Hof: Verwijzing naar schadestaatprocedure niet in belang van partijen

Samenvatting:

Spanning op het werk veroorzaakte een ernstige persisterende depressieve stoornis. De mening van de deskundige van werkgever staat op gespannen voet met die van de door de rechter benoemde deskundige. De gebezigde motivering van de door het hof benoemde deskundige komt het hof overtuigend voor. Weliswaar hebben de vader en zuster hun leven zelf beëindigd, maar werknemer heeft altijd goed gefunctioneerd tot de laatste jaren voor zijn ziekmelding. Bij gebreke aan gebleken eerdere periodes van depressiviteit ligt het in de rede om de werksituatie als een belangrijke luxerende factor te beschouwen. De relatie van werknemer met zijn leidinggevende is destructief geweest en de traumatiserende situatie is te lang gehandhaafd. Partijen vorderen verwijzing naar een schadestaatprocedure. Toewijzing zou betekenen dat partijen weer in een nieuwe procedure verzeild zullen kunnen raken. Het hof acht dit niet in het belang van partijen en gelast een comparitie.

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 19-02-2019
Datum publicatie 20-02-2019
Zaaknummer 200.167.887_01 en 200.167.892_01
Formele relaties Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2678
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2234
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4857
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid van de werkgever voor psychisch letsel dat is ontstaan in de uitoefening van werkzaamheden. Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2017:2234 en ECLI:NL:GHSHE:2017:4857.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers 200.167.887/01 en 200.167.892/01

arrest van 19 februari 2019

in de bij arrest van 14 juli 2015 gevoegde zaken onder zaaknummer 200.167.887/01 van

[de vennootschap naar Belgisch recht (200.167.887_01)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen [de vennootschap naar Belgisch recht (200.167.887_01)] ,

advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout,

tegen

[geïntimeerde (200.167.887_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen [geïntimeerde (200.167.887_01)] ,

advocaat: mr. C.C. Wijburg te Utrecht,

en onder zaaknummer 200.167.892/01 van

[appellant (200.167.892_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.J. Knotter te Utrecht,

tegen

[de vennootschap naar Belgisch recht (200.167.892_01)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 23 mei 2017 en 14 november 2017 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 2476787 CV EXPL 13-7303 en 2096571 CV EXPL 13-3596 gewezen vonnissen van respectievelijk 28 januari 2015 en 12 november 2014.

8. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenarrest van 14 november 2017;
– het deskundigenbericht van 17 april 2018 van prof. dr. H.J.C. van Marle;
– een brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] aan de deskundige van 19 juni 2018;
– een brief van de deskundige aan [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] van 11 juli 2018;
– de memorie na deskundigenbericht van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] van 21 augustus 2018;
– de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [de vennootschap naar Belgisch recht] van 16 oktober 2018 met als prod. een brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] van 9 oktober 2018.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.1. In het tussenarrest van 23 mei 2017 heeft het hof – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat de grief slaagt tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de vennootschap naar Belgisch recht] aan haar zorgplicht had voldaan. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de devolutieve werking van het hoger beroep met zich brengt dat in dat geval de andere verweren van [de vennootschap naar Belgisch recht] beoordeeld moeten worden, waaronder het verweer dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] geen schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werk en het verweer dat een causaal verband tussen het door [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] verweten gedrag van [planner] en de door hem geleden schade ontbreekt. Het hof verwijst naar r.o. 3.11 van dit tussenarrest. Na te hebben overwogen dat een werkgever ook aansprakelijk kan zijn voor psychische schade (r.o. 3.12.1), heeft het hof uiteindelijk geoordeeld dat een onderzoek door een deskundige nodig was naar de door het hof in r.o. 3.18 geformuleerde vraagstelling.

9.1.2. In het tussenarrest van 14 november 2017 heeft het hof prof. dr. H.J.C. van Marle benoemd om onderzoek te verrichten naar de vragen die in het eerdere tussenarrest waren geformuleerd. Prof. van Marle zal verder worden aangeduid als ‘de deskundige’. Naar aanleiding van zijn rapport heeft nog een briefwisseling plaatsgevonden tussen de deskundige en [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] , de medisch adviseur van [de vennootschap naar Belgisch recht] . Deze briefwisseling is in aanvulling op het rapport van de deskundige aan het procesdossier toegevoegd.

Terzijde merkt het hof op dat in de hiervoor in r.o. 8 genoemde brief van de deskundige van 11 juli 2018 wordt verwezen naar “uw schrijven d.d. 17.06.18” hetgeen het hof voorkomt als een verschrijving voor de het hof wél bekende brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] van 19 juni 2018.

9.2.1. Voor zover dat hieronder niet wordt geciteerd of daar specifiek naar wordt verwezen, verwijst het hof voor de uitvoering van het onderzoek, de bevindingen van de deskundige en diens conclusies naar de inhoud van het rapport van de deskundige, partijen genoegzaam bekend. Meer in het bijzonder geldt dat ook voor de beantwoording van de eerste zes vragen.

9.2.2. Als diagnose (vraag 7) heeft de deskundige gesteld:

“De classificatie volgens de DSM-V luidt als volgt:

(Code 300.4) Persisterende depressieve stoornis (dysthymie) met angstige spanning, matig ernstig.

Op de datum 13 mei 2009:

(Code 300.4) Persisterende depressieve stoornis (dysthymie) met angstige spanning, ernstig.

Tevens is er sprake van narcistische, vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidstrekken.

V62.29 Problemen verband houdende met werk of werkloosheid.

V15.89 Andere persoonlijke risicofactoren.

Zie verder onder Beschouwing

Kortom:

In het beloop van de tijd na de peildatum 13.05.09 is betrokkenes diagnose niet veranderd, maar is wel onder invloed van de behandelingen die hij heeft ondergaan en nu nog ondergaat (i.c. zijn medicamenteuze therapie en de dagbehandeling) het toestandsbeeld aanzienlijk in ernst verminderd. Een momentopname zoals het huidige psychiatrisch onderzoek is echter in staat bij betrokkene weer alle emoties, inclusief de integratie- en regulatieproblematiek ervan, te actualiseren en op te wekken. De statische factoren in dezen zijn betrokkenes persoonlijkheidsstructuur zoals boven omschreven, en de onderhoudende factor van de juridische procedure.”

Blijkens de beschouwing van de deskundige (rapport, p. 15) wordt de stoornis gekenmerkt door een sombere stemming gedurende het grootste deel van de dag, meer dagen wel dan niet, in en door slaapstoornissen, initiatiefverlies, een gering gevoel van eigenwaarde, moeite met beslissingen nemen. De deskundige merkt op dat deze stoornis al langer dan twee jaar aanwezig is, met als specificatie ‘met angstige spanning’: zich opgedraaid of gespannen voelen, zich uitzonderlijk rusteloos voelen, moeite hebben zich te concentreren door ongerustheid, het gevoel hebben de zelfbeheersing te verliezen, matig ernstig. Ten tijde van betrokkene’s ziekmelding d.d. 13.05.09 was er volgens de deskundige sprake van een persisterende depressieve stoornis met angstige spanning, ernstig, aangezien betrokkene toen veel meer dan tijdens het huidige onderzoek geagiteerd en rusteloos is geweest en meer moeite had om zijn zelfbeheersing te bewaren.

9.2.3. Ten aanzien van de factoren die hebben bijgedragen aan de (geestelijke) gezondheidstoestand van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] per 13 mei 2009 (vraag 8) merkt de deskundige op:

“Zoals beschreven onder Beschouwing is er in de loop der jaren voor de peildatum 13.05.09 een geleidelijke decompensatie van betrokkenes persoonlijkheidsstructuur opgetreden door de voortdurende stress die hij ervoer in de werksituatie, met name de voor hem onvoorspelbaarheid van de planning van zijn ritten en zijn onmacht in dezen. Betrokkenes persoonlijkheidsstructuur zoals boven omschreven was niet in staat de feitelijkheden van de werksituatie te integreren en zich daaraan aan te passen. Voor de aard van de feitelijkheden van de werksituatie, de invloed en belasting die deze hebben gehad op betrokkene als werknemer, de pogingen van betrokkene als werknemer en van zijn werkgever wil ik verwijzen naar de desbetreffende stukken die daarover in het dossier aanwezig zijn. Over de relatie met zijn leidinggevende kan concluderend gezegd worden dat die te lang heeft geduurd en voor hem destructief was, hetgeen hij regelmatig heeft aangegeven. Door betrokkenes loyaliteit, zoals boven omschreven, wist hij geen afstand of afscheid te nemen; van de zijde van de werkgever is, ondanks veel uitleg en gesprekken, de traumatiserende situatie gehandhaafd. Als zodanig is de werksituatie in de jaren voor de peildatum en daarna een luxerende en vervolgens onderhoudende factor geweest voor betrokkenes klachten. Ook is de juridische procedure een onderhoudende factor omdat die steeds betrokkenes traumatisering weer actueel maakt.

Deze langdurige situatie van pre-existente en onderhoudende factoren, gecombineerd met betrokkenes predispositie in zijn persoonlijkheidsstructuur van afhankelijkheid (loyaliteit) en vermijding (problemen met het uiten van agressie, problemen om voor zichzelf op te komen) hebben geleid tot een stoornis in de aanpassingsmogelijkheden van betrokkene, uiteindelijk leidende tot een persisterende depressieve stoornis met angstige spanning.”

De deskundige merkt in zijn beschouwing (rapport, p. 15) op dat niet geconcludeerd kan worden tot een posttraumatische stressstoornis. Ook merkt hij op dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, omdat er geen sprake is geweest van een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van betrokkene wordt verwacht. [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] is volgens de deskundige sociaal betrokken en heeft conform zijn capaciteiten zijn loopbaan vorm weten te geven. Wel merkt de deskundige op dat gesteld kan worden dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] qua karakter gesloten en inflexibel is en inmiddels vanuit zijn chronische gekrenktheid neigt tot achterdocht en zwart-wit denken. Zijn persoonlijkheid maakt dan ook volgens het rapport van de deskundige deel uit van en onderhoudt zijn huidig toestandsbeeld, in die zin dat betrokkene zijn arbeidsconflict niet weet te relativeren en het dagelijks weer actueel is voor hem. Hij voelt zich er volgens de deskundige door gekrenkt en afgewezen.

9.3.1. In de brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] van 19 juni 2018 aan de deskundige (r.o. 9.1.2) merkt deze op dat zijns inziens uit de overgelegde correspondentie niet blijkt van het bestaan van een chronisch depressieve stoornis op de peildatum 13 mei 2009. Meer in het bijzonder verwijst de medisch adviseur naar een brief van de psycholoog [psycholoog] van 27 augustus 2008, het overzicht van contacten zoals aangegeven door [bedrijfsarts 3] , correspondentie van de huisarts [huisarts] bij diens brief van 24 april 2012 en gegevens van de psychiater [psychiater 1] van 9 november 2012.

9.3.2. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van die deskundige volgt, zal de rechter die beslissing in het algemeen niet verder hoeven te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468). Het hof heeft in het tussenarrest van 23 mei 2017 al aandacht besteed aan de verschillende stukken die zich in het dossier bevinden, waaronder het overzicht van [bedrijfsarts 3] (r.o. 3.15), de brief van [psycholoog] (r.o. 3.14) en het rapport van [psychiater 1] (3.16.1 en 3.16.2). Het hof vindt in de inhoud van de reactie van de medisch adviseur van [de vennootschap naar Belgisch recht] geen aanleiding om terug te komen op hetgeen het hof dienaangaande in zijn tussenarrest heeft overwogen.

Voor zover de conclusie van [psychiater 1] afwijkt van de conclusie van de door het hof benoemde deskundige stelt het hof vast dat ook [psychiater 1] heeft opgemerkt dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] lijdend was aan depressieve klachten. De waarnemingen van [psychiater 1] over het gedrag van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] tijdens zijn contact met [psychiater 1] komen overeen met die van de deskundige. De psychiater [psychiater 2] , geciteerd in het rapport van de deskundige (p. 6), constateert in een schrijven van 3 juli 2012 onder “Conclusie” dat er aan de zijde van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] bijzonder veel woede en boosheid leeft met betrekking tot hetgeen hem is overkomen in relatie tot zijn werk. Ook de deskundige merkt op (rapport p. 14, Psychiatrisch onderzoek) dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] een gespannen en geagiteerde indruk maakte, dat hij emotioneel labiel bleef en zowel qua ademhaling als qua houding gespannen en dat er sprake was van woede-uitbarstingen en slechte zelfbeheersing. De deskundige wijst er bovendien op dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] ten tijde van het gesprek met [psychiater 1] nog steeds een antidepressivum gebruikte in de maximale dosering. Ten slotte merkt de deskundige op (p. 15) dat op grond van het door hem uitgevoerde psychiatrisch onderzoek moet worden geconcludeerd dat sprake was van een depressieve stoornis en dat die stoornis al langer dan twee jaar aanwezig is. Gelet op het voorgaande acht het hof de gerapporteerde bevindingen van de deskundige overtuigend en hier doorslaggevend, reden waarom het hof de deskundige volgt in diens conclusie dat sprake is van een chronische, persisterende depressieve stoornis.

9.4.1. De medisch adviseur van [de vennootschap naar Belgisch recht] heeft voorts nog opgemerkt dat de deskundige geen, althans niet voldoende, aandacht heeft besteed aan de omstandigheid/mogelijkheid dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] familiair belast was, omdat zijn vader en zuster (geslaagde) pogingen zouden hebben ondernomen om hun leven te beëindigen. Dienaangaande heeft de deskundige in een brief van 11 juli 2018, een reactie op de brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] , opgemerkt dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] altijd goed heeft gefunctioneerd tot de laatste jaren voor zijn ziekmelding, zonder dat daarvoor eerdere periodes van depressiviteit bekend zijn (brief 11 juli 2018, p. 6).

9.4.2. Het hof volgt de deskundige in zijn conclusie dat het – bij gebreke aan gebleken eerdere periodes van depressiviteit – in de rede ligt om de werksituatie als een belangrijke luxerende factor te beschouwen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking hetgeen de deskundige in zijn rapport onder het hoofd ‘Autoanamnese’ heeft vermeld (p. 10-11). Daaruit blijkt dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] zelf zijn klachten hoofdzakelijk relateert aan de arbeidssituatie. Dat enige andere traumatische ervaring of ‘life event’ bij zijn psychische gesteldheid een rol heeft gespeeld en nog speelt, blijkt daar niet uit. De deskundige merkt in antwoord op vraag 5 ook op dat er sprake is van een consistentie tussen enerzijds het verhaal van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] zelf, de feiten zoals die blijken uit de ter beschikking staande stukken, de gevolgde behandelingen en de eigen bevindingen van de deskundige tijdens het psychiatrisch onderzoek. Dat een ‘familiale predispositie’ als factor een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de huidige en voortdurende psychische gesteldheid van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] acht het hof daarom niet aannemelijk of anderszins aangetoond, nog daargelaten welke betekenis dat zou kunnen hebben voor de aansprakelijkheid van [de vennootschap naar Belgisch recht] of voor de schadebegroting.

9.5. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de opmerkingen van de medisch adviseur van [de vennootschap naar Belgisch recht] , zowel in de in 9.1.2 genoemde correspondentie als in de brief van [de medisch adviseur van de vennootschap naar Belgisch recht] gehecht aan de memorie na deskundigenbericht van [de vennootschap naar Belgisch recht] – welke laatste brief het hof met betrekking tot de kern beschouwt als een herhaling van zetten -, geen afbreuk doen aan de gerapporteerde bevindingen en conclusies van de deskundige, die het hof dan ook hier overneemt en tot de zijne maakt.
Op grond van deze bevindingen en conclusies van de deskundige komt het hof tot de slotsom dat afdoende is gebleken dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] ten tijde van zijn ziekmelding in mei 2009 lijdende was aan een psychische stoornis die tot zijn uitval heeft geleid. De deskundige merkt in dat kader op dat de relatie van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] met zijn leidinggevende voor [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] destructief is geweest en dat de traumatiserende situatie te lang is gehandhaafd, waardoor de werksituatie een ontwrichtende en vervolgens onderhoudende factor is geweest. Hiermee is naar het oordeel van het hof afdoende vastgesteld dat de slechte (en zich verslechterende) relatie tussen [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] en zijn leidinggevende – en daarmee de omstandigheden waaronder [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] zijn werk moest uitvoeren – als oorzaak in de zin van ‘condicio sine qua non’ kan worden aangewezen voor het uitvallen van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] . Dit betreft psychisch letsel dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft opgelopen.

9.6. Hoewel de deskundige niet als zodanig de diagnose ‘burn out’ heeft gesteld, is het hof van oordeel dat afdoende is komen vast te staan dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] als gevolg van psychische klachten die door werkgerelateerde omstandigheden zijn ontstaan, arbeidsongeschikt is geraakt en dat het wat dat betreft niet uitmaakt of de diagnose ‘burn out’ luidt, dan wel ‘persisterende depressieve stoornis (dysthymie)’. In beide situaties is het resultaat immers dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] is uitgevallen.
In het tussenarrest van 23 mei 2017 heeft het hof geoordeeld dat, indien zou komen vast te staan dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] in de uitoefening van zijn werk een burn out heeft ontwikkeld, het hof voorshands van oordeel is dat [de vennootschap naar Belgisch recht] bij gebreke van een deugdelijk onderzoek naar de door [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] aangevoerde feiten in haar reactie op de klachten niet de zorgvuldigheid heeft betracht die zij als werkgeefster in acht had te nemen (r.o. 3.10). Het hof ziet op grond van het vorenoverwogene geen redenen om daarop nu terug te komen. Dat betekent dat [de vennootschap naar Belgisch recht] naar het oordeel van het hof gehouden is om de door [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] als gevolg van het opgelopen psychisch letsel geleden schade te vergoeden.

9.7. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten om partijen de gelegenheid te bieden om zich nader uit te laten over de consequenties van dit eindoordeel van het hof voor het vervolg van de zaak, meer in het bijzonder om te bezien of de zaak – alsmede de parallel lopende zaak op voet van artikel 7:681 BW (oud) – met een regeling beëindigd kan worden. Daarbij merkt het hof op dat [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] in deze letselschadezaak de verwijzing vordert naar een schadestaatprocedure. Toewijzing daarvan zou betekenen dat partijen nog weer in een nieuwe procedure verzeild zullen kunnen raken die naar verwachting weer jarenlang kan gaan duren. Het hof acht dit niet in het belang van beide partijen, te minder nu uit het rapport van de deskundige ook blijkt dat een verbetering van de (psychische) gezondheidstoestand van [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] niet valt te verwachten zo lang partijen nog met elkaar in juridische procedures verwikkeld zijn.
Met het oog op de doelstelling van de comparitie verzoekt het hof [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] om op voorhand tijdig, bij voorkeur vier weken vóór de te houden comparitie, het hof en de wederpartij een met bescheiden onderbouwde (voorlopige) schadestaat te doen toekomen, opdat het hof en [de vennootschap naar Belgisch recht] zich een beeld kunnen vormen over de omvang van de schade en daar tijdens de te houden comparitie inhoudelijk over kan worden gediscussieerd.

Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden.

10 De uitspraak
Het hof:

In de zaken met de zaaknummers 200.167.887/01 en 200.169.892/01:

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. J.W van Rijkom als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ‘s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 9.7 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 5 maart 2019 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 8 tot 16 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat, indien (één van) partij(en) wenst/wensen dat de zitting zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer, die partij(en) dat bij gelegenheid van de opgave van de verhinderdata moet(en) vermelden;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt [geintimeerde (200.167.887_01) en appellant (200.167.892_01)] om tijdig, doch uiterlijk vier weken vóór de te houden comparitie, de hiervoor onder 9.7 bedoelde onderbouwde (voorlopige) schadestaat te doen toekomen aan de wederpartij en aan het hof;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, R.J.M. Cremers en M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 februari 2019.

griffier rolraadsheer

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots