Hoge Raad laat oordeel hof over beperking looptijd tot 5 jaar vanwege predispositie in stand (art 81 RO)

Samenvatting:

Whiplash, ongeval 1996. Bij benadeelde hebben zich na het ongeval zowel psychische klachten als bepaalde somatische klachten geopenbaard. Sinds het ongeval heeft benadeelde geen betaald werk meer verricht. Het hof heeft de periode waarover arbeidsvermogensschade moet worden vergoed, beperkt tot vijf jaar na het ongeval vanwege de psychische predispositie (schizofrenie). Ook zonder ongeval zou de predispositie benadeelde parten hebben gespeeld. De Hoge Raad verwerpt het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep.

 

 

 

ECLI:NL:HR:2018:311

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 09-03-2018
Datum publicatie09-03-2018
Zaaknummer 17/00002

Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:44, Gevolgd

In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:4280, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Cassatie

Inhoudsindicatie

 

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Verkeersongeval. Lichamelijk letsel. Psychische predispositie. Causaal verband. Beperking toerekening tot vijf jaar.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

9 maart 2018

 

Eerste Kamer

 

17/00002

 

TT/MD

 

 

Hoge Raad der Nederlanden

 

 

Arrest

 

 

in de zaak van:

 

 

 

[eiser],

wonende te [woonplaats],

 

EISER tot cassatie,

 

advocaat: mr. K. Aantjes,

 

 

 

t e g e n

 

 

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

 

VERWEERSTER in cassatie,

 

advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. N.T. Dempsey

 

 

 

 

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Achmea.

 

 

 

 

1 Het geding in feitelijke instanties

 

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

 

  1. de vonnissen in de zaak C/01/250689/HA ZA 12-703 van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 19 december 2012 en van de rechtbank Oost-Brabant van 24 juli 2013;

 

  1. de arresten in de zaak 200.139.251/01 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 maart 2014, 21 juli 2015, 24 november 2015 en 27 september 2016.

 

De arresten van 21 juli 2015 en 27 september 2016 van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

 

 

 

2 Het geding in cassatie

 

 

Tegen de arresten van 21 juli 2015 en 27 september 2016 van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

 

Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

 

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Achmea mede door mr. R.R. Oudijk.

 

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het beroep.

 

 

 

 

3 Beoordeling van het middel

 

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

 

 

4 Beslissing

 

 

De Hoge Raad:

 

verwerpt het beroep;

 

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op € 6.590,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 9 maart 2018.

 

 

ECLI:NL:PHR:2018:44

 

 

 

Permanente link:

 

InstantieParket bij de Hoge Raad Datum conclusie12-01-2018 Datum publicatie31-01-2018 Zaaknummer17/00002

Formele relatiesArrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:311, Gevolgd

RechtsgebiedenCiviel recht

Bijzondere kenmerken- Inhoudsindicatie

 

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Verkeersongeval. Lichamelijk letsel. Psychische predispositie. Causaal verband. Beperking toerekening tot vijf jaar.

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR 2018/554

 

 

Conclusie

 

 

 

 

Zaaknr: 17/00002

 

  1. B.J. Drijber

 

Zitting: 12 januari 2018

 

 

Conclusie inzake:

 

 

 

[eiser] ,

 

eiser tot cassatie,

 

advocaat: mr. K. Aantjes

 

 

 

tegen

 

 

 

de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

 

verweerster in cassatie,

 

advocaten: mrs. B.T.M. van der Wiel en N.T. Dempsey

 

 

 

 

Deze letselschadezaak betreft de gevolgen van een auto-ongeval, dat meer dan twintig jaar geleden heeft plaats gevonden. Bij eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) hebben zich na het ongeval zowel psychische klachten als bepaalde somatische klachten geopenbaard, waarnaar verschillende medisch deskundigen onderzoek hebben gedaan. Sinds het ongeval heeft [eiser] geen betaald werk meer verricht. Het hof heeft de periode waarover arbeidsvermogensschade moet worden vergoed, beperkt tot vijf jaar na het ongeval. In cassatie staat centraal de vraag of voor dat oordeel een (voldoende) concreet aanknopingspunt bestaat.

 

 

 

 

1 Feiten

 

 

 

  1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

 

 

2 Op 15 september 1996 is [eiser], geboren op [geboortedatum] 1966, als bestuurder van een personenauto slachtoffer geworden van een verkeersongeval.2 Verweerster in cassatie (hierna: Achmea) heeft als WAM-verzekeraar van de bestuurder van de personenauto die aan [eiser] geen voorrang had verleend, aansprakelijkheid erkend.

 

 

3 Ten tijde van het ongeval werkte [eiser] als productiemedewerker keramische onderdelen bij Philips Display Components in Eindhoven op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 1 maart 1995 was ingegaan en eenmaal was verlengd.

 

 

4 Direct na het ongeval heeft [eiser] zich tot zijn huisarts gewend in verband met nek- en hoofdpijnklachten. Hij heeft zich bij zijn werkgever ziek gemeld.

 

 

5 In verband met aanhoudende pijnklachten is [eiser] in oktober 1996 door zijn huisarts doorverwezen naar neuroloog [betrokkene 1] van het Catharinaziekenhuis in Eindhoven. Deze vond, behoudens wat bemoeilijkte nekbewegingen, geen duidelijke afwijkingen.3

 

 

6 In een re-integratieformulier met datum 20 november 1996 wordt vermeld dat [eiser] aangeeft last te hebben van zeer hevige pijnen in nek/achterhoofd, concentratiestoornissen, visusstoornissen, evenwichtsstoornissen en dat zich het beeld voordoet van een reactieve depressie. Vanaf eind 1996/1997 is [eiser] zes maanden in dagbehandeling geweest bij Revalidatiecentrum Blixembosch in Eindhoven.

 

 

7 Omdat zijn psychische toestand verslechterde is [eiser] van 11 tot en met 13 januari 1997 opgenomen geweest op de PAAZ-afdeling van het Catharinaziekenhuis. Van 1 tot en met 7 april 1997 is [eiser] in verband met vergelijkbare klachten wederom (gedwongen) daar opgenomen geweest. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis is [eiser] psychiatrisch begeleid door (onder meer) de GGzE in Eindhoven.

 

 

8 Nadat [eiser] zijn medicatie in augustus 1999 had afgebouwd, werd hij op 11 mei 2000 opgenomen op de PAAZ-afdeling van het St. Josephziekenhuis in Eindhoven in verband met een recidief paranoïd psychotisch toestandsbeeld. Op 18 mei 2000 is hij overgeplaatst naar PZ De Grote Beek in Eindhoven. Op 2 augustus 2000 is hij uit die instelling ontslagen.

 

 

9 [eiser] heeft in de jaren daarna tot en met 2007 psychiatrische nazorg ontvangen van de GGzE/RIAGG in Eindhoven en is tot die tijd medicatie blijven gebruiken tegen psychotische aandoeningen.

 

 

10 [eiser]’ arbeidsovereenkomst eindigde op 27 februari 1997 en is door Philips niet verlengd. Sedert het ongeval heeft [eiser] geen betaalde werkzaamheden meer verricht. Hij ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.

 

 

11 Tot en met 2000 heeft Achmea als voorschot onder algemene titel aan [eiser] een bedrag van € 4.991,58 vergoed. [eiser] was (en is) echter van mening dat de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade veel hoger is, waarbij partijen van mening zijn blijven verschillen over het causaal verband tussen het ongeval en (het overgrote deel van) de door [eiser] gestelde omvang van de schade, in het bijzonder de schade wegens het verlies aan arbeidsvermogen.

 

 

12 Op 23 februari 2001 heeft [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), psychiater te Amsterdam, op verzoek van beide partijen onderzoek gedaan naar de gezondheidssituatie van [eiser], met nadruk op de psychische gezondheid. In zijn rapportage van 20 juli 2001 komt [betrokkene 2] tot de diagnose schizofrenie.

 

 

13 [betrokkene 2] schrijft in zijn eindconclusie4

 

 

 

“… dat het ongeval wellicht een luxerende factor is geweest bij het ontstaan van de eerste psychotische ontsporing. Er zijn echter onvoldoende argumenten om een verband tussen het huidige toestandsbeeld en het ongeval c.q. de psychotraumatische impact van het ongeval nog aannemelijk te kunnen maken.”5

 

 

 

14 [eiser] kon zich niet verenigen met de bevindingen van [betrokkene 2]. Ook de behandelend sociaal psychiatrische verpleegkundige, [betrokkene 3], had twijfels over de gronden waarop [betrokkene 2] tot de stoornis schizofrenie had geconcludeerd. In reactie daarop heeft [betrokkene 2] vastgehouden aan de diagnose schizofrenie:6

 

 

 

“Conclusie: nog steeds voldoende aanwijzingen voor de diagnose schizofrenie. De kanttekeningen van [betrokkene 3] weerleggen mijn opvattingen met betrekking tot het ontbreken van een causale relatie tussen de toestand van de betrokkene en het ongeval niet.”

 

 

 

15 In 2003 heeft Achmea als slotuitkering een bedrag van € 4.537,80 aan [eiser] betaald, waarmee de totale uitkering kwam te liggen op € 9.529,38. Achmea zag geen aanleiding dit bedrag te verhogen.7

 

 

16 Nadien heeft [eiser] [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), eveneens psychiater te Amsterdam, verzocht een contra-expertise te verrichten en een aantal vragen te beantwoorden. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden in december 2004.8 [betrokkene 4] sluit zich in zijn rapport aan bij de gestelde diagnose schizofrenie. [betrokkene 4] antwoordt op de aan hem voorgelegde tweede vraag het volgende:

 

 

 

“Ad b: Er zijn geen aanwijzingen dat de klachten en/of verschijnselen voor het ongeval bestonden.

 

Ad c: Er zijn geen aanwijzingen voor pre-existentiële ziekten of aandoeningen.

 

Ad d: Als het ongeval betrokkene niet was overkomen zouden de daarna ontstane klachten en/of verschijnselen waarschijnlijk ook toch op enig moment zijn ontstaan. Op welke termijn dat zou zijn gebeurd is niet exact aan te geven, maar verwacht mag worden dat [dat] voor zijn 40e jaar zou zijn gebeurd.

 

Ad e: Klachten en verschijnselen op grond van een schizofrene stoornis kunnen redelijkerwijs niet als ongevalsgevolg worden beschouwd.”

 

 

 

17 Over de periode vanaf 2005 tot medio 2012 bevatten de gedingstukken naar verhouding weinig (medische) informatie. De psychotische klachten leken stabiel of af te nemen.9 De fysieke klachten waren vooral nekklachten.10

 

 

18 Partijen zijn er niet in geslaagd een schaderegeling te treffen.11

 

  1. Procesverloop

 

19 Het procesverloop kan als volgt worden samengevat.12

 

 

20 Op 27 juli 2012 heeft [eiser] Achmea gedagvaard en in het totaal circa € 500.000 schadevergoeding gevorderd.13 Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat zijn klachten en beperkingen als ‘ongevalsgevolg’ dienen te worden gekwalificeerd. Hij betwist de door [betrokkene 2] en [betrokkene 4] gestelde diagnose schizofrenie; hij is van mening dat er sprake is van andere psychische verschijnselen, die door het ongeval zijn geluxeerd. Als het ongeval hem niet zou zijn overkomen, zou zijn tijdelijke arbeidscontract bij Philips zijn omgezet in een contract voor onbepaalde tijd, zoals hem voor het ongeval zou zijn beloofd. Achmea heeft verweer gevoerd.

 

 

21 Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk, namelijk tot € 56.511,43 in hoofdsom, toegewezen.

 

 

22 De rechtbank stelt voorop:

 

 

 

“4.3. In een zaak als deze is aanleiding voor een ruime toerekening. Het gaat immers om letselschade als gevolg van schending van een verkeers- en veiligheidsnorm, waarbij letsel een redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het schadebrengende feit. (…).

 

 

 

4.4

Bij de bepaling van de omvang van het verlies aan verdienvermogen wordt vooropgesteld dat aan [eiser], die stelt blijvende letselschade te hebben opgelopen als gevolg van het ongeval, geen al te strenge eisen mogen worden gesteld ten aanzien van het te leveren bewijs van de arbeidsinkomsten die hij in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die hem de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen zich in die hypothetische situatie zou hebben voorgedaan.”

 

 

 

23 De rechtbank overweegt verder:

 

 

 

 

“4.8. Bij gebrek aan (voldoende overtuigende) andersluidende medische informatie, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat inmiddels ruim zestien jaren zijn verstreken sinds het ongeval en het niet eenvoudig zal zijn thans opnieuw bruikbaar onderzoek te laten verrichten naar de mogelijke oorzaak/oorzaken van de psychische problemen die na het ongeval in 1996 zijn ontstaan, zal de rechtbank in beginsel aansluiting zoeken bij de bevindingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Deze stemmen inhoudelijk met elkaar overeen.

 

 

 

 

(…)

 

 

 

4.10.

Onder verwijzing naar zijn hiervoor weergegeven bevindingen is [betrokkene 2] van mening dat het ongeval wellicht een luxerende factor is geweest bij het ontstaan van de eerste psychotische ontsporing. [betrokkene 4] sluit zich daarbij aan en overweegt (onder meer) dat stressvolle gebeurtenissen wel degelijk een rol kunnen spelen bij het uitlokken van de ziekte schizofrenie; ze bepalen als het ware het moment waarop de ziekte zich manifesteert zonder op zichzelf de ziekte te veroorzaken. [betrokkene 4] merkt verder op dat moet worden aangenomen dat de schizofrenie zonder het ongeval in 1996 mogelijk op een ander tijdstip zou zijn ontstaan, maar dat deze ziekte niet zou zijn voorkomen (pag. 7 en 8, prod. 3 [eiser]). Op welke termijn de ziekte anders zou zijn ontstaan is niet exact aan te geven, maar verwacht mag worden dat dit voor zijn 40e jaar zou zijn gebeurd, aldus [betrokkene 4].”

 

 

 

24 Met betrekking tot de centrale vraag over welke periode de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen voor vergoeding in aanmerking komt overweegt de rechtbank:

 

 

 

 

“4.12. Vervolgens is de vraag aan de orde gedurende welke periode de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen nog in zodanig verband staat met het ongeval dat deze daaraan in redelijkheid dient te worden toegerekend. Omdat enkel kan worden uitgegaan van een hypothetische situatie, kan de schade niet exact worden vastgesteld maar zal deze ex aequo et bono worden geschat. Zoals gemeld ziet de rechtbank aanleiding voor een ruime toerekening. Daarbij hanteert de rechtbank de navolgende uitgangspunten.

 

 

 

4.13.

Indien wordt uitgegaan van een schizofrene stoornis die zich (mede als gevolg van het ongeval) korte tijd na het ongeval heeft geopenbaard, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. [betrokkene 2] tekent in juli 2001 aan dat er naar zijn mening onvoldoende argumenten zijn om nog een verband tussen het op dat moment bestaande toestandsbeeld en het ongeval c.q. de psychotraumatische impact van het ongeval aannemelijk te kunnen maken. Zelfs een indirect verband met het ongeval kan op dat moment niet meer worden verdedigd, aldus [betrokkene 2]. Ook [betrokkene 4] is in december 2004 van mening dat klachten en verschijnselen op grond van een schizofrene stoornis redelijkerwijs niet als ongevalsgevolg kunnen worden beschouwd. Mede op basis van hun bevindingen is de rechtbank van oordeel dat de uit de schizofrenie voortvloeiende beperkingen in redelijkheid uiterlijk vanaf medio 2001 niet langer aan het ongeval mogen worden toegerekend.

 

 

4.14.

Ook indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat bij [eiser] in aanleg een schizofrene stoornis aanwezig was die zich, het ongeval weggedacht, zonder die luxerende factor eveneens zou hebben geopenbaard voordat hij de leeftijd van 40 jaar zou hebben bereikt, acht de rechtbank het redelijk om er vanuit te gaan dat [eiser] alsdan in de loop van 2001 ([eiser] werd in januari van dat jaar 35) voor het eerst zou zijn getroffen door een schizofrene psychose, waardoor hij alsnog arbeidsongeschikt zou zijn geraakt. Omdat deze arbeidsongeschiktheid dan niet in causaal verband zou staan met het ongeval, zou Achmea uit dien hoofde vanaf dat moment evenmin (nog langer) schadeplichtig zijn.

 

 

 

(…)

 

 

 

4.17.

Daargelaten welke diagnose op de situatie [eiser] van toepassing is, is de rechtbank derhalve van oordeel dat Achmea gehouden is om de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van verlies [aan] verdienvermogen heeft geleden tot medio 2001 (waarbij de rechtbank meer concreet aanhaakt bij een periode van 5 jaar na de datum van het ongeval, eindigende op 15 september 2001).”

 

 

25 Het toegewezen bedrag aan schadevergoeding van € 56.511,43 (na verrekening van het betaalde voorschot van € 9.529,38) bestaat uit de volgende componenten: (i) een geschat bedrag van € 25.000 (netto) voor verlies aan arbeidsvermogen14 over vijf jaar volgend op het ongeval; (ii) een geschat bedrag van € 2.500 voor kosten die de vrouw van [eiser] heeft gemaakt bij het verlenen van praktische bijstand; (iii) € 4.991,58 voor gemaakte medische kosten en reiskosten; een begroot bedrag van € 10.000 voor geleden immateriële schade (inclusief de wettelijke rente tot de datum van dagvaarding; en (iv) buitengerechtelijke kosten, te weten de kosten van [eiser]’ advocaat (inclusief BTW), alsook de kosten van de rapporten van [betrokkene 4] en [betrokkene 5], dit alles zoals te vermeerderen met wettelijke rente. Achmea werd in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

 

 

26 [eiser] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. In hoger beroep heeft hij het accent meer gelegd op zijn (whiplashachtige)klachten. De fysieke klachten worden als mogelijke oorzaak van de arbeidsbeperkingen belangrijker naar mate de kans op een psychische oorzaak kleiner wordt. Over het afnemend belang van de psychische klachten heeft [betrokkene 5], psychiater te Nijmegen (hierna: [betrokkene 5]), op verzoek van [eiser] advies uitgebracht.15

 

 

27 Nadat een comparitie na aanbrengen niet had geleid tot een oplossing van het geschil, heeft het hof twee tussenarresten en een eindarrest gewezen.

 

 

28 In zijn tussenarrest van 21 juli 2015 bevestigt het hof allereerst het oordeel van de rechtbank dat dat de periode waarover verlies aan arbeidsvermogen wegens de psychische klachten van [eiser] dient te worden gecompenseerd, loopt tot vijf jaar na het ongeval en dus tot 15 september 2001:

 

 

 

“7.7.4. Zo zulks al niet vast stond, dan is het hof van oordeel dat op grond van de bevindingen van [betrokkene 2], de daarmee overeenstemmende bevindingen van [betrokkene 4] en de hiervoor onder het eerste gedachtestreepje vermelde mening van [betrokkene 5], thans in ieder geval vaststaat dat de diagnose schizofrenie terecht bij [eiser] is gesteld. Op grond van de rapportages van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] gaat ook het hof ervan uit dat het ongeval de luxerende factor is geweest bij het ontstaan van de eerste psychotische ontsporing. Om die reden heeft de rechtbank terecht de ernstige psychische decompensatie van [eiser] en de gevolgen daarvan, zoals de omstandigheid dat hij niet in staat was toonvormende arbeid te verrichten, aan het ongeval toegerekend.

 

 

 

7.7.5.

Het hof volgt [eiser] evenwel niet in zijn standpunt, dat uit het advies van [betrokkene 5] volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de – uit de schizofrenie voortvloeiende – beperkingen vanaf 15 september 2001 niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Anders dan [eiser] stelt, is het advies van [betrokkene 5] onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [eiser] sinds 2000 niet opnieuw psychotisch is geweest of opgenomen is geweest wegens een psychiatrische stoornis. De enkele constatering van [betrokkene 5] dat [eiser] sinds 2000 niet meer psychotisch is geweest, is daartoe onvoldoende. Vaststaat immers dat [eiser] tot 2007 anti-psychotische medicatie gebruikte. Voorts is de opmerking van [betrokkene 5] dat er sinds 2007 bij [eiser] geen sprake meer is geweest van psychiatrische behandeling of begeleiding niet juist, althans niet volledig. Zoals ook [betrokkene 5] opmerkt, heeft [eiser] in 2012 zijn huisarts geconsulteerd in verband met psychische problemen, was de huisarts bezorgd en achtte deze begeleiding door de GGzE zinvol. (…)

 

 

 

Dat er in genoemde periode geen sprake is geweest van psychiatrische begeleiding is derhalve te wijten aan het niet opvolgen van het advies van de huisarts door [eiser] en dat betekent niet dat die begeleiding om medische redenen op dat moment niet nodig c.q. wenselijk was. Overigens blijkt uit het huisartsenjournaal dat [eiser] kort voor het genoemde consult, op 13 oktober 2012, nog opgenomen is geweest in het Catharinaziekenhuis vanwege psychische problemen.

 

 

 

7.7.6.

Het hof acht de bezwaren van [eiser], waarvoor hij verwijst naar het advies van [betrokkene 5], onvoldoende deugdelijk en zwaarwegend om af te wijken van de deugdelijke en goed onderbouwde conclusie van zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 4].

 

 

 

(…)

 

 

 

 

Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank op juiste en deugdelijke gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, op grond van de hiervoor geciteerde bevindingen van met name [betrokkene 4] de looptijd van de schadevergoedingsverplichting van Achmea ten aanzien van de beperkingen van [eiser]. voortvloeiende uit schizofrenie, heeft beperkt tot vijf jaren na het ongeval, dus tot 15 september 2001. Om die reden heeft het hof (vooralsnog) geen behoefte aan een nadere psychiatrische expertise, zoals [eiser] voorstelt. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat de schizofrenie in (volledige) remissie is, zoals [eiser] stelt, is zulks niet relevant aangezien de daaruit voortvloeiende beperkingen vanaf medio 2001 niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. In zoverre faalt grief I.”

 

 

 

29 In dit tussenarrest is het hof vervolgens ingegaan op de stellingen van [eiser] over zijn fysieke klachten. Omdat vaststaat dat [eiser] tot 15 september 2001 wegens zijn psychische toestand niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten, is pas voor de periode daarna relevant of [eiser] dat ten gevolge van zijn fysieke klachten nog steeds niet kon. Om dat te bepalen is nieuw deskundigenonderzoek nodig, dit maal door een neuroloog. Mocht het een en ander gelet op het tijdsverloop moeilijk te beoordelen zijn, dan is dit voor rekening en risico van [eiser] (rov. 7.8.4).

 

 

30 Het tussenarrest van 24 november 2015 bevat de beslissing over de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen. Als deskundige wordt benoemd dr. W.I.M. Verhagen (hierna: Verhagen of ‘de deskundige’), neuroloog te Nijmegen. Diens rapport dateert van 22 maart 2016.

 

 

31 In zijn eindarrest van 27 september 2016 geeft het deskundigenbericht uitvoerig weer (rov. 13.2 – 13.2.4), waarna hof in rov. 13.4 overweegt:

 

 

 

“Op grond van het deskundigenbericht dient thans te worden vastgesteld :

 

  1. a) het bestaan van de whiplashachtige klachten vanaf 15 september 2001,

 

en indien dat komt vast te staan:

 

  1. b) het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval uit 1996,

 

en indien dat komt vast te staan:

 

  1. c) of de gezondheidsklachten tot beperkingen leiden.”

 

 

 

32 Het hof begint met de vraag onder b) en overweegt als volgt:

 

 

 

“13.5.1. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat [eiser] voor het ongeval de klachten niet had alsook dat de aard van het ongevalsmechanisme vaker wordt genoemd in verband met de tendomyogene pijnklachten (…).

 

 

 

 

In zijn klinische diagnose (zie r.o. 13.2.2.) concludeert de deskundige dat er sprake is van posttraumatische nekklachten na een eenzijdig auto-ongeval, dat de pijnklachten vooral van tendomyogene aard zijn en dat daarbij differentiaal diagnostisch gedacht kan worden aan whiplash associated graad 2.

 

 

 

13.5.2.

Daarbij laat de deskundige het echter niet. Hij voegt daar immers aan toe:

 

 

 

“Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid dat er in de loop van de tijd tendomvogene nekklachten niet van traumatische aard zijn ontstaan samenhangend met de karakterstructuur en psychiatrische problematiek bij betrokkene. Een combinatie van dit alles is eveneens mogelijk.”

 

 

 

 

Achmea heeft naar aanleiding van het conceptrapport aan de deskundige hierover nadere vragen gesteld (o.a. of de deskundige dit nader kan specificeren, wat hij bedoelt met niet traumatische nekklachten, welke oorzaken nog meer zijn aan te wijzen, hoe frequent deze tendomyogene klachten voorkomen zonder een voorafgaand ongeval).

 

De deskundige heeft daarop het volgende geantwoord:

 

 

 

 

“Precieze cijfers hieromtrent zijn beperkt beschikbaar. Chronisch tendomyogene klachten ( > 3mnd) komen volgens Wilgen et al 2006 voor bij 44 % van de mensen in Nederland boven de 25 jaar, waarvan 1/5 deel nekklachten betreft. Uit het Nationaal Kompas kan men aflezen dat in 2011 er een prevalentie bij mannen was van 11400 en vrouwen 13500 met een incidentie van 9100 voor mannen en 9800 voor vrouwen, waarbij wordt aangegeven dat er sprake is van een onderschatting van het werkelijk aantal mensen met nek- en overigens ook bijvoorbeeld rugklachten in de Nederlandse bevolking. Factoren zijn het langdurig in een gefixeerde houding werken, maar ook stress kunnen aanleiding geven tot dit type klachten. ”

 

 

 

 

(…)

 

 

 

13.5.3.

 

Het hof is van oordeel dat op grond van de klinische diagnose van de deskundige, mede in onderling verband en samenhang met zijn antwoord op de nadere vragen van Achmea, niet gezegd kan worden dat in dit geval een alternatieve oorzaak voor de nek- en hoofdpijnklachten van [eiser] ontbreekt.

 

Daarbij is van belang dat de deskundige wijst op het tijdsverloop. Het hof merkt op dat het ongeluk plaatsvond op 15 september 1996, terwijl [eiser] door de deskundige is onderzocht op 18 januari 2016, dus bijna twintig jaar later.

 

De deskundige heeft het voorts over – in de loop van de tijd ontstane – tendomyogene nekklachten niet van traumatische aard. die hun oorzaak vinden in onder meer de psychiatrische problematiek van [eiser]. De deskundige heeft het hier dus over nekklachten. die niet hun oorzaak vinden in het ongeval, maar die samenhangen met de karakterstructuur en psychiatrische problematiek van [eiser]. Het hof begrijpt dat de deskundige hierbij het oog heeft op de bij [eiser] gestelde diagnose schizofrenie. Daarbij is in deze zaak van belang dat, zoals hiervoor is herhaald, het hof in navolging van de rechtbank heeft geoordeeld dat de beperkingen van [eiser], voortvloeiende uit de schizofrenie, vanaf 15 september 2001 niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Derhalve geldt in dit geval hetzelfde voor de daaruit voortvloeiende (want niet-traumatische) nek- en hoofdpijnklachten.

 

Verder wijst Achmea er terecht op dat uit het medische dossier van [eiser] blijkt dat bij hem sprake is van stress. Uit het voorafgaande aan de comparitie als productie 2 overgelegde huisartsenjournaal blijkt dat [eiser] in 2012 in oktober, november en december meermalen zijn huisarts heeft bezocht in verband met stressklachten. Gelet op het tijdsverloop tussen deze klachten en het ongeval kan naar het oordeel van het hof ten aanzien van deze stressklachten evenmin worden gezegd dat deze hun oorzaak vinden in het ongeval.

 

 

 

 

 

13.5.5.

 

Dit doet er evenwel niet aan af dat op grond van het deskundigenbericht niet kan worden uitgesloten dat er alternatieve oorzaken voor de lichamelijke klachten van [eiser] aanwezig zijn, te weten:

 

– het tijdsverloop, mede in het licht van de omstandigheid dat dit soort klachten relatief vaak voorkomen bij mensen boven de vijfentwintig;

 

– de psychiatrische problematiek van [eiser]; het hof verwijst en persisteert naar hetgeen daarover in r.o. 7.7 e.v., met name in r.o. 7.7.5, is overwogen;

 

– de stressklachten in 2012.

 

Dit alles leidt tot de conclusie dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van het causaal verband tussen de bij hem sinds 15 september 2001 bestaande nek- en hoofdpijnklachten en het ongeval. Derhalve behoeven de hiervoor [in rov. 13.4] vermelde vragen a en c geen beantwoording meer.”

 

 

 

33 Het hof bekrachtigt hierop het vonnis van de rechtbank.

 

 

34 Tegen het tussenarrest van 21 juli 2015 en het eindarrest van 27 september 2016 heeft [eiser] – tijdig – cassatieberoep ingesteld. Achmea heeft tot verwerping geconcludeerd. De zaak is voor partijen schriftelijk toegelicht door hun advocaten, voor Achmea mede door mr. R.R. Oudijk. Er is niet gere- of dupliceerd.

 

 

 

3 De cassatieklachten; inleidende opmerkingen

 

 

 

35 Het cassatiemiddel is overzichtelijk. Het eerste onderdeel gaat over de beoordeling van de vastgestelde psychische klachten. Het richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat de door [eiser] geleden arbeidsvermogensschade alleen voor de eerste vijf jaar na het ongeval voor vergoeding in aanmerking komt (tussenarrest van 21 juli 2015, rov. 7.7.4 – 7.7.6, met verwijzing naar het rechtbankvonnis, rov. 4.12 – 4.1716). Het tweede onderdeel van het middel richt een motiveringsklacht (met daarin tevens besloten een rechtsklacht) tegen het oordeel van het hof dat er geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en de nek- en hoofdpijnklachten van [eiser], zodat ook niet op basis van deze fysieke klachten de schade door verminderd arbeidsvermogen na 15 september 2001 in causaal verband staat met het ongeval (eindarrest, rov. 13.5 – 13.5.6).

 

 

36 Alvorens beide onderdelen te bespreken maak ik enkele inleidende opmerkingen.

 

 

37 Het is niet nodig hier het algemene kader te schetsen dat van toepassing is op de begroting van arbeidsvermogensschade, nu A-G Hartlief dat recent heeft gedaan in de zaak G/Goudse.17 Uw Raad bevestigde in die zaak dat de feitelijke situatie (met ongeval) vergeleken moet worden met de hypothetische situatie (zonder ongeval) en dat het bij de beoordeling van die laatste situatie aankomt op een redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen en op een afweging van goede en kwade kansen (rov. 3.3.2):

 

 

 

“Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 [Verhof/Helvetia]; HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 [Van Sas/Interpolis]. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn.”

 

 

 

38 De jurist kan in dit soort letselschadezaken niet zonder de inbreng van de medicus.18 Medisch deskundigen moeten echter net zo goed als juristen bij de inschatting van de hypothetische situatie met kansen, mogelijkheden en waarschijnlijkheden werken, omdat zekerheden per definitie niet bestaan. Daarbij zal een gewetensvol medicus zijn of haar bevindingen zo opschrijven dat over een bepaalde toestand niet meer zekerheid wordt gesuggereerd dan vanuit medisch-wetenschappelijk oogpunt verantwoord is. Het gebruik van termen als “niet valt uit te sluiten”, “mogelijk”, “wellicht”, “waarschijnlijk” etc. is daarbij welhaast onvermijdelijk.

 

 

39 De rechter zal aan het eind van de rit een beslissing moeten nemen op basis van feitelijke gegevens, die onvermijdelijk evenzeer met onzekerheid zijn omgeven. Juist daarom heeft de rechter, zoals in de in punt 36 geciteerde rechtsoverweging wordt bevestigd, bij de oordeelsvorming “een aanzienlijke mate van vrijheid”. In de gevallen waarin aan het oordeel van de feitenrechter een medisch onderzoek ten grondslag ligt, zal dat reden kunnen zijn voor een terughoudende toetsing in cassatie.19 Correctie door de cassatierechter is dan aangewezen als uit een medische rapportage een conclusie wordt getrokken die daar redelijkerwijs niet uit valt af te leiden. Als daarbuiten verdergaande motiveringseisen worden gesteld, dan zou dat wel eens tot een significante toename kunnen leiden van het aantal cassatieberoepen met motiveringsklachten over de beoordeling van medische rapportages.

 

 

40 Het kan verhelderend zijn drie recente arresten over personenschade, waarin wegens een motiveringsgebrek werd gecasseerd, naast de onderhavige zaak te leggen. Ik begin met de al genoemde zaak G./Goudse. Het ging daar om een man die op zijn 23ste een verkeersongeval had en wegens de gevolgen daarvan zijn plannen om in lijn met de familietraditie molenaar te worden gedwarsboomd zag. Met de onderhavige zaak is er in zoverre een parallel dat in die zaak uit medisch onderzoek was gebleken dat pre-existente persoonlijkheidsfactoren het functioneren van betrokkene konden beïnvloeden en een persoonlijkheidsstoornis niet (geheel) viel uit te sluiten. In beide gevallen was er, simpel gezegd, psychisch iets aan de hand dat niet als zodanig aan het ongeval kon worden gerelateerd. Een andere parallel is dat G. nekklachten had. Een verschil is dan weer dat G. had betoogd dat hij een carrière elders zou hebben verkozen als de molen niet rendabel was te exploiteren. Aan zijn onderbouwde stellingen omtrent de mogelijkheid het molenaarsbestaan in te ruilen voor een beter betalende baan was het hof in die zaak voorbij gegaan, waarop cassatie volgde.20 In de ‘molenaarszaak’ lag het accent op de vraag of alternatief werk – binnen de mogelijkheden van betrokkene – financieel interessanter was. In deze zaak is, althans impliciet, het uitgangspunt is dat [eiser] helemaal geen betaald werk kán doen.

 

 

41 Als tweede zaak noem ik het arrest M./[A].21 Daar ging het om een werknemer die tot tweemaal toe in het kader van zijn arbeid een (zwaar) voorwerp op zijn hoofd had gekregen en na de tweede keer geen loonvormende arbeid meer had verricht. Een parallel met de onderhavige zaak is dat bij het slachtoffer sprake was van een psychische predispositie, te weten een persoonlijkheidsstructuur als gevolg waarvan hij in psychische zin nogal heftig op het tweede ongeval had gereageerd. In die zaak waren medische deskundigen geraadpleegd, die niet konden uitsluiten dat M. bij andere stressvolle omstandigheden op dezelfde wijze zou reageren op een al dan niet ernstig life event. Vervolgens verbond het hof daar de leeftijd van (maximaal) 55 jaar aan, zonder aan te knopen bij een gebeurtenis waar dat uit zou blijken en zonder dat die leeftijd door (een van) de geraadpleegde deskundigen was genoemd. Een concreet aanknopingspunt om een harde ‘knip’ aan te brengen bij 55 jaar ontbrak. Uw Raad overwoog:

 

 

 

“3.3.2 Het middel slaagt. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk op grond waarvan het hof van oordeel is dat de enkele omstandigheid dat M. in het onderhavige geval op relatief gering letsel heeft gereageerd met een ernstige psychische reactie, aannemelijk maakt dat M. op enig ander moment in zijn leven — en in ieder geval uiterlijk omstreeks 55-jarige leeftijd — op eenzelfde wijze zou hebben gereageerd op een al dan niet ernstig life-event. Het hof heeft in het bijzonder niets vastgesteld omtrent reeds voorgevallen andere gebeurtenissen in het leven van M. die als een dergelijk ‘al dan niet ernstig life-event’ kunnen worden aangemerkt en aldus evenmin beoordeeld in hoeverre de reactie van M. op een dergelijke gebeurtenis dit aannemelijk maakt. Het hof heeft voorts niet toereikend gemotiveerd waarom een psychische reactie zoals die van M. in het onderhavige geval, in zijn algemeenheid aannemelijk maakt dat de betrokkene ook als gevolg van andere gebeurtenissen dan een dergelijk arbeidsongeval, niet meer in staat zal zijn loonvormende arbeid te verrichten. De omstandigheid dat volgens de door het hof geraadpleegde deskundigen ook bij andersoortig letsel of andere stressvolle omstandigheden een dergelijke reactie ‘niet is uit te sluiten’ volstaat — zoals het hof ook heeft onderkend — daartoe niet.”

 

 

 

 

Het hof had in die zaak met het noemen van de leeftijd een vorm van zekerheid gesuggereerd waarvoor een duidelijke onderbouwing ontbrak.22 Zonder nadere motivering was het oordeel van het hof onbegrijpelijk.23

 

 

 

42 Uit het arrest M./[A] is de les te trekken dat, ook al is het de rechter toegestaan rekening te houden met een psychische predispositie, daar niet uit volgt dat lichtvaardig mag worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de schadevergoeding. Een belangrijk verschil met de onderhavige zaak is evenwel dat hier wél door een medisch deskundige een leeftijdsgrens is genoemd waarop zich de psychische stoornis ten laatste zou hebben geopenbaard.

 

 

43 Als derde zaak noem ik het arrest X./Academisch Ziekenhuis Maastricht.24 Die zaak betrof een geval van medische aansprakelijkheid als gevolg van vertraging (‘delay’) bij een operatie. De vraag was of er een reële kans op een beter behandelingsresultaat zou zijn geweest als de patiënt direct was geopereerd. Het oordeel van het hof dat die kans onvoldoende aannemelijk was ging in cassatie onderuit. De geraadpleegde medisch deskundige had opgemerkt dat het niet mogelijk was de grootte van de kansen op een beter resultaat te duiden. Het hof had daaraan de conclusie verbonden dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat het delay het verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat heeft veroorzaakt. De opmerkingen van de deskundige konden die conclusie niet dragen:25

 

 

 

“Uit het feit dat een deskundige een kans niet in een percentage kan uitdrukken omdat naar de grootte van die kans geen onderzoek is gedaan, volgt immers niet dat die kans niet in een rechtens relevante omvang bestaat (…). In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat door het delay een kans op een beter behandelresultaat verloren is gegaan, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. (…) Het hof had – nu de deskundige geen kanspercentage kon noemen maar zijn antwoorden niet uitsluiten dat van het verlies van een reële kans sprake kan zijn geweest – nader moeten onderzoeken of door het delay een reële kans op een betere uitkomst verloren is gegaan, en had – bij bevestigende beantwoording van die vraag – vervolgens tot een zo goed mogelijke schatting van deze kans moeten komen. Daartoe had het hof bijvoorbeeld de deskundige op een zitting nader kunnen bevragen.”

 

 

 

44 Dit laatste arrest betreft een wat ander geval, maar laat goed zien dat wanneer in kwesties als hier aan de orde het oordeel van de rechter niet tot een standpunt van een medisch deskundige is te herleiden, de motivering van dit oordeel in beginsel ontoereikend is. Anderzijds betekent de omstandigheid dat een deskundige over een bepaald onderwerp geen precies standpunt kan (of wil) innemen niet dat de rechter geen ruimte zou hebben om bij het bepalen van de omvang van de schade rekening te houden met het bestaan van een psychische predispositie. De rechter zal dan zelfstandig, maar wel op basis van feiten uit het dossier, moeten motiveren waarom hij komt tot een bepaalde vermindering van de schadevergoedingsplicht.26 Dat een beslissing ten minste zodanig moet zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang ligt ook besloten in het criterium redelijke verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen.27

 

 

 

4 Bespreking van het cassatiemiddel

 

 

 

 

Onderdeel I: psychische klachten

 

 

 

45 De rechtsklacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de regels omtrent de toerekening van schade, in het bijzonder in letselschadezaken als de onderhavige. De klacht wijst er op dat: (a) ruim moet worden toegerekend wanneer het gaat om letselschade als gevolg van schending van een verkeers- en veiligheidsnorm, waarbij letsel het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het schadebrengende feit; en (b) in voornoemde gevallen geen al te strenge eisen mogen worden gesteld aan het te leveren bewijs van de toekomstige arbeidsinkomsten in het hypothetische geval dat het ongeval niet had plaatsgevonden.28

 

 

46 Voordat ik hier nader op inga sta ik stil bij de vraag waar het verband tussen het ongeval en de arbeidsvermogensschade moet worden gesitueerd:29 moet de “redelijke verwachting over de toekomstige ontwikkeling” (waaronder de eventuele uitval als gevolg van een psychische predispositie) een plaats krijgen bij het onderzoek naar de aanwezigheid van het causaal verband, of bij de begroting van de omvang van de schade?

 

 

47 Eerste stap is de vaststelling van het in art. 6:162 BW besloten liggende condicio sine qua non-verband (hierna: csqn-verband) tussen de schadetoebrengende gebeurtenis en de schade. Deze voorwaarde leidt op zichzelf tot een alles-of-niets-resultaat. Immers, het csqn-verband is er wel of het is er niet; het is er niet een beetje.30

 

 

48 Als het csqn-verband vaststaat, is de tweede stap het causaal verband in de zin van toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW). Bij schending van een verkeers- of veiligheidsnorm moeten de gevolgen van een predispositie in beginsel aan de onrechtmatige daad worden toegerekend. De dader heeft het slachtoffer te nemen zoals hij is, inclusief diens zwakheden, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden. Daarmee bestaat in beginsel geen ruimte om rekening te houden met een predispositie van de benadeelde omdat deze dan (toch) langs de meetlat van de fitte en ‘normale’ persoon worden gelegd. Voor de situatie ‘met ongeval’ zal de aangesproken dader daarom zelden een verweer kunnen ontlenen aan art. 6:98 BW.31 De ruime toerekening in de situatie met ongeval is ook een van de redenen waarom de discussie over de invloed van een predispositie op de schadeplichtigheid zich doorgaans toespitst op de hypothetische situatie zonder ongeval.

 

 

49 Derde stap is de begroting van de schade (art. 6:97 en art. 6:105 BW). Uitgangspunt is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Ook bij letselschade als gevolg van een ongeval moet de schade zo veel mogelijk worden berekend met inachtneming van de omstandigheden van het geval.32 In deze derde fase kan de schadevergoedingsplicht worden verminderd om rekening te houden met het bestaan van een persoonlijke predispositie van het slachtoffer. Aldus reeds de Hoge Raad in het arrest ‘Renteneurose’:33

 

 

 

“3.3 (…) Dit alles laat overigens onverlet dat de persoonlijke predispositie van het slachtoffer en de daaruit in het algemeen voortvloeiende risico’s voor het ontstaan van klachten als de onderhavige wel een factor kunnen vormen waarmee rekening valt te houden bij de begroting van de schade.”

 

 

 

 

A-G Hartlief merkt hierover op:34

 

 

 

 

“In de praktijk (…) wordt vervolgens in het kader van art. 6:97 BW en art. 6:105 BW bezien of de predispositie in de situatie ‘zonder ongeval’ invloed zou hebben gehad en zo ja welke (invloed op het aantal arbeidsjaren, het carrièreverloop etc.). In het geval van een predispositie zou immers ook in de hypothetische situatie zonder het ongeval een risico bestaan op het ontstaan van klachten. Wanneer daarmee bij de schadebegroting rekening wordt gehouden leidt een predispositie tot een beperking van de omvang van het verlies van arbeidsvermogen (…). De wijze waarop bij de schadebegroting rekening wordt gehouden met een predispositie kan verschillen: zo komt het voor dat de looptijd van de schade wordt beperkt (het slachtoffer zou ook ‘zonder ongeval’ op enig moment zijn uitgevallen).”

 

 

 

50 Het ‘verdisconteren’ van een psychische predispositie bij de begroting van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen kan overigens tot hetzelfde resultaat leiden als de doorbreking van het csqn-verband:35 vanaf een bepaald moment staat de schade wegens het uitvallen van het slachtoffer niet langer in causaal verband met het ongeval. De situatie zonder ongeval verschilt dan op het punt van de schade niet meer van de situatie met ongeval, waardoor niet langer schadeplichtigheid bestaat.36

 

 

51 Dat zien we ook in deze zaak. De aansprakelijkheid van Achmea wordt beperkt op grond van de aanname dat zich ook zonder het ongeval bij [eiser] schizofrenie zou hebben geopenbaard. Hij was ook dan niet in staat geweest loonvormende arbeid te verrichten. Het zich openbaren van deze psychische predispositie zou de causaliteit tussen ongeval en schade hebben doorbroken en daarom zou aan het csqn-verband niet langer zijn voldaan. Op dat moment klapt de (in beginsel) volledige aansprakelijkheid om in geen aansprakelijkheid. In rov. 4.14 overweegt de rechtbank: “Omdat deze arbeidsongeschiktheid dan niet in causaal verband zou staan met het ongeval, zou Achmea uit dien hoofde vanaf dat moment evenmin (nog langer) schadeplichtig zijn.” De vraag is vervolgens hoe ‘dat moment’ moet worden bepaald.

 

 

52 In rov. 4.12 stelt de rechtbank aan de orde tot welk moment de (psychische) schade van [eiser] in redelijkheid dient te worden toegerekend aan het ongeval. Het antwoord volgt in rov. 4.13. Mede op basis van de bevindingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] is de rechtbank “van oordeel dat de uit de schizofrenie voortvloeiende beperkingen in redelijkheid uiterlijk vanaf medio 2001 niet langer aan het ongeval mogen worden toegerekend.” De gebruikte woordkeus suggereert dat de rechtbank art. 6:98 BW heeft toegepast. Het gaat hier – in de kennelijke gedachtegang van de rechtbank – om de toerekening van de schade aan het ongeval in de werkelijke situatie (met ongeval) en niet om de invloed van de psychische predispositie van [eiser] in de hypothetische situatie (zonder ongeval).

 

 

53 De overwegingen van het hof begrijp ik als volgt. Ten aanzien van de feitelijke situatie, waarin de schizofrenie zich bij [eiser] kort na het ongeval heeft geopenbaard, is het hof – in lijn met het arrest Renteneurose – uitgegaan van een ruime toerekening in de zin van art. 6:98 BW. Dat volgt uit rov. 7.7.4 (slot), waar het hof de ernstige psychische decompensatie van [eiser] zonder meer toerekent aan het ongeval.37 Voor de duidelijkheid: het ongeval was niet de oorzaak van de schizofrenie als zodanig, maar wel de luxerende factor en daarom in die eerste jaren causaal aan het verlies aan arbeidsvermogen. Volgens het rapport [betrokkene 2] was het medio 2001 niet langer aannemelijk dat het ongeval nog kon worden aangemerkt als oorzaak van het op dat moment bestaande toestandsbeeld. De effecten van het ongeval waren, vanuit psychiatrische optiek, uitgewerkt. De rechtbank en het hof hebben deze vaststelling juridisch vertaald in het wegvallen van het csqn-verband tussen de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen en het verkeersongeval.

 

 

54 In de hypothetische situatie hebben de rechtbank en het hof schizofrenie aangemerkt als dé oorzaak van de arbeidsbeperkingen bij [eiser]. Het daaruit voortvloeiende verlies aan arbeidsvermogen zou zich ook zonder het ongeval hebben voorgedaan. Het csqn-verband ontbreekt zodat aan toerekening naar redelijkheid niet wordt toegekomen.

 

 

55 Deze zaak in zoverre bijzonder dat de deskundigen twee medische momenten hebben genoemd die elk voor zich een einde maken aan het juridische csqn-verband: enerzijds medio 2001, het eindpunt in de werkelijke situatie (vanaf dat moment was het csqn-verband tussen het ongeval en de psychische toestandsbeeld niet langer aanwezig); anderzijds 15 september 2001, het beginpunt in de hypothetische situatie (op dat moment zou het verlies aan arbeidsvermogen zijn veroorzaakt door de schizofrenie en zou het csqn-verband tussen schade en ongeval zijn doorbroken). De rechtbank en het hof (zie rov. 7.7.6, slot) laten beide momenten feitelijk samenvallen.

 

 

 

Bij wijze van gedachtenexperiment noem ik (abstraherend van deze zaak) twee voorbeelden waarin de beide momenten uiteenlopen:

 

 

 

 

  1. Eindpunt in de werkelijke situatie is 1 januari 2001; het beginpunt in de hypothetische situatie is 1 januari 2005. Het csqn-verband is dan verbroken op de vroegste van de twee data, dus 1 januari 2001. Dat het beginpunt in de hypothetische situatie vier jaar later ligt, doet niet meer ter zake.

 

 

 

 

  1. Eindpunt in de werkelijke situatie is 1 januari 2005; het beginpunt in de hypothetische situatie was 1 januari 2003. Ook dan is het csqn-verband verbroken op de vroegste van de twee data, dus 1 januari 2003. Vanaf dat moment bestaat er voor de psychische klachten een andere oorzaak.

 

 

 

56 In veel andere letselzaken ontbreekt een dergelijk eindpunt in de werkelijke situatie omdat de uit klachten voortvloeiende schade doorloopt (wat overigens ook door [eiser] in deze zaak wordt betoogd). Om de vergelijking tussen de situatie met en de situatie zonder ongeval te maken komt het er dan volledig op aan wanneer redelijkerwijs kan worden verwacht dat zich in de hypothetische situatie verschijnselen zouden openbaren die ertoe zouden leiden dat het slachtoffer geen loonvormende arbeid (meer) kan verrichten. De datum van 15 september 2001 is aangehouden op grond van de verwachting dat in de hypothetische situatie de schade vanaf die datum zou zijn opgetreden. Bij het maken van die keuze heeft – terecht – meegewogen het medisch oordeel van [betrokkene 2] dat de medio 2001 nog bestaande psychische klachten niet meer konden worden toegerekend aan het ongeval.

 

 

57 Ik keer nu terug naar de rechtsklacht.

 

 

58 De klacht dat het hof heeft miskend dat schade als de onderhavige ruim moet worden toegerekend (zie hiervoor, punt 45 onder (a)) mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de beperking van de schadevergoedingsplicht niet op art. 6:98 BW gebaseerd, maar geplaatst in het kader van de begroting van de schade die het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het verkeersongeval (in de zin van het csqn-verband).

 

 

59 Waar de rechtsklacht zich richt tegen het oordeel van het hof omtrent de eisen die aan het bewijs van toekomstige arbeidsinkomsten mogen worden gesteld (zie hiervoor, punt 45 onder (b)), miskent de klacht dat de vraag naar het bewijs van gemiste (toekomstige) arbeidsinkomsten geen rol heeft gespeeld in de oordeelsvorming van het hof. Het ging immers om de – door grief I van [eiser] opgeworpen – vraag of de rechtbank de verplichting van Achmea tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit (het complex van) psychische klachten van [eiser] terecht had beperkt tot 15 september 2001. De bevestigende beantwoording van die vraag door het hof eindigde met de verwerping van (dat aspect van) grief I, met als gevolg dat de vervolgvraag naar het bewijs van gemiste inkomsten niet aan de orde kwam.

 

 

60 De rechtsklacht stuit op dit alles af.

 

 

61 De motiveringsklacht houdt in dat het onbegrijpelijk is dat het hof, in navolging van de rechtbank, tot het oordeel is gekomen dat [eiser] zonder het ongeval per 15 september 2001 voor het eerst zou zijn getroffen door een schizofrene psychose, waardoor hij alsnog arbeidsongeschikt zou zijn geraakt. Onder verwijzing naar het arrest M./[A] (zie hierboven, punt 41), voert de klacht aan dat: (i) dit ruim voor het 40e jaar van [eiser] is en zonder nadere (ontbrekende) toelichting niet valt in te zien waarom dat dan bij 35 jaar zou moeten zijn; en (ii) dat het hof er daarbij aan voorbij gaat dat de verwachting van [betrokkene 4] slechts gebaseerd is op de door hem veronderstelde mogelijkheid dat de psychiatrische ziekte zonder ongeval op een ander tijdstip zou zijn ontstaan. Dit is met andere woorden niet gebaseerd op een zekere (of een aan zekerheid grenzende waarschijnlijke) toekomstige gebeurtenis, aldus de klacht.

 

 

62 Aan [eiser] kan worden toegegeven dat uit de overwegingen van het hof niet duidelijk naar voren komt waarom het hof het “redelijk” acht om aan te nemen dat, in de situatie waarbij het ongeval wordt weggedacht, [eiser] nu juist op zijn 35e voor het eerst door een schizofrene psychose zou zijn getroffen, mede gelet op het feit dat [betrokkene 4] spreekt van “voor zijn 40e jaar”. Gelet op de marge tot 40 jaar die [betrokkene 4] noemt, zou men intuïtief eerder denken aan een afkapmoment ergens in de hogere helft van de bandbreedte.

 

 

63 Toch acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

 

 

64 Uitgaan van 35 jaar als leeftijd waarop de schizofrenie zich zou hebben geopenbaard mag dan willekeurig lijken, als was gekozen voor bijvoorbeeld 37 of 39 jaar zou dat (voor [eiser] gunstiger zijn, maar) zeker niet minder willekeurig zijn geweest, omdat dat – meer dan een keuze in het midden – een soort van exactheid zou kunnen suggereren waarvan [betrokkene 4] nu juist zegt dat die niet te geven is.38 Het middel overvraagt bovendien waar het aanvoert dat keuze voor 35 jaar onbegrijpelijk is omdat [betrokkene 4] zich slechts baseert op een mogelijkheid en niet op een zekere (of een aan zekerheid grenzende waarschijnlijke) toekomstige gebeurtenis. Over gebeurtenissen in de toekomst bestaat nu juist geen zekerheid.

 

 

65 De feitenrechter moet een knoop doorhakken. Kiest hij er in omstandigheden als hier aan de orde voor te gaan zitten aan de voor het slachtoffer gunstige kant van de bandbreedte (hier zou dat zijn: 31 december 2005, de dag vóór de 40ste verjaardag van [eiser]), dan lijkt dat wellicht minder willekeurig, maar de rechter is daar rechtens niet toe gehouden. Ik citeer Lindenbergh:39

 

 

 

“De gedachte dat de benadeelde, omdat de aansprakelijke hem in deze positie heeft gebracht, telkens het voordeel van de twijfel verdient, gaat evenwel in zijn algemeenheid te ver.40”

 

 

 

 

Ik ben het daarmee eens. Zou de voor het slachtoffer meest gunstige uitkomst het uitgangspunt vormen, dan zou de rechter iedere keer als hij goede gronden heeft om daarvan af te wijken, zijn oordeel omstandig moeten motiveren. Ik zie daarvoor in de rechtspraak geen aanknopingspunten en ik acht dit ook niet wenselijk.

 

 

 

66 Het hof is met 15 september 2001 ([eiser] was toen 35 jaar en achtenhalve maand oud), in het midden gaan zitten. Dat oordeel acht ik niet onredelijk en of onbegrijpelijk. In punt 42 wees ik er al op dat deze zaak verschilt van M./[A] omdat in die zaak de leeftijd van 55 jaar als afkappunt nogal uit de lucht kwam vallen, terwijl hier de datum van 15 september 2001 binnen de bevindingen van een van de medisch deskundigen ([betrokkene 4]) past. Ook [betrokkene 5] heeft, bij zijn onderzoek in 2014, die datum niet in twijfel getrokken.

 

 

67 Niet onbelangrijk is ten slotte dat hier de gebeurtenis die in de hypothetische situatie het causaal verband zou doorbreken – het zich openbaren van (paranoïde) schizofrenie -, zich in de werkelijke situatie al heeft voorgedaan. Daardoor is die gebeurtenis een stuk concreter en waarschijnlijker dan wanneer een pure toekomstverwachting moet worden uitgesproken. Het gaat, anders dan in M. /[A], hier dan ook niet om een onbepaald life event (in de trant van: in ieders leven gebeurt er eens in de zoveel tijd wel iets heftigs dat van invloed kan zijn op iemands arbeidsvermogen, zeker bij een persoon van wie is gebleken dat hij sterke psychische reacties kan vertonen). Het gegeven dat zich, aldus [betrokkene 2], kort na het ongeval psychotische klachten en verschijnselen hebben ontwikkeld, waarvoor de diagnose schizofrenie is gesteld, biedt nadere steun aan de door rechtbank en hof gemaakte keuze om voor de hypothetische situatie uit te gaan van 15 september 2001.

 

 

68 Ik kom tot de slotsom dat de motiveringsklacht van onderdeel I faalt.

 

 

 

Onderdeel II: lichamelijke klachten

 

 

 

69 Het hof overweegt in het tussenarrest van 21 juli 2015 dat een deskundigenbericht nodig was om te kunnen beoordelen of ook na 15 september 2001 sprake is geweest van de door [eiser] gestelde pijnklachten in nek en schouders en de hoofdpijnklachten. In zijn na het deskundigenbericht gewezen eindarrest laat het hof de vraag of in de relevante periode sprake was van – samengevat – whiplashachtige klachten, in het midden (rov. 13.5.5, laatste zin, in samenhang met rov. 13.4). Het hof oordeelt dat het causaal verband tussen de (verondersteld aanwezige) klachten en het ongeval ontbreekt, omdat niet kan worden uitgesloten dat alternatieve oorzaken voor deze fysieke klachten aanwezig zijn.

 

 

70 Onderdeel II komt tegen dit oordeel op met een motiveringsklacht, waarin tevens een rechtsklacht verborgen lijkt te liggen. In de schriftelijke toelichting namens [eiser] is onderdeel II overigens niet toegelicht.

 

 

71 Om de klacht in perspectief te plaatsen wijs ik erop dat, indien onderdeel I faalt en het tussenarrest van 21 juli 2015 daarom in stand blijft, daarmee definitief komt vast te staan dat vanaf 15 september 2001 het verlies aan arbeidsvermogen van [eiser] is toe te rekenen aan schizofrenie. Ook als zou kunnen worden vastgesteld dat hij na die datum ongevalsgerelateerde whiplashklachten of andere somatische klachten zou hebben, zouden die klachten derhalve niet tot extra arbeidsvermogensschade kunnen leiden, naast de schade die al door de schizofrenie zou worden veroorzaakt.

 

 

72 De rechtsklacht in dit onderdeel richt zich tegen het (impliciete) oordeel van het hof in rov. 13.5 dat op [eiser] de stelplicht en bewijslast rusten van de afwezigheid van alternatieve oorzaken voor de klachten. Volgens het onderdeel rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van alternatieve oorzaken op Achmea.

 

 

73 De rechtsklacht faalt. In lijn met de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan de benadeelde om het bewijs te leveren van het causaal verband tussen de medische klachten en het ongeval. Het hof hanteert in rov. 13.5 het voor [eiser] gunstige uitgangspunt dat het csqn-verband in beginsel moet worden aangenomen, ook bij afwezigheid van een medisch aantoonbare verklaring voor de klachten. Dat is in lijn met de rechtspraak sinds het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef I uit 2001.41 In een recente bijdrage over civiele whiplashzaken schrijft Kolder:42

 

 

 

“Het bewijs van het csqn-verband is in beginsel geleverd, indien het slachtoffer vóór het ongeval de betreffende gezondheidsklachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.” (onderstreping toegevoegd)

 

 

 

 

Het hof is mijns inziens op die manier te werk gegaan. Het bestreden oordeel getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting.

 

 

 

74 De vraag is óf het oordeel van het hof dat in dit geval het bestaan van (drie) alternatieve verklaringen voor genoemde lichamelijke klachten niet kan worden uitgesloten (zie rov. 13.5.5) begrijpelijk is. Daarover gaat de motiveringsklacht.

 

 

75 Volgens deze klacht zijn de drie alternatieve oorzaken noch op zichzelf beschouwd noch in onderlinge samenhang, voldoende redengevend om het causaal verband tussen de bedoelde klachten van [eiser] en het ongeval uit 1996 vanaf 15 september 2001 afwezig te achten. De oordelen van het hof zijn volgens het onderdeel onbegrijpelijk in het licht van het deskundigenbericht van Verhagen. Deze heeft, volgens het middel, geconcludeerd dat (i) [eiser] vóór het ongeval niet de klachten of afwijkingen had die hij thans nog heeft, (ii) dat de toestand onveranderd is en geen verbetering of verslechtering is te verwachten, en (iii) er geen reden is om aan te nemen dat [eiser] dezelfde klachten zou hebben ontwikkeld wanneer hem het ongeval niet was overkomen.

 

 

76 Ik stel voorop dat de deskundige geen benijdenswaardige opgave had. Hij moest een oordeel moest geven over het bestaan en de betekenis van neurologische klachten over een achterliggende periode van 15 jaar (2001 – 2016). De hem beschikbaar gestelde documenten over neurologische klachten dateren bovendien overwegend van vóór 2000. Dat kan verklaren waarom het deskundigenbericht naar verhouding erg weinig informatie over de periode na het jaar 2000. Los van dit ‘gat’ in de informatie, betreft het een subjectief klachtenpatroon dat, zoals Achmea heeft aangevoerd, niet een heel consistent beeld vormt.43 Een andere beperking waarmee de deskundige zich als neuroloog zag geconfronteerd, was dat op grond van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie uit 2007 neurologen conform de principes van evidence-based medicine alleen nog pijnsyndromen qua functieverlies en beperkingen kunnen kwantificeren als afwijk kunnen leiden ingen kunnen worden geconstateerd. Is dat niet mogelijk dan ontbreekt ook het ‘neurologisch substraat’.44Het feit dat een neuroloog geen evidence based verklaring heeft kunnen geven hoeft evenwel niet in de weg te staan aan het in rechte aannemen van een causaal verband in juridische zin.

 

 

77 Het deskundigenbericht geeft een illustratie van het voorgaande. Afwijkingen zijn niet geconstateerd en een neurologisch substraat ontbreekt. Verhagen geeft de klachten van [eiser] weer en probeert een medische kwalificatie daarmee in verband te brengen. Hij stelt vast dat er thans nog bepaalde klachten zijn die er vóór het auto-ongeval niet waren, dat die klachten van tendomyogene aard zijn en dat “gedacht kan worden” aan “whiplash associated disorder graad 2”. Of de weergegeven klachten ongeval-gerelateerd zijn blijft gissen.

 

 

78 Ik zou menen dat het feit dat het slachtoffer vóór het ongeval geen vergelijkbare klachten had, niet een voldoende indicatie vormt om aan te nemen dat, vele jaren later, de door hem genoemde klachten door het ongeval zijn veroorzaakt, net zo min als de constatering dat de toestand van betrokkene stabiel is een dergelijke aanwijzing vormt. Daar staat tegenover dat ook de drie ‘alternatieve oorzaken’ (tijdsverloop sinds het ongeluk, samenhang met psychiatrische klachten, en stressvolle gebeurtenissen in 2012) die in het deskundigenbericht worden genoemd, daarin nauwelijks worden uitgewerkt.45 Ook is waar, zoals de klacht aanvoert, dat het hof niet duidelijk maakt of genoemde alternatieve oorzaken elk voor zich of in onderlinge samenhang zodanige twijfel zaaien over het causaal verband dat het bestaan daarvan niet aannemelijk is. Daargelaten of het hof dat moest preciseren, speelde de algehele vaagheid van de conclusies van het deskundigenbericht het hof mogelijk parten.

 

 

79 Alles afwegende acht ik het oordeel van het hof (in rov. 13.5.5) dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van het causaal verband tussen het ongeval en genoemde klachten niet onbegrijpelijk. De beoordeling van een deskundigenbericht is een kwestie van een door de feitenrechter te verrichten bewijswaardering. De feitenrechter moet daarbij een ruime beoordelingsmarge hebben (zie ook hiervoor, punt 38). Het deskundigenbericht biedt steun voor de door het hof bereikte conclusie, omdat de drie alternatieve verklaringen daarin worden genoemd. Die zijn dus niet door het hof ‘verzonnen’. Het deskundigenbericht bevat anderzijds geen informatie die zou meebrengen dat aan één of meer van de drie alternatieve verklaringen geen betekenis zou mogen worden toegekend voor de beoordeling van het causaal verband tussen de in 2016 onderzochte fysieke klachten en het ongeval. Het bestaan van de drie alternatieve gronden komt voldoende plausibel voor om tot het oordeel te kunnen komen dat [eiser] er niet in is geslaagd met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het csqn-verband aannemelijk te maken.

 

 

80 Ik merk in dit verband nog op dat genoemd oordeel van het hof specifiek is gebaseerd op de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak. Ik acht het (mede) daarom niet aannemelijk dat het in stand laten van het eindarrest zal kunnen worden opgevat als een signaal dat aan het bewijs van het csqn-verband tussen ongeval en whiplasklachten in zijn algemeenheid hogere eisen moeten worden gesteld dan thans in de lagere rechtspraak doorgaans wordt aangenomen.

 

 

 

Onderdeel III: voortbouwklacht

 

 

 

81 Nu ik meen dat onderdelen I en II falen, deelt onderdeel III in dat lot.

 

 

 

5 Conclusie

 

 

 

 

82 De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

 

 

 

 

De Procureur-Generaal bij de

 

Hoge Raad der Nederlanden

 

 

 

 

A-G

 

 

 

1

Zie het bestreden arrest van 21 juli 2015, rov. 7.1.

 

 

2

De toedracht van het ongeval wordt in de diverse gedingstukken niet geheel gelijkluidend weergegeven. Vaststaat echter dat een andere automobilist geen voorrang heeft gegeven, [eiser] is uitgeweken en zijn auto twee keer een (betonnen) object heeft geraakt alvorens tot stilstand te komen. Daarbij heeft [eiser] twee keer zijn hoofd gestoten.

 

 

3

Zie prod.15 Achmea.

 

 

4

Prod. 2 [eiser], p. 14.

 

 

5

Een ‘luxerende factor’ is een gebeurtenis die een psychiatrische stoornis ontlokt; de stoornis is latent aanwezig maar komt door die gebeurtenis vervroegd tot ontwikkeling. Zie ook schriftelijke toelichting Achmea, noot 2.

 

 

6

Prod. 14 Achmea.

 

 

7

Zie brief van 6 januari 2004 van Achmea (toen nog Interpolis) aan de advocaat van [eiser] (prod. 10 Achmea).

 

 

8

Prod. 3 [eiser].

 

 

9

Zie o.a. de brief van 10 augustus 2007 van GGzE aan de verzekeringsarts (prod. 8 [eiser], ook aangehaald in rov. 4.15 van de het eindvonnis van de rechtbank): “Cliënt is inmiddels 7 jaar stabiel. Onder begeleiding is de medicatie afgebouwd en inmiddels gestopt.(…) We zijn voornemens om eind 2007 de casus af te sluiten.”

 

 

10

Zie Medisch onderzoeksverslag van het UWV van 29 maart 2007 (prod. 9 [eiser]): “behoudens de nekklachten is belanghebbende steeds goed gezond geweest”.

 

 

11

Zie o.a. brief van Achmea (toen nog Interpolis) van 4 oktober 2009 aan de advocaat van [eiser] en diens e-mail 6 december 2011 (prod. 12 en 13 Achmea).

 

 

12

Zie het tussenarrest van 21 juli 2015, rov. 7.2.1-7.3.3.

 

 

13

Het gaat om: € 312.143,36 inzake verschenen en toekomstig verlies arbeidsvermogen; € 73.700,25 wegens verlies pensioenopbouw; € 10.000,00 inzake verplaatste schade; € 4.991,58 inzake medische kosten, diverse kosten en reiskosten; € 69.085,27 wegens wettelijke rente over genoemde posten tot 16 juli 2012; € 16.235,82 wegens buitengerechtelijke kosten. Dit alles te verminderen met het door Achmea reeds betaalde bedrag van € 9.529,38 en te vermeerderen met wettelijke rente. [eiser] heeft voorts een door de rechtbank te begroten bedrag aan immateriële schadevergoeding gevorderd.

 

 

14

Dat bedrag komt naast de ontvangen WAO-uitkering.

 

 

15

Advies van 5 september 2014 (prod. 4 [eiser] hoger beroep), waarin wordt verwezen naar een eerder advies van deze zelfde specialist uit 2007. Anders dan de conclusies van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] zijn de bevindingen van [betrokkene 5] gebaseerd op bestudering van het uitvoerige dossier en consultatie van de medisch adviseur ([betrokkene 6]) en de advocaat van [eiser], maar niet op een eigen (psychiatrisch) onderzoek van [eiser]; zie advies [betrokkene 5], p. 3 en rov. 7.7.2 van het tussenarrest van 21 juli 2015.

 

 

16

Zie rov. 7.7., laatste alinea (“… juiste en deugdelijke gronden [van de rechtbank], die het hof overneemt en tot de zijne maakt …”).

 

 

17

HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115. Zie conclusie van A-G Hartlief, 4.1 – 4.13.

 

 

18

  1. Hartlief, ‘Prognoses in het personenschaderecht’, AV&S 2005/27, onder 5: ‘Wat is de rol van de arts?’

 

 

19

Zie o.a. HR 9 december 2011, ECLI:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599 (Flevoziekenhuis).

 

 

20

Zie rov. 3.3.3 en 3.3.4 van het arrest G./Goudse.

 

 

21

HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015, 3397, NJ 2016/138, m. nt. S.D. Lindenbergh.

 

 

22

Aldus A-G Hartlief in zijn conclusie (4.12), en de noot van Lindenbergh in NJ 2016/138, onder 6.

 

 

23

Andere (overwegend instemmende) commentaren bij dit arrest zijn: J.F. Schultz, ‘HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397; Predispositie en toekomstige schade’, AV&S 2016/11; A.I. Schreuder, JA 2016/14; en D.C.A. den Dungen, ‘De rechter als waarzegger: de invloed van de predispositie op de begroting van toekomstige schade’ Bb 2016/33.

 

 

24

HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2786.

 

 

25

Rov. 3.4.2.

 

 

26

Chr. Van Dijk en J. Overes, ‘Predispositie en de omvang van de vergoeding van letselschade. Naar een onzekerheidscorrectie bij onzekerheid over predispositie?’, Tijdschrift letselschade in de praktijk 2016/138, onder 2.

 

 

27

Aldus ook Lindenbergh in zijn noot in NJ 2016/138, onder 4.

 

 

28

Zie cassatiemiddel, p. 3, eerste alinea: (“Voorts heeft alsdan te gelden …”).

 

 

29

Zie hierover ook de noot van A.I. Schreuder bij HR 27 november 2015 (M./[A]), JA 2016/14.

 

 

30

R.L.M.M. Tan, ‘Over het mogelijke en het waarschijnlijke, salomonsoordelen in het aansprakelijkheidsrecht’ AV&S 2008/4 licht dit helder toe.

 

 

31

HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961, NJ 1986/137, m. nt. C.J.H. Brunner (Renteneurose). Zie ook T. Hartlief, ‘Prognoses in het personenschaderecht’, AV&S 2005/27, onder 6.

 

 

32

Zie HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387, m. nt. Vranken (Rijnstate), rov. 3.3.

 

 

33

HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961, NJ 1986/137, m. nt. C.J.H. Brunner.

 

 

34

Conclusie voor HR 17 februari 2017 (G/Goudse), onder 4.9 en 4.10, onder verwijzing naar onder meer het arrest Renteneurose en Asser-Hartkamp/Sieburgh, Deel 6-II, nr. 151 (zie voetnoot 34).

 

 

35

A-G Hartlief wijst daar ook op in zijn conclusie in G./Goudriaan. Hij verwijst naar HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920, NJ 1989/751, m.nt. C.J.H. Brunner (ABP/Van Stuyvenberg).

 

 

36

A.J. Akkermans, ‘Causaliteit bij letselschade en medische expertise’, TVP 2003/4, p. 100 wijst erop dat de uitkomst kan verschillen naar gelang een predispositie zelfstandig voor de benadeelde tot schade zou hebben geleid, of dat zij in combinatie met de aansprakelijkheid-vestigende gebeurtenis zou leiden tot een hogere schade dan zonder die predispositie het geval zou zijn geweest.

 

 

37

Ook de rechtbank gaat, blijkens rov. 4.3 van het vonnis van 24 juli 2013, uit van een “ruime toerekening”.

 

 

38

Zie hiervoor, punt 16: “op welke termijn dat zou zijn gebeurd is niet exact aan te geven.”

 

 

39

Noot bij HR 27 november 2015, NJ 2016/138, onder 4.

 

 

40

Lindenbergh verwijst daarbij in voetnoot 10 naar HR 14 januari 2000, NJ 2000/437, m. nt. C.J.H. Brunner.

 

 

41

HR 8 juni 2001, NJ 2001/433, zoals bevestigd in HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2138, NJ 2014/128, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Zwolsche Algemeene / De Greef II).

 

 

42

  1. Kolder, ‘Civiele whiplashzaken’, NJB 2015/813, onder 5.

 

 

43

Memorie na deskundigenbericht, punt 8, onder verwijzing naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0801.

 

 

44

Zie, met verwijzingen, het artikel van A. Kolder, Civiele whiplashzaken’, NJB 2015/813, onder 2.

 

 

45

Deskundigenbericht van 22 maart 2016, p. 16.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots