HR: rechter is vrij in beoordeling van op gezamenlijk verzoek uitgebracht deskundigenrapport

Samenvatting:

Benadeelde en verzekeraar zijn overeengekomen om een deskundige aan te stellen als “wederzijds adviseur” omtrent de vaststelling van het verlies van arbeidsvermogen (geen bindend advies). Nadien is discussie ontstaan over het rapport. De Hoge Raad overweegt: “Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv). Gelet hierop staat het de rechter ook vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Hetzelfde geldt als een partij voorafgaand aan de totstandkoming van een op gezamenlijk verzoek van partijen uit te brengen rapport, te kennen heeft gegeven zich niet aan het rapport gebonden te zullen achten. Het is aan de rechter of hij (..) behoefte heeft aan voorlichting door daartoe door hemzelf benoemde deskundigen (art. 194 Rv).” De Hoge Raad oordeelt Het hof heeft bij de begroting van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen het op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand gekomen rapport tot uitgangspunt genomen en de bezwaren van benadeelde beoordeeld met behulp van voorlichting door deskundigen die door de rechtbank en het hof zijn benoemd. Deze handelwijze stond het hof vrij.

ECLI:NL:HR:2014:3654
Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 19-12-2014
Datum publicatie: 19-12-2014
Zaaknummer: 13/06010
Formele relaties: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1816, Gevolgd
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Cassatie
Inhoudsindicatie: Schadevergoeding. Begroting schade wegens verlies van arbeidsvermogen. Bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport dat geen bindend advies is; bezwaren tegen wijze van totstandkoming of inhoud daarvan. Beoordelingsvrijheid rechter.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
19 december 2014
Eerste Kamer
nr. 13/06010
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden

[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. G.R. den Dekker,

t e g e n

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Franke.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Achmea.

1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 60390/HA ZA 04-229 van de rechtbank Roermond van 12 mei 2004, 28 september 2005 en 9 mei 2007;
b. de arresten in de zaak HD 103.005.910/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009, 15 juni 2010, 2 augustus 2011, 29 november 2011, 11 september 2012, 6 augustus 2013 en het herstelarrest van 5 november 2013.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 23 juni 2009, 15 juni 2010, 2 augustus 2011, 29 november 2011, 11 september 2012 en 6 augustus 2013 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. F.M. Dekker.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 oktober 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] is op 23 juni 1997 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Achmea heeft als WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval aansprakelijkheid erkend voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.
(ii) Ten tijde van het ongeval was [eiser] werkzaam als zelfstandig accountant.
(iii) [eiser] en Achmea zijn in januari 2001 overeengekomen bij de begroting van het verlies van arbeidsvermogen van [eiser] uit te gaan van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 50%.
(iv) [eiser] en Achmea zijn overeengekomen [betrokkene 1] aan te stellen als “wederzijds adviseur” omtrent de vaststelling van het verlies aan arbeidsvermogen. [betrokkene 1] heeft een concept-rapport uitgebracht, waarop beide partijen hebben gereageerd, en een aangepast rapport. Volgens laatstgenoemd rapport bedraagt de totale schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 355.718,–.
(v) In opdracht van Achmea heeft rekenkundig adviesbureau Valau op basis van het rapport van [betrokkene 1] in 2003 berekend dat de totale schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 309.108,– bedraagt. Eveneens in opdracht van Achmea heeft Laumen, voorheen verbonden aan Valau, in 2004 een nadere berekening op basis van het rapport van [betrokkene 1] gemaakt, met inachtneming van commentaar van [eiser] op de berekening van Valau en met een gewijzigd uitgangspunt ten aanzien van de eindleeftijd. Volgens deze nadere berekening bedraagt de schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 278.833,22.
(vi) Volgens een rapport van [betrokkene 2] van [A] B.V., in 2003 uitgebracht in opdracht van [eiser], bedraagt de schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 845.321,–.
(vii) Achmea heeft aan [eiser] voorschotten betaald tot een bedrag van € 324.915,82.

3.2.1 In dit geding stelt [eiser] dat zijn schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 941.780,17 bedraagt en vordert hij, na aftrek van de betaalde voorschotten, veroordeling van Achmea tot betaling van € 616.864,35.
De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, wegens verlies van arbeidsvermogen een schadevergoeding van € 290.617,22 toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit het hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde bedrag van € 278.833,22 en een bedrag van € 11.784.

3.2.2 Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en Achmea veroordeeld aan [eiser] wegens verlies van verdienvermogen een bedrag van € 325.341,22 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, met aftrek van hetgeen Achmea reeds heeft voldaan.

3.2.3 Het hof heeft in het tussenarrest van 23 juni 2009, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Nadat partijen vanaf april 2009 tevergeefs pogingen hadden gedaan om in onderling overleg de arbeidsvermogensschade van [eiser] vast te stellen, heeft Achmea aanvankelijk voorgesteld om [betrokkene 1] als bindend adviseur op dit punt aan te stellen. [eiser] heeft dat afgewezen. Nadat [betrokkene 1] had voorgesteld dat hij, in plaats van als adviseur van één van partijen, ook als wederzijds adviseur kon optreden, is uiteindelijk na uitvoerig nader overleg tussen partijen door de advocaat van [eiser] mede namens de advocaat van Achmea aan [betrokkene 1] opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar het verlies aan verdienvermogen van [eiser]. (rov. 5.4.2.2)
Het rapport van [betrokkene 1] bindt [eiser] niet bij wijze van bindend advies, want partijen zijn geen bindend advies overeengekomen. Gezien de wijze van totstandkoming van het rapport van [betrokkene 1] is het echter ook niet zo dat het rapport slechts een vrijblijvend advies was dat [eiser] naast zich neer zou kunnen leggen op de enkele grond dat hij het er niet mee eens is. Partijen zijn immers na langdurige discussie overeengekomen om [betrokkene 1] als gezamenlijk adviseur in te schakelen nadat het niet was gelukt onderling tot overeenstemming te komen over de vaststelling van het verlies aan verdienvermogen van [eiser]. Dat hebben zij gedaan op grond van de door beide partijen bij [betrokkene 1] aanwezig geachte deskundigheid op dit gebied. [eiser] heeft een zeer aanzienlijke invloed gehad op de stukken waarop [betrokkene 1] zich heeft gebaseerd en er is ook voldaan aan de voorwaarde die [eiser] had gesteld, dat hij tenminste één maal in een gesprek de door hem verstrekte gegevens wilde toelichten. [betrokkene 1] heeft aan partijen een gedetailleerd plan van aanpak voorgelegd, waarbij hij eerst een concept-rapport zou produceren waarop partijen konden reageren alvorens hij een eindrapport zou opstellen. Zijn rapport is zeer uitvoerig en daarin zijn alle mogelijke aspecten meegewogen die bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen een rol spelen. Al kan niet gezegd worden dat de bedoeling was dat dit rapport het laatste woord in de discussie tussen partijen zou zijn, het was zonder meer wel de bedoeling dat dit rapport de overeenstemming tussen partijen een heel stuk dichterbij zou brengen. Dit blijkt ook uit de zorgvuldige voorbereiding door partijen voordat zij de opdracht aan [betrokkene 1] gaven; het rapport was niet slechts een inventarisatie of een oriënterende verkenning. Het was dus voor partijen nog wel mogelijk bezwaar te maken tegen (onderdelen van) het rapport, maar dat alleen op grond van een stevige onderbouwing van die bezwaren. (rov. 5.4.2.3)
Van die laatste mogelijkheid heeft [eiser] in feite gebruik gemaakt door nadat het rapport van [betrokkene 1] was uitgebracht, met welk rapport hij zich op een aantal punten niet kon verenigen, evenmin als met de daarop gebaseerde berekeningen van Laumen, opdracht te geven aan [A] om een nieuw rapport op te stellen, waarin van de door [eiser] gewenste uitgangspunten is uitgegaan. Daarmee heeft [eiser] zijn bezwaren tegen het rapport van [betrokkene 1] (en dat van Laumen) voldoende onderbouwd om aanspraak te kunnen maken op een serieus nader onderzoek van die bezwaren. (rov. 5.4.2.4)
De rechtbank heeft dat terecht en op juiste gronden aldus gehonoreerd dat zij een deskundige heeft benoemd om te onderzoeken of [betrokkene 1] en Laumen, gelet op de door [eiser] naar voren gebrachte bezwaren, in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen. (rov. 5.4.2.5).
Nu de absolute waarheid omtrent bepaalde te hanteren uitgangspunten niet bestaat en er bij een schadeberekening als hier aan de orde zekere marges zijn waarbinnen een vakbekwame deskundige volgens een professionele standaard de schade kan vaststellen, heeft de rechtbank aan de deskundige terecht gevraagd om te toetsen of [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen (rov. 5.4.2.6).
Wel is het hof van oordeel dat op een aantal punten in het deskundigenrapport onvoldoende is gemotiveerd dat de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen de toets der redelijkheid kunnen doorstaan. Het hof heeft behoefte aan een nadere uiteenzetting van de deskundige, waarin tevens de inhoud van het rapport [A] expliciet door de deskundige wordt beoordeeld. Aangezien Boers niet meer beschikbaar is, zal het hof Dubbers, kantoorgenoot van Boers, als deskundige benoemen. (rov. 5.4.2.7)

3.2.4 Het hof heeft in het tussenarrest van 2 augustus 2011, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Op grond van het feit dat beide partijen [betrokkene 1] destijds als gezamenlijk adviseur hebben aangesteld en diens onderzoek zeer zorgvuldig is verricht kan het heel goed zijn dat aan de benadering van [betrokkene 1] op bepaalde punten de voorkeur moet worden gegeven. Als Boers en Dubbers op voor het hof aanvaardbare gronden aangeven dat [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot een bepaalde benadering en berekening konden komen, zal dat in het algemeen voor het hof aanleiding zijn die benadering en berekening van [betrokkene 1] en Laumen te volgen. (rov. 13.5.2)
3.3 Onderdeel 3 bestrijdt als onjuist dan wel onbegrijpelijk het oordeel van het hof over het rapport van [betrokkene 1] en de berekeningen van Laumen. Met het oordeel dat het hof de benadering en berekening van [betrokkene 1] en Laumen zal volgen als de deskundigen Boers en Dubbers op aanvaardbare gronden menen dat [betrokkene 1] en Laumen daartoe in redelijkheid konden komen, heeft het hof miskend dat [eiser] niet gebonden was aan de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen. Volgens het onderdeel had het hof zich een eigen oordeel moeten vormen over de uitgangspunten van de schadeberekening, en had het een onafhankelijke deskundige integraal moeten laten onderzoeken of het standpunt van Achmea, ondersteund met het rapport van Laumen uit 2004, dan wel het standpunt van [eiser], ondersteund met het rapport van [A] uit 2003, navolging verdient voor de vaststelling van de schade.
3.4.1 Het is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt of hij een deskundigenbericht gelast (art. 194 lid 1 Rv). Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv). Gelet hierop staat het de rechter ook vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Hetzelfde geldt als een partij voorafgaand aan de totstandkoming van een op gezamenlijk verzoek van partijen uit te brengen rapport, te kennen heeft gegeven zich niet aan het rapport gebonden te zullen achten. Het is aan de rechter of hij voor de waardering van een dergelijk rapport in het licht van de bezwaren die een partij daartegen heeft ingebracht, behoefte heeft aan voorlichting door daartoe door hemzelf benoemde deskundigen (art. 194 Rv). Het daaropvolgende bewijsoordeel van de rechter is van feitelijke aard en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht.

3.4.2 Het hof heeft bij de begroting van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen het op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand gekomen rapport van [betrokkene 1] en de daarop gebaseerde berekeningen van Laumen tot uitgangspunt genomen. Het heeft de bezwaren van [eiser] tegen dat rapport en die berekeningen beoordeeld met behulp van voorlichting door deskundigen die door de rechtbank en het hof zijn benoemd. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen, stond deze handelwijze het hof vrij. De klachten van onderdeel 3 falen voor zover zij het tegendeel betogen.

3.5 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op € 6.275,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 december 2014.

ECLI:NL:PHR:2014:1816
Instantie: Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie: 26-09-2014
Datum publicatie: 19-12-2014
Zaaknummer: 13/06010
Formele relaties: Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3654, Gevolgd
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Inhoudsindicatie: Schadevergoeding. Begroting schade wegens verlies van arbeidsvermogen. Bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport dat geen bindend advies is; bezwaren tegen wijze van totstandkoming of inhoud daarvan. Beoordelingsvrijheid rechter.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Conclusie
13/06010
mr. J. Spier
Zitting 26 september 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[eiser]
(hierna: [eiser])

tegen

Achmea Schadeverzekering N.V.
(hierna: Achmea)

1 Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.1

1.2 [eiser], geboren 15 mei 1940, is op 23 juni 1997 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Achmea, de WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, heeft jegens [eiser] aansprakelijkheid voor de daardoor door [eiser] (en zijn echtgenote) geleden schade erkend. De letselschade van de vrouw en de materiële schade aan de auto van [eiser] zijn afgewikkeld.

1.3 [eiser], van beroep zelfstandig accountant, heeft door het ongeval een whiplashlaesie opgelopen. Ten tijde van het ongeval was hij “DGA” van Accountantskantoor [eiser] B.V. Per 1 januari 1999 heeft [eiser] zijn bedrijfsactiviteiten overgeheveld naar de eenmanszaak Accountantskantoor [eiser]. Hij had geen verzekering tegen arbeidsongeschiktheid afgesloten.

1.4 Aan [eiser] is met ingang van 21 juni 1998 een WAZ-uitkering toegekend.

1.5 Partijen zijn het in het kader van de schadeafwikkeling in januari 2001 eens geworden over een arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] van 50%.

1.6 Bij vonnis in kort geding van 25 maart 1999 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Roermond de vordering van [eiser] tegen Achmea tot betaling van een voorschot van fl. 200.000 afgewezen.

1.7 Op 19 mei 2000 heeft [eiser] bij de Rechtbank een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten ingediend. Het verzoek is vervolgens opgeschort en uiteindelijk ingetrokken.

1.8 Teneinde het verlies aan arbeidsvermogen van [eiser] vast te stellen zijn partijen overeengekomen [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]) van [B] B.V. te Amersfoort als “wederzijds adviseur” aan te stellen. Bij brief van 8 november 2001 heeft de advocaat van [eiser], mede namens de advocaat van Achmea, aan [betrokkene 1] daartoe opdracht gegeven. [betrokkene 1] heeft een conceptrapport uitgebracht op 26 april 2002, waarop beide partijen hebben gereageerd. Achmea heeft laten weten geen commentaar te hebben, [eiser] heeft uitvoerig commentaar geleverd. [betrokkene 1] heeft op 12 juni 2002 een aangepast rapport uit gebracht. Daarin berekende [betrokkene 1] de totale jaarschade op fl. 783.899 (€ 355.718).

1.9 In opdracht van Achmea heeft het rekenkundig adviesbureau Valau (verder: Valau) een berekening gemaakt van het verlies aan verdienvermogen van [eiser] op basis van het rapport van [betrokkene 1]. Bij het uitgangspunt dat [eiser] tot zijn 65e jaar zou werken, berekende Valau in haar rapport van 14 februari 2003 de totale schade op fl. 681.184 (€ 309.108).

1.10 Naderhand heeft Achmea haar standpunt heroverwogen en aan Laumen, voorheen verbonden aan Valau, inmiddels “van Laumen RE & O”, verzocht een nadere berekening te maken op basis van het rapport van [betrokkene 1] van 12 juni 2002, met als uitgangspunt dat [eiser] doorwerkt “tot zijn 70ste jaar” met een brancheconforme arbeidsproductiviteit van “het 65e tot het 70e jaar” en met inachtneming van het overige commentaar van [eiser] op de berekening van Valau van 14 februari 2003. De berekening van Laumen van 15 april 2004 komt in totaal uit op een verlies van verdienvermogen van € 278.833,22.

1.11 In opdracht van [eiser] heeft vervolgens [betrokkene 2] van [A] B.V. (verder: [A]) een rapport uitgebracht op 4 december 2003. Daarin wordt opnieuw het verlies van arbeidsvermogen van [eiser] berekend, met een becijfering van de verschenen en toekomstige schade. De totale schade wordt daarin op basis van een Audalet-berekening vastgesteld op € 845.321, uitgaande van een afbouw van de (bovengemiddelde) werkzaamheden “tussen 65 en 70 jaar” met 20% per jaar.

1.12 Achmea heeft aan [eiser] in totaal aan voorschotten € 324.915,82 betaald.

2 Procesverloop

2.1.1 [eiser] heeft bij dagvaarding van 27 februari 2004 gevorderd dat de Rechtbank Roermond Achmea zal veroordelen tot betaling van € 616.864,35, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2004 en de proceskosten en om aan [eiser] een onherroepelijke belastinggarantie tegen een eventuele claim van de belastingdienst inzake de aan hem verstrekte schadeloosstelling af te geven.

2.1.2 [eiser] heeft, in de weergave van de Rechtbank, ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat de jaarschade door [betrokkene 1] is berekend op fl. 783.899 (€ 355.717,85), terwijl die jaarschade volgens de eigen berekening van [eiser] fl. 1.257.010 (€ 570.406,26) bedraagt. Enerzijds heeft [betrokkene 1], die zich veeleer als adviseur van Achmea opstelde dan als onpartijdig adviseur voor beide partijen, in onvoldoende mate rekening gehouden met de specifieke situatie van [eiser] en anderzijds bevat zijn advies aantoonbare fouten. Dat laatste blijkt mede uit de analyse van [A]. Gezien het karakter van de benoeming van [betrokkene 1] als adviseur zijn beide partijen vrij diens rapport naast zich neer te leggen. Op grond van het geactualiseerde rapport van [betrokkene 2] (verbonden aan [A]) bedraagt de arbeidsvermogensschade € 845.321. De totale schade beloopt € 941.780,17.2 Door Achmea is € 324.915,82 aan voorschotten betaald, zodat te betalen resteert een bedrag van € 616.864,35, aldus nog steeds [eiser].

2.2 Achmea heeft de vordering bestreden.

2.3 In haar tussenvonnis van 12 mei 2004 heeft de Rechtbank aan [eiser] opgedragen zijn bezwaren tegen het rapport van [betrokkene 1] puntsgewijs op papier te zetten, zodat dit lijstje kan dienen als agenda voor de comparitie. Vervolgens heeft op 4 oktober 2004 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

2.4 In haar tussenvonnis van 28 september 2005 heeft de Rechtbank met betrekking tot het rapport van [betrokkene 1] het volgende overwogen:3
“Nadat partijen aanvankelijk hebben gesproken over een bindend advies terzake bovenstaande vraag, hebben zij daar uiteindelijk van afgezien en zijn zij overeengekomen gezamenlijk een deskundige als adviseur te benoemen. Hoewel de rechtbank de stelling van [eiser] kan onderschrijven dat het karakter van een (gezamenlijk) adviseur een andere is dan die van een bindend adviseur, strekt dit verschil in karakter naar het oordeel van de rechtbank echter niet zo ver dat het advies van de gezamenlijk benoemde adviseur door partijen terzijde zou kunnen worden gelegd wanneer de uitkomsten van dat advies één van partijen niet mocht aanstaan. Aan een terzijdelegging zal, ook in het geval er geen sprake is van een bindend advies, met het oog op de in acht te nemen belangen van de wederpartij, een gerechtvaardigde reden ten grondslag moeten liggen. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer indien, zoals in het onderhavige geval, tussen partijen overeenstemming bestaat omtrent de uitgangspunten en het plan van aanpak en partijen in gelijke mate invloed hebben kunnen uitoefenen op de totstandkoming van het rapport.
[eiser] heeft uitvoerig en met stukken onderbouwd aangegeven dat en waarom het advies van [betrokkene 1] als gezamenlijk adviseur naar zijn mening ondeugdelijk is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het rapport van [betrokkene 1] op onderdelen is gebaseerd op foutieve uitgangspunten en/of gegevens en/of berekeningen. Deze visie wordt uitdrukkelijk betwist door Achmea. (…)
Indien de stellingen van [eiser] juist zijn, dan kan er naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van een gerechtvaardigde reden als hiervoor bedoeld om het rapport (gedeeltelijk) terzijde te leggen. Nu voor de beoordeling van de vraag naar de juistheid van de stellingen van [eiser], gezien alle door of namens partijen verstrekte gegevens, een deskundigheid is vereist waarover de rechtbank niet beschikt, komt het de rechtbank, zoals zij reeds ter gelegenheid van het pleidooi aan partijen kenbaar heeft gemaakt en met hen heeft besproken, geraden voor om te harer voorlichting een deskundige te benoemen. Aan deze deskundige zal worden opgedragen de rechtbank te informeren of [betrokkene 1] en Laumen, gelet op de kritiek van [eiser], in redelijkheid hebben kunnen komen tot hun respectievelijke bevindingen, alsmede, zo nodig, de gevolgen van zijn bevindingen voor het verlies aan verdienvermogen van [eiser] door te rekenen.”

2.5 In ditzelfde tussenvonnis heeft de Rechtbank ir. D. Boers RA tot deskundige benoemd. [eiser] heeft te kennen gegeven tegen deze benoeming geen bezwaar te hebben. Aan de bezwaren van Achmea is de Rechtbank voorbijgegaan. Aan Boers is opdracht gegeven om te rapporteren over de volgende vraagpunten:
“1. heeft [betrokkene 1] in redelijkheid kunnen komen tot zijn bevindingen zoals neergelegd in zijn rapport van 12 juni 2002, gelet op de punten van kritiek zoals die door [eiser] zijn geformuleerd in productie 1 bij diens akte na tussenvonnis van 4 oktober 2004?
2. heeft Laumen in redelijkheid kunnen komen tot haar bevindingen zoals neergelegd in haar rapport van 15 april 2004, gelet op de punten van kritiek zoals die door [eiser] zijn geformuleerd in zijn conclusie van repliek, paragraaf 9 (pagina 58 tot en met 68)?
3. indien op grond van de beantwoording van de vragen 1 en 2 tot afwijkende bevindingen mocht worden gekomen, hoe dienen dan de gevolgen daarvan voor het verlies aan verdienvermogen van [eiser] te worden doorberekend?
4. wat acht de deskundige – in het licht van het partijen verdeeld houdende geschil – verder nog van zodanig belang dat daarvan melding dient te worden gemaakt in het rapport?”

2.6 In de – in zoverre in cassatie niet bestreden – weergave van het Hof heeft de deskundige Boers het rapport van [betrokkene 1] bestudeerd, evenals de kritiekpunten van [eiser] daarop. Deze kritiek had betrekking op de volgende punten: omzetontwikkeling, extra omzet 1997 van fl. 45.983, beoordeling van het werk door derden, arbeidsproductiviteit, afschrijvingen, overige exploitatiekosten, pensioenberekening en vennootschapsbelasting. Voorts heeft de deskundige het rapport van Laumen bestudeerd evenals de kritiek van [eiser] daarop. [betrokkene 1] heeft bij brief van 4 januari 2006 vragen van de deskundige over de door [betrokkene 1] gevolgde berekeningswijze beantwoord. De deskundige heeft een “een dag lang” een bijeenkomst met partijen gehouden op 3 april 2006, bij welke gelegenheid enerzijds [eiser], vergezeld door genoemde [betrokkene 2] en anderzijds Laumen aan de deskundige een nadere toelichting hebben gegeven. Door de deskundige is een concept-rapport opgesteld. Achmea heeft naar aanleiding daarvan geen opmerkingen gemaakt. [eiser] heeft een zeer uitvoerig commentaar met vier bijlagen d.d. 20 april 2006 aan de deskundige gezonden. De deskundige is daarop gedetailleerd ingegaan.4

2.7 Op 24 augustus 2006 heeft de deskundige Boers zijn rapport aan de Rechtbank gezonden. Zijn conclusie luidt dat het rapport van [betrokkene 1] de toets der redelijkheid kan doorstaan, met dien verstande dat de berekeningen van de fiscale aspecten niet gevolgd kunnen worden. Ook het rapport van Laumen kan de toets der redelijkheid doorstaan, met dien verstande dat de post uitgekeerde dividendreserves ten gunste van [eiser] gecorrigeerd dient te worden met een bedrag van netto € 11.784.5

2.8.1 In haar eindvonnis van 9 mei 2007 heeft de Rechtbank de conclusie van de deskundige Boers overgenomen en geoordeeld dat er geen “gerechtvaardigde reden is om het rapport van [betrokkene 1] terzijde te leggen” (rov. 2.5). De Rechtbank heeft het verlies aan verdienvermogen mitsdien gesteld op het door Laumen berekende bedrag van € 278.833,22, vermeerderd met het eerder genoemde bedrag van € 11.784, tezamen dus € 290.617,22. In totaal is € 309.027,62 toegewezen (€ 290.617,22 verlies verdienvermogen, € 7.065,40 vermogensschade en € 11.345 smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de bedragen opeisbaar waren. Ook de vordering dat Achmea aan [eiser] een onherroepelijke belastinggarantie moet afgeven, is als onweersproken toegewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt en dat de kosten van de door de Rechtbank benoemde deskundige ten laste van Achmea blijven.

2.8.2 Met betrekking tot de wettelijke rente heeft de Rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

2.9. (…) Op grond van artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 BW kan [eiser] aanspraak maken op de wettelijke rente over de in dit vonnis toegewezen bedragen vanaf het moment dat zij opeisbaar waren waarbij voor de berekening van de wettelijke rente over het verlies aan verdienvermogen over de periode van 24 juni 1997 tot de dag van betaling uitgegaan dient te worden van het verlies aan verdienvermogen als berekend door Laumen (met bovenstaande correctie). De rechtbank gaat er van uit dat de aldus verschuldigde rente méér zal bedragen dan het verschil tussen de vergoeding waarop [eiser] aanspraak kan maken en het reeds door Achmea betaalde.”

2.9 [eiser] is van de vonnissen van 12 mei 2004, 28 september 2005 en 9 mei 2007 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft hij geconcludeerd tot vernietiging en heeft hij zijn eis vermeerderd. Hij heeft, kort gezegd, gevraagd om een veroordeling van Achmea tot betaling van € 616.864,35 met wettelijke rente vanaf 1 januari 2004 en € 4.760 met wettelijke rente vanaf 1 april 2008, tot het afgeven van een onherroepelijke belastinggarantie, alles met veroordeling van Achmea in de proceskosten.6 Het bedrag van € 4.760 betreft kosten van een in opdracht van [eiser] door het NRL op 21 januari 2008 uitgebracht rapport. Op grond van dit rapport vordert [eiser] in hoger beroep, naast zijn oorspronkelijke vordering, subsidiair € 603.549 en meer subsidiair € 586.124 ter zake verlies aan verdienvermogen.7

2.10 Achmea heeft de grieven van [eiser] bestreden.

2.11.1 Met de grieven I t/m XV is [eiser], in ’s Hofs in cassatie niet bestreden weergave in rov. 5.4.2.1 van het tussenarrest van 23 juni 2009, opgekomen tegen het belang dat de Rechtbank aan het rapport van [betrokkene 1] heeft toegekend, tegen het onvoldoende in aanmerking nemen van het rapport van [A], tegen de (inhoud van de) opdracht aan de deskundige Boers en tegen het overnemen van diens conclusies. [eiser] achtte het in het bijzonder in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat Achmea, terwijl zij weet dat [eiser] niet gehouden wil worden aan de conclusies van [betrokkene 1], toch bepleit dat [eiser] daar wel aan gebonden is.

2.11.2 Het Hof heeft de onder 2.11.1 genoemde (15) grieven in zijn tussenarrest van 23 juni 2009 gezamenlijk behandeld en, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“5.4.2.2. Nadat partijen vanaf april 2000 tevergeefs pogingen hadden gedaan om in onderling overleg de (lees:) arbeidsvermogensschade van [eiser] vast te stellen, heeft Achmea aanvankelijk voorgesteld om [betrokkene 1] als bindend adviseur op dit punt aan te stellen. [eiser] heeft dat afgewezen. Nadat [betrokkene 1] had voorgesteld dat hij, in plaats van als adviseur van één van partijen, ook als wederzijds adviseur kon optreden, is uiteindelijk na uitvoerig nader overleg tussen partijen door de advocaat van [eiser] aan [betrokkene 1] opdracht gegeven bij brief van 8 november 2001, die voor zover hier van belang luidt:
Mede namens mijn confrère …… verzoek ik u een onderzoek in te stellen naar het verlies aan verdienvermogen wat mijn cliënt …. heeft geleden …
Partijen zijn het niet eens over het inkomen wat mijn cliënt, het ongeval weggedacht, zou hebben kunnen genereren uit zijn eenmanszaak en evenmin over de periode dat hij zonder ongeval als accountant werkzaam zou zijn geweest. Mijn cliënt stelt zich op het standpunt … terwijl Achmea daarentegen van oordeel is …
Tevens stelt mijn cliënt als voorwaarde, waarmee Achmea heeft ingestemd, dat er minimaal één gesprek tussen u en mijn cliënt plaats zal vinden over deze cijfers.
Voor het overige zijn partijen overeengekomen dat u de procedure bepaalt …
Tenslotte kan ik u meedelen dat partijen zijn overeengekomen dat Achmea de kosten van uw onderzoek voor haar rekening zal nemen …
Gezien het feit dat partijen nogal wat tijd kwijt zijn geraakt tot aan het moment dat ik u deze brief kon sturen, verzoek ik u uw onderzoek met enige spoed te willen verrichten …
Bij brief van 15 november 2001 heeft [betrokkene 1] de opdracht aanvaard en aan de advocaat van Achmea onder meer geschreven:
In onderling overleg hebben uw cliënte Achmea …. en de heer …. [eiser] ……mij gevraagd onderzoek te doen naar het verlies aan arbeidsvermogen van [eiser] ……
Bij het bepalen van het verlies aan arbeidsvermogen zal ik een hypothese moeten formuleren over de wijze waarop gelaedeerde zijn arbeidsvermogen zou aanwenden indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen ……. Om de specifieke situatie van gelaedeerde te leren kennen zal ik, naast bestudering van de financiële stukken van de betrokken ondernemingen, ook een gesprek met hem aangaan over zijn bedrijfsvoering ……
De jaarcijfers, het gesprek en de marktverkenning zullen gezamenlijk leiden tot een oordeel over de wijze waarop gelaedeerde zijn onderneming zonder ongeval redelijkerwijs zou hebben geëxploiteerd …….
Vergelijking van de netto consumptieve inkomstenstroom in de situatie zonder ongeval met de feitelijke netto consumptieve inkomstenstroom met ongeval levert inzicht in het verlies aan arbeidsvermogen …….
Mijn streven is er dan op gericht om ……. een concept adviesrapport gereed te hebben. Partijen zijn dan in de gelegenheid om binnen vier weken hun vragen over dit concept adviesrapport schriftelijk aan mij te doen toekomen, waarna ik mijn finale advies zal opstellen. …….
[eiser] en Achmea hebben bij brieven van resp. 29 november 2001 en 5 december 2001 laten weten akkoord te gaan met dit plan van aanpak.
5.4.2.3. Op grond van deze vaststellingen overweegt het hof, dat [eiser] gelijk heeft met zijn stelling dat partijen geen bindend advies zijn overeengekomen en dat hij dus niet op die grond aan de uitkomsten van het rapport van [betrokkene 1] kan worden gehouden. Anderzijds is het, gezien de wijze van totstandkoming van het rapport, echter ook niet zo dat het rapport slechts een vrijblijvend advies was dat [eiser] naast zich neer zou kunnen leggen op de enkele grond dat hij het er niet mee eens is. Partijen zijn immers na langdurige discussie overeengekomen om [betrokkene 1] als gezamenlijk adviseur in te schakelen nadat het niet was gelukt onderling tot overeenstemming te komen over de vaststelling van het verlies aan verdienvermogen van [eiser]. Dat hebben zij gedaan op grond van de door beide partijen bij [betrokkene 1] aanwezig geachte deskundigheid op dit gebied. [eiser] heeft een zeer aanzienlijke invloed gehad op de stukken waarop [betrokkene 1] zich heeft gebaseerd en er is ook voldaan aan de voorwaarde die [eiser] had gesteld, dat hij tenminste éénmaal in een gesprek de door hem verstrekte gegevens wilde toelichten. [betrokkene 1] heeft aan partijen een gedetailleerd plan van aanpak voorgelegd, waarbij hij eerst een concept rapport zou produceren waarop partijen konden reageren alvorens hij een eindrapport zou opstellen. Zijn rapport is zeer uitvoerig en daarin zijn alle mogelijke aspecten die bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen een rol spelen, meegewogen. Achmea is bereid geweest de behoorlijke kosten van het onderzoek voor haar rekening te nemen. Al kan niet gezegd worden dat de bedoeling was dat dit rapport het laatste woord in de discussie tussen partijen zou zijn, het was naar het oordeel van het hof zonder meer wel de bedoeling dat dit rapport de overeenstemming tussen partijen een heel stuk dichterbij zou brengen. Dit blijkt ook uit de zorgvuldige voorbereiding door partijen voordat zij de opdracht aan [betrokkene 1] gaven; het rapport was niet slechts een inventarisatie of een oriënterende verkenning. Naar het oordeel van het hof was het dus voor partijen nog wel mogelijk bezwaar te maken tegen (onderdelen van) het rapport, maar dat alleen op grond van een stevige onderbouwing van die bezwaren.
5.4.2.4. Van die laatste mogelijkheid heeft [eiser] in feite gebruik gemaakt door nadat het rapport van [betrokkene 1] op 12 juni 2002 was uitgebracht, met welk rapport hij zich op een aantal punten niet kon verenigen, evenmin als met de daarop gebaseerde berekeningen van Laumen, opdracht te geven aan [A] om een nieuw rapport op te stellen, waarin van de door [eiser] gewenste uitgangspunten is uitgegaan. Daarmee heeft [eiser] zijn bezwaren tegen het rapport van [betrokkene 1] (en dat van Laumen) voldoende onderbouwd om aanspraak te kunnen maken op een serieus nader onderzoek van die bezwaren.
5.4.2.5. De rechtbank heeft dat terecht en op juiste gronden aldus gehonoreerd dat zij een deskundige heeft benoemd om te onderzoeken of [betrokkene 1] en Laumen, gelet op de door [eiser] – ondersteund door het rapport van [A] – naar voren gebrachte bezwaren, in redelijkheid tot hun bevindingen zoals neergelegd in hun respectievelijke rapporten hebben kunnen komen. Een zwaarder gewicht heeft de rechtbank terecht niet aan het rapport van [A] toegekend; als partijrapport, waarop Achmea geen enkele invloed heeft gehad, dient dit niet meer en niet minder dan als ondersteuning van de bezwaren van [eiser] tegen het rapport van [betrokkene 1], op grond waarvan die bezwaren niet zonder meer terzijde kunnen worden gelegd.
5.4.2.6. In de grieven XI en XIII heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de zijn inziens te vage en verkeerde vraagstelling door de rechtbank aan de deskundige Boers. Dit bezwaar wordt door het hof verworpen. Nu, zoals [eiser] zelf ook naar voren heeft gebracht, de absolute waarheid omtrent bepaalde te hanteren uitgangspunten niet bestaat, en er bij een schadeberekening als hier aan de orde zekere marges zijn waarbinnen een vakbekwame deskundige volgens een professionele standaard de schade kan vaststellen, heeft de rechtbank aan de deskundige terecht gevraagd om te toetsen of [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen.
5.4.2.7. Wel is het hof van oordeel dat op een aantal punten in het deskundigenrapport (in het bijzonder blz. 27, vierde bolletje; blz. 28, derde bolletje) onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan de deskundige van mening is dat de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen de toets der redelijkheid kunnen doorstaan. Het hof heeft daarom behoefte aan een nadere uiteenzetting van de deskundige, waarin tevens de inhoud van het rapport [A], als nadere onderbouwing van de bezwaren van [eiser], expliciet door de deskundige wordt beoordeeld. Om te kunnen beoordelen of de rechtbank terecht de uitkomsten van het deskundigenbericht heeft overgenomen (grief XIV), zal het hof daarom een aanvullend deskundigenbericht gelasten. Aangezien de heer Boers niet meer beschikbaar was zal het hof ir. P. Dubbers, kantoorgenoot van de heer Boers, tot deskundige benoemen.”

2.11.3 Het Hof heeft vervolgens ir. P. Dubbers tot deskundige benoemd. Het voor de deskundige te betalen voorschot is ten laste van Achmea bepaald op € 15.946. Iedere verdere beslissing op het hoger beroep is aangehouden. Aan de deskundige Dubbers zijn de volgende vragen voorgelegd:
“A. Kunt u de beoordeling van de heer Boers dat [betrokkene 1] in redelijkheid tot zijn rapport van 12 juni 2002 kon komen, nader onderbouwen in die zin dat u de bezwaren daartegen van [eiser] (acht punten, uw rapport blz. 10) en de onderbouwing van die bezwaren die te vinden is in het rapport [A] van 4 december 2003, gemotiveerd weerlegt?
B. Kunt u de beoordeling van de heer Boers dat Laumen in redelijkheid tot haar bevindingen van 15 april 2004 kon komen, nader onderbouwen in die zin dat u de bezwaren daartegen van [eiser] (uw rapport blz. 16-20) en de onderbouwing van die bezwaren die te vinden zijn in het rapport van [A] van 4 december 2003, gemotiveerd weerlegt?
C. Geven deze beoordelingen u aanleiding tot een ander oordeel over de redelijkheid van (onderdelen van) de uitkomsten van de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen, anders dan de correctie van € 11.784,- (op blz. 28 van uw rapport) en de opmerking over de fiscale aspecten (blz. 27 van uw rapport) die de heer Boers in zijn deskundigenrapport heeft aangegeven? Zo ja, wilt u dan doorrekenen waartoe een van dat iedere rapport afwijkend oordeel leidt?
D. Hebt u voor het overige nog opmerkingen waarvan u kennisneming door het hof zinvol acht?”

2.12 Bij brief van 19 maart 2010 heeft de deskundige Dubbers aan het Hof bericht dat de werkzaamheden omvangrijker zijn gebleken dan tevoren door hem was ingeschat. Hij heeft verzocht om een aanvullend voorschot van € 17.500 (incl. btw). Achmea heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van dit nadere voorschot. Op een later moment heeft zij dit bezwaar ingetrokken. [eiser] heeft de deskundige gevraagd om een specificatie. Daarop heeft de deskundige meegedeeld dat hij is uitgegaan van circa 20 uur door hemzelf en 40 uur door zijn medewerker [betrokkene 3]. [eiser] heeft vervolgens om een urenverantwoording gevraagd. Deze heeft deskundige Dubbers daarop verstrekt. Uit het verstrekte overzicht blijkt dat de deskundige in totaal 136,5 uur heeft besteed en dat per 20 april 2010 voor € 20.901,50 is gewerkt tegen een uurtarief van € 220 voor de deskundige zelf en € 115 voor “de medewerker [betrokkene 3]”. Vervolgens heeft [eiser] gevraagd om een specificatie van de werkzaamheden destijds van de deskundige Boers. Ook deze specificatie is door de deskundige Dubbers verstrekt.8

2.13 Bij brief van 7 mei 2010 heeft [eiser] uitvoerig bezwaar gemaakt tegen het aantal door de deskundige opgegeven uren en tegen het niet opschorten van de werkzaamheden door de deskundige. Verder heeft [eiser] gesteld dat het Hof Dubbers niet als deskundige had mogen vragen, dat de deskundige zijn werk had moeten stilleggen toen [eiser] zich op partijdigheid van de deskundige beriep en dat de deskundige de opdracht gelet op de Gedragscode Registeraccountants niet had mogen aanvaarden. Bij brief van 18 mei 2010 heeft [eiser] daaraan nog toegevoegd dat de omvang van het procesdossier tevoren bij de deskundige bekend was, dat het Hof Boers tot deskundige had moeten benoemen en niet Dubbers, dat Dubbers ten onrechte het concept-rapport naar het Hof heeft gestuurd en dat Boers [betrokkene 3] niet bij het onderzoek had mogen inschakelen.9

2.14 In zijn tussenarrest van 15 juni 2010 heeft het Hof bepaald dat voor de kosten van de deskundige door Achmea een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 17.500 waartoe wordt overwogen:
“9.4. Het hof stelt voorop dat het thans uitsluitend gaat om een beslissing op het verzoek van de bij arrest van 23 juni 2009 benoemde deskundige om vaststelling van een nader voorschotbedrag. Bezwaren tegen de benoeming van de(ze) deskundige zijn nu dus niet aan de orde, waarbij het hof er overigens op wijst dat tegen die benoeming geen hogere voorziening open staat (art. 194 lid 2 Rv). Bezwaren tegen de wijze waarop de vorige deskundige, Boers, zijn onderzoek heeft uitgevoerd zijn thans evenmin aan de orde. Een beroep op partijdigheid van de deskundige op de enkele grond dat deze een kantoorgenoot is van de deskundige die een vorig deskundigenrapport heeft uitgebracht, van welk rapport het hof enige verduidelijking heeft verzocht, gaat niet op. De vorige deskundige was door pensionering niet meer beschikbaar, reden waarom het hof op voorstel van deze laatste een kantoorgenoot heeft benoemd (zie r.o. 5.4.2.7 van het arrest van 23 juni 2009).
9.5. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige deugdelijk onderbouwd hoeveel uren hij thans heeft gewerkt en hoeveel uren hij nog verwacht aan het onderzoek te moeten besteden. Het hof acht het aantal berekende uren, gelet op de omvang van de zaak, redelijk. De door de deskundige in rekening gebrachte uurtarieven acht het hof eveneens redelijk. Het grote aantal, niet vooraf door de deskundige voorziene, uren is kennelijk in het bijzonder veroorzaakt door het uitgebreide “verzoekschrift” van [eiser] van 30 september 2009 met extra vragen aan de deskundige, en door het zeer omvangrijke commentaar van [eiser] op het concept-rapport van de deskundige. In dat verband wijst het hof er nog eens op dat de deskundige tot niet meer gehouden is dan beantwoording van de door het hof gestelde vragen.
9.6. Alles in aanmerking genomen acht het hof het door de deskundige begrote nadere voorschot van € 17.500,= incl. btw redelijk. Ook dit nadere voorschot zal voorlopig ten laste van Achmea worden gebracht. (…)

2.15 De deskundige Dubbers heeft op 23 juli 2010 zijn rapport uitgebracht. [eiser] heeft in zijn memorie na deskundigenbericht een groot aantal bezwaren opgeworpen tegen de tussenarresten van 23 juni 2009 en 15 juni 2010. Vervolgens heeft [eiser] inhoudelijke bezwaren tegen het rapport van Dubbers naar voren gebracht. Achmea heeft zich op het standpunt gesteld dat de bezwaren van [eiser] niet kunnen worden gehonoreerd.

2.16.1 In zijn tussenarrest van 2 augustus 2011 heeft het Hof met betrekking tot de bezwaren van [eiser] het volgende overwogen:
Het hof verwijst naar zijn tussenarresten van 23 juni 2009 en 15 juni 2010 en volhardt daarbij. Het hof gaat voorbij aan de door [eiser] opnieuw tegen deze arresten opgeworpen bezwaren en is van oordeel dat er geen enkele reden is om op de daarin gegeven (eind)beslissingen terug te komen. Ten overvloede overweegt het hof dat er geen sprake van is dat Dubbers, als kantoorgenoot van de door de rechtbank benoemde deskundige Boers niet door het hof als deskundige benoemd had mogen worden, nu het er niet om ging dat Dubbers een nieuwe beoordeling zou geven van het rapport van Boers, maar dat hij daaraan een uitbreiding zou geven en (nog) gedetailleerder op de bezwaren van [eiser], zoals verwoord in het rapport [A], zou ingaan. Het lag aanvankelijk immers in de bedoeling dat Boers zelf gevraagd zou worden een nadere uitleg aan zijn rapport toe te voegen, maar dat was in verband met diens pensionering niet meer mogelijk.
13.5.2. Het hof roept voorts in herinnering dat Boers destijds door de rechtbank is benoemd met de opdracht om de rechtbank voor te lichten over de vraag of [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen. Het bezwaar van [eiser] tegen de aldus geformuleerde opdracht is door het hof reeds verworpen (…) op grond dat, kort herhaald, partijen [betrokkene 1] als gezamenlijk adviseur hadden ingeschakeld en diens rapport met aanzienlijke inbreng van partijen, in het bijzonder [eiser], tot stand was gekomen, zodat eventuele bezwaren van partijen wel stevig onderbouwd moesten zijn. Gelet op deze achtergrond en in aanmerking nemende dat er bij een schadeberekening zekere marges zijn waarbinnen een vakbekwame deskundige volgens professionele standaard de schade kan vaststellen, is terecht aan de deskundige opgedragen (niet meer dan) de redelijkheid van de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen te beoordelen.
Dat brengt dus mee dat ook als een andere redenering of benadering dan door [betrokkene 1] gekozen, verdedigbaar is, dat niet betekent dat de rechtbank, en thans het hof, de benadering van [betrokkene 1] moet verwerpen. Op grond van het feit dat beide partijen [betrokkene 1] destijds als gezamenlijk adviseur hebben aangesteld en diens onderzoek zeer zorgvuldig is verricht kan het heel goed zijn dat aan de benadering van [betrokkene 1] op bepaalde punten de voorkeur moet worden gegeven. Als de deskundigen Boers en Dubbers op voor het hof aanvaardbare gronden aangeven dat [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot een bepaalde benadering en berekening konden komen zal dat in het algemeen dus voor het hof aanleiding zijn die benadering en berekening van [betrokkene 1] en Laumen te volgen.
13.5.3. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof over de afzonderlijke aan de deskundige Dubbers voorgelegde punten als volgt. (…)
Ad 5. Afschrijvingen
Het hof neemt de conclusie van de deskundige, dat de benadering van [betrokkene 1] op dit punt redelijk is, op de door de deskundige genoemde gronden over.
Ad 6. Overige exploitatiekosten
Nu de deskundige constateert dat bij een andere berekening van de gemiddelde exploitatielasten over de jaren 1997 t/m 2002 uitgekomen wordt op een bedrag van € 61.863 in plaats van, zoals Van Eijk berekende, op € 64.935 moet hieruit naar het oordeel van het hof de consequentie worden getrokken dat over de jaren 1997 t/m 2002 alsnog een correctie van € 3.072,– per jaar aangebracht moet worden. Voor het overige neemt het hof het oordeel van de deskundige op dit punt over.
Ad 7. Financiële baten en lasten
Ook hiervoor geldt dat nu de deskundige constateert dat de gemiddelde last bij herberekening uitkomt op € 9.862 over de jaren 1997 t/m 2002 terwijl [betrokkene 1] is uitgegaan van gemiddeld € 13.349 over deze jaren, er naar het oordeel van het hof alsnog een correctie van € 3.487 per jaar aangebracht moet worden.
Voor het overige neemt het hof het oordeel van de deskundige op dit punt over. (…)
13.5.4. Wat betreft de berekening van Laumen, die opnieuw door Dubbers op redelijkheid is beoordeeld, overweegt het hof dat Laumen is uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als [betrokkene 1]. Voor zover [eiser] tegen afzonderlijke onderdelen van de berekening van Laumen dezelfde bezwaren heeft opgeworpen als hij tegen het rapport van [betrokkene 1], en het rapport van Dubbers waarin het rapport van [betrokkene 1] als redelijk werd beoordeeld, heeft aangevoerd, worden deze bezwaren op de hiervoor aangegeven gronden verworpen.
13.5.5. Voor het overige neemt het hof de conclusie van de deskundige Dubbers dat Laumen redelijke uitgangspunten heeft gehanteerd, dat zij deze consequent heeft toegepast en dat haar rapport de toets der redelijkheid kan doorstaan, over, met dien verstande dat op de posten 6 (overige exploitatielasten) en 7 (financiële baten en lasten) een correctie aangebracht moet worden zoals in r.o. 13.5.3 overwogen.
Voor zover in het voorafgaande stellingen van [eiser] waarin een ander standpunt wordt verdedigd niet afzonderlijk zijn besproken, zijn deze hiermee verworpen.

2.16.2 Het Hof heeft vervolgens de uitgangspunten op basis waarvan uitspraak zal worden gedaan over de door [eiser] gevorderde schadevergoeding uiteengezet. Tot deze uitgangspunten behoort onder meer de constatering dat de Rechtbank het verlies arbeidsvermogen reeds op € 290.617,22 heeft vastgesteld.10 Het Hof overwoog voorts dat de toegewezen correcties een gespecialiseerde herberekening van het verlies arbeidsvermogen noodzakelijk maken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen Laumen tot deskundige te benoemen om deze herberekening van haar berekening d.d. 15 april 2004 uit te voeren.11 Verder overwoog het Hof reeds dat de tussenvonnissen van 12 mei 2004 en 28 september 2005 te zijner tijd zullen worden bekrachtigd, dat het vonnis van 9 mei 2007 te zijner tijd voor de duidelijkheid in zijn geheel zal worden vernietigd, waarna opnieuw recht zal worden gedaan en dat [eiser] in de kosten van het hoger beroep zal worden veroordeeld, met uitzondering van de kosten van de deskundigenberichten.12

2.16.3 Met betrekking tot de wettelijke rente wordt het volgende overwogen:
“13.8.2. [eiser] heeft voor wettelijke rente tot 1 januari 2004 een bedrag gevorderd van € 40.403,39 (r.o. 5.1.1 sub D), en verder over het totaal van de bedragen de wettelijke rente vanaf 1 januari 2004.
De rechtbank heeft in r.o. 2.9 van het eindvonnis van 9 mei 2007 geoordeeld dat de berekening van de wettelijke rente door [eiser] niet gevolgd kan worden omdat de rechtbank uitgaat van de berekening van Laumen, en niet alle posten worden toegewezen, zodat de rechtbank de wettelijke rente zal toewijzen vanaf het moment dat de toegewezen bedragen opeisbaar waren. Aldus is in het dictum geschied.
Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof de wettelijke rente zal toewijzen met ingang van het moment dat de diverse toe te wijzen posten opeisbaar waren.”

2.17 Achmea heeft bij akte meegedeeld er de voorkeur aan te geven dat het Hof Laumen tot deskundige benoemt om een berekening te maken. [eiser] heeft bij akte gesteld het principieel onjuist te vinden dat een deskundige wordt benoemd die in het verleden in opdracht van een procespartij berekeningen heeft gemaakt en opzettelijk in het voordeel van die partij rekende, op grond waarvan hij er de voorkeur aan geeft de berekening in eigen beheer te laten uitvoeren.13

2.18.1 In zijn tussenarrest van 29 november 2011 heeft het Hof Laumen benoemd tot deskundige. Haar voorschot is ten laste van Achmea bepaald op € 4.295,90. Aan Laumen zijn de volgende vragen voorgelegd:
“A. Wilt u, in aanvulling op uw berekeningen van het verlies verdienvermogen van [eiser] van 14 februari 2003 en 15 april 2004 (uw dossiernr. 044), een herberekening maken van uw laatste rapport, dat resulteerde in een totaal verlies verdienvermogen van € 278.833,22, met inachtneming van de correcties die het hof heeft aangebracht (zie r.o. 13.5.3 van het tussenarrest van 2 augustus 2011 onder Ad 6 (Overige exploitatiekosten) en Ad 7 (Financiële baten en lasten), en r.o. 13.8.6 van het tussenarrest van 2 augustus 2011)?
B. Hebt u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het nuttig acht dat het hof daarvan kennis neemt?”

2.18.2 Ten aanzien van de door [eiser] aangedragen bezwaren tegen de benoeming van Laumen, overwoog het Hof:
“17.4. (…) Er is geen sprake van dat mevrouw Laumen in het verleden “opzettelijk in het voordeel van” Achmea heeft gerekend.
Wel is juist dat Achmea destijds aan adviesbureau Valau, aan welk bureau mevrouw Laumen toen verbonden was, opdracht heeft gegeven om een berekening te maken van het verlies aan verdienvermogen van [eiser] op basis van het rapport van [betrokkene 1], welke laatste door partijen gezamenlijk als deskundige was aangezocht (rapport van 14 februari 2003, prod. bij inleidende dagvaarding). Daarna heeft Achmea nogmaals een berekening laten maken door mevrouw Laumen, die inmiddels niet meer bij Valau werkte (rapport van 15 april 2004, prod. 7 bij cva). Naderhand heeft de rechtbank de deskundige Boers benoemd om te beoordelen of [betrokkene 1] en Laumen, gezien de kritiek van [eiser], in redelijkheid tot hun bevindingen konden komen. Boers concludeerde dat de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen, met een correctie, de toets der kritiek konden doorstaan. De rechtbank heeft de conclusies van Boers overgenomen.
Het hof heeft – wegens pensionering van Boers – een kantoorgenoot van Boers, Dubbers, tot deskundige benoemd om nog enkele punten uit het rapport van Boers nader toe te lichten. Daarna heeft het hof geoordeeld dat hij de conclusie van Dubbers dat Laumen redelijke uitgangspunten heeft gehanteerd, deze consequent heeft toegepast en dat haar rapport – met twee correcties – de toets der redelijkheid kan doorstaan, overneemt.
De bezwaren van [eiser] tegen de berekening door Laumen heeft het hof reeds verworpen in r.o. 13.5.4.
Het enkele feit dat het destijds Achmea is geweest die mevrouw Laumen voor een berekening heeft aangezocht is mitsdien onvoldoende aanleiding om haar niet nu opnieuw te verzoeken een herberekening te maken in verband met de door het hof aangebrachte correcties op de “Overige exploitatiekosten” en de “Financiële baten en lasten” (zie r.o. 13.5.3 sub 6 en 7).
Het zou bovendien zeer onpraktisch en onnodig kostenverhogend zijn als een nieuwe deskundige zich van voren af aan in de materie zou moeten inwerken.”

2.19 In zijn tussenarrest van 11 september 2012 heeft het Hof bepaald dat Achmea een aanvullend voorschot van € 3.213 dient te voldoen omdat de deskundige bij brief van 10 juli 2012 heeft bericht dat de werkzaamheden omvangrijker zijn gebleken dan tevoren was ingeschat.

2.20 De deskundige Laumen heeft op 16 mei 2012 een eerste conceptrapport aan partijen beschikbaar gesteld. [eiser] heeft daarop op 6 augustus 2012 een uitgebreid commentaar gegeven, dat de deskundige puntsgewijs heeft beantwoord. Laumen heeft daarna een tweede conceptrapport gemaakt dat op 7 december 2012 aan partijen ter beschikking is gesteld. Beide partijen hebben daarop gereageerd. De deskundige heeft vervolgens de commentaren wederom puntsgewijs beantwoord. Ten slotte heeft zij op 11 maart 2013 een definitief rapport uitgebracht.14

2.21.1 In zijn eindarrest van 6 augustus 2013 heeft het Hof de voor de beoordeling van de zaak relevante inhoud van het rapport van 11 maart 2013 als volgt samengevat:
“23.1.6. De deskundige Laumen vermeldt dat zij in het eerste concept haar rapport van 15 april 2004 wat de fiscaliteiten betreft had geüpdatet15 naar 2012, nu er zoveel jaar verstreken waren tussen de oude en de nieuwe berekening. Zij kreeg daarop zeer uitvoerig commentaar van [eiser], waarvan het merendeel niet ging over de toepassing van de twee door het hof opgedragen wijzigingen. Om de discussie te beperken heeft zij er in het tweede concept voor gekozen de kapitalisatiedatum toch op 1 januari 2005 te laten en de fiscaliteiten van 2004 aan te houden. [eiser] heeft nog wel de werkelijke bedragen van de auto van de zaak en de WAZ van vóór 1 januari 2005 opgegeven. Deze bedragen heeft Laumen in haar berekening meegenomen; verder is de invoer, op de door het hof aangegeven wijzigingen na, gelijk gebleven. Zij licht in antwoord op de tweede vraag van het hof nog toe, dat er twee mogelijkheden zijn voor een herberekening als in dit geval: ofwel de kapitalisatiedatum verschuiven naar een datum dicht bij de nieuwe rapportage en het hele rapport updaten naar de nieuwe fiscale wetgeving; de schade tot aan de nieuwe kapitalisatiedatum is dan nominaal gemaakt en alleen de wettelijke rente over de extra schade moet nog berekend worden; ofwel de kapitalisatiedatum laten staan en de fiscale regelgeving in tact laten, waarbij de sterftekans tot aan het rapport uit de berekening gehaald moet worden en het verschil tussen de oude en de nieuwe berekening wettelijke rente draagt vanaf de oude kapitalisatiedatum. Beide wijzen van berekening zijn goed, aldus de deskundige.
23.1.7. De herberekening van de deskundige, na doorrekening van de door het hof in zijn arrest van 2 augustus 2011 bedoelde correcties, levert op dat de deskundige het verlies verdienvermogen thans berekent op € 293.082,61 (was: € 278.833,22, mitsdien een verschil van € 14.249,39, zie p. 42 rapport). Daarbij merkt zij het volgende op (zie p. 44 rapport). De kapitalisatiedatum en de fiscale regelgeving op die datum zijn gehandhaafd op 1 januari 2005. De rapportage van 2004 is intact gelaten, behalve op de twee punten die het hof had aangegeven. Daarbij dient dan wel de sterftekans tot 2013 uit de berekening verwijderd te worden en dient nog de wettelijke rente over het extra bedrag te worden bijgeteld. Het verwijderen van de sterftekans tot 11 maart 2013 levert een extra schade op van € 10.234,- en de extra wettelijke rente tot 1 april 2013 (over het verschil in berekening 2004 en 2013 ad € 14.249,39 plus de correctie sterftekans ad € 10.234,-) bedraagt € 10.240,61, zodat in totaal, inclusief het verschil van € 14.249,39, bijgeteld moet worden € 34.724,-. Nu het verschil van € 14.249,39 reeds is begrepen in het bedrag van € 293.082,61, komt het totale bedrag aan verlies verdienvermogen, zoals door de deskundige herberekend daarmee op (€ 293.082,61 +€ 10.234,-+ € 10.240,61 is) € 313.557,22.”

2.21.2 Vervolgens heeft het Hof voorafgaand aan zijn verdere beoordeling wederom overwegingen gewijd aan de bezwaren [eiser] die opnieuw, zowel via zijn advocaat als in een zelf geschreven stuk, te kennen had gegeven ongelukkig te zijn met de gang van zaken in de procedure en de wijze waarop zijn vordering is behandeld:
“23.3.1. (…) Het is jammer dat hij het idee heeft dat hem geen recht wordt gedaan. [eiser] houdt daarbij wellicht onvoldoende in het oog dat de omstandigheid dat hij op verschillende punten van de rechter geen gelijk heeft gekregen, niet betekent dat er niet naar hem is geluisterd of dat zijn argumenten niet serieus zijn gewogen.
23.3.2.
Het hof zal niet ingaan op het verzoek van [eiser] om een comparitie te gelasten en de zaak van begin af aan opnieuw te bespreken. Daarvoor bestaat geen enkele aanleiding. De zaak verkeert thans in de eindfase en is inmiddels uitgebreid en tot in detail behandeld.
Daartoe memoreert het hof, dat [eiser] reeds in het vonnis van de rechtbank van 12 mei 2004 is uitgenodigd zijn bezwaren tegen het rapport van [betrokkene 1], de gezamenlijk door partijen aangezochte adviseur, van 12 juni 2002 en de herberekening van dit rapport door mevrouw Laumen van 15 april 2004, kenbaar te maken. Die herberekening is overigens ook ten minste twee maal uitgevoerd en herzien naar aanleiding van opmerkingen van [eiser]. De berekening gaat uit van het doorwerken van [eiser] tot zijn 70e jaar. Teneinde de juistheid van de bezwaren van [eiser], die hij had onderbouwd met een rapport van [A], te toetsen heeft de rechtbank Boers (tegen wie [eiser] geen bezwaar had, Achmea wel) tot deskundige benoemd. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat uitgegaan kan worden van het rapport van [betrokkene 1], zoals herberekend door Laumen, en met een fiscale correctie als voorgesteld door Boers. Het verlies aan verdienvermogen kwam daarmee uit op een bedrag van € 290.617,22 en de totale schadevergoeding op € 309.027,62 met de wettelijke rente als bepaald in r.o. 2.9 van het vonnis van 9 mei 2007.
In hoger beroep heeft het hof in het tussenarrest van 23 juni 2009 (r.o. 5.4.2.3 e.v.) uitvoerig gemotiveerd waarom het rapport van [betrokkene 1] het uitgangspunt blijft, en is een kantoorgenoot van de inmiddels gepensioneerde Boers, Dubbers, tot deskundige benoemd om nog een aantal (9) punten nader toe te lichten, gezien de bezwaren van [eiser] zoals onderbouwd in het rapport [A]. Uit het arrest van 15 juni 2010, waarbij aan Dubbers een aanvullend voorschot werd toegekend van € 17.500,-, blijkt (r.o. 9.5) dat de extra uren in het bijzonder zijn veroorzaakt door de behandeling van het zeer omvangrijke commentaar en de vele extra vragen van [eiser]. In het tussenarrest van 2 augustus 2011 heeft het hof, mede aan de hand van het uitvoerig verwoorde standpunt van [eiser], de negen aan Dubbers voorgelegde aspecten beoordeeld en beslist. Het hof heeft het oordeel van Dubbers dat de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen op de genoemde punten de redelijkheidstoets kunnen doorstaan, overgenomen, maar ten aanzien van twee onderwerpen (overige exploitatielasten en financiële baten en lasten) beslist dat daarin toch ten gunste van [eiser] nog een correctie moest worden aangebracht. Omdat dit een gespecialiseerde herberekening noodzakelijk maakte heeft het hof in het tussenarrest van 29 november 2011, ondanks bezwaren van [eiser], opnieuw mevrouw Laumen tot deskundige benoemd om deze berekening in haar rapport van 15 april 2004 uit te voeren. Bij arrest van 11 september 2012 is aan mevrouw Laumen een extra voorschot toegekend van € 3.213,-.
Dit laatste, in wezen eenvoudige en beperkte, onderzoek is veel uitgebreider geworden dan bedoeld nadat [eiser] het eerste conceptrapport had aangegrepen om daarop een zeer uitvoerig commentaar te geven, grotendeels op andere aspecten dan de twee punten waarop een correctieberekening moest worden uitgevoerd. Op een vraag van de deskundige aan het hof hoe zij te dien aanzien moest handelen, heeft de griffier namens de raadsheercommissaris bij brief van 19 oktober 2012 bericht dat de deskundige zich diende te beperken tot de twee bedoelde punten en het overige commentaar onbesproken kon laten. Op het tweede conceptrapport heeft [eiser] opnieuw met een uitvoerig commentaar, zowel van hemzelf als van zijn advocaat, gereageerd. Beide commentaren heeft de deskundige gedetailleerd beantwoord.
23.3.3. Het hof heeft deze gang van zaken nog eens weergegeven om aan te geven dat enerzijds [eiser] steeds alle ruimte heeft gekregen, en benut, om bezwaren en standpunten naar voren te brengen en dat naar aanleiding daarvan de berekeningen ook op bepaalde punten te zijnen gunste zijn herzien, en anderzijds om nog eens duidelijk te maken dat het merendeel van de geschilpunten reeds door het hof is beslist. Er is, voegt het hof daar nogmaals aan toe, geen enkele aanleiding op die beslissingen terug te komen. Het hof blijft dan ook bij de in de voorafgaande tussenarresten gegeven oordelen en overwegingen.”

2.21.3 Het Hof heeft vervolgens de tussenvonnissen van 12 mei 2004 en 28 september 2005 bekrachtigd en het eindvonnis van 9 mei 2007 vernietigd. Het Hof heeft Achmea veroordeeld om aan [eiser] € 343.167,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 313.557,22 vanaf 1 april 2013 en over € 29.610.40 vanaf het moment dat de toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schade opeisbaar waren, met aftrek van hetgeen Achmea reeds heeft voldaan. Achmea is voorts veroordeeld om aan [eiser] een onherroepelijke belastinggarantie tegen een eventuele claim van de belastingdienst inzake de aan [eiser] verstrekte schadeloosstelling af te geven. De proceskosten in eerste aanleg zijn gecompenseerd. [eiser] is veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Daartoe heeft het Hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.
“Wijze van schadeberekening
23.4. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat in het algemeen een schade als hier aan de orde zo concreet mogelijk wordt berekend, en dat in beginsel een kapitalisatiedatum wordt gekozen die zo dicht mogelijk bij de uiteindelijke beslissing over het totale schadebedrag ligt. In een concreet geval kan er echter aanleiding zijn van deze uitgangspunten af te wijken; de rechter is daarin vrij. Het hof onderschrijft het standpunt van de deskundige dat beide wijzen van schadeberekening, uitgaan van een recente dan wel van een oude kapitalisatiedatum, juist en toepasbaar zijn.
In dit geval acht het hof het geboden dat aan de onwenselijk lange procedure, na bijna tien jaar, en zestien jaar nadat het ongeval heeft plaatsgevonden, een eind komt. Dat wordt bereikt door uit te blijven gaan van de oude kapitalisatiedatum en door geen nieuwe discussies naar aanleiding van een geheel nieuwe berekening open te stellen. Aan die methode geeft het hof hier dus de voorkeur. Daar komt bij dat de lange duur, en dus de grote afstand tot de kapitalisatiedatum, niet in de laatste plaats veroorzaakt is doordat [eiser] in verschillende stadia zeer omvangrijke commentaren heeft geproduceerd, die vaak teruggrepen op punten die niet (meer) aan de orde waren en die de wederpartij en/of de deskundigen noodzaakten tot eveneens uitvoerige reacties.
Oordeel hof n.a.v. het deskundigenrapport van 11 maart 2013
23.5.1. Achmea heeft zich bij de uitkomsten van het rapport aangesloten. [eiser] heeft geen bezwaren opgeworpen ten aanzien van de wijze waarop de deskundige de twee te corrigeren punten (overige exploitatielasten en financiële baten en lasten) in haar rapport heeft verwerkt. Als enige concrete punt, behalve algemene bezwaren die het hof hiervoor heeft besproken, noemt hij een verkeerde toepassing van het fiscale tarief op de dividenduitkering 1997-2000 (in het rapport van 15 april 2004). Het hof overweegt dat dit een gepasseerd station is, nu in r.o. 13.5.5 van het arrest van 2 augustus 2011 al is geoordeeld dat het hof het positieve oordeel van Boers over de vraag of de berekeningen van Laumen de redelijkheidstoets kunnen doorstaan, overneemt. De overige bezwaren van [eiser], voor zover niet al hiervoor besproken, worden verworpen. De door hem geproduceerde berekeningen en voorstellen, die uitgaan van een andere beoordeling dan het hof heeft gegeven, laat het hof terzijde.
23.5.2. Het hof is van oordeel dat de deskundige Laumen de twee te corrigeren posten duidelijk en inzichtelijk heeft verwerkt en neemt de bevindingen van dit rapport over. Dat brengt mee dat de totale schade aan verlies verdienvermogen moet worden gesteld op € 313.557,22.
Slotconclusie ten aanzien van de schade
23.6. Het hof verwijst naar r.o. 13.8.6 van het tussenarrest van 2 augustus 2011. De “overige vermogensschade” en de immateriële schade belopen samen € 29.610,40. Met het verlies verdienvermogen van € 313.557,22 is de totale schade € 343.167,62. Daarover is wettelijke rente verschuldigd, en wel over € 313.557,22 vanaf 1 april 2013 en over € 29.610,40 vanaf het moment dat de toegewezen bedragen opeisbaar waren (zie r.o. 13.8.2 en 13.8.6).
Kosten deskundigenberichten en proceskosten (…)
23.7.2. Wat betreft de vraag wie van partijen in de proceskosten moet worden veroordeeld overweegt het hof het volgende. In eerste aanleg zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, zoals de rechtbank deed. Alles bijeen genomen komt aan [eiser] in hoger beroep een bedrag van omstreeks € 34.000,– meer toe dan hem in eerste aanleg is toegewezen. De vordering van [eiser], met name wegens arbeidsvermogensschade, beliep anderzijds een veelvoud van het hem thans toe te wijzen bedrag, zodat een groot deel van zijn vordering wordt afgewezen. Het hof zal daarom [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, zoals in het tussenarrest van 2 augustus 2011, r.o. 13.8.8, aangekondigd.
23.7.3. Het is het hof bekend dat Achmea “destijds” aan [eiser] een bedrag heeft betaald van € 324.915,82. Het is het hof niet bekend of daarna nog betalingen zijn verricht, noch kan het hof bij gebreke van een betaaldatum en de precieze data waarop de materiële kosten opeisbaar zijn geworden, dit bedrag zelf verrekenen met het totaalbedrag van de schade. Daarom zal in het dictum het totale schadebedrag worden toegewezen, op welk bedrag uiteraard het reeds betaalde bedrag van € 324.915,82 en eventueel daarna nog door Achmea aan [eiser] ten titel van schadevergoeding gedane betalingen in mindering komen. Ten overvloede merkt het hof op dat de verschuldigde rente steeds berekend dient te worden tot aan het moment dat de diverse deelbetalingen zijn gedaan.”

2.22 Namens [eiser] is aan het Hof bericht dat het hem voorkomt dat het dictum van het arrest een kennelijke fout bevat; het Hof heeft nagelaten het in het tussenarrest van 2 augustus 2011 reeds toewijsbaar geoordeelde bedrag van € 11.784 met rente vanaf 1 januari 2011 in het dictum over te nemen.

2.23 Bij herstelarrest van 5 november 2013 oordeelde het Hof dat terecht is geconcludeerd dat sprake is van een kennelijke fout. Het Hof bepaalde dat het dictum in die zin moet worden verbeterd en gewijzigd dat Achmea wordt veroordeeld om aan [eiser] € 354.951,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 325.341,22 vanaf 1 april 2013 en over € 29.610,40 vanaf het moment dat de toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schade opeisbaar waren, met aftrek van hetgeen Achmea reeds heeft voldaan.

2.24 [eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de op 23 juni 2009, 15 juni 2010, 2 augustus 2011, 29 november 2011, 11 september 2012 en 6 augustus 2013 door het Hof gewezen arresten. Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna zij hebben gere- en dupliceerd.

3 Inleiding

3.1 Het gaat in deze procedure in de grond van de zaak om een niet bijzonder lastige kwestie: de berekening van verlies van verdienvermogen. Het is bovendien in overwegende mate een niet juridische vraag.

3.2 In ’s Hofs arresten klinkt één en andermaal door dat [eiser] niet heeft geschuwd om het debat te belasten met uitvoerige discussies over al afgesloten kwesties. ’s Hofs observaties zijn volkomen juist.

3.3 [eiser] heeft veel van de rechter gevergd. Reeds de inleidende dagvaarding besloeg 57 pagina’s. Daarbij behoort een ruim 10 centimeter dikke stapel papier waarin een veelheid van stukken en becijferingen is te vinden.

3.4 Hoe men ook over ’s Hofs arresten moge denken, het Hof heeft zich uitzonderlijk veel moeite getroost om zich een weg te banen in het oerwoud van stellingen en stukken. Het is bewonderenswaardig uitvoerig op dit alles ingegaan.

3.5 Hiermee is niet gezegd dat ’s Hofs aanpak – en de benadering van de Rechtbank – maximaal gelukkig is geweest. Retrospectief bezien, is altijd gemakkelijk om aan te geven hoe iets beter had gekund. In elk geval met wijsheid achteraf was beter geweest dat de Rechtbank of het Hof terstond een eigen deskundige hadden benoemd. Het was m.i. ook juridisch zuiverder geweest. En zo valt er ook wel wat af te dingen op een aantal andere keuzes die het Hof heeft gemaakt, hoe zeer om de in de verschillende arresten genoemde redenen ook kan worden begrepen waarom het Hof, in het licht van eerdere beslissingen, tot een bepaalde vervolg-aanpak is gekomen. Maar de enkele omstandigheid dat één of meer door het Hof gemaakte keuzes wellicht minder gelukkig zijn geweest, betekent nog niet (steeds) dat het gehouden was om andere keuzes te maken.

3.6 Met het Hof meen ik dat deze zaak inmiddels al behoorlijk lang heeft geduurd en dat dit voor een niet onbelangrijk deel kan worden geschreven op het conto van [eiser]. Ook wanneer men aanneemt dat de punten die hij telkens opnieuw aan de orde stelde hout sneden, had hem duidelijk moeten zijn dat dit niet aflatend tamboereren goede zin miste omdat deze kwesties reeds waren afgehandeld. Het zou daarom m.i. zeker niet behoeven te worden betreurd wanneer door het te wijzen arrest van Uw Raad het doek over deze procedure zou vallen.

3.7 Het is om de onder 3.6 genoemde reden dat ik ervoor heb gekozen om in de talloze klachten niet meer te lezen dan wat er staat. Voor een welwillende of ruime lezing kies ik dus niet. Ik draai daar niet omheen.

4 De kern van ’s Hofs gedachtegang

4.1 Het Hof heeft in zijn eerste tussenarrest – en later nog enkele malen in enigszins andere bewoordingen – aangegeven waarom het betekenis toekent aan het op verzoek van beide partijen uitgebrachte advies; zie rov. 5.2.3-5.2.5 zomede 5.4.2.3 – 5.4.2.5.

4.2 Het Hof heeft vervolgens op verschillende plaatsen uit de doeken gedaan waarom het ervan afziet om een eigen deskundige te benoemen. Ik kan me niet geheel aan de indruk onttrekken dat één van de dragende argumenten voor dat standpunt [eiser] is ontgaan. Reeds daarom lijkt goed aan te geven wat in mijn lezing voor het Hof een belangrijke rol heeft gespeeld.

4.3.1 Dit laatste is m.i. het duidelijkst verwoord in het tussenarrest van 23 juni 2009, met name in rov. 5.4.2.6:
“Nu, zoals [eiser] zelf ook naar voren heeft gebracht, de absolute waarheid omtrent bepaalde te hanteren uitgangspunten niet bestaat, en er bij een schadeberekening als hier aan de orde zekere marges zijn waarbinnen een vakbekwame deskundige volgens een professionele standaard de schade kan vaststellen, heeft de rechtbank aan de deskundige terecht gevraagd om te toetsen of [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen.”

4.3.2 Eenzelfde geluid klinkt helder door in rov. 13.5.2 van het arrest van 2 augustus 2011.

4.4.1 Aldus brengt het Hof het volgende tot uitdrukking. De berekening van dit soort schades kan redelijkerwijs op verschillende manieren, die ieder de toets der juridische kritiek kunnen doorstaan, gebeuren. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

4.4.2 Gegeven het onder 4.4.1 genoemde uitgangspunt moet weliswaar rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deskundigen tot verschillende uitkomsten zullen komen, maar daarmee is nog niet gezegd dat als dat gebeurt de rechter goed kan beoordelen of de ene benadering “beter” is dan de andere. Zelfs wanneer een door het Hof benoemde deskundige tot een (zelfs: geheel) andere uitkomst zou zijn gekomen dan de door partijen aangezochte deskundige, zou het Hof dus een keuze hebben moeten maken die, gegeven het onder 4.4.1 vermelde uitgangspunt, door de in dit soort berekeningen niet geverseerde rechter niet trefzeker zou zijn te funderen. Het gaat immers in essentie om een feitelijke (rekenkundige) kwestie waaromtrent de rechter geen bijzondere kennis heeft (precies daarom hebben partijen en later de rechter de hulp van deskundigen ingeschakeld).16 Het zou, gelet op de vigerende rechtspraak, wellicht mogelijk zijn geweest om met betrekkelijk weinig omhaal aan te sluiten bij het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige die van voren af aan en zonder zich te bekommeren om het al door [betrokkene 1] gedane werk aan het rekenen zou zijn geslagen, maar aldus zou de zaak zeker niet zonder meer op een betere of gelukkiger wijze zijn beslecht dan door relevante – maar geen doorslaggevende – betekenis toe te kennen aan – in casu – de bevindingen van [betrokkene 1]. Vooral ook daarom – en voorts om de hierna onder 5.9 nader genoemde redenen – zoekt het Hof, met belangrijke kanttekeningen en clausuleringen, aansluiting bij de deskundige die partijen zelf hebben ingeschakeld. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, wat er van dat oordeel verder ook zij.

4.4.3 Ik voeg hieraan nog toe dat mij als niet deskundige in dit soort berekeningen niet bijzonder aannemelijk lijkt dat becijferingen gemaakt op basis van dezelfde uitgangspunten tot wezenlijk andere uitkomsten zouden leiden. Mogelijk zouden deze, indien gemaakt door een andere deskundige die geheel zelfstandig aan de slag zou zijn gegaan, iets hoger of lager zijn uitgekomen dan het bedrag waarvan het Hof uiteindelijk is uitgegaan, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat het om wezenlijke bedragen zou gaan. Als ik daarin gelijk zou hebben, dan is uit rechtseconomisch oogpunt niet zinvol om de rechtsstrijd voort te zetten omdat de kosten (zeker dan) niet opwegen tegen de mogelijke baten.

4.5 Bij deze stand van zaken staan de sterren m.i. niet (meer) gunstig voor de kernklachten.

5 Bespreking van de middelen

5.1 Onderdeel 1, waarin wordt geklaagd over het feit dat het Hof heeft nagelaten het in het tussenarrest van 2 augustus 2011 reeds toewijsbaar geachte bedrag van € 11.784 in (het dictum van) het eindarrest over te nemen, behoeft geen behandeling meer nu het Hof deze vergissing bij herstelarrest van 5 november 2013 heeft hersteld. Ook in de s.t. van [eiser] onder 14 wordt daar, naast wat gemopper, op gewezen.

5.2.1 Onderdeel 2 ziet op de wettelijke rente die in rov. 23.6 en het dictum van het eindarrest (over € 325.341,22) vanaf 1 april 2013 is toegewezen.17

5.2.2 Onderdeel 2.1 klaagt dat, nu de Rechtbank de ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft bepaald op 24 juni 1997,18 ook het Hof hiervan had moeten uitgaan. In dat verband wijst het onderdeel erop dat de ingangsdatum van de wettelijke rente geen onderwerp van geschil is geweest in hoger beroep, terwijl partijen in eerste aanleg zijn uitgegaan van lopende wettelijke rente en de vernietiging van het eindvonnis in eerste aanleg enkel “voor de duidelijkheid” is gedaan, zoals het Hof in het arrest van 2 augustus 2011 in rov. 13.8.8 heeft overwogen. [eiser] klaagt voorts dat het dictum ook niet aansluit op rov. 23.7.3, waarin het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de rente aanwast tot het moment waarop de diverse deelbetalingen door Achmea zijn gedaan.

5.2.3 Onderdeel 2.2 wordt opgeworpen voor zover ’s Hofs oordeel zo moet worden begrepen dat rov. 23.1.7 van het eindarrest mede dragend is voor de ingangsdatum van de wettelijke rente per 1 april 2013 over het schadebedrag van € 325.341,22. Volgens [eiser] is die beslissing dan onjuist, althans onbegrijpelijk, gemotiveerd. Het Hof heeft er in dat geval aan voorbijgezien dat de herberekening door de deskundige Laumen slechts op twee punten zag en niet op het totale verlies verdienvermogen. Bovendien heeft Laumen de wettelijke rente slechts berekend voor de periode vanaf 1 januari 2005 tot 1 april 2013,19 zodat daarin de periode 24 juni 1997 tot 1 januari 2005 ontbreekt.

5.3 In haar verweer ten aanzien van onderdeel 2.1 voert Achmea terecht aan dat [eiser] in hoger beroep zelf heeft verzocht om vernietiging van het vonnis van de Rechtbank waarbij de wettelijke rente vanaf voornoemde datum is toegewezen (s.t. onder 6.7 en 6.8). In plaats daarvan heeft hij in de appeldagvaarding en opnieuw aan het slot van de memorie van grieven gevorderd dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 januari 2004. Daarmee heeft [eiser] het debat in hoger beroep aangaande de wettelijke rente zelf aangezwengeld. Het stond het Hof dan ook vrij om op dit punt van de beslissing van de Rechtbank af te wijken.

5.4 Voor zover onderdeel 2.2 ziet op de periode vóór 1 januari 2004 loopt het op dezelfde klip stuk. Daarmee resteert slechts de periode tussen 1 januari 2004 en 1 januari 2005.

5.5.1 Uit p. 43 van het rapport van Laumen van 11 maart 2013 blijkt dat zij de kapitalisatiedatum van 1 januari 2005 aanhoudt en dat haar berekeningen daarop zijn gebaseerd. Uit rov. 23.1.7 blijkt dat het Hof Laumen daarin is gevolgd. Daarvan uitgaande is duidelijk dat en waarom het Hof de rente eerst laat lopen vanaf 1 januari 2005.20 Hierop stuit de klacht af.

5.5.2 Voor zover het onderdeel nog andere klachten bedoelt te vertolken, zijn deze mij niet voldoende duidelijk.

5.6 Onderdeel 3 trekt ten strijde tegen de betekenis die het Hof heeft gehecht aan de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen.

5.7 Onderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 5.4.2.3 – 5.4.2.5 van het arrest van 23 juni 2009 en rov. 13.5.2 van het arrest van 2 augustus 2011. Volgens [eiser] is het Hof uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Het Hof zou de maatstaf voor het volgen van het rapport van een bindend adviseur, dan wel van een door de rechter benoemde deskundige hebben aangelegd voor het rapport van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] was evenwel geen bindend adviseur, maar een gezamenlijk adviseur, terwijl het rapport van Laumen uit 2004 zelfs het werk van een partij-adviseur is. Volgens [eiser] had het Hof in reactie op zijn bezwaren zich een eigen oordeel moeten vormen over de uitgangspunten van de schadeberekening en een onafhankelijk deskundige integraal moeten laten onderzoeken of het standpunt van Achmea, dan wel zijn standpunt navolging verdiende. Het uitgangspunt van het Hof dat de benadering en berekening van [betrokkene 1] en Laumen gevolgd konden worden als de deskundigen Boers en Dubbers op voor het Hof aanvaardbare gronden meenden dat [betrokkene 1] en Laumen in redelijkheid tot hun benadering en berekening konden komen, is dan ook onjuist.

5.8 Het Hof heeft heel uitvoerig gemotiveerd waarom het betekenis heeft toegekend aan het rapport van [betrokkene 1], waarbij aanstonds zij opgemerkt dat [eiser] ten onrechte beweert dat het Hof hem “wel degelijk gebonden heeft geacht aan de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen”. Zelfs oppervlakkige lezing van ’s Hofs uitvoerige en gedetailleerde arresten wijst uit dat het Hof ampel aandacht heeft besteed aan de bezwaren van [eiser].

5.9.1 Naast hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 al werd gememoreerd, wijst het Hof op de volgende bijzondere omstandigheden:
a. voorafgaand aan de gezamenlijke opdracht aan [betrokkene 1] heeft uitvoerig overleg tussen partijen plaatsgevonden;21
b. [eiser] heeft als voorwaarde gesteld dat er minstens één gesprek over de cijfers zal plaatsvinden;
c. Achmea betaalt de kosten van het onderzoek;
d. [eiser] dringt erop aan dat het onderzoek “met enige spoed” wordt verricht (alles ontleend aan rov. 5.4.2.2 van het arrest van 23 juni 2009);
e. beide partijen hebben [betrokkene 1] gevraagd op grond van de “aanwezig geachte deskundigheid op dit gebied”;
f. [eiser] heeft “een zeer aanzienlijke invloed gehad op de stukken waarop [betrokkene 1] zich heeft gebaseerd”;
g. het rapport van [betrokkene 1] is zéér uitvoerig en
h. alle mogelijke aspecten die bij de berekening een rol spelen zijn meegewogen;
i. de onder c genoemde kosten waren “behoorlijk”;
j. het was de bedoeling dat het rapport overeenstemming tussen partijen een heel stuk dichterbij zou brengen, wat ook blijkt uit
k. de zorgvuldige voorbereiding door partijen voordat de opdracht werd gegeven (rov. 5.4.2.3 van het arrest van 23 juni 2009).

5.9.2 Het Hof trekt uit de onder 5.9.1 genoemde feiten en omstandigheden de conclusie dat partijen voor ogen stond dat zij of één hunner nog wel bezwaar konden maken, maar “alleen op grond van een stevige onderbouwing van die bezwaren” (rov. 5.4.2.3 in fine). Dat laatste staat wellicht niet met zoveel woorden in de betrokken passage, maar het is wel de meest voor de hand liggende lezing ervan. Daarvan uitgaande is sprake van een feitelijk oordeel dat zich niet leent voor toetsing in cassatie. Het gaat immers om de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen.

5.9.3 In een later stadium van de rechtsstrijd heeft het Hof aan hetgeen werd weergegeven onder 5.9.1 nog toegevoegd:
l. naar aanleiding van de opmerkingen van [eiser] hebben verschillende herberekeningen plaatsgevonden die ook hebben geleid tot aanpassingen (rov. 23.3.2 en 23.3.3 van het eindarrest);
m. [eiser] heeft alle gelegenheid gehad en benut om zijn bezwaren en standpunten naar voren te brengen (rov. 23.3.3 van het eindarrest);
n. de door [eiser] voorgestane benadering zou erg onpraktisch en kostenverhogend zijn geweest (rov. 17.4 van het arrest van 29 november 2011).

5.10 Het onderdeel behelst geen klachten tegen ’s Hofs uitvoerige redengeving zoals weergegeven onder 5.9. M.i. is het reeds daarom tot mislukken gedoemd. Het hierna te bespreken onderdeel 3.5 keert zich tegen één van de vele door het Hof genoemde argumenten. Die klacht wordt hierna behandeld. Zelfs als zij hout zou snijden, blijft overeind dat [eiser] veruit de meeste door het Hof ter onderbouwing van zijn oordeel genoemde feiten en omstandigheden onbesproken laat.

5.11 Ook overigens wordt het onderdeel tevergeefs voorgedragen. [eiser] meent kennelijk dat er een vaste maatstaf zou bestaan voor de bewijswaardering in gevallen als de onderhavige. Dat is niet m.i. evenwel niet het geval, zeker niet gelet op alle ook door het Hof genoemde bijzonderheden van deze zaak.

5.12.1 Ingevolge art. 152 lid 2 Rv is de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter overgelaten. Dat geldt ook voor de waardering van deskundigenbewijs, ongeacht of dit een partijdeskundige of een door de rechter benoemde onafhankelijke deskundige is. Wel zal de rechter in moeten gaan op bezwaren van partijen als deze een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de zienswijze van de deskundige.22 Het Hof was dan ook in hoge mate vrij bij de beoordeling van het op gezamenlijk initiatief tot stand gekomen rapport van [betrokkene 1] en de daarop gebaseerde berekeningen van Laumen en de afweging en beoordeling van de daartegen door [eiser] aangevoerde bezwaren.23

5.12.2 Het Hof was onmiskenbaar van oordeel dat:
a) het rapport van [betrokkene 1] deugdelijk en overtuigend was onderbouwd;
b) dat uitvoerig en overtuigend werd ingegaan op de door [eiser] aangevoerde argumenten;
c). beide partijen waren van oordeel dat [betrokkene 1] op het terrein waarop hij heeft gerapporteerd deskundig was, bij welk oordeel het Hof zich klaarblijkelijk heeft aangesloten.24

5.12.3 Nochtans heeft het Hof de beoordeling (terecht) niet louter van de bevindingen van [betrokkene 1] laten afhangen. Het Hof heeft, als gezegd, onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van het rapport van [betrokkene 1] omstandig onderbouwd dat dit rapport noch een bindend, noch ook een vrijblijvend advies was. Naar het oordeel van het Hof was het voor partijen nog wel mogelijk bezwaar te maken tegen het rapport, maar dat alleen op grond van een stevige onderbouwing van die bezwaren; de door [eiser] aangedragen bezwaren achtte het Hof voldoende klemmend en daarom was nadere rapportage door een andere deskundige geboden (rov. 5.4.2.4 van het arrest van 23 juni 2009).

5.13 Hier komt nog bij dat – volgens vaste rechtspraak – de rechter niet is gehouden tot benoeming van een deskundige, wat zijn beoordelingsvrijheid opnieuw onderstreept.

5.14 Gelet op dit een en ander geeft ‘s Hofs oordeel dat de Rechtbank terecht en op juiste gronden een deskundige heeft benoemd om te onderzoeken of [betrokkene 1] en Laumen, gelet op de door [eiser] – ondersteund door het rapport van [A] – naar voren gebrachte bezwaren, in redelijkheid tot hun bevindingen zoals neergelegd in hun respectievelijke rapporten hebben kunnen komen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch ook is dat oordeel onbegrijpelijk.25

5.15 Zelfs wanneer men hierover anders zou oordelen, mislukt de klacht. Zoals al aangegeven onder 5.7 berust zij op de gedachte dat het Hof – volgens [eiser] ten onrechte – de maatstaf toegepast van ofwel bindend advies dan wel een door de rechter benoemde deskundige. Die opvatting is evenwel onjuist.

5.16.1 Als de rechter zelf een deskundige heeft benoemd, terwijl (één of meer) partijen eerder zelf deskundigen hebben geraadpleegd, dan geldt het volgende:
“3.6 Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige, waarin het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (zie onder meer HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).”26

5.16.2 In casu lag de zaak anders omdat het ging om een door beide partijen om advies gevraagde deskundige, terwijl de zaak zich overigens kenmerkt door een reeks bijzondere omstandigheden als hiervoor vermeld onder 5.9. Bovendien heeft het Hof zijn oren allerminst laten hangen naar de bevindingen van [betrokkene 1]. Het is uitzonderlijk uitvoerig en gedetailleerd ingegaan op talloze bezwaren van [eiser].

5.17 Een bindend advies is vernietigbaar als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.27 Anders dan het onderdeel wil doen geloven, heeft het Hof die (onaanvaardbaarheids-)maatstaf niet toegepast.

5.18 Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag.

5.19 Voor zover het onderdeel nog de klacht behelst dat het Hof een onafhankelijke (door hemzelf benoemde) deskundige integraal had moeten laten onderzoeken welk standpunt navolging verdiende, miskent het m.i. dat de rechter vrij is om al dan niet een deskundigenbericht te bevelen.28 Daaraan doet niet af dat het m.i. de voorkeur had verdiend om een nieuwe deskundige van meet af aan te belasten met de vaststelling van de uitgangspunten voor de schadeberekening en de schadeberekening, maar het Hof was daartoe niet gehouden.

5.20.1 De klacht dat het Hof in reactie op de bezwaren van [eiser] zich een eigen oordeel had moeten vormen over de uitgangspunten van de schadeberekening ziet er m.i. aan voorbij dat het Hof dit ook heeft gedaan. Het Hof heeft zich op basis van alle relevante omstandigheden, waaronder de door [eiser] ampel aangevoerde argumenten en de bevindingen van de door [eiser] geraadpleegde deskundige [betrokkene 2], een eigen oordeel gevormd over de redelijkheid van de gehanteerde uitgangspunten van de schadeberekening. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof de deskundige Laumen verzocht haar eerdere berekeningen aan te vullen wat (opnieuw) heeft geleid tot een voor [eiser] gunstige aanpassing van de uitkomsten van het rapport van [betrokkene 1].

5.20.2 In dit verband veroorloof ik mij voorts nog de hiervoor onder 4.4.3 gemaakte kanttekening te memoreren.

5.21 Onderdeel 3.2 veronderstelt dat het Hof de juiste maatstaf niet heeft miskend. Daarvan uitgaande, wordt onbegrijpelijk genoemd dat het Hof enerzijds overweegt dat het niet is gebonden aan het rapport van [betrokkene 1] en aan het rapport van Laumen en anderzijds in werkelijkheid wel van die binding uitgaat, behoudens voor zover die rapporten de (marginale) “toets der redelijkheid” van de deskundigen Boers en Dubbers niet kunnen doorstaan.

5.22 Nog daargelaten dat niet geheel duidelijk is wat het onderdeel het Hof nauwkeurig verwijt, voegt het m.i. niets (wezenlijks) toe aan de reeds besproken klachten.

5.23 In hun s.t. gaan mrs Den Dekker en Dekker nog in op de omstandigheid dat Laumen aanvankelijk een door Achmea aangezochte deskundige was (sub 30). Voor zover het Hof daaraan in rov. 5.4.2.3 voorbij zou hebben gezien, wordt dat, naar ik begrijp, gelaakt.

5.24 Een dergelijke klacht is in het middel niet te lezen zodat zij tardief wordt voorgedragen. Bovendien zou zij feitelijke grondslag hebben ontbeerd nu rov. 5.4.2.3 niet op Laumen ziet.

5.25 Verder begeeft de s.t. onder 33 e.v. zich nog in interessante bespiegelingen. Ook daaraan ga ik voorbij omdat de zij niet aanhaken bij de eigen klachten van [eiser]. Bovendien ziet hij eraan voorbij dat het Hof wel degelijk heeft aangenomen dat sprake is van verlies aan arbeidsvermogen; het heeft ter zake een niet onbeduidend bedrag toegewezen.

5.26 Ten slotte behelst de s.t. onder 35 nog een exposé dat evenmin in de klachten is terug te vinden. Het komt er, onder verwijzing naar een arrest van Uw Raad,29 op neer dat de rechter de bevindingen van een deskundige in volle omvang moet toetsen. Ook deze klacht is tardief en ook zij zou bij inhoudelijke beoordeling falen. Het Hof heeft de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen immers in volle omvang getoetst, zij het dan ook binnen de grenzen van de door het Hof bepaalde rechtsstrijd zoals onder meer verwoord in zijn arrest van 23 juni 2009.

5.27.1 De onderdelen 3.3 en 3.4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Onderdeel 3.3 klaagt dat [eiser], in strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van de equality of arms, een aan Achmea gelijkwaardige processuele (uitgangs)positie is onthouden doordat het Hof de rapporten van [betrokkene 1] en Laumen – dus: het standpunt van Achmea – als uitgangspunt voor de schadeberekening heeft genomen hoewel hij reeds in eerste aanleg zijn schade gemotiveerd heeft gesteld onderbouwd én doordat het Hof vervolgens zijn (gedetailleerde en gemotiveerde) bezwaar slechts marginaal heeft getoetst via de ‘redelijkheidstoets’ van de deskundigen Boers en Dubbers.

5.27.2 Onderdeel 3.4 strekt ten betoge dat aan het voorgaande niet kan afdoen dat het Hof in zijn eindarrest (rov. 23.3.1 e.v.) zijn lezing van de gang van zaken samenvat en oordeelt dat [eiser] steeds alle ruimte heeft gekregen (en benut) om zijn bezwaren en standpunten naar voren te brengen. [eiser] klaagt dat het Hof er eens temeer aan voorbij ziet dat hij van meet af aan op achterstand is gezet ten opzichte van Achmea en dat dit niet kan worden ‘goedgemaakt’ met het bieden van de gelegenheid om commentaar te geven op de (concept-)rapporten van de (partij-)adviseur en de deskundigen. Het Hof heeft het bezwaar over de ongelijke proceskansen telkens als ‘achterhaald’ afgedaan, maar heeft in werkelijkheid niet duidelijk gemaakt waarop de voorkeursbehandeling van Achmea is gebaseerd, zodat het Hof aan [eiser] ook de herhaling van zijn bezwaar op dit wezenlijke punt ten onrechte heeft tegengeworpen.

5.28.1 Deze klachten zijn onbegrijpelijk voor zover het gaat om [betrokkene 1]. Mij is in elk geval niet duidelijk waarin de beweerde wezenlijke ongelijkheid van partijen in dit opzicht zou zijn gelegen en nog minder waar het nauwelijks verhulde verwijt van partijdigheid van het Hof op berust. De enkele omstandigheid dat het Hof een deel van de bezwaren van [eiser] niet onderschrijft, heeft met ongelijkheid niets van doen.

5.28.2 Overigens geeft [eiser] m.i. een wat gekleurd beeld van de werkelijkheid waar hij stelt dat het Hof het standpunt van Achmea als uitgangspunt heeft genomen. Het Hof heeft het rapport van de door partijen gezamenlijk benaderde [betrokkene 1] tot uitgangspunt voor zijn beoordeling genomen. Bij de totstandkoming van dat rapport zijn beide partijen uitgebreid betrokken. Achmea heeft zich verenigd met zijn bevindingen, terwijl [eiser] daartegen (telkens opnieuw) omvangrijke bezwaren heeft aangevoerd. Maar dat betekent nog niet dat het Hof zich aansluit bij de bevindingen van Achmea.

5.29 Bepaaldelijk minder vanzelfsprekend is dat het Hof ook de berekeningen van Laumen in haar rapport van 15 april 2004 op vergelijkbare voet tot startpunt van zijn beoordeling heeft genomen.30 Laumen was aanvankelijk immers eenzijdig door Achmea benaderd.31

5.30 Naar de letter genomen, berust de klacht klaarblijkelijk op het uitgangspunt dat Laumen, als aanvankelijk door Achmea benaderde deskundige, (zonder meer) het standpunt van Achmea vertolkte. Een dergelijke stelling is mogelijk niet zonder meer van iedere realiteitszin gespeend, maar zij is geheel van feitelijke aard. Nu het onderdeel niet aangeeft waar een dergelijke stelling eerder door [eiser] in feitelijke aanleg is geëxposeerd, kan de daarop gebouwde klacht geen vrucht dragen.

5.31 In zijn s.t. plaatst [eiser] de klachten in de setting van “fair hearing” en “equality of arms”, zulks onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM (sub 38-41). Uit die rechtspraak kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat hetgeen het Hof in casu heeft gedaan rechtens ontoelaatbaar is. Nochtans zou ik, met de steller van het middel, menen dat dit laatste het geval is wanneer de onder 5.18 gesignaleerde hindernis zou kunnen worden genomen.

5.32 De s.t. van [eiser] bekritiseert ten slotte nog de benoeming van Dubbers (sub 45). Ik ga daaraan voorbij omdat het middel daarover geen begrijpelijke klacht postuleert.

5.33.1 De onderdelen klagen er niet over dat het Hof Laumen tot deskundige heeft benoemd zodat ik daarop niet behoef in te gaan.

5.33.2 Ten overvloede stip ik in dat verband nog aan dat mij niet helemaal duidelijk is waarom [eiser] meende dat zijn becijferingen meer geloof zouden verdienen dan die van Laumen, welk standpunt hij kennelijk in appel heeft willen innemen; zie hiervoor onder 2.17.

5.34 Onderdeel 3.5 is niet heel eenvoudig te bevroeden. Voor zover het een voortbouwende klacht ventileert (daarop wijst: “De voorgaande klachten vitiëren tevens”), deelt het het lot van de onderdelen 3.3 en 3.4.

5.35 Het onderdeel trekt ten strijde tegen ’s Hofs pretense oordeel dat de keuze voor de oude kapitalisatiedatum blijkens rov. 23.4 is ingegeven door de lange procedure die volgens het Hof met name door [eiser] is vertraagd door omvangrijke commentaren en herhaling van punten. Volgens [eiser] is deze overweging onbegrijpelijk, nu het feit dat hij omvangrijke commentaren schreef zijn verklaring vindt in zijn specifieke deskundigheid (van accountant) – welke door het Hof ook als zodanig is erkend – terwijl de herhaling van standpunten is ingegeven door de omstandigheid dat het Hof niet heeft onderkend dat hij steeds in een processueel ongelijkwaardige positie ten opzichte van Achmea verkeerde.

5.36 De klacht berust op een verkeerde lezing. Anders dan [eiser] meent, ligt het zwaartepunt van ’s Hofs oordeel niet bij de (in de bewoordingen van het onderdeel) vertraging door [eiser]; het Hof wijst daarop slechts ten overvloede (“Daar komt bij”, nadat daarvoor al een keuze voor de oude datum is gemaakt).

5.37.1 ’ s Hofs oordeel wordt gedragen door twee omstandigheden, die het Hof in onderlinge samenhang als motivering presenteert:
a. a) men kan zowel voor de oude als voor de nieuwe kapitalisatiedatum kiezen. Anders gezegd: er is niets mis met de eerste keuze;
b) de procedure duurt al onwenselijk lang, waarbij het Hof allicht vooral het oog heeft op de inzet van het geding (vergoeding van letselschade).

5.37.2 Het onderdeel bestrijdt dit oordeel niet. Het is m.i. niet onbegrijpelijk. En als het dat wel zou zijn, is nog maar zeer de vraag of [eiser] daarbij garen zou kunnen spinnen omdat het dan veeleer zou gaan om een onjuiste rechtsopvatting; maar een rechtsklacht wordt door het onderdeel niet afgevuurd.

5.38 Zelfs wanneer we toe zouden komen aan hetgeen in rov. 23.4 staat na “Daar komt bij”, verliest [eiser] uit het oog dat voor het Hof niet relevant was of [eiser] al dan niet zelf deskundig was op het gebied van de litigieuze berekeningen. Waar het in ’s Hofs visie om gaat is dat hij schier eindeloos (zowel in tijd als qua hoeveelheid geproduceerd papier) is blijven hameren op al door het Hof afgesloten kwesties. Ook wanneer [eiser] het niet eens was met de benadering van het Hof had hij moeten aanvaarden dat goede zin miste en uit een oogpunt van een efficiënte en qua kosten binnen redelijke perken blijvende procedure minder wenselijk was om telkens opnieuw de fiolen van zijn toorn uit te storten. De geëigende weg om dat te doen was geweest aan het Hof vragen om openstelling van tussentijds cassatieberoep of wachten totdat, na het eindarrest, cassatieberoep kon worden ingesteld.

5.39 Onderdeel 4 betreft de benoeming door het Hof van de deskundige Dubbers. [eiser] acht onbegrijpelijk dat het Hof niet heeft gerespondeerd op zijn essentiële stelling dat de benoeming van Dubbers onverenigbaar is met art. 198 Rv en de Leidraad Deskundigen in civiele zaken, omdat vooraf niet is overlegd met partijen, terwijl vanuit het perspectief van één partij de schijn van partijdigheid van de deskundige bestond – Dubbers kon niet afwijken van het werk van zijn (oud) kantoorgenoot – en omdat de werkzaamheden in strijd met de Leidraad goeddeels zijn verricht door een medewerker van Dubbers die niet als deskundige geldt. Beide omstandigheden brengen ook mee dat het Hof niet zonder een nadere motivering mocht afgaan op het redelijkheidsoordeel van Dubbers. Een dergelijke motivering ontbreekt volgens [eiser].

5.40.1 Vooropgesteld moet worden dat [eiser] niet klaagt over de benoeming van Dubbers als deskundige. Geklaagd wordt (slechts) dat het Hof niet heeft gerespondeerd op de in dit verband door [eiser] betrokken beweerdelijk essentiële stellingen en dat het Hof gelet op die stellingen niet zonder een nadere motivering had mogen afgaan op het redelijkheidsoordeel van de deskundige Dubbers.

5.40.2 Deze klacht mist goeddeels feitelijke grondslag. Verwezen kan worden naar rov. 9.4 van het tussenarrest van 15 juni 2010 en rov. 13.5.1 van het tussenarrest van 2 augustus 2011. Kennelijk in reactie op het verwijt dat vooraf geen overleg over de benoeming van Dubbers is gevoerd, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat een continuering van de benoeming van Boers werd beoogd; als gevolg van zijn pensionering was Boers evenwel niet beschikbaar was; Boers stelde benoeming van zijn (oud) kantoorgenoot Dubbers voo. De stelling dat Dubbers partijdig was omdat hij niet van het werk van zijn (oud) kantoorgenoot Boers kon afwijken, is door het Hof verworpen met de motivering dat niet om een nieuw deskundigenbericht of een beoordeling van het eerdere deskundigenbericht van Boers is verzocht, maar om een verduidelijking daarvan. Tegen deze overwegingen zijn in cassatie geen klachten gericht.

5.41 Ten overvloede: juist omdat het in ’s Hofs – niet bestreden – benadering gaat om een verduidelijking van het oordeel van Boers, lijkt mij veeleer een voordeel dat/als Dubbers of Dubbers’ opvattingen dicht stonden bij die van Boers en zelfs/ook dat hem niet is/zou zijn gevraagd deze kritisch tegen het licht te houden.

5.42.1 De stelling dat Dubbers de werkzaamheden in strijd met de Leidraad goeddeels heeft laten verrichten door zijn medewerker [betrokkene 3] – die overigens ook reeds door Boers bij het onderzoek was ingeschakeld – betreft niet de benoeming van Dubbers als deskundige, maar de wijze waarop hij zijn taak heeft vervuld.

5.42.2 De huidige Leidraad deskundigen in civiele zaken houdt op dit punt het volgende in:
“53. U bent als deskundige benoemd omdat er vertrouwen bestaat in uw kennis en ervaring op uw vakgebied. Dat betekent tegelijk dat van u wordt verlangd dat u het onderzoek zelf verricht en verslaat. Wenst u anderen in uw werkzaamheden te betrekken, lees dan s.v.p. de informatie in par. 10. (…)
84. In sommige beroepsgroepen is het gebruikelijk dat wordt gewerkt in teamverband. Bent u door een rechter als deskundige benoemd, dan is het uitgangspunt dat u alle werkzaamheden zelf verricht en daarvan zelf verslag doet. U bent immers niet als deskundige benoemd op grond van uw kwaliteiten als supervisor of leidinggevende, maar omdat er vertrouwen bestaat in uw eigen kennis en ervaring op uw vakgebied. Ziet u aanleiding de hulp van collega’s in te schakelen in het deskundigenonderzoek of in de verslaglegging, dan behoort u dat vóór aanvang van het onderzoek aan partijen en de Contactpersoon te laten weten. Dit is niet anders als u veronderstelt dat partijen wel kunnen weten dat u in teamverband pleegt te werken.”

5.43 [eiser] heeft zich in zijn memorie na deskundigenbericht d.d. 16 november 2010 op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat Dubbers heeft nagelaten het onderzoek volledig zelf te verrichten tot gevolg dient te hebben dat diens eindrapport buiten beschouwing wordt gelaten.32 Het Hof mocht deze stelling passeren, nu Dubbers in zijn eindrapport heeft vermeld dat partijen hiervan – conform punt 84 van de Leidraad -, zowel bij het deskundigenonderzoek van Boers, alsook bij zijn deskundigenonderzoek op de hoogte zijn gesteld33 en [eiser] dit vervolgens niet in zijn memorie na deskundigenbericht heeft bestreden.

5.44.1 Zelfs wanneer de deskundige zou hebben gezondigd tegen de mededelingsplicht bedoeld onder 5.42.2 sub 84 (bijvoorbeeld omdat niet blijkt dat de “Contactpersoon” is verwittigd) zie ik niet in welk rechtens te respecteren belang [eiser] erbij heeft om daar een punt van te maken. Gelet op het hetgeen werd gememoreerd onder 5.40.2 en 5.41 behoeft nadere toelichting, die het onderdeel evenwel niet, laat staan op ook maar enigszins overtuigende wijze geeft waarom/hoe de belangen van [eiser] (zouden kunnen) zijn geschaad door deze (veronderstelde) tekortkoming.

5.44.2 In dat kader zou ik willen aanknopen bij recente – zij het dan ook niet onomstreden – rechtspraak van de strafkamer van Uw Raad.34

5.44.3 Ten overvloede: ook hier geeft het middel een minder gelukkige voorstelling van zaken. Het is niet juist dat het onderzoek niet is uitgevoerd door Dubbers; voor zover uit de stukken kenbaar heeft hij zich slechts laten bijstaan door een medewerker. In elk geval behelst het onderdeel geen klacht onder verwijzing naar relevante stellingen uit feitelijke aanleg, die de slotsom wettigen dat het onderzoek niet door Dubbers is uitgevoerd.

5.45 Ook de hier besproken klachten snijden dus geen hout.

5.46 Onderdeel 5 acht onbegrijpelijk dat het Hof geen woord heeft gewijd aan de fiscale gevolgen van de inbreng van het kantoorgedeelte van zijn woning in zijn bedrijf, nu de rechter feitelijke, fiscaal relevante ontwikkelingen zo mogelijk moet betrekken bij het bepalen van de contante waarde per kapitalisatiedatum.35 Volgens [eiser] heeft hij er belang bij dat wat betreft afschrijvingen en huurwaardeforfait de feitelijke situatie en niet de hypothetische situatie – waarvan [betrokkene 1] en Laumen zijn uitgegaan – onder ogen wordt gezien, omdat hij op de inbrengwaarde van het kantoorpand als actief van zijn eenmanszaak mocht afschrijven en het huurwaardeforfait mocht verlagen, hetgeen van invloed is op de aanslag inkomstenbelasting. Voor zover het Hof het hiermee verband houdende bezwaar van [eiser] heeft verworpen door aan te sluiten bij het redelijkheidsoordeel van de deskundige Dubbers, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

5.47 Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het onderdeel (en trouwens ook de schriftelijke toelichting) maken niet duidelijk waar het precies om gaat. De vindplaatsen in de dingtalen waar het onderdeel beroep op doet zijn onjuist voor zover heet gaat om de memorie na deskundigenbericht van 16 april 2013 p. 6 en 8. Voor zover het onderdeel verwijst naar daarbij en bij een andere memorie gevoegde producties ziet [eiser] eraan voorbij dat van het Hof redelijkerwijs niet kon worden gevergd om deze te savoureren zonder dat in de processtukken zelf werd aangegeven dat en waarom dat nuttig of nodig was; dat geldt al helemaal in een dossier met een omvang als de onderhavige. Anders gezegd: de klacht is onbegrijpelijk.

5.48.1 Ten overvloede: het is niet juist dat het Hof geen woord heeft gewijd aan de fiscale gevolgen van de inbreng van het kantoorgedeelte van de woning in het bedrijf voor zover het de afschrijvingen betreft. Het Hof heeft de onderhavige bezwaren, zoals [eiser] aan het slot van het onderdeel lijkt te onderkennen, verworpen door aan te sluiten bij het rapport van de deskundige Dubbers. In rov. 13.2 van het arrest van 2 augustus 2011 heeft het Hof een eigen samenvatting van het rapport van Dubbers opgenomen; deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“5. Afschrijvingen
In 1999 heeft [eiser] zijn praktijk om fiscale redenen van een besloten vennootschap ingebracht in een eenmanszaak.
[betrokkene 1] is ervan uitgegaan dat in de hypothese zonder ongeval voor [eiser] geen aanleiding voor een omzetting zou zijn geweest, zodat de afschrijvingen bleven als voorheen. [A] is ook voor de situatie zonder ongeval uitgegaan van de afschrijvingen zoals die zich feitelijk hebben voorgedaan. De deskundige beoordeelt de benadering van [betrokkene 1] als redelijk, nu het in de hypothese niet noodzakelijk is rekening te houden met de feitelijke situatie. (…)
* Uitgangspunten situatie zonder ongeval: (…)
– woning: Het verschil in huurwaardeforfait wordt veroorzaakt door het feit dat [eiser] feitelijk zijn kantoorpand inbrengt in zijn onderneming. Laumen en [betrokkene 1] gaan uit van een voortgezette BV-situatie. Die methodiek heeft de deskundige als niet onredelijk beoordeeld. (…)
* Uitganspunten situatie met ongeval:
– inkomen uit eenmanszaak: de deskundige acht het niet onredelijk dat [betrokkene 1] en Laumen als uitgangspunt hebben genomen de gegevens t/m 2000, en voor de jaren daarna zijn uitgegaan van hypotheses op basis van deze gegevens.”

5.48.2 In rov. 13.5.3 van het tussenarrest van 2 augustus 2010 onder het kopje Afschrijvingen overwoog het Hof vervolgens dat de conclusie van de deskundige, dat de benadering van [betrokkene 1] op dit punt redelijk is, op de door de deskundige genoemde gronden wordt overgenomen. Dat oordeel is in rov. 13.5.4 herhaald met betrekking tot de berekening van Laumen. Een en ander behoefde in het licht van de m.i. weinig heldere bezwaren van [eiser] en de inhoud van het rapport van Dubbers geen nadere toelichting; in elk geval is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk.

5.48.3 Het ligt m.i. bij deze stand van zaken voor de hand dat het Hof ten aanzien van het huurwaardeforfait hetzelfde zou hebben geoordeeld wanneer het er specifiek aandacht aan zou hebben besteed. Dat dit laatste niet is gebeurd, is allicht het gevolg van de wijze waarop aan de zijde van [eiser] is geprocedeerd. Bezwaren over de door [betrokkene 1] en Laumen gehanteerde uitgangspunten bij de bepaling van het huurwaardeforfait heb ik in de processtukken zelf (ik doel dus niet op de vele producties) niet kunnen vinden, wat gezien de omvang van het dossier overigens niet behoeft te betekenen dat ze daarin niet zijn opgeworpen. Het onderdeel noemt evenwel, als gezegd, geen vindplaatsen.

6 Afdoening

6.1 De talloze klachten van het middel behoeven m.i. niet tot cassatie te leiden. Zeker niet wanneer deze klachten worden opgevat zoals ze zijn verwoord. Daaraan doet niet af dat een andere benadering als gevolgd door het Hof zeker denkbaar en m.i. niet onverstandig zou zijn geweest.

6.2 Ook in zijn aanbiedingsbrief schrijft mr. Den Dekker dat [eiser] steekt dat het Hof de berekening van Achmea tot uitgangspunt heeft genomen. Aldus miskent hij wat het Hof heel uitvoerig heeft geoordeeld. Het verwijt is m.i. onterecht en onrechtvaardig gezien de vele moeite die het Hof zich heeft getroost.

6.3 ( Zeker) bij een welwillende lezing van één of meer klachten is vernietiging van de bestreden arresten niet onmogelijk. M.i. heeft [eiser] (evenwel) ruimschoots de aandacht van de rechter gekregen waarop hij redelijkerwijs aanspraak kon maken. Mede omdat allerminst in het oog springt dat het Hof hem tekort doet, lijkt verwerping van het beroep de beste uitkomst. Wanneer ook Uw Raad daartoe zou komen, ware afhandeling op de voet van art. 81 RO te overwegen.

6.4 Aan dit alles doet niet af dat ik best wil geloven dat [eiser] oprecht meent dat hij een hoger bedrag had moeten krijgen. Ik sluit zelfs niet uit dat hij daarin gelijk heeft. Maar om de hiervoor ampel aangegeven redenen komt het mij voor dat er onvoldoende redenen zijn (aangevoerd) om tot vernietiging van de bestreden arresten te komen. Hoewel ik me daarmee uiteraard op glad ijs begeef, acht ik, gezien alles wat in deze zaak aan de orde is geweest en uitvoerig is beoordeeld, niet heel erg plausibel dat [eiser] bij voortzetting van de rechtsstrijd netto beter zou kunnen worden. Met netto bedoel ik: na aftrek van de kosten die doorprocederen ook voor hem zou meebrengen.
Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van [eiser] in de kosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 4 van het tussenarrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009.
2 Zie voor specificatie rov. 3 van het tussenvonnis in prima van 28 september 2005.
3 Rov. 5.
4 Zie rov. 5.1.5.1 en 5.1.5.4 van het tussenarrest van 23 juni 2009.
5 Zie rov. 2.3 van het eindvonnis van 9 mei 2007.
6 Zie rov. 2.1 van het tussenarrest van 23 juni 2009.
7 Zie rov. 5.2 van het tussenarrest van 23 juni 2009 en de daar genoemde pleitnota.
8 Zie rov. 9.3 van het tussenarrest van 15 juni 2010.
9 Zie eveneens rov. 9.3 van het tussenarrest van 15 juni 2010.
10 Zie rov. 13.8.6 van het tussenarrest van 2 augustus 2011. De genoemde constatering is van belang omdat daarin blijkens hetgeen hiervoor onder 2.8.1 is opgenomen een correctie van € 11.784 is opgenomen, hetgeen weer van belang is in verband met een hierna onder 2.26 en 2.27 te bespreken herstelprocedure.
11 Zie rov. 13.8.7. van het tussenarrest van 2 augustus 2011.
12 Zie rov. 13.8.8. van het tussenarrest van 2 augustus 2011.
13 Zie rov. 17.2 en 17.3 van het tussenarrest van 29 november 2011.
14 Zie rov. 23.1.5 van het eindarrest van 6 augustus 2013.
15 Ik vraag mij af of die spelling juist is, maar zo staat het in het arrest.
16 Blijkens een stuk van de hand van [eiser], kennelijk een soort pleitnota van hemzelf voor de zitting van 26 februari 2009, ziet hij dat heel goed in. In dat stuk beschrijft hij heel beeldend dat en waarom cijfers voor hem “hun verhaal” vertellen. Dat kan ik heel goed begrijpen van iemand met de achtergrond en ervaring van [eiser]; de rechter heeft deze nu eenmaal niet.
17 Het onderdeel dat (noodgedwongen) was opgesteld vóór het herstelarrest van 5 november 2013 noemt nog het inmiddels onjuiste bedrag van € 313.557,22.
18 Zie rov. 2.9 en 3.1 van het eindvonnis van 9 mei 2007.
19 [eiser] verwijst naar p. 44 van het rapport van Laumen van 11 maart 2003 en bijlage 27 daarbij.
20 Zie HR 30 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4604, RvdW 2007/1025 ondanks de vermelding RBSGR in het ECLI-nummer betreft het een arrest van de Hoge Raad) rov. 4.4; HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7884, NJ 2003/603 rov. 3.5, HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2461, NJ 1998/508 JBMV, JOR 1997/150, m.nt. J.J. van Hees rov. 3.7.
21 Zie eveneens rov. 13.5.2 van het arrest van 2 augustus 2011.
22 HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74, JBPR 2004/29, m.nt. R. Schellaars rov. 3.6.
23 Vgl. HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9158, RvdW 2010/416 rov. 3.4.
24 Zie rov. 5.4.2.3 van het arrest van 23 juni 2009. Hetgeen in de tekst staat, is in deze rechtsoverweging niet volledig te lezen, maar uit ’s Hofs arresten, gelezen in onderlinge samenhang, kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken. Dat het Hof deze opvatting was toegedaan, blijkt met name ook hieruit dat het – ampel gemotiveerd – heeft bevonden dat de door de Rechtbank en hemzelf benoemde deskundigen hebben geconcludeerd dat het rapport van [betrokkene 1] – kort gezegd – deugdelijk was, behoudens enkele niet al te wezenlijke aspecten die tot aanpassing hebben geleid.
25 Ik zou willen aannemen dat het Hof op deze wijze heeft voldaan aan het vereiste dat in volle omvang dient te worden getoetst of er aanleiding is van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken; zie HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR: 2007:BB5172, RvdW 2007/887. Overigens klaagt [eiser] niet dat niet aan deze norm is voldaan. In zijn schriftelijke toelichting onder 27 stelt hij zelfs dat het Hof ten onrechte de in genoemd arrest geformuleerde norm heeft toegepast, al lijkt hij daaraan een andere duiding te geven. Zijn hierna te bespreken klacht dat het Hof in reactie op zijn bezwaren zich een eigen oordeel had moeten vormen over de uitgangspunten van de schadeberekening en een onafhankelijk deskundige integraal had moeten laten onderzoeken of het standpunt van Achmea, dan wel zijn standpunt navolging verdiende, gaat aan dit punt m.i. voorbij.
26 HR 5 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468, JIN 2013/117.
27 Zie art. 7:904 lid 1 BW en daarover Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2011 nr 401.
28 Zie bijvoorbeeld HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993, NJ 2002/73.
29 HR 19 oktober 2007, ECL:NL:HR:2007:BB5172, RvdW 2007/887.
30 Dat het Hof dat heeft gedaan, blijkt duidelijk uit rov. 5.4.2.5 van het arrest van 23 juni 2009.
31 Zie hiervoor onder 1.9 en 1.10.
32 Memorie na deskundigenbericht d.d. 16 november 2010 onder 3.19 en 5.3.10; de memorie beslaat 93 pagina’s met enkele bijlagen.
33 Zie het rapport van Dubbers van 23 juli 2010 op pagina 8, laatste alinea. Ik begrijp hetgeen daar staat zo dat zulks aan het begin van het onderzoek zou zijn gebeurd, maar die lezing is niet dwingend.
34 Zie bijvoorbeeld HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:361, NJ 2014/290 P.H.P.H.M.C. van Kempen rov. 2.3.
35 Zie de memorie na deskundigenbericht d.d. 16 april 2013 onder 17-22, onder verwijzing naar HR 30 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4604, RvdW 2007/1025.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey