PIV-Bulletin 2012-2, Codificatie en consolidatie van het Nederlandse internationaal privaatrecht door het nieuwe boek 10 BW

Samenvatting:

[…]

Codificatie en consolidatie van het Nederlandse internationaal privaatrecht door het nieuwe boek 10 BW – Europeanisatie …

Mevrouw mr. A.F. Collignon-Smit Sibinga1/mevrouw mr. C.J. van Weering2 – Legaltree

Met ingang van 1 januari 2012 is boek 10 van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden3. Het boek is een codificatie en consolidatie van het Nederlands internationaal privaatrecht. Hoewel er inhoudelijk wellicht weinig lijkt te zijn veranderd, is er door de codificatie toch een grote stap gezet. Het Nederlands internationaal privaatrecht is met de komst van dit wetboek toegankelijker geworden. In dit artikel wordt kort ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, de samenstelling van boek 10, het overgangsrecht en enkele algemene bepalingen. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de voor de aansprakelijkheids- en verzekeringspraktijk relevante regelingen ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst en verbintenissen uit onrechtmatige daad (titel 13 en 14 van boek 10). Tot slot wordt kort aandacht besteed aan de ‘Europeanisatie’ van het internationaal privaatrecht.

Ontstaansgeschiedenis

Boek 10 heeft een lange voorgeschiedenis. Na de Tweede Wereldoorlog is in de Benelux een poging ondernomen te komen tot een uniforme regeling op het gebied van het internationaal privaatrecht (ipr). Daarvan is het echter niet gekomen. Eind jaren zeventig werd door de toenmalige minister van Justitie De Ruiter goedkeuring gegeven aan het voornemen een zo volledig mogelijke wettelijke regeling van het Nederlandse internationaal privaatrecht tot stand te brengen.

Vervolgens is in 1982 een voorontwerp voor een wettelijke regeling voor Nederlands internationaal privaatrecht aan de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht voorgelegd. De Staatscommissie gaf er de voorkeur aan de verschillende onderwerpen eerst in deelregelingen vast te leggen. Vervolgens werden deze in een algemene wet onder te brengen. Door deze stapsgewijze benadering werd pas in 2009 het voorstel voor boek 10 bij de Tweede Kamer ingediend4. De wet werd op 8 juni 2011 in het Staatsblad gepubliceerd en is op 1 januari 2012 in werking getreden.

Samenstelling boek 10

Een groot aantal al geldende (Europese) wettelijke regelingen op het gebied van het conflictenrecht is in boek 10 ondergebracht. Het codificeert en consolideert daarmee grote delen het van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Boek 10 kent vijftien titels:

Titel 1: Algemene bepalingen

Titel 2: De naam,

Titel 3: Het huwelijk,

Titel 4: Het geregistreerd partnerschap,

Titel 5: Afstamming,

Titel 6: Adoptie,

Titel 7: Overige onderwerpen van familierecht,

Titel 8: Corporaties,

Titel 9: Vertegenwoordiging,

Titel 10: Goederenrecht,

Titel 11: Trustrecht,

Titel 12: Erfrecht,

Titel 13: Verbintenissen uit overeenkomst,

Titel 14: Verbintenissen uit andere bron dan overeenkomsten

Titel 15: Enkele bepalingen met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht.

De wettelijke regeling bevat voornamelijk verwijzingsregels die voor privaatrechtelijke rechtsverhoudingen met grensoverschrijdende elementen, aangeven welk nationaal recht moet worden toegepast.

De wet bevat geen regels van procesrechtelijke aard, zoals bevoegdheidsregels en regels met betrekking tot erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. Deze regels zijn opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering5. Art. 3 van boek 10 bepaalt dan ook dat op de wijze van procederen ten overstaan van een Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is.

Overgangsrecht

In de Vaststellings- en Invoeringswet van Boek 10 BW zijn enkele overgangsbepalingen geformuleerd. Deze zijn opgenomen in een nieuwe Titel 10 van de Overgangswet nieuw BW6. De bepalingen hebben onder meer betrekking op de intrekking van de verschillende ipr-deelwetten die aan boek 10 ten grondslag liggen7.

Specifieke regels met betrekking tot het overgangsrecht zijn niet in het algemene deel opgenomen. De reden hiervoor is dat de verdragen en bepalingen waarnaar wordt verwezen veelal overgangsregels bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de verbintenissen uit overeenkomst waarop Rome I8 van toepassing is (titel 13) en bij verbintenissen uit onrechtmatige daad waarop Rome II9 van toepassing is (titel 14). Hierop wordt verderop in dit artikel bij de betreffende titels nader aandacht aan besteed.

Algemene bepalingen

Titel 1 van boek 10 bevat eerst een aantal algemene beginselen en uitgangspunten (art. 1-5), waarna artikelen volgen die in voorkomend geval het aanvankelijke verwijzingsresultaat kunnen corrigeren (art. 6-9). In de art. 10-14 is een aantal belangrijke rechtsfiguren, zoals rechtskeuze en vorm van rechtshandelingen opgenomen.

Tot slot zijn er enige bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de nationaliteit van een persoon en de persoonlijke staat van een vluchteling (art. 15-17).

De algemene bepalingen zijn gebaseerd op een advies van de Staatscommissie uit 2002 en betreffen gangbare regels die door de Nederlandse rechter al werden toegepast, maar die nu gecodificeerd zijn.

Artikel 1: Voorrang van internationale en communautaire regelingen

Zo is in art. 1 de voorrang van internationale en communautaire regelingen boven nationale regelingen opgenomen. Hoewel dit overbodig lijkt, blijkt uit de memorie van toelichting dat de minister dit in navolging van de Staatscommissie toch wenselijk achtte om in de wet te op te nemen. Het zou voor de praktijkjurist een nuttige verduidelijking opleveren, die bovendien ook in vele buitenlandse codificaties van het internationaal privaatrecht is opgenomen10.

Artikel 2: Ambtshalve toepassing

Art. 2 bepaalt dat de rechter de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepast. De rechter mag en hoeft dus niet te wachten tot een der partijen een beroep doet op toepasselijkheid van vreemd recht.

De rechter zal wel, als hij toepassing van een ander recht overweegt, terwijl de mogelijke toepassing ervan in de procedure niet aan de orde is geweest, partijen gelegenheid moeten geven zich daarover uit te laten11.

Artikel 3: Procesrecht

Zoals aangegeven bevat boek 10 geen regels van procesrechtelijke aard. Wel is in art. 3 bepaald dat op de wijze van procederen bij een Nederlandse rechter het Nederlands recht van toepassing is. De minister van justitie achtte dit toch wenselijk, om “de wetstoepasser aan deze regel te herinneren en iedere mogelijke twijfel uit te sluiten”.

Artikel 5: Geen renvooi12

In art. 5 is opgenomen dat onder toepassing van het recht van een staat wordt verstaan de toepassing van de rechtsregels die in die staat gelden, met uitzondering van het in die staat geldende internationaal privaatrecht. Hiermee is duidelijk dat in het Nederlands internationaal privaatrecht voor het renvooi geen plaats is.

Artikel 8: Algemene exceptie

In art. 8 is een algemene exceptie opgenomen. Het biedt een correctiemogelijkheid voor gevallen waarin toepassing van een conflictregel die berust op de aanknopingsfactor van de nauwe band niet tot een aanvaardbaar resultaat leidt. Het gaat dan om een situatie waarin, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in de regel veronderstelde nauwe band ‘slechts in zeer geringe mate bestaat’ en ‘met een ander recht een veel nauwere band bestaat’. Het door de conflictregel aangewezen recht blijft dan buiten toepassing en in plaats daarvan dient het recht waarmee de veel nauwere band bestaat te worden toegepast.

De exceptie is niet van toepassing indien door partijen een geldige rechtskeuze is gemaakt en behoort ambtshalve door de rechter te worden toegepast, waarbij natuurlijk wel voldoende feiten moeten zijn gesteld die tot toepassing van de exceptieclausule kunnen leiden. Ook hiervoor geldt, net als bij art. 2, dat als de rechter overweegt de exceptieclausule toe te passen en dit tijdens de procedure niet aan de orde is geweest, hij partijen de gelegenheid moet geven om zich hierover uit te laten.

De bepaling heeft, zoals blijkt uit de formulering, uitsluitend betrekking op wettelijke regels en kan niet een in een internationale regeling opgenomen conflictregel niet opzij zetten13.

Artikel 10: Rechtskeuze

Art. 10 bepaalt dat, voor zover een rechtskeuze is toegelaten, deze uitdrukkelijk moet zijn gedaan of voldoende moet blijken.

Deze regel heeft zich ontwikkeld in het ipr-contractenrecht en is bijvoorbeeld vastgelegd in art. 3 EVO en art. 3 Rome I. De gedachte hierachter is dat partijen bij internationale overeenkomsten de vrijheid moeten hebben om te kiezen welk recht zij daarop van toepassing willen verklaren. Ook in andere verdragen, zoals de WCOD (art. 6) en Rome II (art. 4), is de mogelijkheid van een rechtskeuze opgenomen. Het is dus codificatie van bestaand recht.

Artikel 14: Verjaring en verval van vorderingen

Art. 14 bepaalt dat de vraag of een rechtsvordering verjaart of vervalt wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding waaruit dat recht of die rechtsvordering is ontstaan.

Zoals blijkt uit de MvT14 heeft de Staatscommissie geadviseerd om, in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 1983, NJ 1983, 561 en met de heersende leer op dit punt, in de wet op te nemen dat de vraag of een recht is verjaard of vervallen, wordt beheerst door de lex causae, ofwel het recht dat de aangevochten rechtshandeling beheerst. Ook hier is dus sprake van codificatie.

Titel 13: Verbintenissen uit overeenkomst

Voor de ipr-regels ten aanzien van verbintenissen wordt in titel 13 verwezen naar verordening Rome I (EG) verordening nr. 593/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. De verordening heeft universele toepassing. Dat betekent dat de regels hiervan toepasselijk zijn, ongeacht of het aangewezen recht het recht van een lidstaat is dan wel dat van een derde staat. Rome I is van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken15 en vervangt het EVO16.

Rechtskeuze

Uit art. 3 lid 1 van Rome I volgt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk gedaan zijn of duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of uit de omstandigheden van het geval.

Algemene regels

Indien geen rechtskeuze is gemaakt en een overeenkomst niet valt onder de specifieke regelingen genoemd in art. 5 tot en met 817 art. 4 lid 118 Rome I, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij, die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft (art. 4 lid 2). In art. 4 lid 3 Rome I is bepaald dat indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is.

Art. 4 lid 4 Rome I bepaalt dat in het geval het toepasselijke recht niet kan worden vastgesteld op grond van art. 4 lid 1 en 2, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.

Deze regeling in art. 4 lid 3 en 4 komt overeen met art. 8 van de algemene bepalingen.

Artikel 154 boek 10 BW: Rome I ook van toepassing op verbintenissen buiten werkingssfeer

In art. 154 is opgenomen dat ook op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van Rome I en de ter zake geldende verdragen vallen en die als verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt de bepalingen van Rome I van toepassing zijn19. Het gaat daarbij om de verbintenissen uit overeenkomst die zijn genoemd in de lijst met uitzonderingen zoals vermeld in art. 1 lid 2 van de verordening voor zover deze niet onder andere verdragen vallen. Voorbeelden hiervan zijn overeenkomsten tot arbitrage en tot aanwijzing van een bevoegde rechter.

Volgens de Memorie van Toelichting is om redenen van coherentie voorgesteld om de verbintenissen die buiten de werkingssfeer van Rome I en de ter zake geldende verdragen vallen toch Rome I van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Artikel 155 boek 10 BW: niet-verplichte schade- en levensverzekeringovereenkomsten

In art. 155 van boek 10 BW wordt de mogelijkheid geboden bij niet-verplichte schade- en levensverzekeringovereenkomsten ter dekking van niet-grote risico’s op het grondgebied van een lidstaat een rechtskeuze te maken.

Bij gebreke van een rechtskeuze geldt het recht van de plaats van ligging van het risico. De regeling geldt voor verzekeringen ter dekking van binnen de EU gelegen risico’s. Voor risico’s buiten de EU gelden de algemene bepalingen van Rome I.

Artikel 156 boek 10 BW: Verplichte verzekeringen

Tot slot is in art. 156 boek 10 BW een regeling opgenomen ten aanzien van de verplichte verzekeringen. Deze verzekeringsovereenkomsten worden beheerst door het recht van de lidstaat die de verzekeringsplicht oplegt. In het artikel wordt verwezen naar art. 7 lid 4, onder b Rome I, waarin een aanvullende regeling is opgenomen dat lidstaten deze van art. 7 lid 2 en 3 Rome I afwijkende regeling mogen toepassen.

Op grond van art. 7 lid 1 Rome I is de bepaling beperkt tot grote risico’s20 en risico’s die gelegen zijn op het grondgebied van de lidstaten. Voor verplichte verzekeringen ter dekking van buiten de EU gelegen risico’s (niet zijnde grote risico’s) gelden die bepalingen niet, maar gelden de algemene regels van de verordening Rome I. Daarvoor hebben lidstaten dus niet de vrijheid het recht van de (lid)staat die de verzekeringsplicht oplegt van toepassing te verklaren. De regeling voor deze verzekeringen is daardoor niet identiek aan de bestaande regeling.

Consumentenrichtlijnen

Vermeldenswaard is dat de in art. 23 van Rome I bedoelde bepalingen ter uitvoering van EU richtlijnen op het gebied van overeenkomstenrecht niet in titel 13 noch elders in boek 10 zijn opgenomen. Het betreft meer in het bijzonder de conflictenrechtelijke bepalingen ter implementatie van diverse consumentenrichtlijnen. Voorbeelden zijn art. 6:24721, 7:46j22 en 7:48g, tweede lid BW, dat uitvoering geeft aan artikel 9 van de richtlijn nr. 94/47/EG betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (PbEG L 280). Er is vooral uit praktische overweging voor gekozen deze leges speciales niet onder te brengen in boek 10 maar op hun huidige plaats te laten staan23.

Overgangsrecht

Zoals hiervoor aangegeven bevat boek 10 geen specifieke bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht. Voor titel 13 geldt dat de overgangsregeling van Rome I van toepassing is. Dit wil zeggen dat de titel van toepassing is op -verbintenissen uit overeenkomst die zijn gesloten na 17 december 2009.

Titel 14: Verbintenissen uit onrechtmatige daad

In titel 14 wordt verwezen naar verordening Rome II (verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europese parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen. Hieronder vallen niet alleen verbintenissen uit onrechtmatige daad, maar ook verbintenissen op grond van ongerechtvaardigde verrijking (waaronder onverschuldigde betaling), zaakwaarneming en precontractuele aansprakelijkheid. Evenals als Rome I is Rome II universeel toepasselijk24.

Artikel 158 boek 10 BW: Haags Verkeersongevallenverdrag en Haags Productenaansprakelijkheidsverdrag

De toepassing van Rome II laat onverlet de toepassing van het Haags Verkeersongevallenverdrag en het Haags Productenaansprakelijkheids verdrag25. Deze verdragen hebben voorrang op Rome II26.

Artikel 159 boek 10 BW: Rome II ook van toepassing op onrechtmatige daden buiten toepassingsgebied

Het materiële toepassingsgebied valt voor een groot deel samen met dat van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). De conflictenregels van Rome II vervangen de conflictenregels van deze wet voor zover deze binnen het werkingsgebied van Rome II vallen. Omdat het onwenselijk werd geacht op het gebied van onrechtmatige daad verschillende regimes naast elkaar te laten bestaan, is ervoor gekozen Rome II van overeenkomstige toepassing te verklaren op onrechtmatige daden die buiten het materiële toepassingsgebied van Rome II vallen, maar die wel als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt27. Hiermee is één regime voor alle grensoverschrijdende onrechtmatige daden ontstaan.

Het verschil tussen de regels van de WCOD en Rome II is dat de WCOD uitgaat van de lex loci delicti, met een aantal uitzonderingen28, terwijl de algemene regel in Rome II is de lex loci damni (het land waar de schade zich voordoet), met enkele uitzonderingen29.

Het gaat daarbij in het bijzonder om de in art. 1 lid 2 van de verordening genoemde onrechtmatige daden waaronder de aansprakelijkheid wegens kernongevallen en aansprakelijkheid wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en op persoonlijkheidsrechten, zoals belediging en smaad. Of dit een gelukkige keuze is geweest valt te bezien nu bij de totstandkoming van Rome II de betreffende onderwerpen met reden buiten beschouwing zijn gelaten30.

Daarnaast bestaat nog een categorie buitencontractuele verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad die noch onder Rome II, noch onder de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad vallen, namelijk de niet-contractuele verbintenissen die worden genoemd in de lijst van uitzonderingen in art. 1 lid 1 Rome II31. Deze categorie valt niet onder de regeling van art. 159 boek 10 BW.

Overgangsrecht

Het overgangsrecht is geregeld in het Rome II verdrag en is van toepassing op verbintenissen uit onrechtmatige daad vanaf 11 januari 200932.

Europeanisatie van het ipr

Zoals aangegeven, wordt in boek 10 naar diverse Europese regelingen en verdragen verwezen. De inmenging van Europa in het Nederlandse internationaal privaatrecht geschiedt via uitvaardiging van ipr-verordeningen en aanpassingen van al bestaande verordeningen maar ook in de vorm van uitleg van Europese regelgeving33 en van uitspraken door het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) over de verenigbaarheid van nationaal ipr met Europees recht34. Dit Europees proces is begonnen na het Verdrag van Amsterdam35 en is nog verder uitgebreid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon36. Europese inmenging is een feit en zal ook door blijven gaan.

Het is goed mogelijk dat binnen afzienbare termijn in delen van boek 10 verwezen wordt naar een supranationale bron die inmiddels aangepast is of dat een bepaald artikel volgens een uitspraak van het HvJEu in strijd blijkt te zijn met Europees recht37.

Zowel Rome I als Rome II bevatten herzieningsclausules en de kans bestaat dat er vervolgens wijzigingen zullen worden aangebracht38. Ook hierop moet men op bedacht zijn.

Conclusie

Nederland heeft vanaf 1 januari 2012 een nieuw boek 10 van het Burgerlijk Wetboek, waarin een groot aantal al geldende wettelijke regelingen op het gebied van het conflicten recht zijn ondergebracht. Het codificeert en consolideert daarmee grote delen van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Daarmee is het Nederlands ipr toegankelijker geworden.

Ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst en onrechtmatige daad is er voor gekozen in titel 13 en 14 te verwijzen naar Rome I en Rome II. Bovendien is er voor gekozen Rome I en Rome II eveneens van toepassing te verklaren op verbintenissen uit respectievelijk overeenkomst en uit onrechtmatige daad die niet onder deze verordeningen vallen, zodat één regime ontstaat.

De vraag is of deze keuze wel gelukkig is, nu deze verbintenissen met reden buiten de betreffende verdragen zijn gelaten.

Europeanisatie van het ipr is een feit. Bij toepassing van boek 10 moet men zich er steeds van bewust zijn dat Europese regels kunnen wijzigen of dat er nieuwe regels vanuit Europa opgelegd worden. Bovendien is het raadzaam de uitspraken op het gebied van ipr van het HvJEu goed bij te houden.

1.         Mr. A.F. Collignon-Smit Sibinga is partner bij Legaltree en voorzitter van PEOPIL. Zij specialiseert zich in grensoverschrijdende (letsel )schade en aansprakelijkheidszaken.

2.         Mr. C. van Weering is partner bij Legaltree.

3.         Stb. 2011, 272 Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek).

4.         Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 1-2.

5.         De bepalingen over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in civielrechtelijke zaken met internationale aspecten zijn bij de op 1 januari 2002 in werking getreden wet van 14 december 2001, Stb. 623, tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de artikelen 1 – 14 opgenomen.

6.         Zie ook Stb. 2011, 272 Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek p. 37-39.

7.         De volgende wetten worden ingetrokken:1. Wet conflictenrecht namen; 2. de Wet conflictenrecht huwelijk; 3. De Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen; 4. de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime; 5. de Wet van 25 maart 1981, Stb. 166, houdende regeling van het conflictenrecht inzake de ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan; 6. de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap; 7. de Wet conflictenrecht afstamming 8. de Wet conflictenrecht adoptie 9. de Wet conflictenrecht corporaties; 10. de Wet conflictenrecht goederenrecht k. de Wet conflictenrecht trusts; 11. de Wet conflictenrecht erfopvolging m. de Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 16, tot uitvoering van enkele conflictenrechtelijke bepalingen van de richtlijn 90/619/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 8 november 1998, PbEG L 330; 12. de Wet van 7 juli 1993, Stb. 392, tot uitvoering van enkele conflicten- rechtelijke bepalingen van de richtlijn nr 88/357/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 (PbEG L 172) ;13. de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad; en 14. de Wet van 18 maart 1993, Stb. 168, houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht.

8.         VERORDENING (EG) Nr. 593/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 17 juni 2008inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (‘Rome I’). Zie ook http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2008:177:0006:0016:NL.

9.         VERORDENING (EG) nr. 864/2007 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”). Zie ook http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2007:199:0040:0040:nl.

10.       Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 7.

11.       Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 10.

12.       Renvooi is de praktijk waarin men ook het internationaal privaatrecht van het door de verwijzingsregel van het forum aangewezen rechtsstelsel toepast.

13.       Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 18.

14.       Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 24.

15.       Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) art. 1.

16.       Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Trb. 1980, 156) EVO.

17.       Vervoersovereenkomsten, consumenten overeenkomsten, verzekeringsovereenkomsten en individuele arbeidsovereenkomsten.

18.       Waaronder vallen roerende zaken, dienstverlening, onroerend goed, huur, franchiseovereenkomsten, distributieovereenkomsten, veiling, financiële diensten.

19.       Art. 154 boek 10 BW.

20.       Grote risico’s zijn risico’s als omschreven in art. 5, letter d, van de Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (Pb 1973 L 228), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (Pb 2005 L 323).

21.       Art. 6:247 BW geeft uitvoering aan art. 6, tweede lid, van de richtlijn nr. 93/13/EG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb 1990, L 158/59).

22.       Art. 7:46j BW geeft uitvoering aan art. 12, tweede lid, van de richtlijn nr. 97/7/EG betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144) en art. 12, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/65/EG betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten.

23.       Zie ook MvT Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken 2009/2010 32 137 p. 83.

24.       Art 3 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).

25.       Art. 159 Boek 10 BW.

26.       Art. 2 Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad heeft een vergelijkbaar artikel.

27.       Art. 159 Boek 10 BW.

28.       Art. 3, 4 en 5 WCOD Hierin zijn de lex loci delicti en de uitzonderingen geregeld. Een en ander tenzij door partijen uitdrukkelijk een rechtskeuze is gemaakt (art. 6).

29.       Art. 4 Rome II.

30.       Zie hiervoor ook prof. mr. A.A.H. van de Hoek, De onrechtmatige daad in Boek 10 BW, MvV 2010, nr 7/8.

31.       Het gaat om fiscale zaken, douane zaken en administratiefrechtelijke zaken en aansprakelijkheid van de Staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).

32.       Over de ingangsdatum van Rome II bestond tot voor kort nog onduidelijkheid. Op 17 november 2011 oordeelde het HvJEu echter in de zaak Homawoo vs. GMF Assurances SA dat de Rome II van toepassing is op verbintenissen uit onrechtmatige daad vanaf 11 januari 2009. Zie ook http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62010CJ0412:EN:NOT.

33.       Een voorbeeld hiervan is het in de vorige noot genoemde arrest Homawoo vs. GMF Assurances SA waarin het hof oordeelde over de uitleg van Rome II.

34.       Het HvJEu toetst de verenigbaarheid van nationale ipr-regels met Europees recht. Zie bijv. HvJEG 2 oktober 2003, zaak C-148/02 en HvJEG 14 oktober 2008, zaak C-353/06 waarin het Hof van Justitie nationale regelgeving op het gebied van internationaal namenrecht toetste aan conformiteit met regels van Europees recht.

35.       Verdrag van Amsterdam van 10 nov 1997.

36.       Art. 81 VWEU heeft een ruime formulering van ipr-bevoegdheidsgronden. Zie ook G.R. de Groot en J.J. Kuipers, ‘The new provisions on private international law in the Treaty of Lisbon’ Maastricht Journal 2008, p. 109-114.

37.       Prof. dr. V. Van Den Eeckhout, ‘Codificatie van het Nederlandse ipr of het vastleggen van een nationaal navigatiesysteem voor internationale vliegroutes’, NtEr januari 2011 nr 1. Hij waarschuwt voor de Europese vulkaan die aswolken verspreid waardoor het nationale navigatie systeem en het internationale vliegverkeer (Boek 10) verstoord kan raken. Tegen inmenging in het nationaal ipr is een nationale wetgever niet bestand. Hiervan is echter al voor de codificatie sprake (zie p. 12).

38.        Zie art. 27 Rome I dat een herzieningsclausule waaruit blijkt dat uiterlijk 17 juni 2013 door de commissie verslag moet worden uitgebracht aan het Europese Parlement, de Raad en het Europees Sociaal Comité over toepassing van de verordening. Het verslag gaat zo nodig vergezeld met voorstellen tot wijziging. Een zelfde artikel in opgenomen in Rome II. Art. 30 bepaald dat de Commissie uiterlijk 20 augustus 2011 verslag zou doen. Het verslag is tot op heden nog niet gepubliceerd.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey