Rb: alleen rechtbank die eerder deelgeschil heeft behandelend relatief bevoegd bij daaropvolgende bodemprocedure

Samenvatting:

Welke rechtbank is relatief bevoegd kennis te nemen van bodemprocedure tussen partijen na een eerdere deelgeschilprocedure? De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis en oordeelt dat de rechtbank die het deelgeschil heeft behandeld exclusief relatief bevoegd is om van de daaropvolgende bodemprocedure kennis te nemen. Met het woord ‘tevens’ in de tweede volzin van artikel 1019x lid 2 Rv wordt niet bedoeld dat de rechter die reeds eerder het deelgeschil heeft behandeld naast overigens relatief bevoegde rechters (relatief) bevoegd is om van de zaak ten principale kennis te nemen. Hiermee wordt juist bedoeld dat deze rechter niet alleen bevoegd is om een volgend deelgeschil te behandelen, maar ook de zaak ten principale.

 

ECLI:NL:RBNNE:2021:910

Instantie

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak

24-03-2021

Datum publicatie

01-04-2021

Zaaknummer

C/18/202814 / HA ZA 20-262

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Vereenvoudigde behandeling

Op tegenspraak

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Artikel 1019x lid 2 Rv. Bevoegdheidsvraag.

 

Welke rechtbank is relatief bevoegd kennis te nemen van bodemprocedure tussen partijen na een eerdere deelgeschilprocedure?

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

 

Locatie Groningen

 

zaaknummer / rolnummer: C/18/202814 / HA ZA 20-262

 

Vonnis van 24 maart 2021

 

in de zaak van

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

DURA VERMEER BOUW HENGELO B.V.,

 

gevestigd te Hengelo,

 

eiseres, hierna te noemen: Dura Vermeer,

 

advocaat: mr. R.S. Ariëns te Amsterdam,

 

tegen

 

[gedaagde] ,

 

wonende te [woonplaats gedaagde 1],

 

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],

 

advocaat: mr. L.M.V. Douwes te Zeist.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 30 november 2020 houdende verzoek tot het verlenen van verlof voor het instellen van hoger beroep en aanhouding van de procedure voor het overige;

 

de akte uitlating van [gedaagde].

 

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

 

2Kern van de zaak

In deze zaak is, kort samengevat, het volgende aan de orde.

 

2.1.

Op 12 januari 2017 is [gedaagde], die als uitzendkracht werkzaam was, een ongeval overkomen op een nieuwbouwproject van bouwbedrijf Dura Vermeer, te weten het [plaats ongeval]. [gedaagde] is toen door een gipsen plafond gevallen ter plaatse van de vloer van de eerste verdieping van het pand. Hierbij heeft hij letsel opgelopen. [gedaagde] heeft Dura Vermeer op 11 februari 2017 op grond van artikel 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) voor (de gevolgen van) dit ongeval aansprakelijk gesteld. Dura Vermeer heeft haar aansprakelijkheid van de hand gewezen, stellende dat zij [gedaagde] vóór het ongeval deugdelijke instructies had gegeven en hem uitdrukkelijk heeft geïnstrueerd om het betreffende plafond niet te betreden.

 

2.2.

[gedaagde] heeft vervolgens een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen Dura Vermeer aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede (hierna ook: de kantonrechter), waarin hij onder andere heeft verzocht om voor recht te verklaren dat Dura Vermeer aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval en gehouden is tot betaling van schadevergoeding.

 

2.3.

Bij beschikking van 25 september 2020 heeft voornoemde kantonrechter beslist dat Dura Vermeer aansprakelijk is voor het [gedaagde] overkomen ongeval en dat Dura Vermeer gehouden is om de daaruit voor [gedaagde] voortvloeiende materiële en immateriële schade te vergoeden. Voorts heeft de kantonrechter Dura Vermeer veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van een voorschot onder algemene titel van € 7.000,- en de kosten van het deelgeschil.

 

2.4.

Dura Vermeer heeft inmiddels hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de deelgeschilprocedure ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

 

3Het verzoek

3.1.

Dura Vermeer is het niet eens met de beschikking van de kantonrechter en is daarom al in hoger beroep gegaan. Hoger beroep tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan slechts worden ingesteld binnen het bestek van een bodemprocedure. Dura Vermeer is daarom op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv (tijdig) de onderhavige bodemprocedure gestart. Dura Vermeer verzoekt de rechtbank thans om haar op basis van genoemd wetsartikel verlof te verlenen om in hoger beroep te gaan en voor het overige deze bodemprocedure in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tegen de beschikking in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol te verwijzen dan wel aan te houden.

 

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Volgens hem is deze rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige bodemprocedure, nu de rechtbank die het deelgeschil heeft behandeld exclusief relatief bevoegd is om van de bodemprocedure kennis te nemen. Dura Vermeer had de bodemprocedure dan ook moeten aanbrengen bij de rechtbank Overijssel (door [gedaagde] abusievelijk “Rechtbank Enschede” genoemd, de rechtbank zal dit verbeterd lezen). Verder wijst [gedaagde] erop dat de dagvaarding nietig is, nu deze geen eis en de gronden daarvan bevat. Ten slotte heeft Dura Vermeer volgens [gedaagde] reeds hoger beroep ingesteld voordat de rechter in eerste aanleg over het daarvoor vereiste verlof heeft beslist, op grond waarvan Dura Vermeer niet in haar verzoek kan worden ontvangen.

 

4De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv kan in een bodemprocedure (“de procedure ten principale”) van de beschikking in een deelgeschilprocedure, voor zover daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, bij het gerechtshof hoger beroep worden ingesteld als van een tussenvonnis, indien de rechter in eerste aanleg hiertoe des verzocht (voorafgaand) verlof heeft verleend. Dura Vermeer verzoekt thans een zodanig verlof aan haar te verlenen.

 

4.2.

Deze rechtbank is van oordeel dat zij onbevoegd is om van de onderhavige bodemprocedure kennis te nemen en dat de zaak naar de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, moet worden verwezen, om door die rechter verder te worden behandeld en beslist. Daartoe is het volgende redengevend.

 

4.3.

[gedaagde] woont in [woonplaats gedaagde 2]. Op grond van artikel 99 Rv zou deze rechtbank daarom in beginsel relatief bevoegd zijn om van een vordering van Dura Vermeer tegen [gedaagde] kennis te nemen. In artikel 1019x Rv wordt echter een bijzondere bevoegdheidsregeling gegeven voor de deelgeschilprocedure. Artikel 1019x lid 2 Rv bepaalt dat indien een van de partijen reeds eerder een verzoek als bedoeld in artikel 1019w, eerste lid, Rv heeft gedaan, het verzoek wordt gedaan aan de rechter die het eerdere verzoek behandelt of laatstelijk behandeld heeft. Deze rechter is tevens bevoegd om kennis te nemen van de zaak ten principale indien deze wordt aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 1019x lid 2 Rv zo worden gelezen dat uitsluitend de rechter voor wie een eerdere deelgeschilprocedure aanhangig is geweest, relatief bevoegd is om van een latere bodemprocedure tussen partijen, betreffende hetzelfde geschil, kennis te nemen. Dit kan uit de hiernavolgende passages uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid.

 

4.3.1.

Op 25 juni 2009 heeft het (toenmalige) Kamerlid Teeven een amendement ingediend (TK 2008-2009, 31 518, nr. 11), met het voorstel in artikel 1019x een lid in te voegen, luidende:

 

“Indien een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 1019w, is de rechter die het verzoek behandelt of heeft behandeld, tevens bevoegd kennis te nemen van een volgend verzoek als bedoeld in artikel 1019w, eerste lid en van de zaak ten principale indien deze aanhangig wordt gemaakt.”

 

4.3.2.

Ter toelichting is in dit amendement opgemerkt dat kennis over een bepaalde zaak zoveel mogelijk geconcentreerd moet worden bij dezelfde rechter, ter vermindering van de belasting van de rechterlijke macht en ter voorkoming van vertraging van de procedure. Verder heeft de opsteller van het amendement verwezen naar artikel 1019w lid 2 Rv (bedoeld zal zijn: artikel 1019x lid 2 Rv), waarin is bepaald dat de rechter voor wie de bodemprocedure aanhangig is, ook over het deelgeschil oordeelt. Voorts wordt opgemerkt:

 

“Dit amendement regelt dat andersom ook de rechter, die over het deelgeschil heeft geoordeeld, kan oordelen over een volgend deelgeschil of over de bodemprocedure.”

 

4.3.3.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel heeft Kamerlid Teeven te kennen gegeven dat hij het wenselijk vindt dat een eventueel te volgen bodemprocedure altijd bij dezelfde relatief bevoegde rechter plaatsvindt. Hierop heeft de toenmalige Minister van Justitie Hirsch Ballin onder meer geantwoord:

 

“Naar aanleiding van mijn antwoord stelde de heer Teeven nog vragen over de absolute competentie. Hij vroeg of je dat niet beter kunt regelen bij de relatieve competentie. Ik denk dat dit ook geen erg frequente situaties zijn, maar daar zit wel wat in. Misschien kan de heer Teeven zijn amendement daarop toespitsen. Ik denk dat dit op zichzelf goed kan worden verwoord. Dan ligt het voor de hand om het zowel te regelen voor de situatie dat er eerst een deelgeschil is en dan de zaak ten principale als oor de situatie dat er een deelgeschil komt en daarna nog een deelgeschil. Dan zou ik zeggen dat wij voor beide dezelfde aanvullende regel over de aanvullende competentie opnemen. Als de heer Teeven een amendement van deze strekking zou willen voorstellen, dan zal ik aanneming daarvan al evenmin ontraden.”

 

4.3.4.

Hierna heeft Kamerlid Teeven zijn amendement gewijzigd, waarbij de tekst is voorgesteld die thans in de wet staat (zie TK 2008-2009, 31 518, nr. 14). Dit amendement is met algemene stemmen aangenomen zonder verdere beraadslaging.

 

4.3.5.

Ten slotte blijkt uit de Memorie van Antwoord (EK 2009-2010, 31 518, C, p. 8):

 

“Ingevolge het voorgestelde artikel 1019x, tweede lid, Rv, oordeelt een rechter die over een deelgeschil heeft geoordeeld niet alleen over een volgend deelgeschil in dezelfde zaak, maar ook over een eventuele daaropvolgende bodemprocedure.”

 

4.4.

Deze parlementaire geschiedenis wijst erop dat de rechtbank die het deelgeschil heeft behandeld exclusief relatief bevoegd is om van de daaropvolgende bodemprocedure kennis te nemen. Met het woord ‘tevens’ in de tweede volzin van artikel 1019x lid 2 Rv wordt niet bedoeld dat de rechter die reeds eerder het deelgeschil heeft behandeld naast overigens relatief bevoegde rechters (relatief) bevoegd is om van de zaak ten principale kennis te nemen. Hiermee wordt juist bedoeld dat deze rechter niet alleen bevoegd is om een volgend deelgeschil te behandelen, maar ook de zaak ten principale.1

 

4.5.

Nu de rechtbank Overijssel de deelgeschilprocedure heeft behandeld, is deze rechtbank voor wat betreft deze (opvolgende) bodemprocedure de relatief bevoegde rechter. Meer in het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat – gelet op de aan de orde zijnde materie en het feit dat de kantonrechter van die rechtbank het deelgeschil heeft behandeld – de zaak door de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, moet worden behandeld. De rechtbank zal de zaak dan ook naar deze kantonrechter doorverwijzen ter verdere behandeling en beslissing. Het is aan deze kantonrechter om te beslissen op het door Dura Vermeer gedane verzoek tot het openstellen van hoger beroep en aanhouding van de bodemprocedure.

 

4.6.

Wat de voortzetting van de procedure betreft verwijst de rechtbank naar het bepaalde in de artikelen 110, tweede lid, jo. 74, eerste en derde lid Rv.

 

5BESLISSING

De rechtbank:

 

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen;

 

5.2.

verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling en beslissing naar de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2021.

 

MP (614)

 

1Zie ook A.I.M. van Mierlo in Tekst & Commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 1019x Rv, aantekening 2 onder b en Chr. H. van Dijk, ‘Bevoegde rechter en bevoegdheden van de rechter, VRA 2010, p. 168 en rechtbank Arnhem, 11 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:3841.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey