HR: geen hoger beroep in deelgeschilprocedure mogelijk tegen kostenveroordeling in deelgeschil

Samenvatting:

Tussentijds hoger beroep/cassatie van beschikking in deelgeschil over kostenveroordeling en toepassing eigen schuld. 1. De Hoge Raad verklaart eiser niet ontvankelijk, omdat het hof geen verlof heeft verleend om tussen cassatieberoep in te stellen (r.o. 3.4). 2. De Hoge Raad overweegt ten overvloede: “Het hof heeft in deze zaak de in de deelgeschilbeschikking uitgesproken kostenveroordeling vernietigd en een nieuwe kostenveroordeling uitgesproken. Een en ander verdraagt zich niet met de regeling van art. 1019bb en art. 1019cc Rv. (….) Een veroordeling in de deelgeschilbeschikking valt onder art. 1019bb Rv en niet onder art. 1019cc lid 1 Rv en blijft derhalve buiten het hoger beroep. (…) Hoewel het hof (…) niet bevoegd was om de kostenveroordeling te vernietigen, moet aan de desondanks door het hof daarvoor in de plaats gestelde kostenveroordeling dezelfde werking worden toegekend als aan een veroordeling in kort geding, zodat de rechtbank daaraan in de voortzetting van de procedure ten principale niet gebonden is. Die veroordeling vervalt derhalve als in het vervolg van deze procedure een vordering wordt ingesteld met betrekking tot de kosten van de deelgeschilprocedure en deze leidt tot een andere beslissing dan waartoe het hof nu is gekomen.” (r.o.3.6)

 

 

ECLI:NL:HR:2019:1407

 

Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

20-09-2019

Datum publicatie

20-09-2019

Zaaknummer

18/04088

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:604, Gevolgd

In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:2822, Niet ontvankelijk

Rechtsgebieden

Burgerlijk procesrecht

Bijzondere kenmerken

Cassatie

Inhoudsindicatie

 

Procesrecht. Deelgeschilprocedure (art. 1019w Rv). Begroting proceskosten deelgeschil op de voet van art. 6:96 lid 2 BW (art. 1019aa Rv); eindbeslissing betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen (art. 1019cc lid 1 Rv). Hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking (art. 1019cc lid 3 en art. 398 Rv); tussenuitspraak; niet-ontvankelijkheid in cassatie (art. 401a lid 2 Rv). Veroordeling in deelgeschilbeschikking; betekenis en werking in procedure ten principale (art. 1019cc lid 2 Rv); kan in hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking worden opgekomen tegen daarin uitgesproken veroordeling?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

 

CIVIELE KAMER

 

Nummer             18/04088

 

Datum 20 september 2019

 

ARREST

 

In de zaak van

 

[eiser],

wonende te [woonplaats],

 

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

 

hierna: [eiser],

 

advocaat: mr. K. Aantjes,

 

tegen

 

  1. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V. ,

gevestigd te Den Haag,

 

  1. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

 

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

 

hierna gezamenlijk: Nationale-Nederlanden c.s.,

 

advocaat: mr. K. Teuben.

 

  1. Procesverloop

 

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

 

  1. de beschikking in de zaak C/03/217041 HA RK 16-26 van de rechtbank Limburg van 3 mei 2016;

 

  1. de arresten in de zaak 200.200.814/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 december 2017 en 3 juli 2018.

 

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 3 juli 2018 beroep in cassatie ingesteld. Nationale-Nederlanden c.s. hebben een verweerschrift tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep ingediend, subsidiair tot verwerping en hebben tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

 

[eiser] heeft een verweerschrift tot verwerping van het ontvankelijkheidsverweer en van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.

 

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep.

 

De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

 

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

 

(i) [eiser] heeft op 7 april 2013 als bromfietser letsel opgelopen bij een verkeersongeval waarbij [verweerder 2] als bestuurder van een bestelwagen betrokken was.

 

(ii) Nationale-Nederlanden is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder 2].

 

(iii) [eiser] heeft in een deelgeschil op de voet van art. 1019w Rv een verklaring voor recht verzocht dat Nationale-Nederlanden c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal lijden. [eiser] heeft daarnaast verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op de voet van art. 1019aa lid 1 Rv in verbinding met art. 6:96 lid 2 BW en Nationale-Nederlanden c.s. te veroordelen tot betaling van deze kosten.

 

(iv) De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Nationale-Nederlanden c.s. aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade en hen veroordeeld in de kosten van het deelgeschil, begroot op € 5.161,- (hierna: de deelgeschilbeschikking).

2.2

 

In deze procedure ten principale hebben Nationale-Nederlanden c.s. een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het ongeval.

 

Zij hebben tevens verlof verzocht om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de deelgeschilbeschikking. De rechtbank heeft dat verlof verleend en de procedure ten principale ambtshalve geschorst.

2.3

 

Het hof heeft de deelgeschilbeschikking vernietigd wat betreft de daarin uitgesproken kostenveroordeling en deze voor het overige bekrachtigd. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

 

“Kosten; grief IV.

6.13.

 

Grief IV richt zich tegen de kostenveroordeling in de beschikking. [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden voeren allereerst aan dat art. 1019aa Rv slechts een begroting van de kosten van het deelgeschil voorschrijft. Een dergelijke begroting houdt nog geen veroordeling in. Voorts geldt, aldus [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden, dat de kosten van een behandeling van een deelgeschil naar evenredigheid met de eigen schuld van benadeelde moeten worden verminderd.

6.14.

 

Het hof overweegt hierover het volgende.

 

Voor zover [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden betogen dat geen kostenveroordeling kan worden uitgesproken, faalt hun betoog. Art. 1019aa Rv brengt tot uitdrukking dat de rechter de kosten begroot en daarbij, anders dan bij een proceskostenveroordeling, alle redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96, lid 2 BW in aanmerking neemt. Art. 1019aa Rv staat niet in de weg aan een dergelijke kostenveroordeling indien zij is gevorderd. In deze zaak is een kostenveroordeling gevorderd. In zoverre faalt de grief.

 

Voor zover [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden betogen dat bij de begroting van de kosten ex art. 1019aa Rv rekening moet worden gehouden met de mate van eigen schuld van de benadeelde, slaagt de grief. Het met deze grief aangevoerde uitgangspunt is immers juist. [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden hebben echter niet in eerste aanleg bij wijze van tegenverzoek verzocht te verklaren voor recht dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser]. [eiser] wijst er terecht op dat [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden een dergelijk tegenverzoek niet voor het eerst in hoger beroep kunnen instellen. Daarom zal het hof enkel in het kader van de behandeling van deze vierde grief, die tegen de begroting van de kosten is gericht, beoordelen of sprake is van zodanige mate van eigen schuld dat de door de rechtbank toegewezen kosten verminderd moeten worden.

 

Naar het oordeel van het hof laten de vaststaande feiten geen andere conclusie toe dan dat sprake is van een aanzienlijke mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser]. Zo blijkt uit de VOA genoegzaam dat [verweerder 2] uiterst rechts reed, terwijl [eiser] met de Yamaha een rijlijn ter hoogte van dan wel kort rechts naast de middenaslijn volgde. Indien [eiser], zoals de verkeersregels eisen, zoveel mogelijk rechts had gehouden – zijn rijbaan was minimaal 1,80 meter breed – had het ongeval niet plaatsgevonden. Gelet daarop zal het hof de beslissing ten aanzien van de kostenveroordeling vernietigen en opnieuw rechtdoende de kosten met inachtneming van een aanzienlijke mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] begroten op € 1.300,-. Voor een nadere billijkheidscorrectie acht het hof geen termen aanwezig.

 

Verzoek van [verweerder 2] en Nationale-Nederlanden tot vaststelling van percentage eigen schuld aan de zijde van [eiser]

6.15.

 

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat Nationale-Nederlanden en [verweerder 2] niet in die vordering worden ontvangen.”

2.4

 

Bij arrest van 2 oktober 2018 heeft het hof het verzoek van [eiser] tot het verlenen van verlof om tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het bestreden arrest, afgewezen op de grond dat het hof het verlenen van zodanig verlof niet doelmatig acht.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1

 

Art. 1019bb Rv bepaalt dat tegen de beschikking op een deelgeschilverzoek geen voorziening openstaat, onverminderd art. 1019cc lid 3 Rv. Uit art. 1019cc lid 3 Rv volgt, kort gezegd, dat in de procedure ten principale tegen een deelgeschilbeschikking hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis, hetzij tussentijds indien de rechter in eerste aanleg in die procedure daartoe verlof heeft verleend, hetzij tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis in die procedure. In zodanig hoger beroep kunnen echter uitsluitend grieven worden gericht tegen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen (‘eindbeslissingen’) op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding (art. 1019cc lid 3 Rv in verbinding met art. 1019cc lid 1 Rv).1

3.2

 

In de deelgeschilprocedure worden ingevolge art. 1019aa Rv de proceskosten van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, begroot op de voet van art. 6:96 lid 2 BW. In de memorie van toelichting wordt hierover opgemerkt dat de deelgeschilprocedure zozeer is verbonden met een afwikkeling buiten rechte dat de daarvoor gemaakte kosten ook mogen worden beschouwd als kosten van buitengerechtelijke afwikkeling.2 Dit betekent volgens de memorie van toelichting dat de benadeelde deze kosten in beginsel volledig vergoed kan krijgen van de andere partij, als diens aansprakelijkheid komt vast te staan, mits zij in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang ervan redelijk is.3 Gelet op dit karakter van het oordeel over de aanspraak op vergoeding van de kosten van de deelgeschilprocedure moet dat oordeel, indien de aanspraak op die kosten onderwerp vormt van de procedure ten principale, daarin worden aangemerkt als een eindbeslissing betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen als bedoeld in art. 1019cc lid 1 Rv. Daarbij is van belang dat deze kosten in de procedure ten principale niet van kleur verschieten als bedoeld in art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv (zie art. 1019aa lid 2 Rv). In een hoger beroep op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv kunnen dus grieven tegen een dergelijk oordeel worden gericht.

3.3

 

Een uitspraak in tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking, ingesteld op de voet van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv, is een tussenuitspraak, tenzij het hof met toepassing van art. 355, tweede volzin, Rv of art. 356 Rv zelf de procedure ten principale heeft afgedaan. Voor beroep in cassatie tegen zodanige tussenuitspraak is op grond van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv verlof van het gerechtshof vereist.4

3.4

 

Nationale-Nederlanden c.s. hebben aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, omdat het gerechtshof geen verlof heeft verleend om tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het bestreden arrest (zie hiervoor in 2.4). [eiser] betoogt dat het bestreden arrest geen tussenuitspraak is, maar een einduitspraak, anders dan hij aannam toen hij het verzoek deed tot verlening van verlof voor tussentijds cassatieberoep. Volgens [eiser] heeft het hof met toepassing van art. 356 Rv de zaak aan zich gehouden en in de procedure ten principale beslist, althans heeft het hof ten aanzien van de kostenveroordeling met betrekking tot het deelgeschil en de in dat kader beoordeelde mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] een eindbeslissing gegeven waartegen cassatieberoep openstaat.

3.5

 

Dit betoog van [eiser] faalt. Van een einduitspraak is sprake als de rechter bij uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt aan het geding. Het hof heeft niet overwogen of tot uitdrukking gebracht dat het zijn beslissing geeft op enige in de procedure ten principale ingestelde vordering. De processtukken vermelden een dergelijke vordering ook niet. De door het hof in het dictum van zijn arrest uitgesproken vernietiging van de deelgeschilbeschikking van de rechtbank en de door hem eveneens in dat dictum uitgesproken nieuwe veroordeling in de kosten van het deelgeschil, kunnen dan ook niet worden geacht te zijn gegeven op enige vordering in de procedure ten principale. Het hof heeft derhalve ook niet met toepassing van art. 356 Rv de zaak aan zich gehouden. Zijn uitspraak kan op grond van het voorgaande niet als een einduitspraak in de procedure ten principale worden aangemerkt. Nu verlof van het gerechtshof tot het instellen van tussentijds cassatieberoep ontbreekt, is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Overigens heeft het hof, gelet op zijn rov. 6.14 en 6.15, slechts een oordeel gegeven over de kosten van het deelgeschil die Nationale Nederlanden c.s. aan [eiser] zijn verschuldigd, en heeft het uitsluitend in dat kader een oordeel gegeven over de schuldverdeling. Dit oordeel over de kosten van het deelgeschil heeft in het vervolg van de procedure ten principale het karakter van een bindende eindbeslissing (zie hiervoor in 3.2).

3.6

 

De Hoge Raad ziet aanleiding ten overvloede nog het volgende te overwegen. Het hof heeft in deze zaak de in de deelgeschilbeschikking uitgesproken kostenveroordeling vernietigd en een nieuwe kostenveroordeling uitgesproken. Een en ander verdraagt zich niet met de regeling van art. 1019bb en art. 1019cc Rv (zie hiervoor in 3.1). Deze regeling houdt in dat hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking is uitgesloten. Daarop wordt uitsluitend een uitzondering gemaakt indien op de deelgeschilprocedure een procedure ten principale volgt. In die procedure gelden de in de deelgeschilbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding als waren zij in een tussenuitspraak gedaan (art. 1019cc lid 1 Rv) en kunnen zij in hoger beroep op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv worden bestreden. De achtergrond daarvan is dat de rechter in de procedure ten principale aan deze eindbeslissingen gebonden is. Een veroordeling in de deelgeschilbeschikking valt onder art. 1019bb Rv en niet onder art. 1019cc lid 1 Rv en blijft derhalve buiten het hoger beroep.

 

Art. 1019cc lid 2 Rv bepaalt dat aan een veroordeling van een van partijen in een deelgeschilbeschikking in de procedure ten principale geen verdergaande betekenis toekomt dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding. Dit brengt mee dat de rechter in een eventueel volgende (of intussen aanhangig gemaakte) procedure ten principale niet aan zodanige veroordeling gebonden is en dat die veroordeling haar werking verliest indien in de procedure ten principale in het dictum een andere beslissing wordt gegeven over de desbetreffende vordering.5 Hoewel het hof gelet op het voorgaande niet bevoegd was om de kostenveroordeling te vernietigen, moet aan de desondanks door het hof daarvoor in de plaats gestelde kostenveroordeling dezelfde werking worden toegekend als aan een veroordeling in kort geding, zodat de rechtbank daaraan in de voortzetting van de procedure ten principale niet gebonden is. Die veroordeling vervalt derhalve als in het vervolg van deze procedure een vordering wordt ingesteld met betrekking tot de kosten van de deelgeschilprocedure en deze leidt tot een andere beslissing dan waartoe het hof nu is gekomen.

3.7

 

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

 

De Hoge Raad:

 

– verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep;

 

– veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden c.s. begroot op € 862,07 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

 

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 20 september 2019.

 

1 Zie HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689, rov. 4.5.2.

 

2 Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3, p. 4.

 

3 Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3, p. 12 en p. 18.

 

4 Zie HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689, rov. 4.5.5 en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3142, rov. 4.1-4.2.

 

5 Vgl. onder meer HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2652.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey