PIV-Bulletin 2017-1 Wat is redelijk in het kader van buitengerechtelijke kosten?

Samenvatting:

Wat is “redelijk”? De Van Dale zegt het volgende hierover [1]:
“ 1. Met rede begaafd;= verstandelijk 2. Rechtvaardig, billijk: dat zijn redelijke voorstellen 3. Tamelijk: redelijk goed 4. Tamelijk groot, tamelijk goed enz.: een redelijk inkomen” In de juridische verhouding tussen aansprakelijk gestelde partij en de benadeelde partij zal naar onze mening de tweede definitie aan de orde zijn, hoewel cynici zullen opmerken dat de vierde definitie ook toepasselijk is in veel gevallen.

De vraag wat als redelijk kan worden beschouwd is een tijdsgebonden vraag. Hof Amsterdam, te kennen uit HR 26 maart 1976, overwoog in een verkeerszaak:[2]

” dat Yvonne klaarblijkelijk – aan de rand van het struikgewas gekomen – zonder zich te vergewissen of over het fietspad verkeer naderde, hardlopend het fietspad is gaan oversteken, acht het Hof een ernstige fout, die ook valt toe te rekenen aan een zesjarig kind, waarvan gesteld noch gebleken is dat haar verkeersopvoeding ten achter is gebleven bij hetgeen in dit opzicht gewoonlijk aan een kind van die leeftijd wordt bijgebracht, waaronder – naar van algemene bekendheid is – ook de regel behoort dat een kind, staande op een veilige plaats, niet moet weghollen als er verkeer nadert.” [3] Het betrof in voornoemde uitspraak een aanrijding met een auto. De Hoge Raad verwierp het beroep op overmacht van de automobilist nu deze over het fietspad reed en verwees de zaak naar een ander hof, maar liet het oordeel van het hof dat het kind een fout had gemaakt intact. Het verwijzingshof kreeg de opdracht van de Hoge Raad de fout van het kind in de verhouding tot die van de automobilist te waarderen. Hoe redelijk is dat? Klaarblijkelijk werd dit in 1976 een redelijke benadering gevonden. Dit is nogal een groot contrast met het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1990, waarin eigen schuld van een kind jonger dan 14 jaar in geval van een aanrijding met een auto door de Hoge Raad met het billijkheidsargument werd afgeschaft (Ingrid Kolkman).[4] De meesten van ons zullen de overwegingen in het arrest van Ingrid Kolkman als redelijker ervaren dan de geciteerde overweging van het Hof Amsterdam over het verkeersgedrag van Yvonne Calis als zesjarig kind. Onze conclusie is dat redelijkheid een door het moment ingekleurd begrip is, zoals deze art. 185 WVW jurisprudentie laat zien. De buitengerechtelijke kosten zijn een terugkerend debat in letselschadezaken. Het is een onderwerp waarover veel wordt geschreven. Zie bijvoorbeeld Letsel & Schade 2016/4 waarin aan dit onderwerp een heel themanummer is gewijd. De discussie gaat in de meeste gevallen over de vraag of de gedeclareerde kosten voor verrichte werkzaamheden van de belangenbehartiger wel redelijk zijn. Die vraag moet in iedere zaak waarin een belangenbehartiger actief is, gesteld en beantwoord worden vanwege de tekst van art. 6:96 lid 2 sub b en sub c BW. Echter, de tekst van art. 6:96 lid 2 BW geeft geen handvatten voor beantwoording van de vraag wat een redelijk uurtarief is en welke omvang van de werkzaamheden redelijk is. De rechtspraak loopt op dit punt, vanwege de casuïstiek, erg uiteen.[5]

Redelijkheidstoets

Redelijke kosten die een benadeelde maakt ter vaststelling van zijn schade en ter vaststelling van aansprakelijkheid kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Ook redelijke kosten die zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte kunnen worden vergoed. De grondslag hiervoor is sinds 1992 opgenomen in art. 6:96 lid 2 onder b en c BW. In 1987 oordeelde de Hoge Raad in het Drenth-arrest dat kosten van rechtsbijstand kunnen worden vergoed.[6] De Hoge Raad anticipeerde aldus op het in 1992 ingevoerde art. 6:96 BW. 

Voor de vraag of de gemaakte buitengerechtelijke kosten die door de belangenbehartiger in rekening worden gebracht redelijk zijn, worden deze kosten getoetst aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets. De eerste redelijkheidstoets ziet op de vraag of het noodzakelijk is om een deskundige belangenbehartiger in te schakelen.[7] Deze vraag zal in het algemeen niet tot veel discussie leiden op het moment dat er een ongeval heeft plaatsgevonden en er daardoor letselschade is ontstaan. De gewonde kan te maken krijgen met moeilijke vragen betreffende aansprakelijkheid, oorzakelijk verband en de schadeomvang. Als dan aan de zijde van de aansprakelijke partij één of meer deskundigen optreden zal de inschakeling daarvan door de benadeelde al snel redelijk (kunnen) worden geacht, aldus de Hoge Raad in het Drenth arrest.[8] In het geval van een verhaalsrecht voor loonschade ex. art. 6:107a lid 2 BW is het niet zonder meer redelijk om rechtsbijstand in te schakelen indien de aansprakelijkheid is erkend. In situaties waarin tussen partijen geen discussie bestaat over de uitgangspunten voor de berekening, zoals de vraag over de causaliteit, het tijdvlak waarin loonschade is geleden en de eventuele reïntegratiehandelingen, ligt het niet voor de hand om de loonschade door een rechtsbijstandverlener af te laten wikkelen.[9] In dat geval kan het inschakelen van een deskundige de eerste redelijkheidstoets mogelijk niet doorstaan. 

Bij de beoordeling of de gemaakte buitengerechtelijke kosten de tweede redelijkheidstoets kunnen doorstaan dient de omvang van de schade van benadeelde als één van de in aanmerking te nemen aspecten te worden meegewogen.[10] Daarnaast is van belang of met betrekking tot het causaliteitsvraagstuk discussie heeft plaatsgevonden. In dat geval is het redelijk dat de tussenkomst van een advocaat op dit punt tijd heeft gekost.[11] 

Ter beperking van het onderwerp (wij schrijven niet een themanummer) behandelen wij de meest voorkomende situatie, dat wil zeggen de situatie waarin aansprakelijkheid is erkend jegens de benadeelde. De te verrichten werkzaamheden hebben daardoor slechts nog betrekking op het vaststellen (van de omvang) van de schade. Wij achten dat een voor de beoordeling van de redelijkheid van de gedeclareerde werkzaamheden belangrijke constatering. Onzes inziens brengt dat onvermijdelijk met zich dat de te vergoeden werkzaamheden gericht moeten zijn op het vaststellen van schade en een zichtbare en daarmee meetbare bijdrage moeten leveren aan de schadevaststelling. Dat is eigen aan de aard van de nog te verrichten werkzaamheden in de situatie dat de aansprakelijkheid al is erkend. Daarnaast menen wij dat verwacht mag worden dat er sprake is van toegevoegde waarde middels de inzet van de professionele belangenbehartiger. Het Hof Den Bosch oordeelde dat bij de beoordeling of de gemaakte buitengerechtelijk kosten redelijk waren onder andere van belang was dat niet was gebleken dat tijdens de belangenbehartiging door advocatenkantoor belangrijke vooruitgang was geboekt in de schaderegeling. Het ging daarbij om een overgenomen dossier.[12] Ons inziens een terecht gezichtspunt bij de beoordeling van hetgeen redelijk is, omdat de advocaat immers van het verlenen van rechtsbijstand zijn respectievelijk haar beroep heeft gemaakt. In dat opzicht verschilt de professionele rechtsbijstandverlener niet van andere vrije beroepsbeoefenaren. Het past ook binnen de professionele standaard en bij hetgeen verwacht mag worden van een deskundige.

Zo dient getoetst te worden of de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen van de aansprakelijke partij.[13] 

A-G Bloembergen heeft in zijn conclusie inzake het arrest Smit/De Moor betoogd dat bij de beoordeling van wat redelijk is, rekening moet worden gehouden met de bij het gegeven geval betrokken maatschappelijke en persoonlijke belangen.[14] Het ligt op de weg van benadeelde (en zijn rechtshulpverleners) ervoor zorg te dragen dat de kosten niet te hoog oplopen, door bijvoorbeeld geen of een minder dure rechtshulpverlener in te schakelen of door de hulp in tijd of omvang binnen de perken te houden. Daarbij valt volgens Bloembergen ook te denken aan het tijdig treffen van een schikking. Voor deze visie van Bloembergen valt veel te zeggen. Ook het Hof Den Bosch oordeelde dat het de taak is van de belangenbehartiger om de besteden tijd niet verder te laten oplopen dan redelijkerwijs noodzakelijk is, in het geval waarbij 75% van de tijd werd besteed aan communicatie met benadeelde, dossierstudie en intern overleg en slechts 25% van de tijd werd besteed aan overleg met de aansprakelijke partij en het daadwerkelijk vaststellen van de schade.[15] Wij zouden daar aan toe willen voegen dat de deskundigheid tot uiting moet komen in de verrichte werkzaamheden en dat dit niet beperkt is tot de door Bloembergen aangestipte onderdelen daarvan.

Weliswaar is condicio sine qua non-verband de minimumseis die de Hoge Raad stelt in haar uitspraak in Bravenboer-London en mag de uitkomst van die werkzaamheden zijn dat er geen schade is, [16] maar dat doet aan het voorgaande niet af. Immers, gaat het om de vraag wat redelijk is. Aan de andere kant van het spectrum staat de beslissing dat de kosten van rechtsbijstand in een redelijke verhouding moeten staan tot de omvang van de schade, zoals geoordeeld in het arrest Smit-De Moor.[17] Daarmee zijn wel enkele grenzen door de Hoge Raad getrokken, maar dit geeft de praktijk nog niet veel houvast om te kunnen bepalen in welk geval de gedeclareerde werkzaamheden en het daarvoor gevorderde tarief redelijk zijn. Met dit artikel willen wij een aanzet geven om daar meer houvast bij te krijgen. Eerst benoemen we onder andere de factoren en de ontwikkelingen.

Het tarief van de belangenbehartiger komt tot stand in een vrije markt. Er is geen prijsmaatregel door de overheid uitgevaardigd waarin de maximale hoogte van het uurtarief van een belangenbehartiger is vastgelegd. Zo bezien is the sky the limit en zou je kunnen zeggen dat in ons land dan zeer schappelijke uurtarieven worden gevraagd door belangenbehartigers. Die markt is wat betreft de prijsvorming bijzonder te noemen. De prijs is namelijk niet aan het mechanisme van vraag en aanbod onderworpen. Hoewel het aantal gewonden en doden als gevolg van een ongeval waarvoor een aansprakelijke valt aan te wijzen, door de jaren heen een dalende tendens kent, zijn de uurtarieven van belangenbehartigers daarentegen niet gedaald. In de reclame-uitingen van belangenbehartigers is de prijs voor hun diensten geen prominente rol toebedeeld. “Een eerste adviesgesprek, desgewenst bij u thuis, is kosteloos”, aldus de wervende tekst op een website van een letselschadeadvocatenkantoor. Een letselschadebureau heeft op de website vermeld: “Na analyse van een ervaren letselschadespecialist ontvangt u kosteloos advies m.b.t. schadevergoeding”. Deze twee uitingen zijn statistisch niet representatief, maar wie de tijd neemt om meer websites van aanbieders van rechtshulp in geval van letselschade in ogenschouw te nemen krijgt zelden een andere boodschap te zien. Gek genoeg staat dat eerste en tevens onvermijdelijke, noodzakelijke en redelijk te achten intakegesprek vaak wel op de declaratie die de aansprakelijke (verzekeraar) wordt gepresenteerd. Wat daar verder ook van zij, duidelijk is waar te nemen dat de prijs voor de werkzaamheden geen issue is. Dat is ook begrijpelijk, omdat degene die in de meeste gevallen de rekening betaalt, de aansprakelijkheidsverzekeraar, niet betrokken is bij het maken van afspraken over tarieven en de daarvoor te verlenen diensten.[18] Concurrentie heeft op veel markten tot prijsdalingen geleid. Een prominent voorbeeld daarvan zijn de tarieven van vliegreizen. Hoe anders is dat op de letselschademarkt. De concurrentie daar uit zich in enerzijds drempelverlagende kosteloze huisbezoeken ongeacht de afstand en gratis eerste adviezen en anderzijds in het schermen met maximale vergoedingen. Maar daar blijft het dan ook wel bij. Ook de groei in het aantal aanbieders sinds 1987 heeft niet geleid tot prijsdaling.[19] Zoals reeds opgemerkt, de prijs voor hulp bij letselschade is geen issue. Er is in de gevraagde prijs dan ook weinig verschil waar te nemen, ongeacht wie de dienst levert: LSA advocaat of een medewerker van een schaderegelingsbureau. De behandelaar bij een letselschadebureau kan daardoor een zelfde uurprijs verlangen als de LSA advocaat. Overigens is deze redenering ook om te keren. Als puur wordt gekeken naar de aard van de werkzaamheden (het vaststellen van schade) valt die gelijke prijs nog te begrijpen ook. Het vaststellen van schade bij letsel is nu eenmaal geen kunstje dat uitsluitend goed kan worden gedaan door een LSA advocaat.[20] Dat is anders in het geval er geprocedeerd moet worden over de schadeomvang. 

De schadeomvang is van belang voor beoordeling van de vraag wat redelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten zijn, de Hoge Raad in Smit-De Moor is daarover duidelijk. Bij de bepaling hiervan biedt de PIV-staffel een handvat bij het vaststellen of de kosten redelijk zijn, aldus een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland.[21] Dat is ook het geval indien de PIV-overeenkomst BGK is afgesloten. Volgens de rechtbank is de PIV-staffel niet beslissend voor de vraag of de buitengerechtelijke kosten redelijk zijn.[22] Wel zal de belangenbehartiger die met gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten uitkomt boven hetgeen staat vermeld in de PIV-staffel en in de jurisprudentie/doctrine, moeten stellen en zonodig moeten bewijzen, dat het gevorderde bedrag wordt gerechtvaardigd door de complexiteit, de moeilijkheidsgraad van het dossier, de lange duur van het dossier, etc. In de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland verricht de kantonrechter een jurisprudentieonderzoek, waarbij de conclusie wordt getrokken dat zowel in grote als in kleine zaken de buitengerechtelijke kosten naar percentage liggen tussen de 2,5% en 48% van het toegewezen bedrag aan schade. Dat de kantonrechter dit onderzoek verricht geeft onzes inziens ook aan hoe er in de rechtspraak mee wordt geworsteld met beantwoording van de vraag wat als redelijk kan worden beschouwd.

Tussentijdse bevoorschotting

Het is inmiddels vaste praktijk dat tussentijds voorschotten worden betaald aan de belangenbehartiger terzake de buitengerechtelijke kosten.[23] Dit met als doel tijdens de schadeafwikkeling discussie te vermijden over de tussentijdse bevoorschotting en de redelijkheid van de gemaakte buitengerechtelijke kosten en aldus voortgang in de schadevaststelling te behouden. 

Bij de eindafwikkeling vindt in dit werkmodel de toetsing plaats van de redelijkheid van de verrichte werkzaamheden. Daarvoor pleit dat op dat moment ook duidelijk is of er schade is geleden en welke omvang de totale schade van de benadeelde heeft. Zo kan de norm uit het Smit-De Moor arrest op correcte wijze toepassing vinden, terwijl de norm uit het Bravenboer arrest niet wordt genegeerd. Zowel de aansprakelijke partij als de belangenbehartiger kan zijn rechten en weren inzake de redelijkheidstoetsing veilig stellen door dat uitdrukkelijk in de eerste correspondentie over dit onderwerp aan te geven. Het is naar onze mening dan ook ronduit ongelukkig te noemen dat uit enkele uitspraken van rechtbanken lijkt te volgen dat elke declaratie van de belangenbehartiger moet worden bekritiseerd bij gebreke waarvan het recht om dat te doen verwerkt is.[24] In een markt waar het gaat om grote volumes is dat niet erg praktisch. Bovendien zet die eis de voortgang onder druk en leidt dit tot verscherping van verhoudingen op een moment dat dit nog helemaal niet nodig is. Wij pleiten ervoor dat de aansprakelijke partij de voorschotbetaling berekent op basis van het aantal gedeclareerde uren aan werkzaamheden. Voordeel hiervan is dat het verschil tussen gedeclareerde werkzaamheden en betaalde werkzaamheden overzichtelijk en goed bepaalbaar is. Een ander voordeel is dat de liquiditeit van de rechtshulpverlener niet onder druk komt te staan. Er is immers tijdens de continuïteit van de schadevaststelling ook continuïteit in de geldstroom. De rechtshulpverlener kan daarnaast de declaratie vooreerst inrichten op het voorschottarief, dat BTW afdracht scheelt. Wordt aan het einde van het schaderegelingstraject vastgesteld dat een nabetaling moet volgen, dan is daarvoor eenvoudig een slotdeclaratie op te stellen, die dan zonder enige discussie voldaan moet worden. Het past dan wel om in die situatie waarin aanvullend betaald wordt, dat bedrag met wettelijke rente te verhogen, aangezien de betaling vertraagd heeft plaatsgevonden.

Tarief

Welk tarief is redelijk? Kijkend naar de markt van rechtsbijstandverleners zou je kunnen kiezen voor het gemiddelde van de laagste en de hoogste prijs, waarbij vermoedelijk de laagste prijs bestaat uit de premie voor een rechtsbijstandverzekering en de hoogste prijs wordt gevormd door het hoogste uurtarief dat in een letselschade zaak door een rechter is toegewezen. Je hebt dan in ieder geval een grofmazig bepaalde ‘marktprijs’. Deze benadering doet echter ons inziens geen recht aan de realiteit dat advocatenkantoren als gevolg van hun kennisintensieve bedrijfsvoering met relatief hoge kosten hebben te maken. Jurisprudentie en literatuur zullen bijgehouden moeten worden, dat is eigen aan het beroep van advocaat.[25] Daarnaast zijn er uiteraard kosten voor huisvesting, verzekeringen en vervoer.[26] Daarbij speelt mee dat advocatenkantoren veelal uit een gering aantal fee earners bestaan, waardoor er nauwelijks schaalvoordelen te behalen zijn. Ten opzichte van hun leveranciers hebben die advocatenkantoren geen onderhandelingspositie, omdat hun leveranciers veel grotere partijen zijn. Het zal duidelijk zijn dat het uurtarief al vrij snel een behoorlijke omvang heeft.[27] Daar komt bij dat ook het debiteurenrisico en de administratieve ondersteuning van de advocaat in dit tarief is verdisconteerd. Een aparte rekening voor de secretariële werkzaamheden, zoals een enkele medisch specialist wel eens heeft gedaan, is niet gebruikelijk, het betoog van Blondeel en Santen ten spijt. Een eventuele kantoorkostenopslag is onzes inziens niet te rechtvaardigen. Daarmee is er tevens (een begin van) een verklaring gegeven voor het feit dat de uurtarieven van advocaten niet erg uiteenlopen. In het door Santen geproduceerde overzicht is te zien dat de tarieven variëren van € 135,- tot € 290,-, waarmee het gemiddelde tarief uitkomt op € 212,50.[28] Het lijkt ons dan passend uit te gaan voor de bevoorschotting van € 200,- omdat het hoogste tarief van € 290,- exceptioneel is. De rechtbank die dit toewees vond dat in zekere zin ook, maar omdat de verweerster hiertegen geen verweer had gericht, wees de rechtbank dit uurtarief toe.[29] Wij merken daarbij op dat onzes inziens de deskundige behandeling van letselschade wel enige ervaring en kennis van zaken vereist. Het tarief voor de jongste advocaat-stagiaire doet daar geen recht aan.

Het weigeren om tussentijdse declaraties te voldoen zijdens de verzekeraar kan desalniettemin gerechtvaardigd zijn, indien daar redenen voor zijn gezien de omstandigheden.[30] Daarbij spelen de volgende omstandigheden een rol: – de omvang van de al gemaakte buitenrechtelijke kosten; – de dubbele kosten die zijn ontstaan tijdens de schadeafwikkeling; – de verhouding van de omvang van de kosten tot de omvang van de gestelde schade; – en de situatie dat de voorschotten de geleden schade van benadeelde (gaan) overtreffen. Wij zijn er voorstander van dat de aansprakelijke partij hiermee terughoudend omgaat en dit beperkt tot uitzonderlijke gevallen. Het moet dan gaan om een duidelijk signaal aan de belangenbehartiger dat de grenzen van de redelijkheid met die specifieke werkwijze worden overschreden.

Het komt voor dat de advocaat van benadeelde het niet aanvaardbaar vindt om te wachten tot de eindafwikkeling van de zaak, met als argument dat de kosten voor de benadeelde te zeer oplopen en aldus in feite voorgefinancierd moeten worden.[31] Wij menen dat dit argument in de hiervoor door ons vermelde werkwijze van bevoorschotting geen zwaarwegend gewicht toekomt. Het verschil tussen het tarief waarvan de advocaat vindt dat zijn dienst waard is en het verschil met het bedrag dat hij bij wijze van voorschot ontvangt is daarvoor te gering. Naar onze mening is het voor beide partijen beter om dit debat te verplaatsen naar de eindafwikkeling. Allereerst omdat een tussentijds geschil over dit onderwerp de verdere minnelijke regeling niet positief beïnvloedt. Kritiek op verricht werk en kritiek op de daarvoor gevraagde prijs wordt vaak als op de persoon gerichte kritiek opgevat. Het belang van de rechtshulpverlener op betaling van zijn declaratie komt dan op de voorgrond te staan en het belang op schadevaststelling en (daarmee voortgang in de verstrekking van (tussentijdse)) schadevergoeding aan de benadeelde wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. Daarbij komt dat bij de eindafwikkeling pas duidelijk is wat de uiteindelijke omvang van de schade van de benadeelde is. Dit is volgens de rechtspraak een punt dat bij de vraag of de gemaakte buitengerechtelijke kosten in redelijkheid zijn gemaakt moet worden betrokken.[32] 

Kan de discussie tussen partijen niet worden verplaatst tot de eindafwikkeling van de zaak, dan is het mogelijk om het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke kosten in een deelgeschilprocedure voor te leggen. Ex. art. 1019w Rv kan een verzoek tot toekenning van een (aanvullend) voorschot op de buitengerechtelijke kosten in beginsel in deelgeschil worden behandeld. Wel is het op grond van art. 1019z Rv vereist dat de beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarvoor moet de investering in tijd, geld en moeite worden afgewogen tegen het belang en de bijdrage die de verzochte beslissing aan totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Kortom, in elke zaak dient die afweging plaats te vinden. 

Voor de inhoudelijke afweging zal het bijvoorbeeld van belang zijn of het geschil enkel ziet op de declaratie van de advocaat of dat er ook andere verzoeken in de deelgeschilprocedure worden voorgelegd. Ook de hoogte van de openstaande declaratie en de vraag of de aansprakelijke partij al een definitief standpunt hierover heeft ingenomen kunnen van belang zijn. Daarbij dient te worden gekeken of het geschil een obstakel vormt in het onderhandelingstraject met benadeelde en hoe ver partijen al zijn in het bereiken van een minnelijke regeling.[33] Maakt een advocaat onnodig of onterecht een deelgeschil aanhangig, dan komen deze gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking.[34] Leent het geschil zich mogelijk niet voor een deelgeschilprocedure, dan kan het geschil aan de bodemrechter worden voorgelegd.

Deskundigheid Wat wij missen in de beoordeling bij de vraag of de gevorderde kosten in redelijkheid zijn gemaakt is de vraag naar de deskundigheid. Tot nog toe lijkt het daarvoor voldoende te zijn dat de belangenbehartiger een al dan niet bij wet erkende titel voert en er zijn beroep van heeft gemaakt letselschade te verhalen. Dat komt ons wel erg gemakkelijk voor. De inhoudelijke kwaliteit van de geleverde dienst is wat ons betreft wel te beoordelen en daar mogen ook eisen aan worden gesteld.[35] Deskundigheid houdt immers in dat er verstand van zaken is. Dat wordt gestaafd door de verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat die werkzaamheden doelgericht moeten zijn, en betrekking moeten hebben op / bestaan uit het vaststellen en aantonen van de schade. In zijn algemeenheid brengt dat met zich dat de aansprakelijke partij niet zou hoeven te vragen om voor de schadevaststelling relevante informatie, omdat de deskundige belangenbehartiger daarin voorziet. Dat is toegevoegde waarde. Volgens de Rechtbank Gelderland kan de opstelling van partijen van invloed zijn op de redelijkheid van buitengerechtelijke kosten.[36] In dit kader kan ons inziens worden gedacht aan de weigerachtige houding om informatie te verstrekken die noodzakelijk is ter vaststelling van de schade van benadeelde. Efficiënt werken is ook een uiting van deskundigheid. Het gedurende tientallen minuten blijven verkeren in een telefoonmenu van een verzekeraar past naar onze mening niet in het streven naar efficiëntie.[37] Als er na 5 minuten niet het gewenste telefonisch contact ontstaat, ligt het voor de hand op andere wijze contact te zoeken, bijvoorbeeld door het sturen van een e-mail, wat veelal niet veel tijd kost. Veelvuldige dossierstudie past in zijn algemeenheid niet bij efficiënt werken. Echter moet hier wel genuanceerd worden: dossierstudie zal noodzakelijk zijn, indien het betreffende dossier om verklaarbare redenen lang stil heeft gelegen. Over literatuur- en jurisprudentiestudie kan verschillend worden gedacht. Enerzijds kan worden gesteld dat dit vanwege de dynamiek van het (deel)onderwerp noodzakelijk is om actuele voor de schadevaststelling relevante inzichten in te brengen, anderzijds kan ook gesteld worden dat de daarvoor noodzakelijk tijd geacht wordt in het uurtarief te zijn begrepen. Overigens is die inbreng van actuele en voor het (deel) onderwerp relevante literatuur en jurisprudentie vast te stellen, doordat daarop beroep wordt gedaan of naar wordt verwezen. In de praktijk komt het voor dat de werkzaamheden van de belangenbehartiger zijn beperkt tot het doorsturen van berichten en soms ook berekeningen van diens cliënt, dan wel van het doorsturen van medische informatie. Dan vervult de belangenbehartiger eerder een postbusfunctie, waardoor onzes inziens het (hoge) deskundigentarief niet wordt gerechtvaardigd. Ook het Hof Den Bosch achtte dit punt van belang, doordat de brieven door de belangenbehartiger slechts werden doorgestuurd en het inhoudelijke debat werd gevoerd door de medici in plaats van de advocaat.[38] Toegevoegde waarde bestaat er ook uit dat de belangenbehartiger de benadeelde goed informeert in de zin dat aan een reëel verwachtingspatroon wordt gewerkt. Wij hebben er begrip voor dat de benadeelde behoefte heeft aan uitleg over de gang van zaken door de belangenbehartiger en dat dit tijd vergt. Daar staat tegenover dat in het huidige internet tijdperk dit tijdbeslag wel met een korrel zout kan worden genomen, gezien de veelheid aan informatie over de stappen / fases in het schaderegelingsproces welke op de website van de eigen belangenbehartiger staat vermeld en waarvan dus te allen tijde kennis kan worden genomen door de benadeelde.

Afronding 

Kortom, de vraag welke buitengerechtelijke kosten als redelijk kunnen worden beschouwd is een tijdsgebonden vraag en de rechtspraak loopt op dit punt vanwege de casuïstiek erg uiteen. Voor de beoordeling hetgeen redelijk is zullen onzes inziens de werkzaamheden gericht moeten zijn op een daadwerkelijke vaststelling van de schade en ook een meetbare en toegevoegde bijdrage moeten leveren aan deze vaststelling. Van een professionele belangenbehartiger die zich immers deskundige mag noemen mag dan ook deskundigheid worden verwacht bij de werkzaamheden die gericht zijn op het vaststellen van schade. Wat wij over het algemeen missen in de beoordeling bij de vraag of de gevorderde kosten in redelijkheid zijn gemaakt is deze vraag naar deskundigheid. Van de verzekeraar kan terecht worden verlangd dat zij de kosten van rechtsbijstand betaalt omdat benadeelde ongewild door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis in een positie is komen te verkeren, waardoor hij deze kosten moet maken. De verzekeraar – en benadeelde – mag onzes inziens daarentegen deze deskundigheid in de werkzaamheden terugzien, zodat het uiteindelijke tarief van de belangenbehartiger en de omvang van de verrichte werkzaamheden ook gerechtvaardigd zijn en deze kosten zonder discussie kunnen worden voldaan. 

[1] Gratis Woordenboek Van Dale, http://www.vandale.nl-opzoeken?pattern=redelijk&lang=nn, geraadpleegd op 21-1-2017.

[2] HR 26 maart 1976, NJ 1976/393, ECLI:NL:HR:1976:AB6023 (Yvonne Calis).

[3] Accentuering van de schrijvers van dit artikel.

[4] HR 1 juni 1990, NJ 1991/720, ECLI:NL:HR:1990:AB7631 (Ingrid Kolkman).

[5] Zie voor een beklopt overzicht inzake tarieven en tijdbesteding, mr. A.E. Santen in PIV-Bulletin 2016/4, p. 14 e.v., ‘Mag het een onsje minder zijn? Toewijzingen BGK door deelgeschilrechters.’

[6] HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5568, NJ 1988/275 (L&L/Drenth).

[7] Rechtbank Breda 23 november 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6810.

[8] In de dagelijkse praktijk lijkt iedereen ervan uit te gaan dat aan de zijde van verzekeraars immer deskundigen aan het werk zijn, waardoor het dus gerechtvaardigd is dat de benadeelde zich ook van deskundige bijstand voorziet.

[9] Rb Gelderland 29 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2471.

[10] Rb Oost-Brabant 19 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3870.

[11] Rb Midden-Nederland 7 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5344.

[12] Hof ‘s-Hertogenbosch 11 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8695.

[13] Hof ’s-Hertogenbosch 11 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8695.

[14] HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1578, NJ 1995/250 (Smit/De Moor);

Rb Breda 23 november 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6810.

[16] HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50; HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, NJ 2015/145 (Mark Four Enterprises/Apotex Nederland); Rb Limburg 3 september 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:11335.

[17] HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1578, NJ 1995/250.

[18] Zo ook mr. A.F.J. Blondeel en mr. A.E. Santen, 30 jaar redelijkheid bij de BGK: enkele overwegingen van de verzekeraars, L&S 2016/4; mrs. J.G. Keizer, C.C.J. de Koning, E.F. Klungers en J.F. Roth, Buitengerechtelijke kosten, een terugkerende discussie in letselschadezaken, L&S 2016/4, p. 65.

[19] In verzekeraarskringen is het arrest London & Lancashire-Drenth (NJ 1988/275) ook wel het werkgelegenheidsarrest genoemd. Voor 1987 waren er niet veel professionele belangenbehartigers voor benadeelden met personenschade.

[20] In gelijke zin mrs. J.G. Keizer, C.C.J. de Koning, E.F. Klungers en J.F. Roth in Buitengerechtelijke kosten, een terugkerende discussie in letselschadezaken, L&S 2016/ 4, p. 63.

[21] Rb Noord-Nederland 24 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:3120; zie ook Rb Gelderland 10 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8267; Hof ’s-Hertogenbosch 11 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8695.

[22] Rb Noord-Nederland 24 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:3120; zie ook Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 11 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8695.

[23] De door mrs. J.G. Keizer, C.C.J. de Koning, E.F. Klungers en J.F. Roth bepleite oplossing in ‘Buitengerechtelijke kosten, een terugkerende discussie in letselschadezaken’, L&S 2016/4, p. 68, bestaat dus al en wordt ook breed toegepast. Slechts ontbreekt instemming van de advocaat met het voorschottarief.

[24] Bijvoorbeeld rechtbank Den Haag 17 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8037, waarin wel sprake was van enkele bijzondere omstandigheden die dit oordeel begrijpelijk maken. Echter in gelijke zin oordeelde in een niet-letselschadezaak de Rechtbank Amsterdam op 15 december 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:8713, NJF 2015/77.

[25] Sommige advocaten hebben wel gekscherend opgemerkt dat zij voor een heel groot deel werken voor bedrijven als Kluwer en SDU.

[26] Hieronder vallen niet alleen de verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering, maar bijv. ook pensioenverzekeringen.

[27] Zie hiervoor ook mrs. J.G. Keizer, C.C.J. de Koning, E.F. Klungers en J.F. Roth in ‘Buitengerechtelijke kosten, een terugkerende discussie in letselschadezaken, L&S 2016/4, p. 66.

[28] Mr. A.E. Santen, PIV-Bulletin 2016/4, p. 13 e.v., ‘Mag het een onsje minder zijn? Toewijzingen BGK door deelgeschillenrechters.’

[29] Rechtbank Rotterdam 24 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8640, r.o. 4.14: “Het door mr. Carels gehanteerde uurtarief ligt iets hoger dan het tarief dat doorgaans in deelgeschilprocedures aanvaardbaar wordt geacht in de begroting van de buitengerechtelijke kosten. Nu Erasmus MC echter geen verweer heeft gericht tegen de hoogte hiervan, zal van het opgegeven uurtarief worden uitgegaan.”

[30] RvT Schadeverzekeringsbedrijf 9 januari 1995, nr. III-95/6, VR 1995/193.

[31] Zie in deze zin mrs. J.G. Keizer, C.C.J. de Koning, E.F. Klungers en J.F. Roth in Buitengerechtelijke kosten, een terugkerende discussie in letselschadezaken, L&S 2016/4, p. 68.

[32] Rb Gelderland 29 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2471; Rb Gelderland 10 december 2005, ECLI:NL:RBGEL:2015:8267.

[33] Rb Rotterdam 8 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9274.

[34] Rb Rotterdam 8 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9274.

[35] Dat kwaliteit wel wordt verlangd en het gebrek daaraan ook wel wordt waargenomen door rechters, blijkt uit de door Engelhard en Lindenbergh geciteerde verklaring (NL07), in `Culturen van schadeafwikkeling`, mr. E.S Engelhard en prof.mr. S. D. Lindenbergh, TVP 2016/4, p. 90. Overigens wordt daar ook het eigen financiële belang van rechtshulpverleners als verstorende factor gesignaleerd.

[36] Rb Gelderland 10 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8267.

[37] Rb Noord-Holland 24 november 2016, zaaknr. C/15/243608 / HA RK 16/85 (gepubliceerd op letselschademagazine.nl).

[38] Hof ’s-Hertogenbosch 11 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8695.

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots