Rb: achterop-aanrijding, elkaar tegensprekende getuigen, nadere bewijslevering nodig, deelgeschil volstrekt onnodig ingesteld 

Samenvatting:

Verzoeker stelt verweerder aansprakelijk, omdat hij achterop is gereden toen hij stilstond voor stoplicht. Bewijslast rust op verzoeker o.g.v. art 150 Rv. Drie onafhankelijke getuigen hebben  verschillende getuigenverklaringen afgelegd. 1. De kantonrechter oordeelt dat in een situatie als de onderhavige waarbij vier verschillende getuigenverklaringen zijn afgelegd door drie van partijen onafhankelijke getuigen, het voor de kantonrechter niet mogelijk is om vast te stellen wie aansprakelijk is. De door verzoeker gestelde toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. Voor nadere bewijslevering is in de deelgeschilprocedure geen plaats omdat te verwachten is dat deze bewijslevering, het horen van de getuigen, veel tijd in beslag zal nemen. Vordering afgewezen. 2. Deelgeschil volstrekt onnodig ingesteld, geen kostenbegroting. 

 

 

ECLI:NL:RBNHO:2020:6626

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

20-08-2020

Datum publicatie

27-08-2020

Zaaknummer

8294897 EJ VERZ 20-3

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

“Deelgeschil. Verklaring voor recht met betrekking tot aansprakelijkheid verkeersongeval afgewezen. Drie van partijen onafhankelijke getuigen hebben vier verschillende getuigenverklaringen afgelegd. Geen kostenbegroting.”

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

 

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rekestnummer: 8294897/ EJ VERZ 20-3

 

Beschikking van 20 augustus 2020

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

gemachtigde F. Krougman te Oudenbosch, gemeente Halderberge,

 

tegen

 

  1. [verweerder],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

2) M.S. AMLIN INSURANCE SE

 

h.o.d.n. AMLIN CORPORATE INSURANCE,

 

statutair gevestigd te Brussel en kantoorhoudende te Amstelveen,

 

verweerders,

 

advocaat mr. R.D. Leen te Amsterdam.

 

Verzoeker zal hierna “ [verzoeker] ” worden genoemd. Verweerders zullen hierna respectievelijk “ [verweerder] ” en “Amlin” genoemd worden en gezamenlijk “ [verweerders] ” genoemd worden.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

het verzoekschrift (met producties VR.I tot en met VR.XXI),

 

het aanvullend verzoekschrift,

 

het verweerschrift (met producties 1 tot en met 13),

 

het e-mailbericht van Krougman van 2 juli 2020, en

 

het e-mailbericht van mr. Leen van 6 juli 2020.

 

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020, in verband met de Covid-19 maatregelen via een Skypeverbinding.

 

Verschenen zijn: [verzoeker] , bijgestaan door F. Krougman (hierna: Krougman) en [verweerder] , bijgestaan door mr. Leen voornoemd. Alle aanwezigen, op de griffier na, waren zichtbaar en hoorbaar voor elkaar.

 

Krougman heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd.

 

  1. De feiten

 

2.1.

Op 11 juni 2017 is [verweerder] op de Loevensteinse Randweg nabij Schiphol en voor een stoplicht met zijn auto van achteren tegen de (taxi)auto van [verzoeker] gereden. [verzoeker] is door de impact van de aanrijding doorgedrukt op zijn voorganger.

 

2.2.

In een verklaring van 11 juni 2017 heeft [verweerder] het volgende over de aanrijding opgenomen:

 

“Op het moment dat ik ter hoogte van deze afslag rijd, wordt ik nog met hoge snelheid ingehaald door een taxi, die de afslag voor linksaf hiervoor nog gebruikt.

 

Verderop staat het verkeerslicht op rood en de taxi weet nog op tijd te stoppen, maar mijn remweg en de actie van de taxichauffeur is hierdoor zoveel verkort dat het voor mij onmogelijk is om nog op tijd tot stilstand te komen.

 

Hierdoor bots ik vol op de achterkant van de taxi en deze weer op en voorliggende stilstaande auto.”

 

2.3.

Op het moment van aanrijding bevond zich een passagier in de taxi van [verzoeker] , mevrouw [XX] (hierna: [XX] ). Zij heeft twee getuigenverklaringen afgelegd.

 

2.4.

In de verklaring verzonden op 11 augustus 2017 verklaart [XX] :

 

“ (…)

 

Mr. [verzoeker] was taking me to the airport, we had to take the detour/longer road because of certain constructions and traffic happening at that time to the road to Schiphol.

 

While we were driving straight and out of the blue, I felt someone crashing us from behind. That pushed us towards crashing another car in front of us.

 

It was very unexpected and scary because it was completely out of nowhere and the crash happened while we were just moving on a straight line at a steady speed. I remember that I got startled by the noise and was scared by the crash itself.

 

Mr. [verzoeker] stopped to talk tot he drivers (…)”

 

2.5.

In de verklaring verzonden op 27 november 2017 verklaart [XX] :

 

“1) From which location did you see the accident en did you have an unobstructed view of the accident? What did you see of hear?

 

I was in the car and another car hit us from behind. We were stopped at a temporary red traffic ligth because of construction work. I believe we were stopped for a minute or so At the time I felt the crash and we were pushed in the car in the front of us.

 

2)At what speeds did the involved car drive? (…)

 

The car was stopped completely

 

7) Who was wrong in your opinion? Can you explain that?

 

The blue ford was wrong. We were hit whitout any reason while stopped, so it’s clear that the driver behind lost control and hit us.”

 

2.6.

Na de aanrijding hebben twee andere weggebruikers zich bij partijen gemeld als zijnde getuigen van de aanrijding, de heer [YY] (hierna: [YY] ) en de heer [ZZ] (hierna: [ZZ] ). Ook zij hebben een getuigenverklaring afgelegd.

 

2.7.

[YY] heeft, voor zover van belang, verklaard op 14 juni 2017:

 

“Op zondag 11/6/2017 rijdt ik op de Loevesteinse Randweg (dienstweg) richting Schiphol en zag ik een auto van achter mij aan komen rijden, (…) met een enorm hoge snelheid. Hij reed mij links voorbij en ging al slalommend links recht al de auto’s voor mij inhalend voorbij met een hogere snelheid dan is toegestaan. Bij het laatste stoplicht vóór de tunnel zijn 2 voorsorteervakken één voor linksaf en één voor rechtdoor. Hij ging voorsorteren om linksaf te slaan en besloot op het laatste moment voor het verkeerslicht van richting te veranderen naar het voorsorteervak van rechtdoor en kwam doordoor tussen twee auto’s terecht met een minimale afstand om te kunnen reageren bij een totale stop. Op het moment dat hij tussen de twee auto’s reedt ging het verkeerslicht op rood en stopte de eerste auto voor hem. Hierbij had de taxichauffeur geen tijd om op tijd te stoppen en knalde hij op zijn voorganger en de auto achter hem had niet genoegd ruimte daardoor om op tijd te stoppen, achter hem was op korte afstand doordat hij tussen de auto’s in ging rijden en knalde op de taxi.(…)”

 

2.8.

[ZZ] heeft in zijn verklaring van 30 augustus 2017 verklaard:

 

“Op datum 11-6-2017 jl. rond 13.30 uur was ik vanaf Schiphol Oost richting Schiphol Noord-West op de Loevesteinse Randweg onderweg (…) om links richting (…) af te slaan. Ik stond stil bij de stoplicht. Ik zag op de rechter rijbaan een auto blauwe Ford kenteken [xx] met hoge snelheid aan komen en door rood stoplicht (rond 2 tot 3 sec na oranje) rijden, meneer was aan het bellen en waarschijnlijk hierdoor afgeleid waardoor niet op de stoplicht kunnen anticiperen. Er was voor mij op de doorgaande weg op de Lovesteins Randweg richting Schiphol tunnel wegwerkzaamheden waardoor er een tijdelijke stoplicht geplaatst was en er een rij auto’s stil stonden. De blauwe Ford (…) heeft na het door rood rijden niet op tijd kunnen afremmen, hierdoor op de achterzijde van de grijze Mercedes met kenteken [yy] gebotst. De blauwe Ford (…) heeft binnen enkele seconden 2 gevaarlijke manouveres uitgehaald wat uiteindelijk tot een ernstig verkeersongeval heeft geleid. Aangezien ik alles heb kunnen waarnemen, vind ik het dan ook niet meer dan logisch om een getuigenis verklaring af te leggen.”

 

2.9.

Op 13 juni 2017 heeft [verzoeker] Amlin voor het eerst aansprakelijk gesteld voor zijn geleden en nog te lijden schade als gevolg van de aanrijding.

 

2.10.

Namens Amlin is aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval afgewezen.

 

3Het geschil

3.1.

[verzoeker] vordert – samengevat – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat Koopmans c.s. aansprakelijk is voor de door hem geleden letsel- en immateriële schade ontstaan als gevolg van het ongeval op 11 juni 2017.

 

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] , samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag. [verweerder] is, nadat [verzoeker] voor een rood stoplicht was gestopt, achterop de auto van [verzoeker] gereden. [verweerder] was derhalve niet in staat zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was. [verweerder] heeft daarmee een onrechtmatige daad gepleegd omdat hij heeft gehandeld in strijd met de artikelen 5,5a en 6 van de Wegenverkeerswet en artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (hierna: RVV) dan wel in strijd heeft gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm. Indien een ongeval plaatsvindt door een gemaakte overtreding van de wettelijke normen dan wordt deze overtreding geacht in causaal verband te staan met het ontstaan van een ongeval, behoudens te leveren tegenbewijs. [verzoeker] betwist dat de aanrijding een gevolg is van zijn rijgedrag voorafgaand aan de aanrijding.

 

3.3.

[verweerders] voert gemotiveerd verweer en betwist aansprakelijk te zijn voor het letsel dat [verzoeker] na het ongeval heeft (gehad). Het gevaarscheppend handelen van [verzoeker] heeft het ongeval veroorzaakt doordat hij vlak voor [verweerder] invoegde en daarmee de remweg van [verweerder] voor het rode stoplicht zo kort maakte dat het voor [verweerder] niet meer mogelijk was tijdig te stoppen. [verweerder] betwist dat het enkele feit dat er sprake is van een achteraan-oprijding volgt dat de automobilist die achterop is gereden aansprakelijk is. De gestelde toedracht van de aanrijding staat niet vast als gevolg waarvan het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen. De deelgeschilprocedure leent zich niet voor nadere bewijslevering. Subsidiair stelt [verweerder] dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat de aanrijding het gevolg is van het handelen van [verzoeker] zelf. De deelgeschilprocedure is volstrekt onnodig en onterecht in gesteld waardoor er geen kostenbegroting dient plaats te vinden.

 

3.4.

De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

 

4De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Op grond van artikel 1019x lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoek in een deelgeschil te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Een verzoek bij de kantonrechter kan onder meer worden gedaan indien het belang van het verzoek het bedrag van € 25.000,- niet overstijgt. In zijn schadestaat heeft [verzoeker] zijn schade gesteld op € 8.717,72, waarbij hij het verlies aan arbeidsvermogen (hierna vav) heeft gesteld op 7.252,32 en de (overige) vav heeft gesteld op P.M. Na de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] , bij e-mail van 2 juli 2020, aangegeven dat het totale bedrag aan vav € 7.252,32 bedraagt. Weliswaar heeft [verzoeker] in de schadestaat ook het eigen risico met betrekking tot de medische kosten op P.M. gesteld. Deze kosten zijn over het algemeen beperkt tot enkele honderden euro’s. Gelet op voornoemde verklaring van [verzoeker] is niet te verwachten dat zijn totale schade het bedrag van € 25.000,- zal overstijgen zodat de kantonrechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

 

 

Inhoudelijke beoordeling

4.2. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde komen. De aansprakelijkheid betreft een geschil aan het begin van het traject van onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, het beginpunt zijn voor buitengerechtelijke onderhandelingen over de overige geschilpunten over (bijvoorbeeld) het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade en/of de omvang van de schade. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

 

4.3.

[verzoeker] stelt dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld en baseert zijn verzoek met name op artikel 19 RVV. Op basis van dit artikel moet een bestuurder in staat zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Uit jurisprudentie (onder meer ECLI:NL:HR:2001:AB1065) blijkt, in tegenstelling tot wat [verzoeker] stelt, dat bij een kop-staart botsing niet volgt dat de automobilist die achterop is gereden aansprakelijk is. De stelplicht en bewijslast blijven op grond van artikel 150 Rv liggen bij de eisende/verzoekende partij. Dit houdt in dat [verzoeker] de toedracht van de aanrijding dient te bewijzen. Nadat de aansprakelijkheid voor de aanrijding vast staat, kan worden toegekomen aan de vraag of er sprake is van eigen schuld aan het ontstaan van de aanrijding. In die fase bevindt het geschil van partijen zich nog niet.

 

4.4.

Partijen verschillen van mening wat de oorzaak is van de aanrijding van [verzoeker] door [verweerder] . [verzoeker] stelt dat hij stilstond voor het stoplicht en van achteren werd aangereden. [verweerder] stelt dat [verzoeker] hem vlak voor het stoplicht inhaalde, daarmee zijn remweg verkortte, waardoor [verweerder] niet meer op tijd kon stoppen. Naast partijen hebben drie andere getuigen een verklaring afgelegd, [XX] , [YY] en [ZZ] . De getuigenverklaringen van deze getuigen wijken op belangrijke onderdelen van elkaar af. In haar eerste verklaring verklaart [XX] dat zij en [verzoeker] rechtdoor reden op een gelijkmatige snelheid terwijl zij in haar tweede verklaring aangeeft dat zij en [verzoeker] volledig stil stonden voor een rood licht op het moment dat de auto van [verzoeker] werd aangereden. Het is de kantonrechter niet duidelijk is van welke verklaring dient te worden uitgegaan. Desgevraagd is namens [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de verklaringen van [XX] niet veel van elkaar verschillen, hetgeen de kantonrechter niet volgt. Ook is aangegeven dat het verschil te maken kan hebben met het feit dat [XX] de tweede verklaring op een veel later moment heeft afgelegd en zich het ongeval niet goed herinnerde. De tweede verklaring van [XX] sluit echter aan bij hetgeen [verzoeker] stelt met betrekking tot de oorzaak van de aanrijding.

 

[YY] verklaart dat [verzoeker] vlak voor het stoplicht van baan is gewisseld, geen tijd meer had om op tijd te remmen en op zijn voorganger botste terwijl de remweg van de auto achter hem door de actie van [verzoeker] zo klein werd dat ook deze auto niet meer op tijd tot stilstand kon worden gebracht. Volgens [ZZ] is het ongeval echter te wijten aan [verweerder] die al bellend door het eerste rode stoplicht reed en vervolgens niet op tijd kon stoppen en op de auto van [verzoeker] botste.

 

4.5.

In een situatie als de onderhavige waarbij vier verschillende getuigenverklaringen zijn afgelegd door drie van partijen onafhankelijke getuigen is het voor de kantonrechter niet mogelijk vast te stellen wie aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade als gevolg van de aanrijding op 11 juni 2017. [verzoeker] heeft zijn stelling dat [verweerder] aansprakelijk is voor het ongeval onvoldoende onderbouwd nu de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. Voor nadere bewijslevering is in de deelgeschilprocedure geen plaats omdat te verwachten is dat deze bewijslevering, het horen van de getuigen, veel tijd in beslag zal nemen. De kantonrechter gaat met dit oordeel voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hij geslaagd is in het bewijs van zijn stelling dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld omdat er twee getuigen zijn die verklaringen hebben afgelegd die overeenstemmen met zijn eigen verklaring. Deze stelling is enerzijds onjuist omdat [XX] twee verschillende verklaringen heeft afgelegd zodat aan deze verklaringen geen bewijskracht kan worden toegekend. Anderzijds verschilt ook de verklaring van [ZZ] dermate van de verklaringen van de andere getuigen dat niet zonder meer van de juistheid van deze verklaring kan worden uitgegaan. Het verzoek van [verzoeker] zal door de kantonrechter dan ook worden afgewezen.

 

Kosten van het deelgeschil

4.6. De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet volledig wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter is van oordeel dat deze deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld omdat de procedure te voorbarig is opgestart. In de onderhavige procedure zijn vier verschillende verklaringen van drie van partijen onafhankelijke getuigen overgelegd. Deze verklaringen verschillen zo van elkaar dat het op de weg van [verzoeker] had gelegen de getuigen eerst op te roepen voor een getuigenverhoor voordat hij een deelgeschilprocedure opstartte. [verzoeker] heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en onder deze omstandigheden zal de kantonrechter het verzoek om de kosten te begroten dan ook afwijzen.

 

5De beslissing

De kantonrechter:

 

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.1

 

1type: MKG coll: JR

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey