Rb: belangenbehartiger aansprakelijk voor schade door te beperkt voorbehoud in vaststellingsovereenkomst

Samenvatting:

Destijds 11 jarige jongen heeft in 2002 elleboogletsel opgelopen bij gymles. In 2010 is de schade geregeld in vaststellingsovereenkomst met voorbehoud m.b.t. het eventueel operatief corrigeren het ellebooggewricht binnen 5 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank had, gelet op het functieverlies, het voorbehoud ook moeten zien op eventuele toekomstige schade door de aanwezige beperkingen. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtshulpverlener mag bij het afwikkelen van de letselschade van een minderjarige worden verwacht dat, als er wel aanknopingspunten zijn voor een risico van toekomstige beperkingen, deze dit bij de onderhandelingen over het voorbehoud betrekt en over de reikwijdte van de inhoud van het uiteindelijk in de vso jegens zijn cliënt duidelijk is. Door dit na te laten heeft de belangenbehartiger een beroepsfout gemaakt.

ECLI:NL:RBMNE:2016:7784

 

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-11-2016
Datum publicatie 14-03-2018
Zaaknummer C/16/402250 / HA ZA 15-834

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

 

Beroepsaansprakelijkheid rechtshulpverlener bij afwikkelen letselschade minderjarige. Voorbehoud in vaststellingsovereenkomst.

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2018-0231

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .vonnis

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

 

handelskamer

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/16/402250 / HA ZA 15-834

 

 

 

 

Vonnis van 9 november 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de Europese naamloze vennootschap

 

ARAG SE,

 

statutair gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

 

mede gevestigd te Leusden,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. G.L. Breunesse te Leusden.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiser] en ARAG genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 23 december 2015,

 

het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2016,

 

de verwijzing naar de rol in verband met schikkingsoverleg,

 

het verzoek van partijen om vonnis te wijzen.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[eiser] , geboren op [1990] , heeft op 31 oktober 2002 – toen 11 jaar oud – bij een gymnastiekles op school letsel opgelopen aan zijn linker elleboog. De ouders van [eiser] hebben voor de afhandeling van zijn schade een beroep gedaan op een door hen met ARAG gesloten rechtsbijstandsverzekering. ARAG heeft de zaak in behandeling genomen en heeft de school aansprakelijk gesteld. De behandelaar bij ARAG was mr. [A] , jurist letselschade.

 

2.2.

In april 2005 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van de school (vertegenwoordigd door [bedrijfsnaam 1] , thans genaamd [bedrijfsnaam 2] B.V., hierna noemen: [bedrijfsnaam 2] ) de aansprakelijkheid erkend.

 

 

2.3.

 

Gelet op de leeftijd van [eiser] en omdat hij nog in de groei was, zijn partijen niet direct tot een regeling van de schade als gevolg van het ongeval overgegaan. Vanaf 2009 (toen [eiser] meerderjarig was) heeft ARAG met de ouders van [eiser] en met [bedrijfsnaam 2] over de mogelijkheid van een minnelijke regeling gesproken en gecorrespondeerd. Dit heeft in maart 2010 tot een vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 2] geleid. Daarin is het volgende opgenomen:

 

‘ [bedrijfsnaam 2] betaalt gelaedeerde een bedrag van EUR 3.500,00 (zegge: DRIEDUIZENDVIJFHONDERD euro), als slotuitkering, op de reeds betaalde voorschotten.

 

 

 

 

nadrukkelijk wordt een voorbehoud opgenomen met betrekking tot het eventueel operatief corrigeren van de standsafwijking van het ellebooggewricht binnen een periode van 5 jaar, met als einddatum 13-11-2015

 

 

 

 

gelaedeerde verleent, met inachtneming van voornoemd voorbehoud, [bedrijfsnaam 2] en verzekerde algehele, finale kwijting met betrekking tot alle materiële en immateriële schade die gelaedeerde lijdt, heeft geleden en zal lijden, uit welken hoofde en van welke aard dan ook als gevolg van voornoemd ongeval;

 

 

 

 

gelaedeerde verleent [bedrijfsnaam 2] en verzekerde met betrekking tot voornoemd bedrag algehele, finale kwijting en decharge. Voornoemd bedrag geldt als ontvangen zodra het door [bedrijfsnaam 2] op het door gelaedeerde opgegeven bankrekeningnummer is overgemaakt.’

 

 

 

2.4.

In 2014 heeft [eiser] zich in verband met klachten gewend tot een orthopeed. Hij heeft ARAG benaderd om dit kenbaar te maken. ARAG heeft hierop per e-mail van 7 mei 2014 aan [eiser] laten weten dat het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen voor het specifieke risico van een eventuele operatie ingreep in verband met een standafwijking ellebooggewricht. Zij laat weten dat zij op dat moment nog niet kan beoordelen of zij op de zaak kan terugkomen en stelt voor om eerst de uitslag van de MRI-scan en de vervolgafspraak af te wachten.

 

 

2.5.

Hierna heeft [eiser] in augustus 2014 voor een second opinion schadebehandelaar [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ) benaderd om hem ten aanzien van zijn letselschadevergoeding bij te staan. [bedrijfsnaam 3] heeft zich vervolgens op 2 september 2014 tot [bedrijfsnaam 2] gericht en heeft namens [eiser] een beroep gedaan op het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorbehoud. [bedrijfsnaam 3] schrijft aan [bedrijfsnaam 2] dat op grond van de toegenomen klachten en beperkingen van [eiser] het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorbehoud in werking treedt. Hij verzoekt [bedrijfsnaam 2] te bevestigen dat de daardoor opgeroepen of nog te verwachten aanvullende schade op de school kan worden verhaald. [bedrijfsnaam 2] laat hierop weten, met verwijzing naar de gevoerde correspondentie tussen ARAG en [bedrijfsnaam 2] , dat het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst naar haar mening beperkt van omvang is en alleen het eventueel operatief corrigeren van de standsafwijking van het ellebooggewricht betreft en niet allerlei gevolgschade.

 

 

2.6.

Hierna heeft [bedrijfsnaam 3] zich tot ARAG gewend en heeft zij ARAG aansprakelijk gesteld voor het tekortschieten in de voorlichting en informatieplicht ten opzichte van [eiser] . ARAG heeft ontkend aansprakelijk te zijn.

 

2.7.

Hierna hebben [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 2] en ARAG nog met elkaar gecorrespondeerd. Dit heeft niet tot overeenstemming geleid.

 

 

 

3 Het geschil en de beoordeling

 

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ARAG veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden en te lijden schade als gevolg van haar beroepsfout c.q. de tekortschietende uitvoering van de rechtsbijstandverzekering, vermeerderd met rente en kosten. ARAG voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

 

 

3.2.

Tussen partijen is in geschil of ARAG bij de uitvoering van haar opdracht in het kader van de letselschaderegeling een beroepsfout heeft gemaakt en – in het verlengde daarvan – of ARAG aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade. Partijen verschillen van mening over de vraag of al dan niet terecht de eventuele gevolgschade bij de schadeafhandeling onbesproken is gelaten en of op dit punt het voorbehoud te beperkt is opgesteld.

 

 

3.3.

 

Van een beroepsfout is sprake in het geval de beroepsbeoefenaar (hier een rechtshulpverlener, een jurist letselschade) bij de uitvoering van zijn of haar opdracht niet de zorgvuldigheid heeft betracht die in de gegeven omstandigheden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Het betreft hier de afwikkeling van de letselschade van een (ten tijde van het ongeluk) kind door een rechtshulpverlener, een jurist letselschade. ARAG heeft terecht met de afwikkeling van de schade gewacht totdat [eiser] meerderjarig was. Pas dan is vaak immers duidelijk of er sprake is van blijvend letsel. Voor het antwoord op de vraag of ARAG bij de afwikkeling een beroepsfout heeft gemaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat, net als bij de advocaat, voor de rechtshulpverlener de zorgvuldigheidsplicht meebrengt dat een advocaat/rechtshulpverlener die een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat/

 

rechtshulpverlener de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.

 

 

 

3.4.

[eiser] stelt dat ARAG hem onvoldoende heeft voorgelicht over de voor hem bestaande mogelijkheden tot het verkrijgen van schadevergoeding en zich bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst slechts heeft beperkt tot één enkele schadepost, te weten smartengeld. Volgens [eiser] heeft ARAG bij de schaderegeling onvoldoende aandacht besteed aan het door hem verlangde voorbehoud dat niet alleen behoorde te zien op de vergoeding van de kosten van een eventuele operatie, maar tevens betrekking diende te hebben op de situatie dat de klachten zouden verergeren en tot beperkingen in het dagelijks leven bij studie en werk zouden leiden. Ook heeft ARAG op vragen van (de vader van) [eiser] over het voorgestelde voorbehoud hem onvoldoende en onjuist geïnformeerd waardoor bij [eiser] de indruk is gewekt dat het voorbehoud een ruimere strekking heeft dan uit de tekst blijkt. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn vader er bij de schadeafhandeling ervan uit is gegaan dat eerst het smartengeld geregeld zou worden en dat de eventuele gevolgschade nog later aan de orde zou kunnen komen. Hij wijst erop dat gelet op zijn leeftijd de gevolgschade toen nog niet te voorspellen was. Hij stelt dat zijn vader de vaststellingovereenkomst heeft getekend omdat mr. [A] in antwoord op zijn vraag over het voorbehoud bevestigde dat hij met betrekking tot eventuele latere ontwikkelingen in de toekomst geen risico liep.

 

 

3.5.

Volgens ARAG is er door haar bij de behandeling van de zaak geen fout gemaakt, is er geen schade aan de zijde van [eiser] , althans is er geen causaal verband tussen de eventuele schade en een eventueel gemaakte fout. Zij betwist dat het voorbehoud tevens betrekking diende te hebben op de situatie dat de klachten zouden verergeren en tot beperkingen in het dagelijks leven en bij studie en werk zouden leiden. Zij stelt dat de ouders van [eiser] dat nooit te kennen hebben gegeven en dat daarvoor op basis van de medische informatie geen grond bestond. Ten tijde van de schaderegeling was sprake van een stabiele eindsituatie met restklachten. Op basis van de medische informatie die op dat moment aan de zijde van [eiser] beschikbaar was, was er grond voor het opnemen van een voorbehoud voor een eventueel in de toekomst nodige operatie. Op basis van de beschikbare medische informatie was er geen enkele noodzaak om een ruimer voorbehoud op te nemen, nog afgezien van de vraag of er dan een regeling tot stand was gekomen. In november 2008 verklaarde orthopedisch chirurg [B] dat er op dat moment sprake was van een stabiele situatie. Daarna is de schaderegeling is opgepakt. In de schaderegeling ging het onder andere over vergoeding van het smartengeld. Andere voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten waren er op dat moment niet (meer), aldus ARAG.

 

 

3.6.

Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat alle communicatie met mr. [A] destijds telefonisch en op schrift heeft plaatsgevonden en dat zij elkaar nooit hebben gezien. ARAG heeft ter zitting toegelicht dat het haar niet bekend is of er in het dossier aanknopingspunten zijn dat er destijds over andere posten dan smartengeld is gesproken en of er over de gevolgen van de beperkingen is gesproken. Dat er destijds bij de schadeafhandeling over eventuele gevolgschade is gesproken is niet vast komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank had het voor ARAG echter kenbaar moeten zijn dat het voor [eiser] van belang was dat het voorbehoud ook zou strekken tot eventuele gevolgschade als gevolg van beperkingen en niet alleen tot een eventuele cosmetische operatie. Daartoe dient het volgende.

 

 

3.7.

 

Uit de stukken blijkt dat [bedrijfsnaam 2] er in de onderhandelingen van uitging dat [eiser] in 2008 geen elleboogklachten meer had. De vader van [eiser] gaat hier in zijn correspondentie aan mr. [A] op in, hij bestrijdt dit en wijst op het belang van een voorbehoud. Zo meldt hij op 5 oktober 2009, voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ARAG het volgende:

 

‘Uit de brief van […] citeer ik: “Bij de laatste policontrole in 2008 blijkt [voornaam van eiser] over het algemeen geen klachten te hebben met zijn elleboog.”

 

Waaruit […] dit meent te constateren, is ons niet duidelijk. In de praktijk blijkt [voornaam van eiser] nog regelmatig beperkingen te hebben door zijn elleboog. Zo is o.a. in bepaalde situaties een duidelijk krachtsverschil waarneembaar.

 

Daarnaast heeft [voornaam van eiser] zelf aangegeven, een corrigerende operatie te willen ondergaan. Dit geeft voor ons aan dat [voornaam van eiser] psychisch moeite heeft met de stand en het uiterlijk van zijn arm. Binnen het Azm vindt men het risico van een dergelijke operatie te groot.

 

Op dit moment kunnen wij nog niet inschatten of [voornaam van eiser] op termijn toch een corrigerende operatie verkiest.

 

 

 

 

Gezien het bovenstaande willen wij toch vasthouden aan een voorbehoud. Wij zouden het op prijs stellen indien u dit nogmaals wilt voorleggen aan uw medisch adviseur.

 

Indien het voorbehoud wordt geaccepteerd, gaan wij accoord met de voorgestelde financiële afhandeling.’

 

 

 

3.8.

 

In de vervolgcorrespondentie tussen ARAG en [bedrijfsnaam 2] komt dan met betrekking tot het voorbehoud alleen nog de mogelijke corrigerende operatie ter sprake en niet meer de door de vader gemelde beperkingen van [eiser] , zoals het krachtsverschil. Vervolgens wordt het eventueel operatief corrigeren van de standsafwijking van het ellebooggewricht in het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst opgenomen. Voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst vraagt de vader van [eiser] ARAG om uitleg over de reikwijdte van het opgenomen voorbehoud. Zo schrijft hij op 26 december 2009 aan ARAG:

 

‘(…)

 

Uit de vaststellingsovereenkomst van “ [bedrijfsnaam 2] ” citeer ik:

 

“gelaerdeerde verleent, met inachtneming van voornoemd voorbehoud, [bedrijfsnaam 2] en verzekerde algehele, finale kwijting met betrekking tot alle materiële en immateriële schade die gelaerdeerde lijdt, heeft geleden en zal lijden, uit welke hoofde en van welke aard dan ook als gevolg van voornoemd ongeval.”

 

 

 

 

Mochten er, onverhoopt, na een eventuele corrigerende operatie, grotere belemmeringen ontstaan, meen ik uit het geciteerde te moeten concluderen dat aansprakelijkstelling niet meer mogelijk is. Of ben ik hierin abuis?

 

Deze optie/mogelijkheid zou ik voor de toekomst wel open willen houden.

 

De vaststellingsovereenkomst is mij, in deze, niet duidelijk. Kunt u mij hierin duidelijkheid verschaffen?’

 

Op 18 januari 2010 beantwoordt ARAG de ouders van [eiser] als volgt:

 

‘(…) In diezelfde vaststellingsovereenkomst staat dat er nadrukkelijk een voorbehoud wordt gemaakt voor de toekomst in verband met een corrigerende ingreep in de toekomst, tot 13-11-2015. Verderop staat nog een keer dat er kwijting wordt verleend met inachtneming van het voorbehoud.

 

Een en ander is voldoende duidelijk.

 

 

 

 

De laatste zin, waarin nog een keer iets staat over finale kwijting, is in feite overbodig omdat het voorbehoud al twee keer is genoemd. U kunt de overeenkomst dus gerust tekenen en naar mij sturen.’

 

Hierna heeft [eiser] in maart 2010 de vaststellingsovereenkomst getekend.

 

 

 

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de correspondentie van de vader aan ARAG dat hij een voorbehoud met een ruimere strekking voor [eiser] wenste dan is overeengekomen met [bedrijfsnaam 2] . De vader van [eiser] geeft in zijn correspondentie immers aan dat [eiser] beperkingen ondervindt zoals krachtsverschil en hij schrijft aan ARAG dat hij voor de toekomst de mogelijkheid tot aansprakelijkheidstelling open wil houden voor het geval er grotere belemmeringen mochten ontstaan. Door in reactie op zijn vraag om op dit punt in de vaststellingsovereenkomst duidelijkheid te verschaffen te antwoorden dat de overeenkomst gerust getekend kan worden – en daarbij geen antwoord op de vraag te geven en enkel te verwijzen naar de tekst van het voorbehoud – heeft ARAG (bij de ouders van) [eiser] de indruk kunnen wekken dat het voorbehoud ruimer was dan het er stond. Door op dit punt onduidelijk te blijven heeft ARAG naar het oordeel van de rechtbank [eiser] niet in voldoende mate in staat gesteld goed geïnformeerd te beslissen. Gelet op de leeftijd van [eiser] en de door de vader van [eiser] aangegeven aanwezige beperkingen, lag het naar het oordeel van de rechtbank verder voor de hand om het risico van een mogelijke studievertraging en eventuele beperkingen bij de loopbaan in de toekomst bij de onderhandelingen over het voorbehoud te betrekken. Uit niets blijkt dat ARAG inhoudelijk is teruggekomen op de opmerking van de vader van [eiser] die er op heeft gewezen dat er wel beperkingen waren. Het ligt op de weg van een juridisch adviseur deze opmerkingen te waarderen en bij het debat te betrekken. In dit geval is niet kenbaar dat de inhoudelijk relevante opmerkingen betrokken zijn in het gesprek tussen ARAG en [bedrijfsnaam 2] . De rechtbank acht dit niet terecht. Gelet op het genoemde functieverlies had het voorbehoud ook moeten zien op eventuele toekomstige schade door de aanwezige beperkingen.

 

 

3.10.

Ook tegen de achtergrond dat de inhoud van het voorbehoud aansloot op de medische adviezen en rapportages mag van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtshulpverlener bij het afwikkelen van de letselschade van een minderjarige worden verwacht dat, als er wel aanknopingspunten zijn voor een risico van toekomstige beperkingen, deze dit bij de onderhandelingen over het voorbehoud betrekt en over de reikwijdte van de inhoud van het uiteindelijk in de vaststellingsovereenkomst op te nemen voorbehoud jegens zijn cliënt duidelijk is zodat deze goed geïnformeerd kan beslissen. Door dit na te laten heeft ARAG naar het oordeel van de rechtbank niet gehandeld overeenkomstig de wijze waarop een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in deze omstandigheden zou hebben gehandeld en heeft zij dus een beroepsfout gemaakt. Dit betekent dat ARAG in beginsel gehouden de schade die [eiser] daardoor heeft geleden te vergoeden.

 

 

3.11.

[eiser] heeft er voor gekozen om zich in de procedure te beperken tot de aansprakelijkheidsvraag. De schade is nog niet geconcretiseerd en [eiser] heeft in het petitum geen verwijzing naar de schadestaat gevorderd. [eiser] zal zich daarom nader moeten uitlaten over de omvang van de door hem geleden schade.

 

 

3.12.

ARAG heeft betoogd dat er geen causaal verband is tussen de eventuele schade en de gemaakte fout. Zij stelt dat [eiser] zijn schade op [bedrijfsnaam 2] had kunnen verhalen. Verder betwist zij dat in medische zin de klachten van [eiser] erger zijn geworden dan ten tijde van de schaderegeling.

 

 

3.13.

De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen causaal verband bestaat omdat de schade ook op [bedrijfsnaam 2] verhaald zou kunnen worden. [eiser] heeft [bedrijfsnaam 2] aangeschreven. [bedrijfsnaam 2] heeft vervolgens gesteld dat de schade waarvan thans vergoeding verlangd wordt, niet onder de reikwijdte van het indertijd gemaakte voorbehoud valt. Daarmee is de mogelijke rechtstreekse vergoeding door [bedrijfsnaam 2] aan de orde geweest. Van [eiser] kan niet gevergd dat hij een onzekere langdurige procedure tegen [bedrijfsnaam 2] start alvorens ARAG in rechte te betrekken. De stellingname van [bedrijfsnaam 2] vindt zijn grondslag in de wijze waarop het voorbehoud geformuleerd is. Het was aan ARAG juist deze situatie te voorkomen.

 

 

3.14.

Het is verder niet relevant dat de medische klachten als zodanig erger zijn geworden. Het gaat om de vergoeding van de schade die voortvloeit uit de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid gegrond is. Wat in het verdere debat wel relevant is, is de vraag of de verdere schade, of een deel daarvan, een andere oorzaak heeft. Daarvan is thans niet gebleken maar dat zal bij het verdere debat moeten worden betrokken.

 

3.15.

[eiser] zal zich als eerste over de schade kunnen uitlaten. Vervolgens is het aan ARAG om daar op te reageren. Voorstelbaar is dat te zijner tijd een nieuwe comparitie gepland zou moeten worden, indien de aktewisseling daar aanleiding voor geeft. Bij de schadeopstelling kunnen de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente meegenomen worden, zodat op deze punten thans nog niet wordt beslist.

 

 

3.16.

In het geval partijen met elkaar in overleg willen treden over de afwikkeling van de schade, kan de rechtbank desgewenst de zaak aanhouden of naar de parkeerrol verwijzen.

 

 

 

4 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 december 2016 voor het nemen van een akte door [eiser] over de door hem geleden schade, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

 

 

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.1

 

 

 

1

type: PvT (4189) coll: JOZ

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots