PIV-Bulletin 2011, 6 De nieuwe verjaringsregeling in het verzekeringsrecht: de ervaringen van het eerste jaar

Samenvatting:

Per 1 juli 2010 is de verjaringsregeling in het verzekeringsrecht, art. 7:942 BW, gewijzigd. Deze wijziging van het verzekeringsrecht maakte deel uit van het wetsvoorstel Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. De minister heeft kritische vragen moeten beantwoorden waarom hij in een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de invoering in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van een nieuwe procedure, ook een wijziging van de verjaringsregeling van het verzekeringsrecht heeft meegenomen[1]. Ik meen dat de deelgeschilprocedure, die erop is gericht vastgelopen onderhandelingen tussen een benadeelde en een aansprakelijke partij (vaak een verzekeraar) vlot te trekken, en de nieuwe verjaringsregeling voor aanspraken onder een verzekering genoeg met elkaar te maken hebben om de onderwerpen in één wetsvoorstel aan te pakken. Bovendien werd al snel na invoering van art. 7:942 BW op 1 januari 2006 duidelijk dat de inhoud van het artikel en de praktijk slecht aansloten. Het siert de minister dat hij deze kritische geluiden[2] met voortvarendheid heeft omgezet in een aangepaste regeling.

Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het nieuwe art. 7:942 BW heeft de wetgever zich tot doel gesteld met de nieuwe regeling rekening te houden met de bijzondere karakteristieken van een aansprakelijkheidsverzekering[3]. In dit artikel bekijk ik hoe de huidige regeling werkt: wanneer neemt de verjaringstermijn een aanvang, hoe lang duurt de verjaringstermijn en hoe kan de verjaring worden gestuit. Tenslotte beantwoord ik de vraag of de huidige regeling inderdaad voldoende rekening houdt met de bijzonderheden van de aansprakelijkheidsverzekering.

De tekst van het oude en het nieuwe artikel 7:942 BW en de wijzigingen

Voordat ik inga op de werking van art. 7:942 BW, sta ik kort stil bij de tekst van het artikel zoals dat bij invoering op 1 januari 2006 luidde, zoals de huidige tekst luidt en op welke punten de tekst is gewijzigd.

Art. 7:942 BW luidde tussen 1 januari 2006 en 30 juni 2010 als volgt:

1.      Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Niettemin verjaart de rechtsvordering bij verzekering tegen aansprakelijkheid niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen de verzekering dekking verleent, binnen de voor deze geldende verjarings- of vervaltermijn is ingesteld.

2.      De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.

3.      In geval van afwijzing verjaart de rechtsvordering door verloop van zes maanden.

Het nieuwe art. 7:942 BW bepaalt:

1.      Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.

2.      De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen.

3.      Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin, gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde. In dat geval begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de onderhandelingen afbreekt.

De nieuwe bepaling wijkt op drie punten af van haar voorganger:

(i)     De bijzondere extra termijn van zes maanden in lid 1 voor aansprakelijkheidsverzekeringen is geschrapt. Deze bepaling was van meet af aan ook overbodig[4] nu uit de niet gewijzigde eerste zin van lid 1 volgt dat de verjaringstermijn van de vordering van de verzekerde op zijn verzekeraar uit hoofde van een aansprakelijkheidsverzekering pas gaat lopen als de vordering van de verzekerde opeisbaar is. Zolang de verzekerde niet aansprakelijk is gesteld door de benadeelde, heeft hij geen opeisbare vordering op zijn verzekeraar onder de aansprakelijkheidsverzekering. Hierover kom ik nog verder te spreken onder “Aanvang van de verjaringstermijn”.

(ii)    De tweede zin van het tweede lid bepaalt dat een nieuwe verjaringstermijn, nadat de verzekerde de verjaring van zijn aanspraak heeft gestuit, gaat lopen nadat de verzekeraar de aanspraak heeft erkend of afgewezen. Bij erkenning bedraagt de nieuwe verjaringstermijn drie jaar. Daarin heeft het nieuwe recht geen verandering gebracht. Bij afwijzing begon onder het oude recht een verjaringstermijn van zes maanden te lopen. Die termijn is nu verlengd tot drie jaar. Dus zowel bij erkenning als bij afwijzing heeft de verzekerde nu drie jaren om zijn aanspraak geldend te maken.
Onder de werking van het oude artikellid was de verzekeraar bovendien verplicht om bij afwijzing de verzekerde per aangetekende brief ondubbelzinnig van de afwijzing op de hoogte te stellen en in die brief te vermelden dat verzekerde’s rechtsvordering na zes maanden zou verjaren. Deze verplichting was niet alleen kostbaar, maar hield ook geen rekening met de praktijk dat verzekeraars in veel gevallen niet rechtstreeks met hun verzekerden contact hebben, maar dat de contacten via de makelaar lopen. In het nieuwe artikel is de verplichting verzekerde per aangetekende brief van de afwijzing op de hoogte te stellen geschrapt[5]
. Ook hoeft de verzekeraar verzekerde niet meer de duur van de verjaringstermijn mede te delen.

(iii)  Het oude lid 3 is overbodig geworden nu de verjaringstermijn na afwijzing en erkenning gelijk is getrokken. Het nieuwe derde lid bepaalt dat, net als onder het regime van de WAM, onderhandelingen stuitende werking hebben. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar begint pas weer te lopen als de verzekeraar de aanspraak heeft erkend of als de verzekeraar ondubbelzinnig heeft medegedeeld de onderhandelingen af te breken.

Zie verder over de betekenis van de wijzigingen K.M. Volker en M.S.E. van Beurden: ‘Aanpassing verjaringsregels uit het verzekeringsrecht’, PIV-Bulletin, 2010, 5, p. 8 e.v.

Aanvang van de verjaringstermijn, bij first party verzekeringen

Art. 7:942 lid 1 BW bepaalt dat de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid van de vordering tot het doen van uitkering bekend is geworden. Het moment waarop de tot uitkering gerechtigde met zijn vordering bekend is geworden, is het moment dat hij subjectief (daadwerkelijk) weet dat hij een aanspraak onder een verzekering kan indienen. De jurisprudentie van de Hoge Raad over het aanvangsmoment van de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW[6] is van overeenkomstige toepassing op de aanvang van deze driejarige verjaringstermijn[7].

Voor de meeste zelf gesloten verzekeringen als opstalverzekeringen of een reisverzekering, zal de verzekerde zich op het moment dat het verzekerd voorval zich voordoet (de storm of de in Frankrijk op het kampeerterrein gestolen iPad) bewust zijn van zijn opeisbare aanspraak onder de door hem afgesloten verzekering. De aanvang van de verjaringstermijn valt hier samen met de schadeveroorzakende gebeurtenis. Dit is anders als de verzekerde of de uitkeringsgerechtigde niet bekend is met het bestaan van een verzekering<s>en</s> waaronder hij aanspraak kan maken op vergoeding van of een uitkering voor zijn schade. Veel werkgevers sluiten – al dan niet op grond van een cao daartoe verplicht – collectieve ongevallenverzekeringen af ten behoeve van hun werknemers. Sommige van deze ongevallenverzekeringen bieden ook dekking voor schade opgetreden buiten werktijd. Sportkoepels, zoals de KNVB, hebben collectieve ongevallenverzekeringen afgesloten voor hun leden die bijvoorbeeld tot uitkering overgaan bij ongevallen op het veld en onderweg naar een wedstrijd. Scholen hebben vaak een ongevallenverzekering afgesloten voor schade die leerlingen, leerkrachten en vrijwilligers lijden onder schooltijd op het schoolterrein. Bij dergelijke niet door of voor de benadeelde afgesloten verzekeringen kan zich goed de situatie voordoen dat de benadeelde niet op de hoogte is van de verzekering en dus ook niet van zijn aanspraak onder de verzekering. De verjaringstermijn neemt in dit geval pas een aanvang als de benadeelde bekend wordt met het bestaan van zijn aanspraak. Dat kan vele jaren na het ongeval zijn. De tijd die dan is verstreken kan het moeilijk maken de toedracht van het ongeval en de aard van het toen opgelopen letsel vast te stellen. Onder het voor 1 januari 2006 geldende recht was dit probleem ondervangen doordat in de meeste polissen een bepaling was opgenomen die inhield dat het recht op uitkering verviel indien de melding niet binnen [x] jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis was gedaan. Uit art. 7:943 lid 2 BW, dat bepaalt dat niet ten nadele van verzekerden van o.a. art. 7:942 BW kan worden afgeweken, volgt dat verzekeraars vanaf 1 januari 2006 geen vervaltermijnen meer in hun polisvoorwaarden mogen opnemen, alleen nog verjaringstermijnen. Nu art. 7:942 BW geen absolute verjaringstermijn kent, zoals de twintigjarige termijn aan het slot van art. 3:310 lid 1 BW, zullen verzekeraars dus ook aanspraken in behandeling moeten nemen die veel verder teruggaan dan de driejarige termijn van art. 7:942 lid 1 BW.[8] Voor verzekeraars is het in behandeling moeten nemen van aanspraken die dateren van vele jaren terug geen ideale situatie, maar ik zie niet in hoe dit probleem kan worden opgelost zonder nog veel meer onwenselijke problemen in het leven te roepen. Bij de bespreking van de verjaringstermijn bij aansprakelijkheidsverzekeringen, wordt duidelijk waarom.

Aanvang van de verjaringstermijn bij aansprakelijkheidsverzekering

Ingevolge art. 7:941 lid 1 BW en eigenlijk ook altijd op grond van bepalingen in de polis heeft de verzekerde de plicht om, zodra hij op de hoogte is van de verwezenlijking van het verzekerd risico, de verzekeraar hiervan op de hoogte te stellen. Het moment waarop deze meldingsplicht ontstaat, staat los van het moment waarop de verjaring op grond van art. 7:942 BW een aanvang neemt. Als zich op de werkvloer van een bedrijf een ongeval voordoet waarbij een van de werknemers zijn been breekt, is dat bedrijf op grond van art. 7:941 lid 1 BW verplicht dit voorval direct te melden bij zijn verzekeraar. Hiermee gaat echter nog geen verjaringstermijn lopen. Pas als de werknemer zijn werkgever aansprakelijk stelt voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade, begint de driejarige verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW te lopen. Op het moment dat de verzekerde aansprakelijk is gesteld, is hij daadwerkelijk bekend met de opeisbaarheid van zijn vordering op de verzekeraar uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. De vordering van de werknemer op de werkgever op grond van art. 7:658 lid 2 BW verjaart na verloop van vijf jaar, zo volgt uit art. 3:310 lid 1 BW. De werknemer kan zijn werkgever vier jaar en elf maanden na het ongeval voor de gevolgen hiervan aansprakelijk stellen, waarna de werkgever nog drie jaar heeft voordat zijn aanspraak onder de aansprakelijkheidsverzekering is verjaard. De verzekeraar ziet zich in dit voorbeeld na bijna acht jaar geconfronteerd met een aanspraak die hij niet op grond van verjaring kan afwijzen. Of de verzekeraar op grond van het niet nakomen van de meldingsplicht (art. 7:941 BW) de aanspraak kan afwijzen, kom ik hieronder terug.

Ingevolge het op 1 februari 2004 in werking getreden vijfde lid van art. 3:310 BW geldt geen absolute termijn meer voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door dood of letsel. Als de benadeelde nog minderjarig was op het moment dat hij bekend wordt met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, bepaalt dit artikellid dat op zijn achttiende verjaardag een verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen. Als de benadeelde pas na zijn achttiende verjaardag bekend wordt met zijn eerder opgelopen schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, dan begint de vijfjarige termijn uiteraard pas te lopen op het moment van bekendheid met die twee grootheden. Art. 3:310 lid 5 BW is krachtens art. 119b Overgangswet NBW alleen van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die na 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden. Op dit moment speelt het artikellid nog nauwelijks een rol, maar ik verwacht dat dit over vijf en tien jaar wel zo zal zijn. De bepaling kan dan voor ingewikkelde problemen gaan zorgen, zo laat dit voorbeeld zien. Een verzekeraar kan in 2023 een tijdige aanspraak binnenkrijgen onder een aansprakelijkheidsverzekering voor scholen die betrekking heeft op de letselschade van Sophie, geboren 1 februari 1997, ontstaan tijdens de sportdag van groep 3 in juni 2004. Op 1 februari 2015 wordt Sophie 18, dan begint de vijfjarige verjaringstermijn op grond van art. 3:310 lid 3 BW te lopen, waarna de school op grond van art. 7:942 lid 1 BW nog drie jaar de tijd heeft om aanspraak te doen op dekking onder de verzekering.

Inhoudelijk onderzoek naar de toedracht van het ongeval en de door het ongeval veroorzaakte schade zal na zoveel jaren niet eenvoudig zijn. Naleving van de meldingsplicht kan de verzekeraar weliswaar helpen, maar als de verzekerde het ongeval niet heeft gemeld, mag de verzekeraar alleen beroep doen op een in de polis hierop als sanctie opgenomen vervalbeding als hij aantoont in zijn belangen te zijn geschaad. De onmogelijkheid voor de verzekeraar om zelf nog onderzoek te doen, vormt alleen een grond voor een succesvol beroep op een vervalbeding als

(i)     de oorzaak niet meer kan worden achterhaald; en

(ii)    er geen eerder onafhankelijk deskundige onderzoek voorhanden is[9].

De bewijslast hiervan rust op de verzekeraar. De bepaling in art. 7:941 lid 3 BW dat de benadeelde de schade die de verzekeraar als gevolg van de late melding heeft geleden, moet vergoeden, lijkt in de praktijk geen voldoende harde sanctie om naleving van de meldingsplicht af te dwingen[10].

Als in art. 7:942 BW een absolute verjaringstermijn zou zijn opgenomen van vijf – of zelfs van twintig jaar – na de schadeveroorzakende gebeurtenis dan ontstaat er een niet te dichten gat tussen de duur van de verjaringstermijn van de vordering van de benadeelde op de verzekerde en de duur van de verjaringstermijn van de vordering van de verzekerde op dekking onder zijn aansprakelijkheidsverzekering. Dat een verzekeraar aanspraken van vijftien of twintig jaar geleden in behandeling moet nemen is onwenselijk, maar nog onwenselijker vind ik de situatie die zich zou voordoen als de verzekeraar wel een beroep zou kunnen doen op een absolute verjaringstermijn als de verzekerde zijn aanspraak onder de aansprakelijkheidsverzekering niet tijdig heeft kunnen indienen omdat de benadeelde de verzekerde niet eerder aansprakelijk heeft gesteld.

Stuiting

De verjaringstermijn van drie jaar, die aanvangt na daadwerkelijke bekendheid met de opeisbaarheid van de rechtsvordering tegen de verzekeraar, wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de verzekerde aanspraak maakt op uitkering. De vraag dient zich aan of een schademelding een dergelijke stuitingshandeling is. Als sprake is van een schriftelijke melding luidt het antwoord in zijn algemeenheid mijns inziens bevestigend. Art. 3:317 BW vereist immers een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Een redelijke uitleg van een schademelding brengt mee dat de verzekeraar die moet opvatten als een mededeling van de verzekerde dat hij nakoming van zijn rechten onder de verzekering verlangt.

Bij een aansprakelijkheidsverzekering ligt het iets anders. Net hebben we gezien dat de verjaringstermijn pas een aanvang neemt nadat de verzekerde door de benadeelde aansprakelijk is gesteld. In geval de verzekerde de schade heeft gemeld voordat hij aansprakelijk is gesteld en hij vervolgens niet de aansprakelijkstelling die hij van de benadeelde heeft ontvangen aan de verzekeraar (of indien de polis dat voorschrijft aan zijn tussenpersoon) toestuurt, kan die eerste melding de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW niet hebben gestuit. Als de verzekerde de aansprakelijkstelling doorstuurt aan zijn verzekeraar met het verzoek de kwestie in behandeling te nemen of zelfs ter kennisname, zal een redelijke uitleg van het doorsturen van de aansprakelijkstelling ertoe leiden dat dit wordt aangemerkt als een stuitingshandeling[11].

Een telefonisch melding wordt in ieder geval niet aangemerkt als een stuitingshandeling in de zin van lid[12].

De redactie van art. 7:942 lid 3 BW (“Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin, gestuit door iedere onderhandeling…”) lijkt voor aansprakelijkheidsverzekeringen de stuiting door een schriftelijke mededeling of aanmaning uit te sluiten en alleen aan onderhandelingen stuitende werking toe te kennen. De minister heeft in de memorie van toelichting echter al geschreven dat de bijzondere bepaling van lid 3 niet beoogt de hoofdregel van art. 3:317 BW (stuiting door schriftelijke mededeling of aanmaning) buiten werking te stellen. De reden voor de afwijkende redactie van het derde lid lag in de formulering van het oorspronkelijke voorstel van wet, dat bij afwijzing van een aanspraak nog een verjaringstermijn van zes maanden voorschreef[13]. In de huidige bewoording van het wetsartikel, nu ook bij afwijzing een verjaringstermijn van drie jaar geldt, zou het derde lid bijvoorbeeld beter als volgt kunnen luiden: “Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring naast de in lid 2, eerste zin, bedoelde wijze gestuit door …” of: “Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring ook gestuit door …”

Hoe moet het begrip “onderhandelingen” in lid 3 worden uitgelegd? Het antwoord daarop luidt: ruim. Elke briefwisseling en elke mondelinge bespreking over de mogelijke uitkering moet de verzekeraar zien als “onderhandelingen”. De wetgever heeft in de memorie van toelichting geschreven dat voor de uitleg van het begrip “onderhandelingen” aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak op art. 10 lid 5 WAM, in het bijzonder bij de rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof[14].

Ik zie het nieuwe lid 3 beslist als een verbetering. In de praktijk kon het voorkomen dat een belangenbehartiger gedurende onderhandelingen met de verzekeraar van de aansprakelijke partij vergat elke vijf jaar een uitdrukkelijke stuiting aan de aansprakelijke partij te versturen[15]. In hoeverre een beroep op verjaring in een dergelijk geval nog te billijken is uit een oogpunt van rechtszekerheid en bewijsveiligstelling voor de aansprakelijke partij en zijn verzekeraar, zie ik niet goed. De korte verjaringstermijn van de aanspraak op de verzekeraar van zes maanden na een afwijzing, was ook erg kort en weinig praktisch, zo illustreert een vonnis van de rechtbank Rotterdam[16]. In de zaak die leidde tot het vonnis van 8 juli 2009 had de verzekeraar op 20 juni 2006 de aanspraak van de verzekerde afgewezen met uitdrukkelijke vermelding van de verjaringstermijn van zes maanden. De verzekerde heeft vervolgens op 15 november 2006 aanspraak gemaakt op uitkering en de verjaringstermijn (zesmaandstermijn) gestuit. Bij brief van 20 november 2006 heeft de verzekeraar zijn afwijzende standpunt herhaald, zonder uitdrukkelijke vermelding van de verjaringstermijn van zes maanden. Hierop heeft de verzekerde enige tijd niet meer gereageerd, waarna hij op 24 november 2007 is overgegaan tot dagvaarding. De rechtbank oordeelde dat vordering van de verzekerde op 16 mei 2007 is verjaard. Op de verzekeraar rustte – volgens de rechtbank – niet de plicht telkens te wijzen op de verjaringstermijn van zes maanden. Onder het huidige recht had de rechtbank dus geoordeeld nu

(a)   de verjaringstermijn geen zes maanden meer bedraagt maar drie jaar; en

(b)   zolang er sprake is van uitwisseling van standpunten met betrekking tot de aanspraak onder de verzekering, er sprake is van onderhandelingen in de zin van lid 3 en er dus geen verjaringstermijn loopt. Pas als de verzekeraar (of de verzekerde) uitdrukkelijk de onderhandelingen afbreekt, begint er een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar te lopen.

Een korte waarschuwing past hier nog: onderhandelingen hebben alleen stuitende werking voor zover het onderhandelingen met verzekeraars betreft. Als de aansprakelijke partij niet verzekerd is, zoals de Staat, of de aanspraak niet onder een verzekering is gedekt, dan moet de benadeelde ook tijdens onderhandelingen elke vijf jaar een uitdrukkelijke stuitingsbrief versturen. Als de benadeelde onderhandelt met de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aansprakelijke persoon, hoeft de benadeelde niet elke vijf jaar een stuitingsbrief te sturen omdat geen verjaringstermijn loopt zolang de verzekeraar de onderhandelingen niet ondubbelzinnig heeft afgebroken.  

Nieuwe verjaringstermijn

Na stuiting van de verjaringstermijn van drie jaar, die een aanvang nam nadat de verzekerde bekend werd met opeisbaarheid van zijn vordering op de verzekeraar, begint – zoals al aangestipt – niet automatisch een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verzekeraar moet of de aanspraak erkennen of de aanspraak ondubbelzinnig afwijzen om een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar te laten aanvangen. Als de verzekeraar niet reageert of in overleg treedt over de toedracht of de gevolgen, gaat dus geen nieuwe verjaringstermijn lopen. “Bij onderhandelingen vangt immers in afwijking van art. 7:942 lid 2 BW geen nieuwe verjaringstermijn aan indien de verzekeraar de aanspraak afwijst, maar indien de onderhandelingen op de voorgeschreven wijze worden afgebroken.”, aldus de minister in de memorie van toelichting.[17] Van een verzekeraar die de mogelijkheid wil hebben een beroep op verjaring te kunnen doen, wordt een actieve houding verwacht: de verzekeraar moet een uitdrukkelijk standpunt innemen en dat ondubbelzinnig meedelen aan de verzekerde of aan de benadeelde. Ook deze wijziging zie ik als positief, vooral voor de voortgang van de schadebehandeling. Heldere communicatie zal ook de goede naam van het verzekeringsbedrijf ten goede komen.

Vermeldenswaard in dit verband is de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2011[18]. Het gaat om een brand in een huis op 1 maart 2004. De eigenaar vraagt uitkering van de schade aan de opstalverzekeraar. De opstalverzekeraar wijst bij brief van 13 mei 2004 dekking af omdat sprake zou zijn van brandstichting. Hierop is een aantal onderzoeken gevolgd, waarna de verzekeraar heeft volhard in zijn afwijzende standpunt. Op 16 maart 2005 heeft een aannemer een offerte aan de eigenaar uitgebracht voor het herstel van het huis. Deze offerte heeft de eigenaar doorgestuurd aan de verzekeraar. Hierna heeft de eigenaar tot 2 juli 2009 geen contact meer met de verzekeraar gehad. Toen de eigenaar zich op 2 juli 2009 weer bij de verzekeraar meldde, deed de verzekeraar een beroep op de polis die bepaalde dat elk recht op schadevergoeding verjaart door verloop van drie jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. In de door de eigenaar bij dagvaarding van 15 februari 2010 aanhangig gemaakte procedure, oordeelt de rechtbank dat

(a)   de verjaringsregeling in de polis ten nadele van de verzekerde afwijkt van art. 7:942 BW en dus op grond van art. 7:943 BW buiten toepassing blijft;

(b)   art. 7:942 BW in het licht van de onmiddellijke werking neergelegd in het overgangsrecht van toepassing is op de vraag of de vordering van de eigenaar is verjaard; en

(c)   de verzekeraar na ontvangst van de offerte van 16 maart 2005 – de laatste stuitingshandeling – de eigenaar niet ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven de aanspraak af te wijzen.

De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de betekenis van art. 7:942 lid 2 BW en over de vraag als op 16 maart 2005 wel een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen of die zes maanden bedraagt op grond van het tot 1 juli 2010 geldende recht of drie jaar op grond van het huidige recht. Door de onmiddellijke werking van art. 7:942 BW blijkt deze bepaling dus in procedures een rol te kunnen spelen die op het eerste gezicht in hun geheel beheerst worden door het oude recht.

Conclusie

Het doel van de wetgever was de verjaringsregeling beter te laten aansluiten op de specifieke kenmerken van de aansprakelijkheidsverzekering. De wetgever heeft dit doel voor zover ik dat nu kan overzien verwezenlijkt. De op 1 juli 2010 in werking getreden regeling houdt uitdrukkelijk rekening met

(i)               de maanden en jaren die soms gemoeid zijn met het bereiken van overeenstemming over vergoeding van de door een ongeval geleden schade;

(ii)              de mogelijkheid dat een verzekeraar, na het innemen van een afwijzend standpunt en correspondentie daarover met de belangenbehartiger van de benadeelde, zijn standpunt herziet; en

(iii)            de onaanvaardbaarheid van een beroep op verjaring tijdens onderhandelingen.

De in 2006 en in 2010 ingevoerde wijzigingen van de verjaringsregeling houden meer rekening met de belangen van verzekerden en benadeelden, dan met de belangen van verzekeraars. Voor onder andere het berekenen van premie en voor het opstellen van winst- en verlies rekeningen is het niet gunstig dat verzekeraars na vele jaren nog geconfronteerd kunnen worden met aanspraken die zij in behandeling moeten nemen. Deze belangen van verzekeraars heeft de minister kennelijk ondergeschikt geacht aan het belang van verzekerden en benadeelden dekking te houden voor hun aanspraken[19].


[1] EK 2009-2010, 31 518 B, p. 9 en EK 2009-2010, 31 518 C p. 12.

[2] N. Frenk, ‘Aansprakelijkheid, verzekering en verjaring’, in: Van draden en daden, Wansinkbundel 2006, p. 247 e.v.

[3] TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 23.

[4] De minister van Justitie liet doorschemeren dat hij deze zin ook overbodig vond, TK 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 23.

[5] De verplichting de afwijzing per aangetekende brief te versturen is niet in het wetsvoorstel Wet deelgeschillen geschrapt maar in de Wet lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven kamerstukken 32 038 die net als de Wet deelgeschillen per 1 juli 2010 in werking is getreden.

[6] Zie in het bijzonder HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112 en voor een meer recent voorbeeld HR 9 juli 2010, RvdW 2010, 895.

[7] Asser-Clausing-Wansink, Bijzondere Overeenkomsten VI, De verzekeringsovereenkomst, 2007, nr. 244.

[8] Zie voor een uiteenzetting van het overgangsrecht K.M. Volker en M.S.E. van Beurden: ‘Aanpassing verjaringsregels uit het verzekeringsrecht’, PIV-Bulletin 2010, 5, p. 8 – 12.

[9] Parl. Ges. Nieuw BW Boek 7 titel 17 p. 104.

[10] HR 17 februari 2006, LJN AU9717, RvdW 2006, 205

[11] N. Frenk, ‘Aansprakelijkheid, verzekering en verjaring’, in: Van draden en daden, Wansinkbundel 2006, p. 252.

[12] Rechtbank Amsterdam 14 juli 2010, LJN BO1746.

[13] In het oorspronkelijke voorstel van wet, TK 2007-2008, 31 518, nr. 2, art. III, was art. 7:942 BW zo geformuleerd:
1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van 3 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
2. De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.
3. In geval van afwijzing verjaart de rechtsvordering door verloop van zes maanden.
4. Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin, gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde. In dat geval begint in afwijking van lid 2, tweede zin, en lid 3 een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot uitkering gerechtigde kennis geeft dat hij de onderhandelingen afbreekt.”

[14] Zoals hiervoor.

[15] Zie voor een voorbeeld van verjaring tijdens onderhandelingen: HR 1 februari 2002, LJN AD5811, VR 2004, 6.

[16] Rechtbank Rotterdam, 8 juli 2009, LJN BJ3286, RAV 2009, 101.

[17] TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 25.

[18] Rechtbank Rotterdam, 20 april 2011, LJN BQ6197.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey