moeten plaatsvinden om de fysieke beperkingen als gevolg van het incident vast te kunnen stellen. Wanneer deze informatie compleet is, is wellicht nog onderzoek door een arbeidsdeskundige nodig. Pas dan zal vastgesteld kunnen worden wat de uitgangspunten moeten zijn voor de uiteindelijke berekening van de schade van [naam eiser] .

4.23.

 

Aan een beslissing tot verwijzing naar de schadestaatprocedure worden geen strenge eisen gesteld. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt

 

(HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246).

4.24.

 

Aan dat vereiste is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voldaan.

 

Voor vaststelling van de schade in rechte, in het bijzonder verlies aan verdienvermogen, zijn (tijdrovende) nadere proceshandelingen nodig en is mogelijk (nadere) bewijslevering noodzakelijk (al dan niet door middel van een deskundigenbericht). Daarom kan niet worden aangenomen dat vaststelling van de (uiteindelijke) schade in deze procedure doorslaggevende proceseconomische voordelen heeft.

 

Resumerend

4.25.

 

Resumerend omvat de materiële schade van [naam eiser] de volgende bedragen:

 

– daggeldvergoedingen opname Erasmus MC en Antonius IJsselmonde € 2.374,00

 

– niet gedekte geneeskundige kosten, eigen bijdrage/risico en reiskosten € 4.946,84

 

– kosten verzorging/verpleging en kosten huishoudelijke hulp € 4.325,00

 

– correctie bedrag reeds in strafproces toegewezen € 2.360,25 -/-

 

Totaal € 9.285,59

 

De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

4.26.

 

De immateriële schade van [naam eiser] omvat het bedrag van € 20.000,00, zijnde

 

€ 25.000,00 minus het reeds in het strafproces toegewezen bedrag van € 5.000,00.

 

De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 4 oktober 2014.

 

Proceskosten

4.27.

 

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, ieder voor zich worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank zal het door [naam eiser] betaalde griffierecht (zijnde een bedrag van € 83,00) gelijkelijk over gedaagden verdelen.

4.28.

 

Ten aanzien van [naam gedaagde 1] worden de kosten aan de zijde van [naam eiser] begroot op:

 

– griffierecht € 41,50

 

– verschotten € 111,11

 

– salaris advocaat € 1.114,00 + ( 1 pnt x tarief IV € 1.114,00)

 

Totaal € 1.266,61

4.29.

 

Ten aanzien van [naam gedaagde 2] worden de kosten aan de zijde van [naam eiser] begroot op:

 

– griffierecht € 41,50

 

– verschotten € 99,01

 

– salaris advocaat € 2.228,00 + (2 pnt x tarief IV € 1.114,00)

 

Totaal € 2.368,51

4.30.

 

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als vermeld in het dictum.

  1. De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [naam eiser] van een bedrag van € 9.285,59 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [naam eiser] van een bedrag van € 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk tot vergoeding aan [naam eiser] van de overige door [naam eiser] geleden materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.266,61, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

 

veroordeelt [naam gedaagde 2] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 2.368,51, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

 

veroordeelt [naam gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.8.

 

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

 

801/1582

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey