Hof: werkneemster dient arbeidsongeval te bewijzen

Samenvatting:

Appellante diende voor haar schoonmaakwerkzaamheden in het trappenhuis onder meer gebruik te maken van een door de werkgever beschikbaar gestelde stofzuiger. Zij stelt met de stofzuiger van de trap te zijn gevallen, waarvoor zij werkgever aansprakelijk stelde. Na plaatsopneming, wees de kantonrechter de vorderingen af. Bij wijze van veronderstelling ging hij ervan uit dat werkneemster van de trap was gevallen. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever had voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 7:658 BW. Gezien het beroep dient het hof alsnog het gemotiveerde verweer van de werkgever te beoordelen tegen de stelling van werkneemster dat zij bij haar werkzaamheden van de trap is gevallen en dat haar aldus een bedrijfsongeval is overkomen. Werkneemster dient te stellen en te bewijzen dat haar een bedrijfsongeval is overkomen. Niet kan worden verlangd dat zij aantoont hoe het ongeval zich heeft voorgedaan en wat de oorzaak ervan is. Het hof laat werkneemster toe te bewijzen dat haar een arbeidsongeval is overkomen.

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-01-2018
Datum publicatie 10-01-2018
Zaaknummer 200.196.555/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken TussenUitspraak
Inhoudsindicatie Werkgeversaansprakelijkheid. Hof gelast getuigenverhoor naar de vraag of sprake is van een bedrijfsongeval.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.555/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4406848 CV EXPL 15-11160)

arrest van 9 januari 2018

in de zaak van

[appellante] ,
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek,

tegen

EG Noord B.V.,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: EG Noord,
advocaat: mr. S. Heijerman, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof neemt het tussenarrest van 27 juni 2017 hier over.

1.2 Ingevolge dit tussenarrest heeft op 28 november 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3 Partijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2 [appellante] is op basis van twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als schoonmaakmedewerkster in dienst geweest bij EG Noord in de periode 31 december 2012 tot en met 31 december 2013. In die functie diende [appellante] onder meer een aantal trappenhuizen van gebouwen schoon te maken, waaronder het centrale trappenhuis van een appartementencomplex aan de [a-straat] te [B] en dat van het naastgelegen wooncomplex.

2.3 Het trappenhuis bestaat uit een tweetal brede, betonnen trappen. De eerste trap heeft zes, de tweede trap zeven treden. Daartussen bevindt zich een betonnen plateau. Na die betonnen trap is vanaf de eerste naar de tweede verdieping een houten wenteltrap aanwezig met 13 treden. Bij de betonnen trappen is aan de muurzijde een aantal trapleuningen aangebracht op een hoogte van ongeveer 85 cm. Bij de houten trap zijn eveneens trapleuningen aangebracht op een hoogte van ongeveer 85 cm.

2.4 [appellante] diende voor haar schoonmaakwerkzaamheden in het trappenhuis onder meer gebruik te maken van een door EG Noord beschikbaar gestelde stofzuiger, die was opgeborgen in de werkkast op de begane grond van het gebouw.

2.5 [appellante] heeft op 25 november 2013 telefonisch contact opgenomen met mevrouw
[C] (hierna: [C] ), projectmanager bij EG Noord en de leidinggevende van [appellante] . In dat telefoongesprek heeft [appellante] aangegeven zich te willen ziekmelden. [C] heeft [appellante] doorverwezen naar het kantoor van EG Noord. [appellante] heeft zich de volgende dag bij EG Noord ziek gemeld.

2.6 De huisarts van [appellante] heeft onder meer het volgende vermeld in het huisartsenjournaal:
“28-11-13
S Vorige week gevallen. Schouder li geblesseerd. is nu thuis van werk. Van de baas naar de huisarts.
O Bewegingsbeperking li schouder. Lijkt mij een traumatische bursitis
E Bursitis schouder
P Injectie cortico
05-12-13
S TC: Nu ook wat last van de nek. Problemen over ziekte werkgever ivm valpartij op werk etc. Heeft tevens last van de rechter knie. Mogelijk ook door de val van de trap.
P R/30 naproxen tabl 500mg (2.1T).”

2.7 In vervolg op een gesprek tussen [appellante] de directeur van EG Noord en een medewerker heeft [appellante] zich hersteld gemeld. EG Noord heeft haar vanaf
6 t/m 31 december 2013 vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2.8 In maart 2014 heeft [appellante] bij EG Noord gesolliciteerd. EG Noord heeft haar toen geen baan aangeboden.

2.9 [appellante] heeft EG Noord in een brief van 3 mei 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden door een val van de trap bij haar werkzaamheden in het trappenhuis.

2.10 EG Noord heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11 De huisarts heeft [appellante] in 2014 doorverwezen naar een neuroloog en een orthopedisch chirurg vanwege klachten aan de knie en handen.

2.12 [appellante] ontvangt sinds september 2016 een WIA-uitkering.
3. De procedure in eerste aanleg

3.1 [appellante] heeft EG Noord gedagvaard voor de kantonrechter te Groningen met de vordering dat voor recht wordt verklaard dat EG Noord aansprakelijk is voor de schade die [appellante] lijdt als gevolg van het haar op 22 november 2013 overkomen arbeidsongeval, een en ander met veroordeling van EG Noord in de proceskosten.

3.2 EG Noord heeft verweer gevoerd. Nadat de kantonrechter in het tussenvonnis van
13 oktober 2015 een comparitie van partijen had gelast en deze comparitie op
21 januari 2016 was gehouden, heeft hij in het tussenvonnis van 2 februari 2016 bepaald dat hij de door [appellante] gebruikte stofzuiger en het trappenhuis wilde bezichtigen. Daarop heeft op 30 maart 2016 een plaatsopneming plaatsgevonden, waarna de kantonrechter in het eindvonnis van 26 april 2016 de vorderingen van [appellante] heeft afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4 De bespreking van de grieven

4.1 De kantonrechter heeft niet beslist op het verweer van EG Noord, dat [appellante] op
22 november 2013 geen arbeidsongeval is overkomen. Hij is er bij wijze van veronderstelling vanuit gegaan dat [appellante] , zoals zij heeft gesteld, op 22 november 2013 bij haar werkzaamheden in het trappenhuis van de trap is gevallen. Volgens de kantonrechter heeft EG Noord genoegzaam aangetoond dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen op grond van artikel 7:658 BW, waar het gaat om de inrichting van de werkplek, de aan [appellante] verstrekte instructies en de aan haar verstrekte middelen om haar schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren.

4.2 Met haar grieven komt [appellante] op tegen dit oordeel en (onderdelen van) de onderbouwing daarvan. Indien de grieven zouden slagen, dient het hof alsnog het verweer van EG Noord te bespreken tegen de stelling van [appellante] dat zij op 22 november 2013 bij haar werkzaamheden in het trappenhuis van de trap is gevallen en dat haar aldus een bedrijfsongeval is overkomen. Het hof ziet reden om dit verweer eerst te bespreken.

4.3 [appellante] dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat haar een bedrijfsongeval is overkomen. Deze stelplicht en bewijslast gaan niet zo ver dat van [appellante] kan worden verlangd dat zij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft voorgedaan en wat de oorzaak ervan is (HR 10-12-1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 en HR 04-05-2001, ECLI:NL:HR:2001, AB1430).

4.4 Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] aan de op haar rustende stelplicht voldaan, door aan te geven dat zij op 22 november 2013 van de trap in het trappenhuis is gevallen, terwijl zij bezig was om de stofzuiger naar boven te tillen. Dat [appellante] in de loop van de procedure over de precieze toedracht uiteenlopende versies naar voren heeft gebracht, doet daaraan niet af. Zoals hiervoor is overwogen, kan van [appellante] niet worden verlangd dat zij aantoont hoe het ongeval zich heeft voorgedaan en wat de oorzaak ervan is. Voldoende is dat zij stelt, en zo nodig bewijst, dat haar bij haar werkzaamheden een ongeval is overkomen. Op dit punt zijn de stellingen van [appellante] coherent – ze komen er, bij wisselingen in details – steeds op neer dat zij van de trap is gevallen terwijl zij de haar beschikbaar gestelde stofzuiger naar boven droeg.

4.5 EG Noord heeft de stellingen van [appellante] gemotiveerd bestreden, zodat het hof [appellante] – overeenkomstig het door haar al in eerste aanleg gedane bewijsaanbod – zal toelaten tot het leveren van getuigenbewijs.

5 De beslissing

Het gerechtshof, alvorens nader te beslissen:
laat [appellante] toe te bewijzen dat haar op 22 november 2013 een arbeidsongeval is overkomen;

bepaalt dat, indien [appellante] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 6 februari 2018 in het geding dient brengen,

bepaalt dat, indien [appellante] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellante] in persoon / EG Noord vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hun naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellante] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum
23 januari 2018, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellante] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffer in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 januari 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots