Hof: vervoerder aansprakelijk voor letsel passagier die door taxibusje loopt, wel mogelijk eigen schuld

Samenvatting:

Passagier van taxibusje loopt tijdens de rit door busje om (arbeidsgehandicapte) medepassagier te helpen met gorgel; zij komt ten val als wordt geremd. 1. Het hof acht, anders dan de kantonrechter, de vervoerder aansprakelijk art. 8:1147 BW en verwerpt het beroep op overmacht (art. 8:1148 BW). Uit de verklaring van de chauffeur volgt niet dat hij geen gelegenheid had om toen hij zag dat appellante opstond en door de taxibus liep haar te waarschuwen en/of de taxibus tot stilstand te brengen. 2. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld wordt een bewijsopdracht gegeven aan vervoerder.

ECLI:NL:GHARL:2019:5058

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

18-06-2019

Datum publicatie

20-06-2019

Zaaknummer

200.220.067/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Passagier van taxibusje gaat tijdens de rit lopen en komt ten val. Anders dan de kantonrechter verwerpt het hof het door de vervoerder gedane beroep op overmacht. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld wordt een bewijsopdracht gegeven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.220.067/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4797219 CV EXPL 16-1428)

 

arrest van 18 juni 2019

 

in de zaak van

 

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.L. Bron, kantoorhoudend te Groningen,

 

tegen

 

Reva Taxi B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Reva,

advocaat: mr. I.V. Hermans, kantoorhoudend te Rotterdam.

 

 

Het hof neemt het tussenarrest van 21 augustus 2018 hier over.

 

1

 

  1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

 

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich bij de stukken.

 

1.2

De zaak is verwezen naar de rol voor uitlating voortprocederen. Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd en de processtukken overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

 

2

 

  1. De vaststaande feiten

 

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

 

2.2

[appellante] is werkzaam bij Iederz, de sociale werkvoorziening van de gemeente Groningen, die passende werkplekken aanbiedt aan mensen met een arbeidshandicap. Voor [appellante] was dat in mei 2015 een werkplek bij Niemeyer Tabak in Groningen.

 

2.3

[appellante] maakt voor haar woon-werkverkeer gebruik van taxivervoer door Reva.

 

2.4

Op woensdagmiddag 20 mei 2015 is [appellante] na haar werk opgehaald door een (rolstoel)taxibus van Reva (dat toen overigens Bios Personenvervoer B.V. heette). De bus werd bestuurd door de heer [B] (hierna: de chauffeur). Nadat [appellante] was opgehaald zijn nog enkele andere passagiers opgehaald, waaronder mevrouw [C] (hierna: [C] ).

 

2.5

Nadat de andere passagiers waren opgehaald en plaats hadden genomen, is de taxibus weggereden. [appellante] heeft vervolgens haar eigen veiligheidsgordel losgemaakt en is van haar zitplaats opgestaan. Toen de taxibus afremde, is [appellante] ten val gekomen.

 

2.6

Van 22 tot 29 mei 2015 is [appellante] opgenomen geweest in het Universitair Medisch Centrum Groningen (hierna: UMCG) vanwege een wervelfractuur. In een brief van

29 mei 2015 heeft arts-assistent chirurgie [D] daarover onder meer geschreven:

“Reden van opname

– Traumamechanisme: 20-05-2015, deceleratie trauma in taxi, patient presenteerde zich op 22-05-2015.

diagnose: Fractuur wervel L1, type A3.1”

 

2.7

In brieven van 9 juni en 22 september 2015 heeft [appellante] Reva aansprakelijk gesteld voor de schade vanwege het door [appellante] opgelopen letsel en de door haar geleden schade. Reva heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

 

2.8

De ziektekostenverzekeraar van [appellante] , Menzis, heeft Reva aangesproken tot verhaal van de kosten van medische behandelingen die [appellante] in verband met het voorval heeft moeten ondergaan.

 

3

 

  1. De procedure in eerste aanleg

 

3.1

[appellante] heeft Reva gedagvaard en betaling gevorderd van € 10.121,-, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat de chauffeur, hoewel hij daarvoor verantwoordelijk was en ondanks herhaalde verzoeken, de gordel van [C] niet heeft vastgemaakt. [C] was zelf niet in staat de gordel vast te maken. [appellante] is, terwijl de taxibus stapvoets reed, opgestaan om [C] met de gordel te helpen. Toen zij daarmee klaar was en naar haar plaats terugliep, remde de chauffeur ineens hard, waardoor [appellante] ten val kwam. [appellante] is als personenvervoerder aansprakelijk voor letsel van de passagier. Van overmacht is geen sprake. Subsidiair heeft [appellante] zich op zaakwaarneming beroepen.

 

3.2

Reva heeft Iederz in vrijwaring opgeroepen. In de hoofdzaak heeft zij bestreden dat [appellante] schade heeft geleden (volgens haar is de schade ontstaan door een ongeval op

22 mei 2015) en heeft zij zich op – kort gezegd – overmacht beroepen en op eigen schuld aan de zijde van [appellante] . [appellante] heeft in strijd met haar wettelijke verplichting om een gordel te dragen en onnodig haar gordel losgemaakt en is gaan staan. [B] kon en hoefde daar geen rekening mee te houden.

 

3.3

De kantonrechter heeft in het vonnis van 17 januari 2017 de feiten vastgesteld en de standpunten van partijen weergegeven. In dat vonnis heeft hij ook een comparitie van partijen gelast. Nadat de comparitie had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 9 mei 2017 de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. Volgens de kantonrechter staat wel vast dat [appellante] letsel heeft opgelopen bij het voorval van 20 mei 2015, maar kan Reva zich met succes op artikel 8:1148 BW beroepen. Volgens de kantonrechter kan niet aan de chauffeur worden toegerekend dat [appellante] haar veiligheidsgordel heeft losgemaakt en door de taxibus is gaan lopen en kan van de chauffeur ook niet verwacht worden dat hij voortdurend in de gaten houdt wat er achterin de auto gebeurt. Dat hij niet heeft opgemerkt dat [appellante] haar gordel had losgemaakt en was gaan lopen, kan om die reden niet als onzorgvuldig worden beschouwd, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft het (subsidiaire) beroep op zaakwaarneming verworpen.

 

4

 

  1. De bespreking van de grieven

 

4.1

De grieven 1, 3 en 4 betreffen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Het hof heeft de feiten zelfstandig vastgesteld en daarbij in aanmerking genomen wat [appellante] in de toelichting op de grieven over de feiten naar voren heeft gebracht. Ook heeft het hof rekening gehouden met het gegeven dat de advocaat van [appellante] en [appellante] zelf bij gelegenheid van de comparitie in hoger beroep hebben aangegeven dat [appellante] al in de taxibus zat toen [C] instapte. De kantonrechter is daarvan ook uitgegaan bij de vaststelling van de feiten. Voor zover [appellante] met (de toelichting op) grief 1 betoogt dat [appellante] en [C] op dezelfde plaats zijn ingestapt, heeft zij dit betoog onvoldoende onderbouwd in het licht van wat zij en haar advocaat ter comparitie naar voren hebben gebracht. De grieven falen bij gebrek aan belang.

 

4.2

Dat geldt ook voor grief 2, waarin [appellante] zich keert tegen de weergave door de kantonrechter van haar stellingen. Daargelaten dat [appellante] niet duidelijk heeft gemaakt, wat de gevolgen van deze weergave zijn voor het oordeel van de kantonrechter, zal het hof in het kader van het appel zal het hof de stellingen van [appellante] in hoger beroep opnieuw beoordelen.

 

4.3

De advocaat van [appellante] heeft ter comparitie het beroep op zaakwaarneming ingetrokken. Dat betekent dat grief 9, waarin [appellante] zich keert tegen het oordeel van de kantonrechter over de zaakwaarneming faalt.

 

4.4

Reva heeft in eerste aanleg betoogd dat de schade van [appellante] niet het gevolg is van het voorval op 20 mei 2015, maar van een [appellante] op 22 mei 2015 overkomen ongeval. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen. Omdat dit verweer het meest vergaande verweer van Reva is zal het hof dit door Reva in hoger beroep niet prijsgegeven verweer, gelet op de devolutieve werking van het appel, eerst beoordelen.

4.5 Reva heeft het verweer gebaseerd op de correspondentie tussen haar en Menzis waarin 22 mei 2015 wordt genoemd als datum van het ongeval waarbij [appellante] letsel heeft opgenomen. [appellante] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermelding van deze datum door Menzis een vergissing is, die waarschijnlijk het gevolg is van het feit dat zij zich pas op 22 mei 2015 onder medische behandeling heeft laten stellen. Die verklaring van [appellante] vindt steun in de in rechtsoverweging 2.6 aangehaalde brief van het UMCG, waaruit blijkt dat [appellante] op 22 mei 2015 is opgenomen vanwege een fractuur die zij op 20 mei 2015 heeft opgelopen. In het licht hiervan heeft Reva haar verweer dat [appellante] op 22 mei 2015 een (ander) ongeval heeft gehad en bij dit ongeval letsel heeft opgelopen onvoldoende onderbouwd. Het hof passeert dit verweer dan ook.

 

4.6

Partijen zijn het erover eens dat Reva op grond van artikel 8:1147 BW in beginsel – behoudens een geslaagd beroep op artikel 8:1148 of 8:1155 BW – volledig aansprakelijk is voor schade door letsel van [appellante] . Het hof merkt daarbij op dat hoewel [appellante] geen partij is bij de overeenkomst van personenvervoer zij Reva wel rechtstreeks kan aanspreken (vgl. Hoge Raad 11-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1628). Zij zijn verdeeld over de vraag of Reva zich met succes op artikel 8:1148 BW of 8:1155 BW kan beroepen.

 

4.7

De kantonrechter heeft in het eindvonnis overwogen dat Reva aan aansprakelijkheid op grond van artikel 8:1147 BW kan ontkomen “door naar de letter van artikel 8:1148 BW aan te tonen dat hij naar de maatstaf van een ‘zorgvuldig vervoerder’ en de omstandigheid die het schadevoorval heeft veroorzaakt, het ongeval niet heeft kunnen vermijden en de schadelijke gevolgen ervan niet heeft kunnen verhinderen. Het dient bij deze beoordeling te gaan om een geobjectiveerd schuldbegrip: beslissend is wat in het algemeen een zorgvuldig vervoerder kan vermijden respectievelijk verhinderen, ongeacht of de betrokken vervoerder hiertoe in staat is. De bewijslast van deze bevrijdende omstandigheden rust op de vervoerder.”

Met grief 5 komt [appellante] op tegen wat de kantonrechter heeft overwogen over de vereisten voor een succesvol beroep op artikel 8:1148 BW.

 

4.8

Uit de grief en de toelichting erop volgt niet waarom de kantonrechter volgens [appellante] een verkeerd criterium heeft toegepast. Dat criterium bestaat uit twee volzinnen. De eerste volzin is een weergave van de tekst van artikel 8:1148 BW. Die tekst wordt door [appellante] in haar toelichting ook aangehaald. In de tweede volzin geeft de kantonrechter aan dat het om een geobjectiveerd schuldbegrip gaat. Dat betoogt [appellante] in de toelichting op haar grief ook, met een verwijzing naar literatuur en jurisprudentie. In haar memorie van antwoord betoogt Reva weliswaar dat de verwijzingen van [appellante] niet correct zijn, maar bestrijdt zij het door de kantonrechter gehanteerde (objectieve) overmachtscriterium niet.

 

4.9

Het criterium van artikel 8:1148 BW komt op een aantal plaatsen terug in boek 8 BW, onder meer in artikel 8:82 lid 1 en 8:1098 lid 1 BW. De tekst is ontleend aan het internationale weg- en spoorvervoerrecht (vgl. artikel 17 lid 2 CMR). In de literatuur wordt er daarom overwegend van uitgegaan dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overmacht in de zin van de genoemde bepalingen uit boek 8 BW aansluiting moet worden gezocht bij het door de Hoge Raad voor wat betreft het internationale wegvervoer van goederen ontwikkelde criterium. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH0389) artikel 17 lid 2 CMR, waarop dus ook art. 8:1148 lid 1 BW is geënt, aldus uitgelegd dat een vervoerder zich slechts met succes op overmacht kan beroepen indien hij aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies

(het betrof daar ladingschade) te voorkomen. Het hof volgt [appellante] dan ook in het betoog dat de lat voor een geslaagd beroep op overmacht hoog ligt. Uit het vonnis volgt niet dat de kantonrechter dat anders heeft gezien. De grief faalt dan ook.

 

4.10

De grieven 6 tot en met 8 hangen met elkaar samen. Met deze grieven komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van Reva op artikel 8:1148 lid 1 BW slaagt. Het hof zal de grieven tezamen behandelen en daarbij betrekken wat het bij de bespreking van grief 5 heeft overwogen over het criterium van artikel 8:1148 lid 1 BW. Daarbij stelt het hof voorop dat tussen partijen, terecht, niet ter discussie staat dat stelplicht en bewijslast van de omstandigheden die aan het beroep op artikel 8:1148 lid 1 BW ten grondslag liggen, op de vervoerder, in dit geval dus Reva, rusten. Het is dan ook van belang om eerst na te gaan wat Reva aan haar beroep op artikel 8:1148 lid 1 BW ten grondslag heeft gelegd.

 

4.11

Volgens Reva is de val van [appellante] het “directe en loutere gevolg” van het feit dat [appellante] uit eigen beweging en zonder enig overleg met of mededeling aan de chauffeur haar autogordel heeft losgemaakt, haar zitplaats heeft verlaten, door de taxibus is gaan lopen en de chauffeur op dat moment moest remmen voor het verkeer. De chauffeur kon niet vermoeden dat [appellante] haar autogordel zou losmaken en door een rijdend voertuig zou gaan lopen. Hij kon evenmin verhinderen dat [appellante] in de door haar zelf gecreëerde gevaarlijke situatie ten val zou komen, omdat de taxibus deelnam aan het verkeer en zich in de verkeersdrukte bevond op het moment dat [appellante] in de taxibus ging lopen. De chauffeur hoefde er ook geen rekening mee te houden dat [appellante] de gordel zou losmaken en door de taxibus zou gaan lopen. Hij kon dat ook niet voorkomen. [appellante] zat in de gordels toen de bus vertrok, [appellante] had geen reden om haar gordel los te maken – [C] zat, anders dan [appellante] stelt, wel in de gordels en los daarvan was het niet de taak van [appellante] om [C] te gaan helpen, [appellante] is niet opgestaan om [C] te helpen met haar gordel maar om het passagierspasje van [C] op te rapen – en heeft ook niet aangekondigd dat zij dat zou gaan doen. Bovendien was [appellante] een handelingsbekwame meerderjarige, die niet was aangewezen op begeleid vervoer en wist, moest weten, dat zij de gordel moest (blijven) dragen, aldus Reva.

 

4.12

Het hof is met Reva van oordeel dat ook wanneer de gordel van [C] niet was vastgemaakt, zoals [appellante] stelt maar Reva bestrijdt, de chauffeur er geen rekening mee hoefde te houden dat [appellante] , van wie de gordel naar tussen partijen niet ter discussie staat wel vast was, tijdens het rijden met de bus haar gordel zou losmaken en op zou staan om de gordel van [C] vast te maken. Bij de beoordeling van het beroep op artikel 7:1148 lid 1 BW kan dan ook in het midden blijven of de gordel van [C] nu wel of niet was vastgemaakt.

Het hof volgt Reva eveneens in haar betoog dat niet van Reva kon worden gevergd begeleiders te laten meerijden met de bus. Reva heeft, niet gemotiveerd weersproken door [appellante] , aangevoerd dat [appellante] en de andere passagiers weliswaar arbeidsgehandicapt waren, maar dat dit niet betekent dat zij niet zonder begeleiding konden reizen.

 

4.13

Ondanks dat de chauffeur dat niet kon en hoefde te voorzien, heeft [appellante] haar gordel losgemaakt en is door de bus gaan lopen. Het enkele feit dat de chauffeur dat niet kon voorzien en dat hij toen al reed, betekent niet dat hij geen maatregelen kon nemen om aan deze – partijen zijn het daarover eens – gevaarlijke situatie een einde te maken, in elk geval vanaf het moment dat hij van die situatie kennisnam. Hij had [appellante] dan kunnen waarschuwen en/of, wanneer de verkeerssituatie dat mogelijk maakte, de taxibus (voorzichtig) langs de kant van de weg tot stilstand kunnen brengen. Dat de chauffeur dergelijke maatregelen heeft getroffen is gesteld noch gebleken, zodat de vraag rijst of hij ze had kunnen (en dus behoren te) nemen.

 

4.14

Uit de eigen schriftelijke verklaring van de chauffeur volgt dat de chauffeur voordat hij remde heeft gezien dat [appellante] door de bus liep. De chauffeur heeft onder meer verklaard:

“Tijdens de rit (om precies te zijn nadat we van Peizerweg ingevoegd hebben op Laan 1940-1945) is het passje van mevrouw die achter mij gezeten heeft de vloer gevallen. Mevrouw [appellante] , zonder wat dan ok te zeggen of vragen stond op en liep richting mevrouw [E] om het passje op te rappen. Door die onnodige en onverantwoordelijke actie van mevrouw [appellante] werd ik voor eventjes van de weg afgeleid en bij de stoplichten (Laan 1940-1945 en Leonard Springerlaan) kwam ik in de situatie terecht dat ik hard moest remmen en toen viel mevrouw [appellante] met haar schouder tegen dashboard.”

Voor zover Reva stelt dat de chauffeur niet heeft gezien dat [appellante] (op)stond, heeft zij deze stelling in het licht van de door haarzelf in het geding gebrachte verklaring van de chauffeur onvoldoende onderbouwd. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de chauffeur had behoren te zien dat [appellante] (op)stond; hij heeft het immers gezien.

 

4.15

Uit de verklaring van de chauffeur volgt niet dat hij geen gelegenheid had om toen hij zag dat [appellante] opstond en door de taxibus liep haar te waarschuwen en/of de taxibus tot stilstand te brengen. Uit zijn verklaring volgt wel dat er enige tijd zat tussen het moment dat hij zag dat [appellante] niet meer op haar plek zat en het plotseling stoppen van de taxibus: Hij heeft [appellante] immers eerst zien opstaan en toen door de taxibus zien lopen. Dat sluit aan bij de verklaring die [appellante] bij gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat zij was opgestaan, naar de stoel van [C] was gelopen, de gordel van [C] had vastgemaakt en op weg was naar haar eigen stoel toen zij ten val kwam.

Reva heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de chauffeur vanaf het moment dat hij zag dat [appellante] opstond alle in de gegeven omstandigheden van hem te vergen maatregelen heeft voorkomen om de val van [appellante] te voorkomen.

 

4.16

Gelet op deze conclusie wordt niet toegekomen aan bewijslevering, zodat in het midden kan blijven of het bewijsaanbod van Reva, dat erg algemeen is en niet ziet op de situatie tussen het moment dat de chauffeur zag dat [appellante] (op)stond en het moment dat hij remde, voldoende specifiek is.

 

4.17

De slotsom is dat Reva haar beroep op artikel 8:1148 lid 1 BW onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep op die bepaling faalt dan ook. Het oordeel van de kantonrechter dat Reva zich wel met succes op artikel 8:1148 lid 1 BW kan beroepen, kan niet in stand blijven. De tegen dit oordeel gerichte grieven slagen.

 

4.18

Het slagen van de grieven betekent nog niet dat de vorderingen van [appellante] toewijsbaar zijn. Reva heeft zich niet alleen op overmacht beroepen, zij heeft ook aangevoerd dat sprake is van eigen schuld. De kantonrechter is aan het beroep op eigen schuld niet toegekomen. Op grond van de devolutieve werking van het appel, dient het hof dit (uitdrukkelijk niet prijsgegeven) beroep alsnog te behandelen.

 

4.19

Op grond van artikel 8:1155 BW kan de aansprakelijk van de vervoerder voor de door een reiziger geleden schade geheel of gedeeltelijk worden opgeheven indien de vervoerder bewijst dat schuld of nalatigheid van de reiziger de schade heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen. Uit deze bepaling volgt dat stelplicht en bewijslast van het beroep op eigen schuld, net als bij een beroep op artikel 6:101 BW, op de vervoerder rusten. Uit de wetsgeschiedenis wordt niet duidelijk hoe artikel 8:1155 BW zich verhoudt tot artikel 6:101 BW. In de literatuur wordt aangenomen dat artikel 8:1155 BW in zoverre niet aan artikel 6:101 BW derogeert, dat net als bij artikel 6:101 BW de schade eerst wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen en dan wordt beoordeeld of een andere verdeling dient plaats te vinden wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval. Het hof zal van deze maatstaf uitgaan.

 

4.20

Het staat vast dat [appellante] haar gordel heeft losgemaakt en is gaan lopen. Dat gedrag is in strijd met de op haar rustende gordelplicht van artikel 59 RVV en gevaarzettend. Vaststaat ook dat de chauffeur geen maatregelen heeft genomen toen hij dat zag. Het is onduidelijk waarom [appellante] haar gordel heeft losgemaakt en is gaan lopen: of dat een gevolg is van het feit dat zij de gordel van [C] heeft willen vastmaken (al dan niet nadat de chauffeur vergeefs is gevraagd dat te doen), zoals [appellante] stelt, of om een andere reden, zoals Reva aanvoert. Het hof acht duidelijkheid op dit punt vooralsnog wel van belang voor de beslissing over het beroep op eigen schuld. Gelet op wat hiervoor is overwogen over stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op eigen schuld, zal het hof Reva toelaten om, conform het door haar gedane bewijsaanbod, de feiten en omstandigheden waarop haar beroep op eigen schuld van [appellante] berust te bewijzen. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat het daarbij vooral gaat om de vraag of [C] wel of niet in haar gordel zat en, daarmee samenhangend, of [appellante] haar gordel heeft losgemaakt en van haar zitplaats is opgestaan om [C] in haar gordel te helpen of om een andere reden.

 

4.21

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor opgave verhinderdata met het oog op het houden van getuigenverhoren.

 

4.22

In afwachting daarvan zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

 

5

 

  1. De beslissing

 

Het gerechtshof, voordat het verder beslist:

 

draagt Reva op te bewijzen feiten en omstandigheden waarop haar beroep op eigen schuld van [appellante] is gebaseerd;

 

bepaalt dat, indien Reva dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

 

bepaalt dat Reva het aantal voor te brengen getuigen en de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 2 juli 2019, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

 

bepaalt dat Reva overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey