PIV-Bulletin 2016-5 Een voorwerp op de weg: is de wegbeheerder aansprakelijk?

Samenvatting:

In de wet is bepaald dat de wegbeheerder (het verantwoordelijke overheidslichaam) moet zorgen dat de openbare weg in goede staat verkeert. Verkeert de openbare weg in een gebrekkige toestand[1] en ontstaat daardoor schade, dan is de wegbeheerder daarvoor aansprakelijk. Maar wat wordt verstaan onder de openbare weg en hoever strekt dat begrip?

Wat zegt de wet?

Artikel 6:174 BW bepaalt: “De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.” Voor de wegbeheerder betekent dit dat hij de plicht heeft ervoor zorg te dragen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt.[2] De wet vestigt hiermee een risicoaansprakelijkheid voor de wegbeheerder. De wegbeheerder kan zich voor deze aansprakelijkheid niet eenvoudig disculperen. Het criterium voor aansprakelijkheid is de gebrekkigheid in ruime zin. Het artikel omschrijft dit als de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de opstal mag stellen. Niet reeds bij een verhoogde kans op schade, maar pas wanneer niet aan die eisen is voldaan, verkeert de opstal in een gebrekkige toestand. Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is. Hierbij is ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.[3] De aansprakelijkheid van de wegbeheerder is beperkt tot de gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg, waarbij het begrip ‘openbare weg’ ruim moet worden uitgelegd: daaronder wordt mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting. Maar wat moet precies worden verstaan onder het begrip ‘weglichaam’ en ’weguitrusting’ en hoe ruim mag dat begrip worden uitgelegd?

Hoge Raad 7 oktober 2016[4]

Recentelijk heeft de Hoge Raad zich over deze vraag uitgelaten in een zaak waarin de vraag centraal stond of een wegbeheerder (in dit geval een gemeente) ingevolge artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor schade die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het feit dat zij is gestruikeld over kabels die op de openbare weg lagen. Het geval deed zich voor dat een vrouw (eiseres in cassatie) op 3 januari 2009 op de stoep van de Burchtstraat in Nijmegen ten val is gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer elektriciteitskabels die over de stoep lagen. Deze elektriciteitskabels, in eigendom van marktkraamhouders, liepen van een elektriciteitskast, die in eigendom toebehoort aan de gemeente, naar een aantal marktkramen. Als gevolg van haar val heeft eiseres letsel opgelopen aan beide knieën. Eiseres houdt in onderhavige procedure de gemeente, als wegbeheerder, aansprakelijk voor de door haar geleden schade primair op grond van artikel 6:174 BW en subsidiair op grond van artikel 6:162 BW.

Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen van eiseres afgewezen. Het hof[5] overweegt daartoe dat  een openbare weg een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, waarvoor geldt dat voorwerpen die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht of dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik, vallen onder het begrip ‘opstal’ in de zin van artikel 6:174 BW. Elektriciteitskabels die door marktlieden ter plaatse worden neergelegd (alleen wanneer er markt is), maken geen deel uit van de openbare weg. De kabels zijn immers niet vast verbonden met de weg of de weguitrusting en evenmin dienen de kabels ten behoeve van enige functie van de weg. De elektriciteitskasten zijn daarentegen wel vast verbonden met de openbare weg, permanent aanwezig en geplaatst door de gemeente, maar zij maken geen deel uit van de weguitrusting, nu zij niet geplaatst zijn ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik. De omstandigheid dat noch de elektriciteitskabels, noch de elektriciteitskasten deel uitmaken van de openbare weg, brengt mee dat de vraag of de weg al dan niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, onbeantwoord kan blijven. Evenwel beantwoordt het hof deze vraag wel en merkt op dat overigens geen sprake is van een gevaar, nu zich op het marktterrein rondom de marktkramen allerlei voorwerpen kunnen bevinden waardoor de vrije doorgang kan worden belemmerd en voetgangers zich er daarom van bewust zijn (of althans dat zouden moeten zijn) dat voorzichtigheid is geboden. Bovendien waren de donkere elektriciteitskabels op het lichte wegdek goed zichtbaar. Daarom kan volgens het hof niet gezegd worden dat de stoep waarop zich ten tijde van de markt elektriciteitskabels bevinden, niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

Het hof komt vervolgens toe aan beoordeling van de subsidiaire grondslag van eiseres ten aanzien van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Het hof[6] merkt over deze tweede grondslag op dat toetsing dient plaats te vinden aan de hand van de Kelderluikcriteria[7]. Toepassing van die criteria leidt er volgens het hof toe dat niet gezegd kan worden dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Immers, de kans dat een voetganger over een goed zichtbare elektriciteitskabel struikelt is niet groot, de kans dat daaruit ernstige ongevallen ontstaan is evenmin groot, daarnaast is onvoldoende gebleken dat de gemeente veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen om een ongeval zoals eiseres die is overkomen te voorkomen en onvoldoende is gebleken dat het risico van ernstig letsel zo groot was dat van de gemeente had mogen worden verwacht dat zij een zeer vergaande maatregel als het ondergronds wegwerken van de kabels had moeten nemen. Ook wanneer op de bewuste dag de kabels niet goed zichtbaar waren omdat het druk was op de markt waardoor eiseres geen goed zicht had op het trottoir, leidt dat er volgens het hof niet toe dat de gemeente verdergaande maatregelen had moeten treffen. Sterker nog, een voetganger dient in zo’n geval nog meer dan anders te letten op waar hij zijn voeten plaatst.

Eiseres gaat in cassatie en stelt zich onder meer op het standpunt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de elektriciteitskabels en de elektriciteitskast onderdeel uitmaken van de openbare weg. De Hoge Raad oordeelt in lijn met het hof dat een voorwerp op de openbare weg niet behoort tot die openbare weg in de zin van artikel 6:174 BW. Wanneer dat voorwerp gevaar schept voor personen of zaken, levert dit geen gebrek op van de weg als bedoeld in voornoemd artikel. Wel kan de wegbeheerder volgens de Hoge Raad op de voet van artikel 6:162 BW, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, aansprakelijk zijn voor de aanwezigheid van voorwerpen op de weg, die niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmaken. De wegbeheerder moet dan het verwijt kunnen worden gemaakt dat hij in deze zorgplicht is tekortgeschoten. De Hoge Raad geeft aan dat aan de hand van de Kelderluikcriteria beoordeeld moet worden of de wegbeheerder in onderhavige kwestie ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad volgt de motivering van het hof op dit punt en oordeelt dat hiervan geen sprake is.

Hoe verhoudt zich dit arrest tot eerdere rechtspraak?

Is dit arrest een vreemde eend in de bijt? Nee. De Hoge Raad oordeelde eerder al dat ijzel op de weg niet leidt tot een gebrekkigheid van de weg zelf.[8] In die zaak die werd voorgelegd aan de Hoge Raad deed zich het geval voor dat een bestuurder van een auto slipt op het wegdek en tegen een vangrail botst als gevolg van een spiegelglad wegdek door ijzel. Het betrof hier een zogenoemd ZOAB-wegdek waarvan bekend is dat dit wegdek bij ijzel eerder glad wordt dan een zogenoemd DAB-wegdek en bij een ZOAB-wegdek is gladheid bij ijzel onder omstandigheden moeilijker te bestrijden. De bestuurder van de auto houdt de Staat als wegbeheerder aansprakelijk voor zijn schade en stelt daartoe onder meer dat de ijzel het wegdek gebrekkig maakte. De Hoge Raad oordeelt als volgt: “Indien sprake is van exceptionele omstandigheden dient de weggebruiker daarmee rekening te houden. De Staat is aansprakelijk indien de aan het ZOAB-wegdek verbonden nadelen van dien aard zijn dat sprake is van een gebrek als bedoeld in art. 6:174 BW. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat deze alleen toepassing kan vinden als sprake is van een gebrek aan de weg als zodanig en niet als de gebrekkigheid bestaat in de aanwezigheid op het wegdek van ijzel dat niet duurzaam met het wegdek is verenigd. Dat bij de bestrijding van gladheid ten gevolge van ijzel bij ZOAB relatieve nadelen optreden, levert niet een gebrek van de weg op. Onder een gebrekkige toestand kan tevens worden verstaan een gevaarlijke toestand die onveranderd wordt gelaten. Hiervan is sprake als de Staat als wegbeheerder is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgverplichting, waaronder het bestrijden van gladheid en het vervullen van zijn waarschuwingsplicht. De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat ter plaatse kort voor het ongeval tweemaal met pekel was gestrooid. Te dier zake is de Staat niet tekortgeschoten. Voor de beoordeling van de waarschuwingsplicht van de Staat is van belang dat het hier gaat om kortdurend gevaar dat veroorzaakt wordt door plotseling optredende (weers-)omstandigheden welke ook gevaar kunnen opleveren op andere wegbedekkingen. De Staat mocht van een weggebruiker verwachten dat deze zich via de media op de hoogte zou stellen van de heersende weersomstandigheden en de gevolgen daarvan. De Staat was niet gehouden borden te plaatsen met het opschrift ‘ZOAB’ al dan niet in combinatie met het verkeersbord dat voor slipgevaar waarschuwt.” 

Wat leert ons deze rechtspraak?

Een voorwerp op de weg maakt de weg zelf nog niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW, zolang het voorwerp niet vast en permanent verbonden is met de weg en geen deel uitmaakt van de weguitrusting. Dit betekent echter niet dat de wegbeheerder niet aansprakelijk kan worden gehouden wanneer zich een ongeval voordoet als gevolg van een voorwerp op de weg. Levert dit voorwerp een gevaarlijke situatie op en laat de wegbeheerder die situatie voortbestaan, terwijl hij op de hoogte is, dan wel behoort te zijn van de gevaarlijke situatie, dan kan dat een schending van de zorgplicht van de wegbeheerder opleveren, als gevolg waarvan de wegbeheerder aansprakelijk kan worden gehouden. Evenwel betekent het niet dat de weggebruiker zelf niet oplettend hoeft te zijn. Van de weggebruiker mag worden verwacht dat hij een algemene voorzichtigheid betracht en rekening houdt met de (bijzondere) omstandigheden ter plaatse. 

[1] Wat onder ‘gebrekkig’ wordt verstaan, blijft in dit artikel onbesproken

[2] Zie ook: HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547 (Bussluis-arrest)

[3] HR 17 december 2010, NJ 2012, 155 (Wilnis-arrest). Deze maatstaven in het Wilnis-arrest komen overeen met de Kelderluikcriteria (zie HR 5 november 1965, NJ 1966, 136.

[4] ECLI:NL:HR:2016:2283

[5] Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2015, ECLI:NL:GHRL:2015:1498: r.o. 4.4 Tot 4.7

[6] Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2015, ECLI:NL:GHRL:2015:1498: r.o. 4.8

[7] HR 5 november 1965, NJ 1966,136

[8] HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202

  • Vaknieuws

  • Lianne van den Ham – Leerkes, advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder PIV-bulletin, Weg en wegbeheer

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots