HR: uitkering weliswaar loon, maar maatschappelijk niet als beloningsvoordeel ervaren

Samenvatting:

Op grond van art. 69 Barp droeg een politieagent aan zijn werkgever zijn vordering op een derde over tegen betaling van het bedrag van de vordering. Deze vordering was het gevolg van een veroordeling daartoe van de derde door de strafrechter. De praktijk wees uit dat slechts 28% van dergelijke vorderingen daadwerkelijk kon worden geïnd. De belastinginspecteur belastte 72% van de door de werkgever aan de agent betaalde vergoeding als loon. De Hoge Raad overwoog dat de rechtspositionele regeling ertoe strekte om politiemensen onbelemmerd te laten functioneren ter wille van het publieke belang. Weliswaar was het voordeel dat de agent genoot loon in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet LB (vgl. BNB 1984, 2), maar naar algemene maatschappelijke opvattingen werd de uitkering niet als beloningsvoordeel ervaren en bleef daarmee buiten de heffing.

 
ECLI:NL:HR:2015:141
Instantie Hoge Raad
datum uitspraak 30-01-2015
datum publicatie 30-01-2015
Zaaknummer 13/03776
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1732, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:5460, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Cassatie
Inhoudsindicatie
Loonbelasting. Art. 10, lid 1, jis. art. 11, lid 1, aanhef en letter a en art. 15, aanhef en letter b, Wet LB (tekst 2005). Krachtens rechtspositionele regeling Politieregio krijgt een agent het recht om een door de rechter toegekende vergoeding wegens beroepsmatig geleden immateriële schade tegen betaling van het nominale bedrag te cederen aan zijn werkgever. Daarin gelegen voordeel is onbelast omdat het naar maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren.
vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2015/4.15 met annotatie van Kluwer
FutD 2015-0237 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2015/8.13 met annotatie van Kluwer
BNB 2015/110 met annotatie van A.L. Mertens
 
Uitspraak
30 januari 2015
nr. 13/03776
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2013, nr. 11/00299, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 10/1003) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 2005 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
 
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 juli 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
 
2 Beoordeling van de middelen
2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1. Belanghebbende is werkgever van politiebeambten. Op de politiebeambten is het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: BARP) van toepassing.
2.1.2. Artikel 69 BARP luidde in 2005, voor zover hier van belang:
“3. Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij terzake van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak tegenover derden rechten op betaling van een geldsom kan doen gelden en mits hij deze rechten binnen zes maanden na de definitieve rechterlijke uitspraak cedeert aan de regio (…).
4. Indien de regio (…) ter zake van de door voornoemde cessies verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de kosten die hieruit voor de regio (…) voortvloeien, niet op de ambtenaar verhaald.”
2.1.3. In 2005 hebben zeven politiebeambten jegens belanghebbende een beroep gedaan op voormelde bepaling van het BARP. Zij hebben hun vorderingen ter zake van door daders toegebrachte immateriële schade van in totaal € 3750 aan belanghebbende gecedeerd tegen uitkering van de nominale waarde daarvan. Omdat uit ervaringsregels blijkt dat de werkelijke waarde van dergelijke vorderingen 28 percent van het nominale bedrag ervan bedraagt, hebben de politiebeambten aldus een voordeel van in totaal € 2700 genoten (hierna: het voordeel).
2.1.4. In geschil is of het voordeel loon is in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005; hierna: de Wet) en zo ja, of het een vrije vergoeding is als bedoeld in artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, in verbinding met artikel 15, aanhef en letter b, van de Wet.
2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een vergoeding die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.
2.3.1. Het eerste middel richt zich tegen het (kennelijke) oordeel van het Hof dat het voordeel loon is in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet.
2.3.2. Het middel faalt. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4. Het tweede middel slaagt. Aangenomen moet worden dat de in 2.1.2 vermelde rechtspositionele regeling ertoe strekt de politiebeambten onbelemmerd te laten functioneren ter wille van het publieke belang door het verhaal van de vorderingen die aan hen bij rechterlijk vonnis zijn toegekend ter zake van door hen in de uitoefening van hun functie geleden immateriële schade over te nemen. Aldus beoogt de werkgever met het overnemen van die vorderingen niet zozeer deze werknemers te belonen, maar dient hij daarmee vooral de aan hem opgedragen publieke dienstverlening. Tegen deze achtergrond moet het voordeel worden gerekend tot de vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren in de zin van artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, in verbinding met artikel 15, aanhef en letter b, van de Wet. Dit sluit ook aan bij de regeling in artikel 11, lid 1, aanhef en letter k, van de Wet op grond waarvan geen belasting wordt geheven over uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door een werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken, waarmee de onderhavige vergoeding vergelijkbaar is.
2.5. Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
 
3 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
 
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,
gelast dat de Inspecteur aan het Hof betaalt het griffierecht ter zake van de behandeling van het hoger beroep ten bedrage van € 454,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1225 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots