Hof: vordering wegens niet aanzeggen rente verjaard

Samenvatting:

De dag waarop [appellant] bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon kan op het laatst gesteld worden op 14 april 2004 toen de rechtbank oordeelde dat de wettelijke rente niet aan advocaaat 1 is aangezegd. Of sprake is van eerdere bekendheid is niet van belang omdat ook als de verjaringstermijn van vijf jaren pas is gaan lopen op 14 april 2004 de vordering verjaard is. Er is geen sprake van stuiting bij brief van 9 augustus 2004 omdat daarin alleen de wettelijke rentevordering jegens een andere partij werd gestuit. Een terloopse opmerking over een voorbnehoud voor alle rechten is daartoe onvoldoende. De betrokkene ontkent de brief waarin de vordering wel is gestuit te hebben ontvangen. Op appellant rust de bewijslast van de verzending (HR 20-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:2064), heeft geen bewijsaanbod gedaan en ook in eerste aanleg niet gespecificeerd aangeboden om te bewijzen dat zij de brief van 6 maart 2007 daadwerkelijk heeft verzonden. De verzending van deze brief is dus niet komen vast te staan, zodat zij in de onderhavige procedure niet als stuitingshandeling kan gelden.

ECLI:NL:GHSHE:2014:4450
Instantie: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Datum uitspraak: 28-10-2014
Datum publicatie: 28-10-2014
Zaaknummer: HD 200.122.417_01
Rechtsgebieden: ”Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Complicaties rondom beroepsfouten van opeenvolgende advocaten bestaande uit niet aanzeggen wettelijke rente naar oud BW.
Vindplaatsen:Rechtspraak.nl

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.122.417/01
arrest van 28 oktober 2014

in de zaak van

[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. A. Schippers te ‘s-Gravenhage,

tegen

[Advocatenkantoor]
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [Advocatenkantoor],
advocaat: mr. M. Trouwborst te Middelharnis,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 21 november 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en [Advocatenkantoor] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 240039/HAZA 11-1697)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 4 april 2012.
|
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding in hoger beroep;
– de memorie van grieven met acht producties;
– de memorie van antwoord met één productie;
– de akte van [appellant];
– de antwoordakte van [Advocatenkantoor].
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1. Het hof gaat in dit hoger beroep uit van de volgende feiten.
a. Op 30 oktober 1981 is [appellant] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. In verband met dit ongeval had hij aanvankelijk drie vorderingen in behandeling bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar, de Stichting Rechtsbijstand, namelijk een vordering op de verzekeringsmaatschappij Interpolis als de w.a.-assuradeur van de voor het ongeval aansprakelijke tegenpartij (hierna: de WA-vordering), een vordering op Interpolis uit hoofde van een door [appellant] afgesloten ongevallenverzekering (hierna: de Interpolis ongevallenvordering) en een vordering op de verzekeringsmaatschappij Tollenaar & Wegener uit hoofde van een door zijn werkgever afgesloten collectieve ongevallenverzekering (hierna: de T&W ongevallenvordering).
b. De behandeling van bovengenoemde vorderingen werd op 29 augustus 1984 door [advocaat 1] (hierna: [advocaat 1]), advocaat te Eindhoven, overgenomen van Stichting Rechtsbijstand.
c. In september 1989 nam [Advocatenkantoor] in ieder geval de behandeling van de Interpolis ongevallenvordering en de T&W ongevallenvordering over van [advocaat 1].
d. In een brief van 9 augustus 1990 schreef [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1], met betrekking tot de procedure die [advocaat 1] jegens Tollenaar & Wegener aanhangig had gemaakt bij de rechtbank Amsterdam, onder andere het volgende: “[appellant] leest uit het vonnis dat het aan uw nalatigheid te wijten is dat zijn vordering op Tollenaar & Wegener is afgewezen. (…) De directe schade waarvan [appellant] vergoeding vordert, bedraagt derhalve f 17.621,25 (…).
Inmiddels (…) In dat geval wordt de schade die hij door de afwijzing van zijn vordering tegen Tollenaar & Wegener lijdt, (…) f 60.483,75.
Ten aanzien van (…) de schade die [appellant] lijdt doordat u in de vordering tegen aansprakelijke dader de wettelijke rente niet hebt aangezegd, behoudt [appellant] zich alle rechten voor.”
In een brief van 23 oktober 1990 scheef [Advocatenkantoor] vervolgens aan [advocaat 1] onder meer het volgende: “In aanvulling op mijn brief d.d. 9 augustus 1990 wil ik u berichten dat cliënt ook aanspraak maakt op de wettelijke rente over de genoemde bedragen ad f 17.621,25 en ad f 60.483,75.”
Bij inleidende dagvaarding van 2 november 1994 is [Advocatenkantoor] namens [appellant] een procedure gestart tegen [advocaat 1]. In deze dagvaarding vorderde [appellant] veroordeling van [advocaat 1] vordert tot betaling van de schade die [appellant] stelde te hebben geleden door de afwijzing van zijn vordering jegens Tollenaar & Wegener en door het feit dat [advocaat 1] aan Interpolis ter zake de Interpolis ongevallenverzekering de wettelijke rente niet heeft aangezegd.
Op 19 oktober 1995 droeg [Advocatenkantoor] de behandeling van de zaken van [appellant] over aan [advocaat 2], advocaat te Helmond.
Bij inleidende dagvaarding van 19 februari 2001 is [appellant] een nieuwe procedure gestart tegen [advocaat 1]. In deze procedure vorderde [appellant], voor zover thans van belang, veroordeling van [advocaat 1] tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, in verband met het feit dat [advocaat 1] heeft verzuimd om de wettelijke rente over de w.a.-vordering aan Interpolis aan te zeggen.
In de zojuist genoemde procedure heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij tussenvonnis van 29 januari 2003 overwogen dat de door [appellant] geleden schade, bestaande uit gederfde rente over de w.a.-vordering, aan [advocaat 1] kan worden toegerekend over de periode van 29 augustus 1984 (de datum waarop [advocaat 1] de zaak in behandeling nam) tot 25 januari 1989 (de datum waarop Bureau Pals namens [appellant] de wettelijke rente over de w.a.-vordering aan Interpolis heeft aangezegd). De rechtbank heeft [appellant] vervolgens in de gelegenheid gesteld om inlichtingen te verschaffen over de stand van zaken met betrekking tot de procedure inzake de w.a.-vordering tegen Interpolis.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft vervolgens bij eindvonnis van 14 april 2004 [advocaat 1] veroordeeld om aan [appellant] € 6.641,39 te betalen (schade wegens de misgelopen rente over de w.a.-vordering berekend over de periode 29 augustus 1984 tot 25 januari 1989), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 januari 2004. In rechtsoverweging 2.9 van dit vonnis staat het volgende:
“De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [advocaat 1] ten aanzien van zijn verplichtingen tot vergoeding van schade wegens het niet aanzeggen van de wettelijke rente in gebreke is gesteld. Ter beoordeling staat thans of over die schade wettelijke rente is verschuldigd.
Ingevolge artikel 1286 lid 3 BW (oud) wordt de wettelijke rente berekend vanaf de dag dat zij in rechte wordt gevorderd (i.c. vanaf 7 januari 2004), tenzij de wettelijke rente op een eerder moment aan [advocaat 1] is aangezegd. [appellant] betoogt dat [advocaat 1] bij brieven van 16 december 1989, dan wel van 9 augustus 1990, dan wel 4 juni 1991 de wettelijke rente is aangezegd, maar hierin kan de rechtbank hem niet volgen. De in voornoemde brieven vermelde zinsneden, respectievelijk: “(…) ten aanzien van de schade die [appellant] lijdt doordat u de vordering tegen aansprakelijke dader de wettelijke rente niet heeft aangezegd; behoudt [appellant] zich alle rechten voor. (…)”, betreffen immers geen aanzegging van de wettelijke rente over de schadevergoeding. Gelet op het vorenstaande zal de wettelijke rente over de schadevergoeding dan ook worden toegewezen vanaf 7 januari 2004, te weten de datum waarop de wettelijke rente over de schadevergoeding in dit geding is gevorderd.”
In een aangetekende brief van 9 augustus 2004 inzake “[appellant]/ [advocaat 1]” van [appellant] aan [Advocatenkantoor] staat:
“Hierbij deel ik U mede, dat ik mijn aanspraken op vergoeding van de schade in bovengenoemde door Uw kantoor behandelde zaken, onverkort wens te handhaven en een eventuele verjaring van mijn vordering te stuiten.”
Deze kopie van deze brief althans een gelijkluidende brief heeft [appellant] op 6 april 2009 per telefax aan [Advocatenkantoor] verzonden.
Als productie 4 bij de dagvaarding is een brief overgelegd gericht aan [Advocatenkantoor] en gedateerd 6 maart 2007. In deze brief staat onder andere:
“Bij aangetekend schrijven dd. 9 augustus 2004 stuitte ik de verjaring van mijn vordering wegens misgelopen rente op de W.A.M.-claim, als gevolg van een ondeugdelijke rente-aanzegging bij brief dd. 9 augustus 1990, welke door u gemaakte kunstfout mij eerst bij vonnis dd. 14 april 2004 bekend werd. (…)
Voor de goede orde wijs ik erop dat mijn bovenstaande stuitingsbrief onverminderd van kracht blijft.”
In het door [appellant] ten behoeve van de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen ingezonden arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 25 november 2008 in de zaak van [appellant] tegen Bureau Pals BV staat in rechtsoverweging 1.5. met betrekking tot de w.a.-vordering het volgende:
“Pals heeft bij brief van 25 januari 1989 (…) Interpolis met ingang van 25 januari 1989 de wettelijke rente aangezegd.”
De inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure van [appellant] tegen [Advocatenkantoor] is uitgebracht op 23 november 2011.

3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [appellant] veroordeling van [Advocatenkantoor] tot betaling van:
– € 42.091,86 € 42.091,86 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2010;
– € 42.091,86 € 1.788,– aan buitengerechtelijke kosten;
met veroordeling van [Advocatenkantoor] in de proceskosten.

3.2.2. De hoofdsom van € 42.091,86 is opgebouwd uit twee deelvorderingen:
A. een bedrag van € 22.495,66, zoals gespecificeerd in bijlage A bij de inleidende dagvaarding;
B. een bedrag van € 19.596,20, zoals gespecificeerd in bijlage B bij de inleidende dagvaarding.
Aan beide deelvorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd, zeer kort samengevat, dat [advocaat 1] de wettelijke rente over de w.a.-vordering niet goed heeft aangezegd aan Interpolis en dat [Advocatenkantoor] vervolgens op haar beurt de wettelijke rente over de schadevergoeding die [advocaat 1] in verband daarmee verschuldigd is aan [appellant], niet goed heeft aangezegd aan [advocaat 1]. Volgens [appellant] moet [Advocatenkantoor] de rente die [appellant] door deze beroepsfout van [Advocatenkantoor] heeft gederfd (niet van [advocaat 1] heeft ontvangen), aan [appellant] vergoeden.

3.2.3. [Advocatenkantoor] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1. In het tussenvonnis van 4 april 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2012. Volgens het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal heeft [appellant] ter comparitie onder meer het volgende verklaard:
“[advocaat 2] had de zaak tegen de WAM-verzekeraar niet in behandeling. Die zaak is in 1998 overgedragen aan [advocaat 3], die Interpolis als WAM-verzekeraar heeft gedagvaard. (…) Omdat [advocaat 2] de zaak tegen Interpolis als WAM-verzekeraar niet in behandeling had, heeft hij toendertijd ook niet ontdekt dat [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1] de wettelijke rente over de schade wegens het gemis van wettelijke rente niet goed had aangezegd. [advocaat 3] had dit toen hij de zaak overnam in 1998 wel ontdekt.”

3.3.3. In het eindvonnis van 21 november 2012 heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen:
– [advocaat 3] heeft, toen hij de w.a.-vordering in 1998 in behandeling nam, ontdekt dat [Advocatenkantoor] de wettelijke rente niet goed had aangezegd aan [advocaat 1] (rov. 4.2);
– [appellant] was dus al in 1998 op de hoogte van het feit dat [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1] met betrekking tot de w.a.-vordering de wettelijke rente niet goed had aangezegd. De daaruit voortvloeiende vordering van [appellant] op [Advocatenkantoor] was dus al door een verloop van vijf jaren verjaard toen [appellant] op 9 augustus 2004 een brief zond ter stuiting van de verjaring. De vorderingen van [appellant] moeten daarom worden afgewezen (rov. 4.3).
– Bovendien kon naar het recht dat gold tot 1 januari 1992 slechts de enkelvoudige wettelijke rente worden gevorderd. [appellant] heeft de wettelijke rente over de periode waarin [advocaat 1] zijn zaak in behandeling had, van deze vergoed gekregen. Hij kan nu niet rente over die rente vorderen op grond van vermeende beroepsfouten van [Advocatenkantoor] als hij, wat het geval is, ook zonder die beroepsfout geen aanspraak op die rente over rente zou hebben gehad (rov. 4.4).
Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.4.2. Alvorens de grieven te behandelen, zal het hof onderzoeken of de stellingen van [appellant] in het licht van het daartegen gevoerde verweer zijn vorderingen kunnen dragen. Als dat niet het geval is, zijn de vorderingen reeds om die reden niet toewijsbaar en behoeven de grieven geen behandeling. Het hof zal daarbij kortheidshalve steeds spreken over [Advocatenkantoor], ook wanneer het gaat om een periode waarin de rechtsvoorganger van [Advocatenkantoor] wordt bedoeld.

Met betrekking tot vordering A
3.5.1. [appellant] heeft zijn toelichting op vordering A niet op erg inzichtelijke wijze gepresenteerd. Na enige studie heeft het hof kunnen ontwaren dat [appellant] aan vordering A, mede gelet op de bij de inleidende dagvaarding gevoegde bijlage A en de tijdens het proces-verbaal de comparitie van partijen in eerste aanleg gegeven toelichting, kennelijk het volgende ten grondslag heeft willen leggen.
– Bij vonnis van de rechtbank Breda van 1 augustus 2000 is aan [appellant] met betrekking tot de w.a.-vordering een smartengeld van f 25.000,– (€ 11.344,51) toegewezen. Over dit bedrag is in dat vonnis de wettelijke rente toegekend met ingang van 29 augustus 1984 en niet met ingang van de datum van het ongeval, zijnde 30 oktober 1981. Als gevolg hiervan had [appellant] per 29 augustus 1984 (over het bedrag van (€ 11.344,51) een rente gederfd van € 3.611,46. Dit komt omdat [advocaat 1] de wettelijke rente niet overeenkomstig de eisen van het destijds geldende recht correct heeft aangezegd aan Interpolis. [advocaat 1] diende deze schade van € 3.611,46 dus aan [appellant] te vergoeden.
– [Advocatenkantoor] heeft bij brief van 9 augustus 1990 namens [appellant] wel aan [advocaat 1] meegedeeld dat [appellant] zich ten aanzien van deze schade (“de schade die [appellant] lijdt doordat u in de vordering tegen de aansprakelijke dader de wettelijke rente niet hebt aangezegd”) alle rechten voorbehield, maar daarbij op haar beurt ten onrechte niet de wettelijke rente over die schade aan [advocaat 1] aangezegd. Dit is een beroepsfout van [Advocatenkantoor].
– Als [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1] correct de wettelijke rente over deze schadevergoeding zou hebben aangezegd, zou [advocaat 1] over het bedrag van € 3.611,46 met ingang van 29 augustus 1984 de wettelijke rente verschuldigd zijn aan [appellant]. Omdat [Advocatenkantoor] de rente niet goed heeft aangezegd aan [advocaat 1], heeft [appellant] de rente over het bedrag van € 3.611,46 met ingang van 29 augustus 1984 gederfd. Deze rente moet [Advocatenkantoor] daarom aan [appellant] vergoeden en deze rente is per 1 juli 2010 opgelopen tot € 22.495,66 zoals gespecificeerd in bijlage A bij de inleidende dagvaarding.

3.5.2. [Advocatenkantoor] heeft de door [appellant] gegeven onderbouwing van vordering A in de conclusie van antwoord (alinea 14) is betiteld als onbegrijpelijk. Het hof kan [Advocatenkantoor] daar in zoverre in volgen dat de onderbouwing niet er inzichtelijk was. Het hof constateert dat ook de rechtbank zich daardoor op het verkeerde been heeft laten zetten. Zo heeft de rechtbank in rov. 3.2 sub 1 van het vonnis de vordering niet juist geïnterpreteerd. Daar wordt immers – ten onrechte – gesteld dat ook het bedrag van € 3.611,46 onderdeel uitmaakt van de schadevergoeding die [appellant] nu van [Advocatenkantoor] vordert. Het hof heeft nu in rov. 3.5.1 weergegeven hoe de grondslag van de vordering A moet worden uitgelegd. Een andere redelijke uitleg is uit de toelichting op de vordering niet af te leiden.

3.5.3. [Advocatenkantoor] heeft meerdere argumenten genoemd op grond waarvan vordering A niet kan worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof heeft [Advocatenkantoor] terecht betoogd dat vordering A niet toewijsbaar is. Dit volgt reeds uit het vaststaande feit dat [advocaat 1] de behandeling van de uit het ongeval voortvloeiende vorderingen van [appellant] pas op 29 augustus 1984 van de Stichting Rechtsbijstand heeft overgenomen. Gelet daarop valt niet in te zien hoe de omstandigheid dat de wettelijke rente over het smartengeld niet vóór 29 augustus 1984 aan Interpolis is aangezegd, aan [advocaat 1] zou kunnen worden verweten. Er is dus niet gebleken van een grondslag op grond waarvan [advocaat 1] aan [appellant] het bedrag van € 3.611,46 verschuldigd zou zijn. Er is niets gesteld of gebleken van enige rechterlijke beslissing waarin [advocaat 1] tot vergoeding van deze schade aan [appellant] is veroordeeld. Reeds om deze reden kan niet worden gezegd dat [appellant] als gevolg van een onjuiste rente-aanzegging door [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1], rente heeft gederfd over het bedrag van € 3.611,46. Vordering A moet om deze reden worden afgewezen. Voor wat betreft vordering A hoeven de grieven dus niet meer behandeld te worden.

Met betrekking tot vordering B
3.6. Aan vordering B heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat het aan [Advocatenkantoor] te wijten is dat de rechtbank ’s-Hertogenbosch in het eindvonnis van 14 april 2004 de wettelijke rente over de door [advocaat 1] verschuldigde schadevergoeding van € 6.641,39 heeft toegewezen vanaf 17 januari 2004 en niet vanaf een eerdere datum. Volgens [appellant] heeft [Advocatenkantoor] de wettelijke rente over de schade niet correct, overeenkomstig het recht dat gold voor 1 januari 1992, aangezegd aan [advocaat 1]. Volgens [appellant] is de schade die hij door deze fout van [Advocatenkantoor] heeft geleden gelijk te stellen met de wettelijke rente over € 6.641,39, berekend over de periode van 25 januari 1989 tot 7 januari 2004, en beloopt deze gederfde rente € 19.596,20.
Naar aanleiding van grief III
3.7.1. De rechtbank heeft in rov. 4.4 van het vonnis ten overvloede overwogen dat naar het recht dat gold tot 1 januari 1992 slechts de enkelvoudige wettelijke rente kon worden gevorderd. Volgens de rechtbank heeft [appellant] de wettelijke rente over de periode waarin [advocaat 1] zijn zaak in behandeling had, van deze vergoed gekregen. De rechtbank concludeert dat [appellant] nu niet rente over die rente kan vorderen op grond van vermeende beroepsfouten van [Advocatenkantoor] aangezien [appellant] ook zonder die beroepsfout geen aanspraak op die rente over rente zou hebben gehad.

3.7.2. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] deze redenering van de rechtbank terecht bestreden. Bij de beoordeling van de vraag of [appellant] schade heeft geleden door het door hem gestelde feit dat [Advocatenkantoor] de wettelijke rente niet goed heeft aangezegd aan [advocaat 1], moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin – voorshands uitgaande van de stelling van [appellant] – de wettelijke rente door [Advocatenkantoor] niet goed is aangezegd aan [advocaat 1], en de situatie waarin [Advocatenkantoor] de wettelijke rente wel meteen goed zou hebben aangezegd aan [advocaat 1]. In dat laatste geval zou, voorshands uitgaande van de juistheid van de stelling van [appellant] – [appellant] over een langere periode wettelijke rente van [advocaat 1] hebben ontvangen. In zoverre heeft het gestelde nalaten van [Advocatenkantoor] dan schade voor [appellant] tot gevolg gehad. Niet valt in te zien waarom [Advocatenkantoor] die schade dan niet aan [appellant] zou moeten vergoeden. De redenering die de rechtbank in rov. 4.4 van het vonnis heeft neergelegd, kan dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is. In zoverre is grief III terecht voorgedragen.

3.7.3. De rechtbank signaleert in rov. 4.4 wel terecht dat naar het recht dat gold tot 1 januari 1992, slechts de enkelvoudige wettelijke rente kon worden berekend en niet de samengestelde rente, zodat [appellant] de hoogte van zijn schade in bijlage B bij de inleidende dagvaarding onjuist heeft berekend. Het hof zal in het navolgende, voor zover nodig, nog ingaan op de juiste berekening van de schade.

3.7.4. Grief III leidt niet tot vernietiging van het vonnis omdat de grief gericht is tegen een ten overvloede gegeven overweging. In zoverre treft de grief geen doel.

Naar aanleiding van de grieven I en II
3.8.1. [Advocatenkantoor] heeft in eerste aanleg als verweer tegen vordering B onder meer aangevoerd dat die vordering verjaard is. De rechtbank heeft dat verweer gehonoreerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] blijkens de door hem tijdens de comparitie van partijen afgelegde verklaring reeds in 1998 op de hoogte was van het feit dat [Advocatenkantoor] met betrekking tot de gederfde rente over de w.a.-vordering aan [advocaat 1] de wettelijke rente niet goed had aangezegd. De rechtbank heeft daar de conclusie aan verbonden dat de vordering op het moment dat [appellant] zijn eerste stuitingsbrief aan [Advocatenkantoor] verstuurde (9 augustus 2004) al verjaard was, door het verloop van de in artikel 3:310 lid 1 BW genoemde termijn van vijf jaren).

3.8.2. [appellant] is tegen dat oordeel opgekomen. In de toelichting op de grieven betoogt hij dat zijn verklaring tijdens de comparitie van partijen – dat [advocaat 3] in 1998, toen hij de w.a.-vordering in behandeling nam, ontdekte dat [Advocatenkantoor] aan [advocaat 1] de wettelijke rente niet goed had aangezegd – op een vergissing berust. Ter onderbouwing daarvan heeft [appellant] aangevoerd dat de zaak op het kantoor van [advocaat 3] eerst behandeld is door [advocaat 4] en pas daarna (naar het hof begrijpt: medio 2001) door [advocaat 3] is overgenomen. Volgens [appellant] volgt hieruit dat de vordering ten tijde van het verzenden van de stuitingsbrief van 9 augustus 2004 nog niet verjaard was.

3.8.3. Als deze grief doel zou treffen, zou het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep alle verweren die [Advocatenkantoor] heeft gevoerd en die de rechtbank onbehandeld heeft gelaten, moeten behandelen, Door de grieven wordt het geschil met betrekking tot vordering B dus in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.

3.9.1. Het hof acht termen aanwezig om eerst te onderzoeken of [Advocatenkantoor] jegens [appellant] tekort geschoten is door aan [advocaat 1] niet de wettelijke rente aan te zeggen over de schadevergoeding die [advocaat 1] aan [appellant] verschuldigd was vanwege het niet aanzeggen van de wettelijke rente over de w.a.-vordering aan Interpolis.

3.9.2. [Advocatenkantoor] heeft daar als verweer allereerst tegen aangevoerd dat zij de w.a.-vordering niet in behandeling had en dat zij geen opdracht had van [appellant] om de wettelijke rente aan te zeggen aan [advocaat 1]. Het hof verwerpt dat verweer. De brief van 9 augustus 1990 die [Advocatenkantoor] namens [appellant] aan [advocaat 1] stuurde, had weliswaar in hoofdzaak betrekking op de T&W ongevallenvordering, maar in die brief heeft [Advocatenkantoor] ook de volgende passage opgenomen: “Ten aanzien van (…) de schade die [appellant] lijdt doordat u in de vordering tegen aansprakelijke dader de wettelijke rente niet hebt aangezegd, behoudt [appellant] zich alle rechten voor.” [Advocatenkantoor] heeft hier dus namens [appellant] uitdrukkelijk [advocaat 1] aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] heeft geleden doordat [advocaat 1] de wettelijke rente ter zake de w.a.-vordering niet (aan Interpolis) heeft aangezegd. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat [Advocatenkantoor] de kwestie van het niet goed aanzeggen van de rente over de w.a.-vordering in elk geval in zoverre in behandeling had dat zij namens [appellant] [advocaat 1] aansprakelijk stelde en de verjaring stuitte. Verder staat vast dat in deze brief de wettelijke rente over de dienaangaande door [advocaat 1] aan [appellant] verschuldigde schadevergoeding niet is aangezegd. Dat moet als een tekortkoming aan [Advocatenkantoor] worden toegerekend. Dat zij niet uitdrukkelijk de opdracht had om de wettelijke rente aan [advocaat 1] aan te zeggen doet daar niet aan af. [appellant] was immers een leek en [Advocatenkantoor] de juridische professional, zodat van [Advocatenkantoor] mocht worden verwacht dat zij ook zonder uitdrukkelijke opdracht de rente-aanspraken van [appellant] zou veilig stellen.

3.9.3. [Advocatenkantoor] heeft als verweer in eerste aanleg (punt 4 conclusie van antwoord) voorts aangevoerd dat zij enkele weken later, bij brief van 23 oktober 1990, namens [appellant] alsnog aanspraak heeft gemaakt op wettelijke rente.
Ook dit verweer van [Advocatenkantoor] gaat niet op. In de brief van 23 oktober 1990 is immers uitsluitend aanspraak gemaakt op wettelijke rente over “de genoemde bedragen ad f 17.621,25 en ad f 60.483,75”. Dat betreft blijkens de brief van 9 augustus 1990 bedragen die zien op beroepsfouten van [advocaat 1] met betrekking tot de T&W ongevallenvordering. In de brief van 23 oktober 1990 is dus geen wettelijke rente aangezegd over de schadevergoeding die [advocaat 1] zou moeten voldoen wegens het niet aanzeggen van wettelijke rente met betrekking tot de w.a.-vordering.

3.9.4. Het voorgaande voert tot de conclusie dat [Advocatenkantoor] een beroepsfout heeft gemaakt door in de brief van 9 augustus 1990 – waarin zij aan [advocaat 1] meedeelde dat [appellant] zich alle rechten voorbehield met betrekking tot het feit dat [advocaat 1] met betrekking tot de w.a.-vordering de wettelijke rente niet had aangezegd – niet namens [appellant] de wettelijke rente aan [advocaat 1] aan te zeggen over de schadevergoeding die [advocaat 1] in verband met die kwestie aan [appellant] verschuldigd was.

3.10.1. Het hof komt nu toe aan het beroep dat [Advocatenkantoor] heeft gedaan op verjaring van de vordering tot schadevergoeding die [appellant] in verband met het voorgaande op [Advocatenkantoor] heeft gekregen. Het hof stelt dienaangaande voorop dat de tekortkoming van [Advocatenkantoor] heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 1992. Ten aanzien van de vóór 1 januari 1992 gepleegde tekortkomingen gold aanvankelijk op grond van artikel 2004 (oud) BW een verjaringstermijn van dertig jaren. Aangezien die termijn op 1 januari 1993 (één jaar ná invoering van het huidige BW) nog niet was verstreken, is op die tekortkomingen ingevolge artikelen 73 van de overgangswet Nieuw BW de ingevolge het huidige BW geldende verjaringstermijn van toepassing geworden. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaren rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

3.10.2. Het hof zal eerst onderzoeken of de in geding zijnde vordering is verjaard door verloop van de genoemde termijn van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar het oordeel van het hof kan de dag waarop [appellant] bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon in elk geval gesteld worden op 14 april 2004. Bij vonnis van die datum heeft de rechtbank immers in de procedure tussen [appellant] en [advocaat 1] geoordeeld dat de wettelijke rente niet aan [advocaat 1] is aangezegd en dat als gevolg daarvan de wettelijke rente over de door [advocaat 1] aan [appellant] verschuldigde schadevergoeding pas vanaf 7 januari 2004 verschuldigd is.

3.10.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellant] al op een eerder moment bekend was met de schade, zodat de verjaringstermijn eerder is gaan lopen. Naar het oordeel van het hof kan dat in het midden blijven. Ook als de verjaringstermijn van vijf jaren pas is gaan lopen op 14 april 2004, is de vordering verjaard. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.10.4. [appellant] heeft aangevoerd dat hij de verjaring heeft gestuit bij brief van 9 augustus 2004. Naar het oordeel van het hof heeft [Advocatenkantoor] in eerste aanleg terecht aangevoerd dat die brief betrekking heeft op zaken die [Advocatenkantoor] voor [appellant] heeft behandeld tegen [advocaat 1] in verband met de beroepsfouten die [advocaat 1] heeft gemaakt in de zaken met betrekking tot de T&W ongevallenvordering en de Interpolis ongevallenvordering. Die zaken heeft [Advocatenkantoor] immers namens [appellant] bij inleidende dagvaarding van 2 november 1994 tegen [advocaat 1] aanhangig gemaakt. In deze dagvaarding vorderde [appellant] veroordeling van [advocaat 1] vordert tot betaling van de schade die [appellant] stelde te hebben geleden door de afwijzing van zijn vordering jegens Tollenaar & Wegener en door het feit dat [advocaat 1] aan Interpolis ter zake de Interpolis ongevallenvordering de wettelijke rente niet heeft aangezegd. Dat onder de in de brief van 9 augustus 2004 genoemde “bovengenoemde door uw kantoor behandelde zaken” mede moet worden begrepen de zaak tegen [advocaat 1] ter zake het niet aanzeggen van de wettelijke rente ten aanzien van de w.a.-vordering, welke zaak pas bij dagvaarding van 19 februari 2001 door een andere advocaat namens [appellant] tegen [advocaat 1] aanhangig is gemaakt, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd. Het enkele feit dat [Advocatenkantoor] bij brief van 9 augustus 1990 in een terloopse zin heeft opgenomen dat [appellant] zich met betrekking tot het niet aanzeggen van de wettelijke rente in de w.a.-vordering alle rechten voorbehoud, voert niet tot een ander oordeel. Dat is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om ook ten aanzien van die kwestie te kunnen spreken van een “door uw kantoor behandelde zaak”.

3.10.5. Het voorgaande geldt te meer omdat [appellant] in de brief van 16 augustus 1999 die hij als prod. 5 bij de memorie van grieven heeft overgelegd, eveneens spreekt over “bovengenoemde door uw kantoor behandelde zaken”. Dat [appellant] daarmee alleen doelde op de ongevallenvorderingen blijkt ook wel uit het feit dat [appellant] zich in het onderhavige hoger beroep op het standpunt stelt dat hij in 1999 de beroepsfout van [advocaat 1] ten aanzien van de w.a.-vordering nog niet had ontdekt. Volgens [appellant] ontdekte hij deze beroepsfout pas medio 2001 (zie rov. 3.8.2 van dit arrest). Het hof concludeert dat door de brief van 9 augustus 2004 geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.
Het voorgaande brengt mee dat evenmin stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden doordat [appellant] op 6 april 2009 een kopie van de brief van 9 augustus 2004 en/of een brief in gelijke bewoordingen per telefax aan [Advocatenkantoor] verzonden.

3.10.6. [appellant] heeft voorts aangevoerd dat hij de verjaring heeft gestuit bij brief van 6 maart 2007. [Advocatenkantoor] heeft echter uitdrukkelijk betwist (zowel bij conclusie van antwoord als in de door haar op 31 augustus 2010 aan [appellant] verzonden brief) dat zij die brief heeft ontvangen. Omdat [appellant] zich erop beroept dat zij de verjaring heeft gestuit bij brief van 6 maart 2007, rust op haar ook de bewijslast van die stelling (HR 20-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:2064). [appellant] heeft echter in hoger beroep geen bewijsaanbod gedaan en ook in eerste aanleg niet gespecificeerd aangeboden om te bewijzen dat zij de brief van 6 maart 2007 daadwerkelijk aan [Advocatenkantoor] heeft verzonden. De verzending van deze brief is dus niet komen vast te staan, zodat zij in de onderhavige procedure niet als stuitingshandeling kan gelden.

3.10.6. Over andere geldige stuitingshandelingen in de periode van vijf jaren na 14 april 2004 is niets gesteld of gebleken. Het voorgaande voert tot de conclusie dat de nu in geding zijnde vordering van [appellant] op [Advocatenkantoor] door verloop van de termijn van vijf jaren is verjaard op 14 april 2009. Het hof komt dus tot dezelfde uitkomst als de rechtbank, maar op een andere redenering. De grieven I en II treffen dus geen doel. Dit brengt mee dat een nadere begroting van de door [appellant] geleden schade achterwege kan blijven.

Naar aanleiding van grief IV en verdere afwikkeling
3.11. Grief IV heeft naast de grieven I tot en met III geen zelfstandige betekenis. Omdat de grieven I tot en met III niet tot vernietiging van het vonnis leiden, verwerpt het hof grief IV.

3.12. Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het vonnis onder wijziging van gronden bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder zaaknummer 240039/HAZA 11-1697 tussen
partijen gewezen vonnis van 21 november 2012 onder wijziging van gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [Advocatenkantoor] tot op heden begroot op € 1.862,– aan vast recht en € 2.446,50 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2014.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey