Nieuwe methodiek berekening schade wegens gederfd levensonderhoud ex art. 6:108 BW – Overlijdensschade –

Samenvatting:

[…]

Nieuwe methodiek berekening schade wegens gederfd levensonderhoud ex art. 6:108 BW – Overlijdensschade – Geen dooddoeners …
J. Tiemersma[1] – Cunningham Lindsey
 
In de (aan het einde van dit bulletin uitvoerig besproken) ‘Nieuwe rekenmethode overlijdensschade’ van de Denktank Overlijdensschade wordt de overlijdensschade op een totaal andere manier berekend dan gebruikelijk. Binnen dit model zijn vooral de besparingen van belang. Bedoeld wordt dat er door het overlijden van een gezinslid minder uitgaven dan voorheen zijn. Er kan dan gedacht worden aan uitgaven in verband met kleding, eten, drinken, hobby’s, vakanties enzovoort.
 
Normatieve besparingen
De besparingen kunnen niet feitelijk bepaald worden, omdat nauwelijks is vast te leggen wat het aandeel van een persoon in de variabele uitgaven is: hoe groot is bijvoorbeeld het aandeel van de overledene in de dagelijkse boodschappen?
Daarom zijn binnen de nieuwe methodiek de ‘weggevallen normatieve uitgaven’ (WNU) van belang. De denktank heeft het Nationaal Instituut voor Budgetteringen (Nibud) gevraagd op basis van statistieken te bepalen hoe hoog in diverse gezinssituaties de besparingen bij overlijden zijn. Het Nibud heeft hierop de notitie ‘de kostenbesparing door het wegvallen van een volwassene’ geschreven. Het eindresultaat van dit onderzoek wordt weergegeven in Tabel 1.
 
Als voorbeeld: bij een paar met twee kinderen onder de dertien jaar met een netto inkomen van € 48.000 zijn de WNU 16,1%. Het overlijden van de partner doet dus gemiddeld 16,1% van de uitgaven wegvallen. Bij een paar zonder kinderen met een netto inkomen van € 96.000 zijn de WNU 18,5%. Het overlijden van de partner doet dus gemiddeld 18,5% van de uitgaven wegvallen.
Gedurende de looptijd van een berekening verandert de gezinssamenstelling en/of het inkomen en dus ook het percentage van de besparingen (= Weggevallen Normatieve Uitgaven). Bij tussenliggende inkomens wordt geïnterpoleerd.
 
Weggevallen uitgaven (WU)
Vanzelfsprekend kunnen er ook besparingen zijn die een individueel karakter dragen, omdat ze per gezin verschillen. Deze zijn niet in de ‘normatieve tabel’ opgenomen, maar dienen zelf bepaald te worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de hypotheek die door uitkering van een levensverzekering gedeeltelijk of geheel vervalt of de verkoop van de tweede auto. Maar ook een spaaroverschot (bij hogere inkomens) kan deel uitmaken van de weggevallen uitgaven. Daarom zijn binnen de nieuwe methodiek de zogenaamde ‘weggevallen uitgaven’ van belang.
 
Bijkomende uitgaven (BU)
Het is natuurlijk mogelijk dat er na het overlijden van een volwassen gezinslid extra uitgaven gedaan moeten worden, bijvoorbeeld wegens verlies van zelfwerkzaamheid, kosten van kinderopvang en/of andere kosten. Deze posten horen onder de rubriek ‘bijkomende uitgaven’ (BU).
 
Netto gezinsinkomen
Als gebruikelijk wordt ook binnen het model van de denktank bepaald wat het gezinsinkomen voor en na het overlijden is. De definitie van het Nibud van het netto gezinsinkomen is echter ruimer dan voorheen, omdat bijvoorbeeld Kinderbijslag en inkomen van kinderen nu wel meegeteld worden. Op deze wijze ontstaat een zuiverder beeld van het totale gezinsinkomen.
 
Schematisch model nieuwe systematiek
Het rekenmodel van de denktank kan op basis van de thans geldende Nibudpercentages als volgt samengevat worden (cijfers met besparing van 17,8% bij een gezin met twee kinderen onder dertien jaar en een inkomen van € 36.000] als voorbeeld):
–           Eerst wordt het gezinsinkomen voor overlijden (totaal besteedbaar inkomen Nibud) bepaald.
–           Vervolgens wordt in tabel 1 de besparing opgezocht.
–           Kolom 1 minus kolom 2 is de behoefte in kolom 3.
–           Vervolgens wordt het gezinsinkomen na overlijden bepaald.
–           De weggevallen uitgaven (bijvoorbeeld vrijval  hypotheeklasten) worden bepaald.
–           De bijgekomen uitgaven (bijvoorbeeld verlies zelfwerkzaamheid) worden bepaald.
–           Kolom 3 minus kolom 4 minus kolom 5 plus kolom 6 is de jaarschade in kolom 7.
Toerekening aan nabestaanden
De denktank gaat primair van het standpunt uit dat de schade niet over de vorderingsgerechtigden verdeeld wordt. Men berekent dus een totaal schadebedrag dat ter beschikking wordt gesteld aan de volwassen nabestaande als ‘hoofd van het gezin’. De schade wordt dus als ‘gezinsschade’ gezien. Er zijn volgens de denktank geen bezwaren tegen het vorderen van de schade als gezin. Men stelt dat het zelfstandig vorderingsrecht geen plicht is. Het staat het gezin vrij om de schade als gezin te vorderen. De ouder sluit in dat geval de vaststellingsovereenkomst mede namens de kinderen. De onderhoudsverplichting komt daardoor te rusten op de overblijvende ouder.
 
In de oude systematiek werd voor ieder van de nabestaanden de schade automatisch berekend op basis van de Amsterdamse Schaal (variabel deel) en de Reindersschaal (vast deel).
In de nieuwe systematiek staat het de vorderingsgerechtigden vrij de jaarschade voor ieder van hen persoonlijk al dan niet op basis van bovenstaande tabel te verdelen.
 
Bij een gezin met 2 kinderen wordt aan de ouder 74% van de berekende schade toegerekend en aan ieder kind vervolgens 13% (74% + 13% + 13% = 100%). Een verdeling, die de vaste lasten toebedeelt aan de langstlevende partner, die daardoor in tegenstelling tot de oude systematiek niet voor het voldoen van die kosten afhankelijk is van de aan de kinderen toebedeelde schade.
Eventuele uitkeringen uit overlijdensverzekeringen worden – voor zover daartoe aanleiding bestaat – net als voorheen van de schade afgetrokken. Deze aftrek geschiedt in de nieuwe gevallen wel van de berekende gezinsschade.
 
Gevolgen voor de schade
Onderstaand een overzicht van de gevolgen voor de schade in diverse gevallen (op basis van de notitie van ing. E.J. Bakker van Het RekenBureau van 7 augustus 2014)2.
 
Bij gezinsinkomen circa 1,5 x modaal en vaste lasten 50% in oude systematiek:

­       Gezin met 2 kinderen, een ouder 1 inkomen, ouder 2 geen inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 235.000 – Ouder € 110.000 – K1 55.000 – K2 € 70.000
NIEUW Totaal € 235.000 – Ouder € 195.000 – K1 15.000 – K2 € 25.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 50.000 – Ouder € 35.000 – K1 5.000 – K2 € 10.000
NIEUW Totaal € 25.000 – Ouder € 20.000 – K1 2.000 – K2 € 3.000

­       Gezin met 2 kinderen, een ouder 1 inkomen, ouder 2 geen inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 330.000 – Ouder € 170.000 – K1 70.000 – K2 € 90.000
NIEUW Totaal € 335.000 – Ouder € 280.000 – K1 25.000 – K2 € 30.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 145.000 – Ouder € 100.000 – K1 15.000 – K2 € 30.000
NIEUW Totaal € 125.000 – Ouder € 100.000 – K1 10.000 – K2 € 15.000

 
Gezinsinkomen circa 3 x modaal en vaste lasten 50% in oude systematiek:

­       Gezin zonder kinderen, beide partners inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 70.000
NIEUW Totaal € 135.000

­       Gezin zonder kinderen, beide partners inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 165.000
NIEUW Totaal € 235.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 120.000 – Ouder € 45.000 – K1 30.000 – K2 € 45.000
NIEUW Totaal € 170.000 – Ouder € 140.000 – K1 15.000 – K2 € 15.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 215.000 – Ouder € 110.000 – K1 40.000 – K2 € 65.000
NIEUW Totaal € 270.000 – Ouder € 225.000 – K1 20.000 – K2 € 25.000

 
Gezinsinkomen circa 3 x modaal en vaste lasten 60% in oude systematiek:

­       Gezin zonder kinderen, beide partners inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 135.000
NIEUW Totaal € 135.000

­       Gezin zonder kinderen, beide partners inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 230.000
NIEUW Totaal € 235.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, vrijval hypotheek
OUD Totaal € 170.000 – Ouder € 85.000 – K1 35.000 – K2 € 50.000
NIEUW Totaal € 170.000 – Ouder € 140.000 – K1 15.000 – K2 € 15.000

­       Gezin met 2 kinderen, beide ouders inkomen, huurwoning
OUD Totaal € 265.000 – Ouder € 150.000 – K1 45.000 – K2 € 70.000
NIEUW Totaal € 270.000 – Ouder € 225.000 – K1 20.000 – K2 € 25.000

 
 
De drie belangrijkste effecten zijn:

1.            Bij de lagere inkomens is in de bovenstaande gevallen geen sprake van verhoging of verlaging van de schadepost wanneer de vaste lasten circa 50% bedragen. Van de nieuwe systematiek is bij de lagere inkomens in sommige gevallen een schade verlagend effect te verwachten. Dat komt omdat de vaste lasten niet langer afzonderlijk aan de vorderingsgerechtigden worden toebedeeld. In de nieuwe systematiek wordt immers gezinsschade berekend en doet het onderscheid tussen vaste en variabele lasten er niet meer toe.

2.            Bij hogere inkomens is zo op het eerste oog een hogere schadelast te verwachten. Een reden is dat bij deze inkomens een deel van het inkomen gespaard kan worden. Het Nibud heeft ervoor gekozen het spaargeld van de overledene niet weg te laten vallen, maar toe te rekenen aan het gezin. Het spaargeld maakt dus (merkwaardig genoeg) geen deel uit van de weggevallen normatieve uitgaven WNU. Eventueel kan het spaaroverschot gecorrigeerd worden als weggevallen uitgave (WU). Ook zal een eventuele hogere schadelast gecorrigeerd worden op grond van voordeelsverrekening. Anders dan bij veel van de lagere inkomens, hebben hogere inkomens vaak meer voorzieningen getroffen die bij overlijden tot uitkering komen.

3.            Er vindt primair geen verdeling van de schade over de vorderingsgerechtigden plaats. Er is dus sprake van gezinsschade. Indien voor de mogelijkheid wordt gekozen om de schade wel te verdelen, dan is opvallend dat de schade van de diverse vorderingsgerechtigden wijzigt indien men Tabel 4 hanteert. Er wordt minder schade aan de kinderen toegerekend, omdat de vaste lasten – die al in de gezinsschade opgenomen zijn – aan de overblijvende ouder worden toebedeeld. In het verleden werden de vaste lasten toegerekend op basis van de Reindersschaal (overblijvende ouder twee delen, ieder kind een deel).

 
Voordelen en nadelen nieuwe systematiek
Voordelen:

­       Rekenmodel veel eenvoudiger: geen Amsterdamse en Reindersschaal meer.

­       Beter uit te leggen aan nabestaanden.

­       Vaste lasten hoeven niet meer bepaald te worden.

­       Vrije toedeling gezinsschade over individuele vorderingsgerechtigden (toedeling op basis van de Nibud-percentages [Tabel 4] kan hierbij een hulpmiddel zijn).

­       Langstlevende partner voor voldoen vaste lasten niet meer afhankelijk van kinderen.

­       Zuiverder beeld financiële behoefte van gezin na overlijden ouder.

 
Nadelen:

­       Nieuwe discussie over weggevallen uitgaven (WU) en bijkomende uitgaven (BU).

­       Cherry picking, indien oude systematiek blijft bestaan.

­       Vrije toedeling gezinsschade over individuele vorderingsgerechtigden kan discussie opleveren.

 

1.         Hans Tiemersma is senior rekenkundig expert op de Rekenafdeling van Cunningham Lindsey.

2.         Zie www.stichtingpiv.nl.



[1] Hans Tiemersma is senior rekenkundig expert op de Rekenafdeling van Cunningham Lindsey.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey