Hof: werkgeversaansprakelijkheid, vordering verklaring voor recht en verwijzing naar schadestaat toegewezen

Samenvatting:

Werknemer vraag om een verklaring voor recht en een verwijzing naar de schadestaat. De werkgever heeft zich verzet tegen schadebegroting in hoger beroep, en heeft gesteld dat werknemer de omvang van zijn schade niet voldoende heeft onderbouwd en dat het medisch dossier bovendien niet compleet is. De werknemer heeft niet voldaan aan zijn stelplicht. Daarom dienen zijn vorderingen te worden afgewezen.
Volgens het hof bestaat er geen grond de vordering van de werknemer af te wijzen. De werknemer heeft uitsluitend een verklaring voor recht gevorderd met verwijzing naar de schadestaat, welke vordering als zodanig toewijsbaar is op de gronden als vermeld in het arrest van 21 november 2017. De mogelijkheid dat de werknemer schade heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval is voldoende aannemelijk, gelet op de ernst van het daardoor ontstane letsel. De vordering van de werknemer wordt toegewezen. Overigens hebben partijen tot op heden geen stappen ondernomen om de schade zoveel mogelijk in onderling overleg te regelen, waartoe het hof hen bij voornoemd arrest had opgeroepen. Het hof roept hen daartoe opnieuw op en overweegt dat het (ook) op de weg van geïntimeerde – als goed werkgever – ligt om zoveel mogelijk mee werken aan een voortvarende en efficiënte afwikkeling van de onderhavige personenschade (waarvoor zij aansprakelijk is).

Arrest

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer 200.211.224/01

Arrest van 16 oktober 2018

In de zaak van

[APPELLANT]

advocaat: mr. J.L.A. de Waard te Utrecht,

 

tegen

[GEÏNTIMEERDE]

advocaat: mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

 Het verdere verloop van het geding

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst het hof naar zijn tussenarresten van 19 september 2017 en 21 november 2017,

Bij het arrest van 21 november 2017 zijn partijen in de gelegenheid gesteld tot het nemen van aktes over en weer, als in het dictum van dat arrest vermeld.

Appellant heeft vervolgens een akte over schade(begroting), met producties, ingediend en geïntimeerde een antwoordakte.

Daarna is wederom arrest bepaald.

Het hof doet recht op basis van het griffiedossier.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Bij zijn voornoemde arrest van 21 november 2017 is het hof tot de slotsom gekomen dat geïntimeerde op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het onderhavige bedrijfsongeval. Het hof blijft bij dit oordeel. Verder is appellant bij dat arrest in de gelegenheid gesteld een akte in te dienen (met bewijsstukken) met het oog op de begroting van de verschenen schade – aan de hand van bewijsstukken – op de voet van art. 612 Rv., en om in die akte aan te geven of ook de toekomstige schade in deze procedure kan worden begroot, althans of partijen bereid zijn daartoe de nodige stappen te nemen (indien en voor zover nodig met inschakeling van gezamenlijk benoemde deskundigen). Geïntimeerde kon hierop bij antwoordakte reageren.

 In bedoeld arrest heeft het hof partijen verder opgeroepen de schade thans (bijna tien jaar na het ongeval) zo veel mogelijk en efficiënt af te wikkelen in onderling overleg, en verder overwogen dat partijen ook, bij gelegenheid van de bedoelde aktes, om een nieuwe comparitie konden verzoeken, waarna het hof zou beslissen of daartoe aanleiding bestaat.

2. Het hof overweegt als volgt. Appellant heeft in zijn akte de verschenen schade slechts globaal begroot en verder niet genoegzaam onderbouwd met bewijsstukken. Hij heeft weliswaar een aantal stukken overgelegd en overige gegevens vermeld, maar hij heeft daarbij ook aangegeven dat hij niet over alle relevante financiële gegevens beschikt waardoor hij zijn schadeposten ‘niet tot achter de komma of überhaupt’ kan documenteren. Voorts heeft appellant gesteld dat voor het vaststellen van zijn blijvende klachten en beperkingen nadere medische onderzoeken, door een orthopeed en een psychiater, noodzakelijk zijn, alsmede daarop volgende onderzoeken door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Volgens appellant zijn die onderzoeken nodig om de al verschenen schade naar behoren te kunnen begroten. Dit geldt volgens hem evenzeer voor de bepaling van zijn toekomstige schade, met name ten aanzien van het verlies van verdienvermogen. Appellant veronderstelt dat (zoals gebruikelijk) wel overeenstemming kan worden bereikt tussen de medisch adviseurs van partijen over het laten uitvoeren van keuringen. Het organiseren van expertises in onderling overleg door partijen zal naar zijn mening minder tijd en geld vergen dan wanneer dit moet gebeuren onder regie van het hof. Ook de begroting van het smartengeld ter compensatie van de immateriële schade kan pas op zorgvuldige wijze geschieden als er meer duidelijk is omtrent aard en ernst van het letsel, aldus appellant.

 3. Geïntimeerde heeft zich (samengevat) verzet tegen schadebegroting in hoger beroep, en heeft daartoe onder meer gesteld dat appellant de omvang van zijn schade niet voldoende heeft onderbouwd en dat het medisch dossier bovendien niet compleet is. Volgens geïntimeerde heeft appellant niet aan zijn stelplicht voldaan en dienen zijn vorderingen om die reden te worden afgewezen.

 4. Het hof constateert – daarnaast – dat partijen geen nieuwe comparitie in hoger beroep hebben gevraagd, waartoe zij blijkens het arrest van 21 november 2017 uitdrukkelijk zijn uitgenodigd

 5. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen mogelijkheid de schade als gevolg van het bedrijfsongeval – in laatste feitelijke instantie – te begroten op de voet van art. 612 Rv. (of anderszins). Daarvoor hebben partijen uiteindelijk niet het vereiste inhoudelijke debat gevoerd (schriftelijk dan wel mondeling ter comparitie), en  ontbreken de benodigde stukken en verdere gegevens met betrekking tot zowel de verschenen schade als de toekomstige schade.

 6. Anders dan geïntimeerde meent, bestaat geen grond de vordering van appellant af te wijzen, omdat hij (de omvang van) zijn schade onvoldoende zou hebben onderbouwd. Appellant heeft immers in dit geding uitsluitend een verklaring voor recht gevorderd met verwijzing naar de schadestaat, welke vordering als zodanig toewijsbaar is op de gronden als vermeld in het arrest van 21 november 2017, en hij heeft zijn vordering vervolgens niet vermeerderd of gewijzigd. De mogelijkheid dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval is — als zodanig — voldoende aannemelijk, gelet op de ernst van het daardoor ontstane letsel (als bedoeld in rov. 2.4 van het arrest van 21 november 2017).

 7. De conclusie is dat het hof de vordering van appellant, die strekt tot het uitspreken van een verklaring voor recht en een verwijzing naar de schadestaat, thans zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerde – als de in het ongelijk gestelde partij – in de kosten van beide instanties. Dit arrest zal – zoals in de appeldagvaarding gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

 8. Overigens hebben partijen tot op heden kennelijk geen stappen ondernomen om de schade zoveel mogelijk in onderling overleg te regelen, waartoe het hof hen bij voornoemd arrest had opgeroepen. Het hof roept hen daartoe opnieuw op en overweegt dat het (ook) op de weg van geïntimeerde – als goed werkgever – ligt om zoveel mogelijk mee werken aan een voortvarende en efficiënte afwikkeling van de onderhavige personenschade (waarvoor zij aansprakelijk is).

 Beslissing

Het hof:

− verklaart voor recht dat geïntimeerde gehouden is de door appellant geleden en te lijden materiële en immateriële schade door het bedrijfsongeval van 29 april 2008 te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

− veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van appellant begroot op € 177,39 aan verschotten (te weten € 79,- aan griffierecht en € 98,39 aan explootkosten), en € 400,- aan salaris advocaat;

− veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van appellant begroot op € 410,31 aan verschotten (te weten € 313,- aan griffierecht en € 97,31 aan explootkosten), en € 3.222,- aan salaris advocaat (maximum van 3 punten in tarief II, nieuw);

− verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, M.J. van der Ven en M. Flipse, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.

 

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots