Hof: whiplash, lage botsingssnelheid, comparitie na kanttekeningen van hof bij neurologisch deskundigenbericht

Samenvatting:

Door rechtbank is geoordeeld dat, gelet op het oordeel van de deskundige, niet aannemelijk is dat benadeelde (appellant) meer schade heeft geleden dan verzekeraar heeft vergoed (ruim € 27.000,-); de neuroloog concludeerde dat de klachten ook zonder ongeval zouden zijn opgetreden. Het hof heeft verschillende vragen n.a.v. het deskundigenbericht en gelast een comparitie. Het hof noemt de volgende punten: 1. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat de neuroloog niet deskundig is; 2. Het hof heeft twijfels bij de feitelijke juistheid van het uitgangspunt van de deskundige dat het snelheidsverlies minder dan 35 km/uur bedroeg. 3. Het is het hof niet duidelijk hoe het oordeel van de deskundige dat bij een laag energetisch trauma klachten binnen enkele weken verdwenen zouden moeten zijn zich verhoudt tot in eerdere rechtspraak aangehaald onderzoek, waaruit volgt dat ook bij een geringe botsimpact langdurige nekklachten kunnen ontstaan. 4. Het oordeel van de deskundige dat sprake is van een alternatieve oorzaak, te weten overbelasting, roept vragen op bij het hof. 5. Het hof sluit niet uit dat het reden zal zien een of meer andere deskundigen te benoemen.

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2021:1516&showbutton=true

 

ECLI:NL:GHARL:2021:1516

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

16-02-2021

Datum publicatie

18-02-2021

Zaaknummer

200.272.388/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

 

Letselschadezaak. Causaal verband. Het hof gelast een comparitie van partijen, onder meer vanwege vragen over het rapport van de door de rechtbank benoemde neuroloog.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.272.388/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/155155)

 

arrest van 16 februari 2021

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. M.R. van der Pol, die kantoor houdt te Leeuwarden,

 

tegen

 

Belfius Insurance,

 

gevestigd te Sint-Joost-ten-Hode, België,

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

 

hierna: Belfius,

 

advocaat: mr. W.A.M. Rupert, die kantoor houdt te Rotterdam.

1 De procedure bij de rechtbank

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

4 oktober 2017, 25 juli 2018 en 30 oktober 2019 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 De procedure bij het hof

2.1

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– de dagvaarding in hoger beroep van 16 december 2019,

 

– de memorie van grieven (met producties),

 

– de memorie van antwoord (met productie).

2.2

 

Vervolgens heeft Belfius de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

 

[appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – dat het vonnis van de rechtbank van 30 oktober 2019 wordt vernietigd en dat de vorderingen van Belfius in conventie alsnog worden afgewezen en die van hemzelf in reconventie alsnog worden toegewezen.

2.4

 

Belfius heeft bij memorie van antwoord een productie in het geding gebracht. [appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid op deze productie te reageren.

3 Waar gaat deze zaak over?

3.1

 

[appellant] is, als bestuurder van een bedrijfsauto, op 26 juni 2013 bij een ongeval betrokken geweest, doordat een bij Belfius verzekerde auto tegen zijn auto is aangereden. [appellant] stelt dat hij daarna lichamelijke klachten heeft opgelopen, waardoor hij ernstig beperkt is, onder meer in de uitoefening van zijn werkzaamheden als ZZP-er in de bouw.

3.2

 

Belfius heeft gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (‘voor recht verklaart’) dat de schade die [appellant] door het ongeval heeft geleden niet meer bedraagt dan € 27.382,27 – het bedrag dat hij van Belfius inmiddels heeft ontvangen als schadevergoeding – en dat zij en [appellant] over en weer jegens elkaar algeheel en finaal gekweten zijn indien Belfius haar vordering op [appellant] tot terugbetaling van € 22.382,27 zou kwijtschelden.

heeft verweer gevoerd en tegenvorderingen ingesteld. Die komen erop neer dat de rechtbank ter bepaling van de gevolgen van het ongeval voor [appellant] een deskundigenonderzoek zal bevelen en Belfius veroordeelt tot betaling van een nader voorschot van € 5.000,-.

3.3

 

Omdat [appellant] en Belfius van mening verschilden over de aard en ernst van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, heeft de rechtbank de neuroloog dr. [B] (de deskundige) tot deskundige benoemd. De deskundige oordeelde onder meer dat de door hem vastgestelde klachten van [appellant] er ook zouden zijn geweest in de hypothetische situatie zonder ongeval. De rechtbank heeft de forse kritiek van [appellant] op de deskundige (niet deskundig en niet onpartijdig) en diens rapport verworpen en is de deskundige gevolgd in diens oordeel. Gelet op het oordeel van de deskundige is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat [appellant] meer schade heeft dan hij per saldo al van Belfius heeft ontvangen.

3.4

 

Het hof heeft meer informatie van partijen nodig om op het geschil tussen partijen te kunnen beslissen. Om die reden zal een mondelinge behandeling (‘comparitie van partijen’) werden gehouden.

4

4 Een eerste beoordeling van het geschil

 

Internationale aspecten

4.1 Belfius, de oorspronkelijke eiseres, is gevestigd in België. Het geschil heeft dan ook internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van Brussel I bis. Ingevolge artikel 4 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

Partijen gaan verder terecht uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

Comparitie van partijen

4.2 Het hof heeft meer informatie nodig om op het geschil tussen partijen te kunnen beslissen. Om die reden zal het hof een comparitie van partijen bepalen. Partijen krijgen de gelegenheid hun verhinderdata aan het hof door te geven, waarna een datum voor de comparitie van partijen zal worden vastgesteld. Hierna zal het hof ter voorbereiding op deze comparitie de onderwerpen vermelden die aan de orde zullen komen en in dat verband ook al wat opmerkingen maken over de geschilpunten in deze zaak.

 

Niet onpartijdig of niet deskundig?

4.3 Voordat het hof ingaat op de geschilpunten die aan de orde zullen komen, merkt het hof op dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft dat de deskundige niet onpartijdig of niet deskundig zou zijn. Het enkele feit dat op internet meerdere negatieve reviews over de deskundige te vinden zijn, vormt een onvoldoende onderbouwing van deze, vergaande, stelling.

Dat de deskundige ook wel eenzijdig door verzekeraars wordt ingeschakeld, maakt hem nog niet partijdig. Dat hij in een gerechtelijke procedure vanwege een vertrouwensbreuk is ontheven van zijn taak, betekent evenmin dat hij niet onpartijdig is in het geschil tussen [appellant] en Belfius. De bewering van [appellant] dat de deskundige partijdig is, is dan ook niet objectief gerechtvaardigd.

4.4

 

De deskundige heeft in zijn rapport een ‘disclosure statement’ opgenomen, waarin hij gedetailleerde informatie heeft gegeven over zijn opleiding en werkervaring. Uit deze informatie volgt onder meer dat hij betrokken is geweest bij meer dan 1.500 medische expertises. [appellant] heeft de juistheid van deze informatie niet ter discussie gesteld. Onder deze omstandigheden heeft hij volstrekt onvoldoende onderbouwd dat de deskundige de noodzakelijke deskundigheid mist.

4.5

 

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt niet dat de inhoudelijke kritiek van [appellant] op het rapport van de deskundige ook faalt. Of dat het geval is, is ervan afhankelijk of die kritiek hout snijdt. Mede om dat te kunnen beoordelen, zal het hof een comparitie van partijen gelasten.

 

De impact van het ongeval

4.6

 

De deskundige beschrijft in zijn rapport dat [appellant] hoofdpijnklachten en nekklachten heeft. De hoofdpijnklachten zijn volgens de deskundige geen ongevalsgevolg maar ‘naar alle waarschijnlijkheid een gevolg van overmatig gebruik van cafeïne (koffie, Panadol plus) en milde hypertensie’.

Over de nekklachten schrijft de deskundige in zijn rapport, in antwoord op de vraag of deze klachten ook zouden zijn ontstaan in de hypothetische situatie zonder ongeval en op de vervolgvraag op welke termijn en in welke omvang dan, het volgende:

‘Ik ben van mening dat de huidige klachten er ook zouden zijn geweest in de hypothetische situatie zonder ongeval.

 

In de eerste plaats verwacht ik dat de ongevalsgerelateerde klachten, c.q. nekpijn, binnen enkele weken zouden moeten zijn verdwenen na een laag energetisch cervicaal acceleratie-deceleratie letsel.

 

In de tweede plaats is er een alternatieve oorzaak voor de actuele nekklachten, namelijk overbelasting van de nek-schoudergordel door zware fysieke werkzaamheden. De wisselingen in lokalisatie, aard en wisselende bewegingsbeperkingen van de nek en het al dan niet aanwezig zijn van een functiestoornis van de nek bij onderzoek door de verschillende behandelaars pleit voor de oorzaak overbelasting.

(…)

Ik acht het zeer waarschijnlijk dat betrokkene na een laag energetische aanrijding gedurende een periode van 1-2 weken nekklachten kan hebben ervaren. De nekklachten waarmee betrokkene zich op 06.09.2013 meldde bij de huisarts zijn mijn inziens het gevolg van zware fysieke werkzaamheden op zijn werk in de bouw: ‘tijdens vakantie ging het wel, maar na hervatting werk (bouw) meer last, komt thuis met stijve pijnlijke nek. Schadeclaim loopt nog’. Ik acht de huidige omvang van de klachten niet anders dan in de hypothetische situatie zonder ongeval, al kan ik enige aggravatie niet uitsluiten, omdat dit niet behoort tot mijn vakgebied. Van traumatische afwijkingen in de huidige situatie is geen sprake.’

4.7

 

De deskundige heeft uiteengezet dat hij er, vooral op basis van informatie van de ambulanceverpleegkundige (die wordt aangehaald in het huisartsendossier), vanuit gaat dat bij het ongeval sprake was van een ‘laag energetisch trauma (LET)’ en dat de hem door [appellant] verstrekte informatie dat hij met een snelheid van 70 kilometer per uur is aangereden door de bij Belfius verzekerde auto onjuist moet zijn. Pas bij een snelheidsverschil van meer dan 35 kilometer per uur is, in een situatie waarin gereden wordt zonder gordel (zoals volgens de deskundige het geval was), geen sprake van een LET, maar van een HET (een hoogenergetisch trauma).

4.8

 

Het hof heeft twijfels bij de feitelijke juistheid van het uitgangspunt van de deskundige dat het snelheidsverlies minder dan 35 kilometer per uur bedroeg en dat om die reden uitgegaan moet worden van een LET. De feitelijke grondslag van dat uitgangspunt is mager, ook omdat [appellant] consistent is in zijn mededelingen aan behandelend artsen over een snelheid van 70 kilometer per uur. Bovendien wijzen de door [appellant] overgelegde foto’s van beide betrokken auto’s na het ongeval op forse schade, zeker bij de auto van de verzekerde van Belfius, en blijkt uit de overgelegde stukken dat de herstelkosten van de auto van [appellant] fors waren. Het hof heeft om die reden behoefte aan meer informatie over de ‘impact’ van de aanrijding en de overige omstandigheden van de aanrijding, bijvoorbeeld het complete aanrijdingsformulier (het hof beschikt alleen over een slecht leesbaar en niet volledig gekopieerd voorblad) en het door de politie opgemaakte proces-verbaal. Partijen dienen deze informatie ter voorbereiding op de comparitie in het geding te brengen. Het hof neemt aan dat in elk geval Belfius beschikt over het proces-verbaal. Indien dat (nog niet) het geval is, dient zij het proces-verbaal op te vragen.

4.9

 

Het is het hof vervolgens niet duidelijk hoe het oordeel van de deskundige dat bij een LET ongevalsgerelateerde klachten binnen enkele weken verdwenen zouden moeten zijn zich verhoudt tot in eerdere rechtspraak van onder meer dit hof1 aangehaald onderzoek. Uit dat onderzoek volgt dat ook bij een geringe botsimpact – daar uitgedrukt in delta v – langdurige nekklachten kunnen ontstaan en dat een harde grens, waar beneden geen klachten kunnen ontstaan, niet valt te stellen. Daar komt bij dat dit een van de omstandigheden is die in aanmerking moet worden genomen bij het antwoord op de vraag of sprake is van causaal verband. Het hof wil over dit punt van gedachten wisselen met partijen.

Alternatieve oorzaak voor de klachten van [appellant] ?

4.10 Het oordeel van de deskundige dat sprake is van een alternatieve oorzaak, te weten overbelasting, roept vragen op bij het hof. Uit het rapport van de deskundige volgt niet dat de deskundige heeft vastgesteld dat [appellant] voor het ongeval ook last had van (door overbelasting te verklaren) nekklachten. De deskundige heeft vastgesteld dat in het medisch dossier niet blijkt van nekklachten in de periode voor het ongeval. Uit zijn rapport blijkt niet dat (en hoe) hij heeft vastgesteld dat [appellant] na het ongeval zwaarder werk is gaan doen.

Het hof zal tijdens de comparitie van partijen bij [appellant] informatie inwinnen over de aard, de omvang en de belasting van zijn werkzaamheden voor en na het onderzoek.

 

Nieuwe deskundige(n)

4.11 Het hof sluit, ook gelet op wat hiervoor is opgemerkt over de bevindingen van de deskundige, niet uit dat het reden zal zien een of meer andere deskundigen te benoemen (een psychiater en een revalidatiearts, wellicht ook een neuroloog), om de vraag te beantwoorden welke klachten [appellant] heeft, of deze klachten in verband staan met het ongeval en tot welke beperkingen deze klachten leiden. Partijen dienen zich om die reden ter comparitie ook uit te laten over de namen van de eventueel te benoemen deskundigen, de aan hen te stellen vragen en het voorschot op de kosten van het door hen te verrichten onderzoek. Wat dat laatste betreft, merkt het hof op dat het voor de hand ligt dat Belfius deze kosten voorschiet.

 

De vorderingen van [appellant]

4.12 [appellant] heeft ook in hoger beroep naast een aanvullend voorschot van € 5.000,- alleen de benoeming van een of meer deskundigen (die de IWMD-vragen dienen te beantwoorden) gevorderd. Belfius heeft terecht gewezen op het problematische karakter van de laatstgenoemde vordering als zelfstandige vordering in een bodemprocedure. Door daarnaast alleen een voorschot van € 5.000,- te vorderen, heeft [appellant] het bereik van deze procedure drastisch beperkt, met als gevolg dat indien zijn schade door het ongeval meer dan

– afgerond – € 32.500,- (het door hem ontvangen bedrag, vermeerderd met het gevorderde voorschot) bedraagt, partijen na afloop van deze procedure opnieuw met elkaar in de slag moeten over het meerdere. Het hof zal met partijen overleggen of dat wenselijk is.

 

Overleg over een minnelijke regeling

4.13 Tijdens de comparitie zal ook onderzocht worden of een minnelijke regeling over de omvang van de schade van [appellant] nodig. [appellant] dient een actuele en door bewijsstukken onderbouwde schadestaat (de laatste is van 2014) in het geding te brengen, waarin is aangegeven welke schade hij tot nu toe heeft geleden en ook welk(e) bedrag(en) hij uit zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft ontvangen. Ook dient hij aan te geven (en te onderbouwen) van welke jaarschade hij uitgaat en de jaarstukken vanaf 2011 van zijn onderneming over te leggen. Tot nu toe heeft hij alleen een overzicht van zijn accountant overgelegd, waarin de resultaten over de jaren 2011 tot en met 2017 op een rij worden gezet.

5 De beslissing

 

Het hof:

 

bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en Belfius vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof dat zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als hiervoor vermeld en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

 

 

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden

 

april tot en met augustus 2021 zullen opgeven op de roldatum 2 maart 2021, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien deze opgave van een of meer van partijen ontbreekt) zullen worden vastgesteld;

 

bepaalt dat partijen de stukken als bedoeld in rov. 4.8 en 4.13 in het geding dienen te brengen en dat partijen ervoor dienen te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

 

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of andere dan de genoemde stukken in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek. M. Willemse en J.E. Wichers en is uitgesproken op 16 februari 2021 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

 

1 Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:733 en 21 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5749.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey