Hof: vordering op werkgever wegens gehoorbeschadiging door afwasmachine verjaard? Bekendheid Bedrijfsgezondheidsdienst

Samenvatting:

Werknemer, medewerkster in keuken, stelt in 2004 werkgever aansprakelijk voor gehoorbeschadiging door geluidsbelasting van afwasmachine. Klachten doofheid bestonden sinds 1989. Vordering verjaard? Werkneemster stelt dat zij pas in 2004 bekend was met onderzoek Bedrijfsgezondheidsdienst, waaruit bleek dat geluidsbelasting de normen overschreed. Het hof is van oordeel dat, indien werkneemster niet bekend was met het feit dat de geluidsbelasting door de afwasmachine normoverschrijdend was, zij niet daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen.
Werkgever wordt toegelaten te bewijzen dat werkneemster al vóór 1999 bekend was met de conclusies van het rapport van BGD.

ECLI:NL:GHARL:2013:9683

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

17-12-2013

Datum publicatie

31-01-2014

Zaaknummer

200.031.556

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Het antwoord op de vraag of werknemer bekend was met het feit dat de geluidsbelasting door een afwasmachine in een instellingskeuken normoverschrijdend was, is in de omstandigheden van het geval van belang voor de beantwoording van de vraag of de werknemer daadwerkelijk in staat was vordering tegen de werkgever in te stellen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.031.556

(zaaknummer rechtbank 449279 CU EXPL 06-80)

arrest van de derde civiele kamer van 17 december 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J. van Andel,

tegen:

De stichting [naam stichting],

gevestigd te [vestigingsplaats stichting],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [naam stichting],

advocaat: mr. M.J.J. de Ridder.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

16 augustus 2006, 30 mei 2007, 29 augustus 2007 en 15 oktober 2008 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen [appellante] als eiseres en [naam stichting] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellante] heeft bij exploot van 29 december 2008 aangezegd van het vonnis van

15 oktober 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [naam stichting] voor dit hof.

2.2.

Bij memorie van grieven heeft zij twee grieven aangevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis van 15 oktober 2008 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

– voor recht zal verklaren dat [naam stichting] aansprakelijk is voor de door [appellante] in de uitoefening van haar werkzaamheden geleden schade;

– [naam stichting] zal veroordelen om aan [appellante] te betalen alle door haar geleden en nog te lijden schade, materieel alsook immaterieel, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het uiteindelijke schadebedrag met ingang van de datum waarop [appellante] de schade heeft geleden, subsidiair met ingang van 9 september 2004;

– [naam stichting] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, die der (mogelijke) deskundigen daaronder begrepen.

2.3.

Bij memorie van antwoord heeft [naam stichting] verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] in haar principaal hoger beroep niet ontvankelijk zal verklaren, althans dat het hof het principaal hoger beroep van [appellante] zal afwijzen en de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in (bedoeld zal zijn) de kosten van het hoger beroep.

2.4.

Bij dezelfde memorie heeft [naam stichting] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 augustus 2006, heeft zij daartegen één grief aangevoerd en heeft zij gevorderd dat het hof het bestreden vonnis van 16 augustus 2006 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest [appellante] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel aan [appellante] haar vordering zal ontzeggen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

2.5.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellante] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof [naam stichting] in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren althans aan [naam stichting] de vorderingen in incidenteel hoger beroep zal ontzeggen, met veroordeling van [naam stichting] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

2.6.

Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.11 van het vonnis van 16 augustus 2006, tegen welke feiten geen grieven zijn gericht.

3.2.

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten. In 1989 heeft [appellante] de kno-arts dr. [naam arts], verbonden aan het ziekenhuis te [plaats ziekenhuis], bezocht. In diens verslag van het consult van 22 mei 1989 staat vermeld:

“2 mnd wat slechthorend. verkouden geweest, nu al wat beter

(…) werkt in lawaai (instell. keuken)

Onderzoek/diagnose: (…) audiogram – 30dB vlak + hoge tonen lawaaitrauma re.

Therapie/conclusie: 1) waarschl. wat tubadysfunctie 2) + lawaaibeschadiging!”

3.3.

In het verslag van dr. [naam arts] van een consult op 7 mei 1992 staat onder meer vermeld:

“ONDERZOEK/DIAGNOSE:

(…)

Audio: verslechterd t.ov. 1990!

Aflopend perceptief verlies bdi symm.

X= 35 dB

THERAPIE/CONCLUSIE:

1) (…)

2) Ze mag absoluut niet meer in een omgeving met (machine-)lawaai komen zonder gehoorbescherming.”

3.4.

Op 30 september 1993 heeft [appellante] het Academisch Ziekenhuis te Utrecht (hierna: AZU) bezocht voor een second opinion in verband met slechthorendheid. In het verslag van dit consult staat vermeld:

“Anamnese: second opinion ivm slechthorendheid

A//. Sinds paar jaar slechter gehoor beide oren AS>AD. Krassend geluid in oor meestal links. Gevoel van verkoudheid. Nasale spraak. Werkte vroeger in keuken, veel lawaaioverlast tot 1 1/2 jaar geleden.

’92 Bezoek KNO-arts [plaats ziekenhuis] (Dr. [naam arts]); lawaaitrauma gehoor neemt af. Adviseerde gehoorapparaat. (…)

Onderzoek: (…)

Programma: D.D. lawaaitrauma. (…)”

3.5.

Vervolgens is [appellante] onder poliklinische controle gekomen bij het AZU. Bij een consult van 13 januari 1994 staat in het medisch dossier genoteerd:

“Komt nu met volgende probleem: perc. verlies gevolg van lawaaibeschadiging tijdens werk. Heeft nog geen HT gebruikt. Zou zelf bijdrage moeten leveren van fl 1100,= (?)”

3.6.

Bij een consult in het AZU van 15 februari 1994 staat genoteerd:

“(…) [naam persoon] schrijft brief ivm mogelijk gehoorverlies door lawaaibeschadiging op werk (zie brieven)”

3.7.

Op 7 juni 1994 is [appellante] gezien door [naam bedrijfsarts], bedrijfsarts. Deze heeft bij brief van die datum aan de afdeling P&O van (de rechtsvoorgangster van) [naam stichting] geschreven:

“(…) Zoals u bekend heeft zich gedurende de afgelopen jaren bij [appellante] een toenemend gehoorverlies ontwikkeld. Zij heeft ruim 10 jaar in de keuken gewerkt, waarbij haar gehoor aan flinke belasting heeft blootgestaan. In april 1990 stelde de BGD Utrecht een indicatief onderzoek in, waarbij in de afwaskeuken een gemiddeld geluidsniveau werd gemeten boven de norm van 80 dB(A). Haar audiogram toont het beeld van een lawaaitrauma. (…)

Ik begreep van [appellante] dat er inmiddels al een aanpassing van haar werkzaamheden heeft plaats gevonden, zodat haar gehoor momenteel minimaal belast wordt. Zij draagt sinds april 1994 gehoorversterking, waarvoor zij een eigen bijdrage van f. 785,60 heeft moeten betalen.

Het lijkt mij aannemelijk dat haar werkzaamheden, gezien bovenstaande gegevens, hebben bijgedragen bij de ontwikkeling van de gehoorstoornis. Bij dezen wil ik U vragen om de mogelijkheden binnen de organisatie te onderzoeken, om de genoemde eigen bijdrage voor haar te bekostigen.”

Onder de ondertekening staat vermeld ‘i.a.a. [appellante]’.

3.8.

[naam stichting] heeft ter zake van de in bovenbedoelde brief genoemde eigen bijdrage een bedrag van fl. 785,60 aan [appellante] betaald.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Het hof ziet aanleiding eerst de grief in het incidenteel hoger beroep te behandelen. [naam stichting] beklaagt zich in het incidenteel hoger beroep over de verwerping, door de kantonrechter, van haar beroep op verjaring. Zij voert aan dat uit het eerst na dit oordeel overgelegde medische dossier blijkt dat [appellante] de vereiste bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon reeds bezat vóór 8 september 1999. Zij wijst met name op het medische dossier als gevoegd achter het deskundigenbericht, op de brief van de bedrijfsarts van 7 juni 1994 en op het huisartsenjournaal. [appellante] heeft zich tegen het beroep op verjaring verweerd. Zij voert aan dat zij niet vóór 8 september 1999 daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen, omdat zij pas in 2004, na kennisname van het rapport van de Stichting Bedrijfsgezondheidsdienst (hierna: BGD) van 9 april 1990, wist dat [naam stichting] de aansprakelijke persoon was. Zij betwist de brief van bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] van 7 juni 1994 te hebben ontvangen. Voorts stelt zij dat [naam stichting] een zwalkend standpunt inneemt door enerzijds aan te voeren dat [appellante] al voor 1999 bekend was met de aansprakelijke persoon en anderzijds te betwisten dat de gehoorproblematiek van [appellante] aan de blootstelling aan lawaai tijdens het werk is te wijten. Ten slotte voert zij aan dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2.

Over het beroep op verjaring wordt het volgende overwogen. Zoals de kantonrechter onbestreden heeft vastgesteld is [naam stichting] door [appellante] voor het eerst aansprakelijk gesteld bij brief van 9 september 2004. Deze brief kan als een stuiting van de verjaring worden beschouwd. Die stuiting ontbeert rechtsgevolg indien de vordering op het moment van stuiting reeds was verjaard. Het gaat dus om de vraag of de vordering op 9 september 2004 reeds was verjaard, in welk verband beslissend is of de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 BW reeds vóór 8 september 1999 is gaan lopen. Daarbij zij opgemerkt dat artikel 3:310 BW, dat eerst per 1 januari 1992 in werking is getreden, dus na de gesteld beschadigende lawaaiblootstelling, die immers volgens de partijen tussen circa 1981 en 1990 heeft plaatsgevonden, ingevolge het overgangsrecht (artikel 68 in verband met artikel 73 Overgangswet NBW) op de onderhavige vordering van toepassing is.

4.3.

Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is echter niet vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.

4.4.

Niet in geschil is dat [appellante] vanaf 1989 (in welk jaar zij dr. [naam arts] heeft bezocht wegens klachten van slechthorendheid, waarna zij wegens die klachten onder controle is gebleven), bekend was met haar geleidelijk aan toenemende slechthorendheid. Deze is in de loop van de jaren door ter zake deskundige kno-artsen gediagnosticeerd als een lawaaitrauma (zie onder meer dr. [naam arts] 22 mei 1989). [appellante] heeft echter aangevoerd dat zij eerst in 2004 bekend is geraakt met het onderzoek door BGD, waaruit volgt dat de geluidsbelasting de normen overschreed. Volgens haar heeft zij pas toen voldoende zekerheid en duidelijkheid gekregen over het gegeven dat haar gehoorbeschadiging te wijten was aan haar werkzaamheden bij [naam stichting].

4.5.

Het hof is van oordeel dat, indien [appellante] niet bekend was met het feit dat de geluidsbelasting door de afwasmachine normoverschrijdend was, zij niet daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen. Weliswaar was er in die situatie immers sprake van geleidelijk aan toenemende slechthorendheid, gediagnosticeerd als een lawaaitrauma, maar daar staat tegenover dat [appellante] in 1990 een andere werkplek had gekregen, waarin zij niet aan een dergelijke geluidsbelasting als van de afwasmachine werd blootgesteld, dat haar directe schade als gevolg van de gehoorbeschadiging (de eigen bijdrage voor het hoortoestel) was vergoed, zodat zij op dat moment geen of geringe materiële schade leed, terwijl zij op dat moment ook niet behoefde te verwachten dat haar gehoorproblemen tot arbeidsongeschiktheid zouden leiden en haar ook niet duidelijk was dat de geluidsbelasting zelfs zo hoog was dat deze de normen voor geluid op de werkplek overschreden. Onder die omstandigheden acht het hof de feitelijke aanknopingspunten voor een aansprakelijkstelling van de werkgever onvoldoende sterk om [appellante] daadwerkelijk in staat te achten een rechtsvordering tegen [naam stichting] in te stellen.

4.6.

Dat zou anders kunnen liggen indien komt vast te staan dat [appellante] al vóór 1999 bekend was met de conclusies van het eerdergenoemde rapport van BGD, te weten dat de geluidsbelasting normoverschrijdend is geweest. [naam stichting] zal worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellante] al vóór 1999 bekend was met de conclusies van het rapport van BGD. Daaronder zal zijn begrepen de stelling van [naam stichting] dat [appellante] bekend was met de inhoud van de brief van bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] van 7 juni 1994.

4.7.

[appellante] heeft aangevoerd dat [naam stichting] een zwalkend standpunt inneemt. Zou dat verweer opgaan, dan zou de hiervoor genoemde bewijslevering overbodig zijn. Dat verweer wordt echter verworpen. Het feit dat [naam stichting] betwist dat de slechthorendheid van [appellante] aan de arbeidsomstandigheden is te wijten, brengt niet mee dat zij zich niet in redelijkheid op het standpunt zou kunnen stellen dat [appellante] reeds vóór 1999 daadwerkelijk in staat was de vordering in te stellen.

4.8.

Ten slotte heeft [appellante] aangevoerd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aangezien [naam stichting] jarenlang haar zorgplicht jegens haar heeft geschonden. Ook dat verweer wordt verworpen. De normschending, ook al heeft die geduurd van circa 1981/1982/1983 tot in 1990, is onvoldoende voor het oordeel dat een beroep op verjaring van de daarop gebaseerde vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van een normschending is immers in alle gevallen, al was het maar veronderstellenderwijs, sprake. Er zijn in dit geval onvoldoende bijzondere omstandigheden om dan tot het oordeel te komen dat juist die normschending het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt.

4.9.

Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [naam stichting] toe tot het in rechtsoverweging 4.6. vermelde bewijs,

bepaalt dat, indien [naam stichting] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 14 januari 2014 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [naam stichting] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.E.B. ter Heide, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip,

bepaalt dat [naam stichting] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 14 januari 2014, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [naam stichting] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, M.F.J.N. van Osch en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey