Hof: trein botst op weggewaaide schuilhut, eigenaar hut niet aansprakelijk ex art 6:173 BW en 6:162 BW

Samenvatting:

Tijdens storm tilt zware windstoot mobiele schuilhut (bedoeld voor paarden) op en verplaatst hem  over een 4 meter verder gelegen, 1.80 meter hoog hek, waarna hij op het spoor terecht komt. 1. niet aansprakelijk ex art 6:173 BW (gebrekkige zaak). Het hof oordeelt dat de eigenaar van de hut niet bekend was of hoefde te zijn met het bijzondere gevaar dat de schuilhut voor personen of zaken bleek op te leveren en is daarom niet aansprakelijk is o.g.v. art. 6:173 BW. 2. De eigenaar is evenmin aansprakelijk ex art 6:162 BW. Het hof vindt dat geïntimeerde niet onrechtmatig heeft gehandeld door de mobiele schuilhut nabij het spoor en zonder verdere maatregelen te laten staan in het vooruitzicht van de storm.

 

 

ECLI:NL:GHARL:2020:7602

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

22-09-2020

Datum publicatie

24-09-2020

Zaaknummer

200.234.068

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Trein botst met op spoor gewaaide mobiele schuilhut. Hof neemt geen aansprakelijkheid aan van de eigenaar van de schuilhut.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

 

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.234.068

 

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 311943)

 

arrest van 22 september 2020

 

in de zaak van

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Arriva Personenvervoer Nederland B.V.,

 

gevestigd te Heerenveen,

 

appellante in het principaal hoger beroep,

 

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: eiseres,

 

hierna: Arriva,

 

advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

 

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

 

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: [geïntimeerde] ,

 

advocaat: mr. J.H. Tuit.

 

1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 augustus 2019 hier over. In dat arrest is een zitting bepaald die op 2 september 2020 heeft plaatsgevonden. Van de zitting is een verslag gemaakt. Beide partijen hebben op de zitting spreekaantekeningen voorgedragen. Voorafgaand aan de zitting had Arriva producties 19-21 opgestuurd. Die horen ook bij de processtukken. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

 

2De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

2.1

Tijdens de Sinterklaasstorm van 5 december 2013 heeft een zware windstoot de mobiele schuilhut van [geïntimeerde] (bedoeld voor zijn paarden) opgetild en over een 4 meter verder gelegen, 1.80 meter hoog hek verplaatst waarna deze op zijn kop is terechtgekomen op de spoorlijn Arnhem – Winterswijk. Een trein van Arriva is vervolgens tegen de schuilhut gebotst met schade tot gevolg. Arriva houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor haar schade vanwege de typische bouw en plaatsing van de schuilhut. De schuilhut is volgens Arriva gebouwd in strijd met wettelijke en/of in de branchegebruik voorschriften, onvoldoende verankerd en niet stormvast. Omdat [geïntimeerde] bedacht had moeten zijn op het wegwaaien van de schuilhut, had hij voorzorgsmaatregelen moeten nemen.

 

2.2

De rechtbank heeft de vordering van Arriva afgewezen. Ook het hof vindt dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de schade van Arriva. Dat betekent dat Arriva haar schade zelf moet dragen. Hieronder legt het hof uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

 

Opstalaansprakelijkheid

 

2.3

Arriva stelt dat de schuilhut moet worden beschouwd als een opstal en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat sprake was van een opstal. De schuilhut was zichtbaar verplaatsbaar en diende ook om naar de wei gereden te worden waar de paarden waren.

 

2.4

De schuilhut heeft [geïntimeerde] zelf voor zijn paarden gebouwd naar modellen die in de markt verkrijgbaar zijn. Hij heeft stalen veehekken aan elkaar gelast en daaraan stalen en houten balken met bouten bevestigd. Als dak is een ijzeren plaat met damwandprofiel geschroefd. De afmetingen waren circa 3m x 3m x 2,20m (lxbxh). Eén kant van de schuilhut was open, de andere drie bestonden uit een veehek. Aan de achterzijde had [geïntimeerde] twee aanhangerwieltjes bevestigd en aan de voorkant een dissel met een zwenkwiel. De dissel bevestigde [geïntimeerde] bij het verplaatsen aan zijn tractor. Voordat de schuilhut verplaatst werd, verstevigde hij de open kant met een dwarsbalk. Na het verplaatsen, groef [geïntimeerde] de helft van de wielen in tot een diepte van 10 cm en draaide hij het zwenkwiel van de dissel in. Dit allemaal zodat de paarden zich niet zouden bezeren en de schuilhut met de staalconstructie stabiel op de grond stond. Het gewicht van de schuilhut was ongeveer 340 kg. Een afbeelding (niet op schaal) maakt dit duidelijker:

 

 

2.5

Het hof is het eens met [geïntimeerde] dat het hier niet gaat om een opstal. Naar zijn aard en functie was de schuilhut bestemd om te worden verplaatst naar de wei waarin de paarden van [geïntimeerde] stonden. Dat was ook uiterlijk zichtbaar door de dissel en boven grond uitstekende wielen, die de uitstraling van een trailer hebben. Tussen partijen staat ook vast dat [geïntimeerde] de schuilhut inderdaad verplaatste, in ieder geval nog twee maanden voor het ongeval. Omdat de schuilhut geen opstal is, kan [geïntimeerde] niet op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk gehouden worden.

 

Gebrekkige zaak

 

2.6

Het tweede argument dat Arriva aanvoert voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is dat de schuilhut gebrekkig was (artikel 6:173 BW) omdat de schuilhut niet was voorzien van grondankers en het dak niet is verwijderd als voorzorgsmaatregel voor de storm. [geïntimeerde] betwist dat er sprake was van een gebrekkige zaak.

 

2.7

Ter onderbouwing van haar stelling heeft Arriva afdrukken van websites overgelegd van aanbieders van mobiele schuilhutten. Zij stelt dat die aanbieders grondankers meeleveren of aanbieden, zodat mag worden aangenomen dat een gebruikelijke voorzorgsmaatregel is om mobiele schuilhutten van grondankers te voorzien.

 

2.8

Het hof constateert dat bij twee verplaatsbare schuilhutten, waarvan één met een gewicht van 85 kg, grondankers worden meegeleverd. Dat gewicht is niet vergelijkbaar met het gewicht van de schuilhut van [geïntimeerde] (ongeveer 340 kg). Het risico van optillen door storm is bij een schuilhut van 85 kg evident groter, dan bij een zwaardere schuilhut. Daarover bestaat tussen partijen geen discussie. Deze schuilhut vormt daarom geen goed vergelijkingsmateriaal. Bij andere commercieel verkrijgbare schuilhutten zijn grondankers als accessoire genoemd, en zijn die dus optioneel. Van één andere schuilhut die wordt aangeboden is ook het gewicht genoemd: 392 kg. Bij die mobiele schuilhut worden geen grondankers geleverd en staan die in de productbeschrijving ook niet optioneel genoemd. Voor haar stelling dat het plaatsen van grondankers bij een schuilhut zoals die door [geïntimeerde] is gebouwd (met een groot gewicht en een open constructie), een gebruikelijke voorziening was, heeft Arriva te weinig aangevoerd. Daarom levert het ontbreken van grondankers geen bijzonder gevaar op voor personen of zaken.

 

2.9

Haar stellingen over het dak, die zij ter zitting heeft aangevuld, brengen ook niet mee dat de schuilhut gebrekkig was. Sommige schuilhutten hebben de mogelijkheid om een plastic zeil dat als dak dient eraf te halen bij zware windbelasting. Daarmee is niet gezegd dat [geïntimeerde] gehouden was de stalen plaat met damwandprofiel van de schuilhut te schroeven bij te verwachten windbelasting. De vorm van het dak en de plaatsing daarvan (een vierkante platte plaat met overstek en een lichte helling voor afschot) brengt ook niet mee dat de schuilhut niet voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen. Arriva heeft gesteld dat andere schuilhutten rondere daken hebben die volgens haar minder wind vangen. [geïntimeerde] heeft deskundigenrapporten overgelegd van Interseco en Lengkeek. Die rapporten zijn in opdracht van a.s.r., de verzekeraar van [geïntimeerde] , gemaakt. Daarin zijn berekeningen opgenomen. Ing. G.W. Kasper van Lengkeek heeft op de zitting verklaard dat een plat dak juist minder winddruk genereert dan een gebogen dak. De overstekken die volgens Arriva bijdragen aan winddruk doen er volgens hem niet toe omdat de constructie volledig open was. Tegenover die rapporten en de verklaring van Kasper heeft Arriva te weinig ingebracht.

 

2.10

Dat onder stormachtige omstandigheden in een uitzonderlijk geval de wind onder het dak kan slaan en de schuilhut in zijn geheel een paar meter kan optillen, zoals is gebeurd, is op zichzelf onvoldoende om de zaak als gebrekkig te beschouwen. Daarvoor is nodig dat is voldaan aan de zogenoemde bekendheidseis.

 

Bekendheidseis

 

2.11

De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op grond van artikel 6:173 BW hangt ervan af of [geïntimeerde] er redelijkerwijs op bedacht had moeten zijn dat een stevige wind onder het dak zou kunnen slaan en de hele constructie zou optillen en meters ver meenemen, met andere woorden of hij ermee bekend was dat de door hem gebruikte schuilhut, bij vatbaarheid voor windvlagen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken kon opleveren.

 

2.12

Volgens het hof hoefde een houder van paarden als [geïntimeerde] niet bekend te zijn met het risico dat de schuilhut nagenoeg verticaal (over een 1,80 meter hoog hek) kon wegwaaien. De constructie van de schuilhut, deels gelast en verder met bouten en schroeven aan elkaar gezet, in combinatie met het grote gewicht en de stabiele plaatsing op de grond maken dat [geïntimeerde] zich niet had hoeven te realiseren welk gevaar aan de schuilhut verbonden bleek. Arriva heeft op dit punt ook niet een feitelijke onderbouwing gegeven op grond waarvan [geïntimeerde] desondanks het risico kende of daar bekend mee moest zijn. Andere ongevallen met verticaal door de wind verplaatste mobiele schuilhutten zijn niet bekend en ook niet vergelijkbare ongevallen. Verder is hiervoor al geoordeeld dat grondankers geen gebruikelijke voorziening waren bij alle schuilhutten, ook zelfgemaakte. [geïntimeerde] had niet hoeven verwachten dat zijn schuilhut zonder grondankers een bijzonder gevaar zou opleveren.

 

2.13

Omdat het hof oordeelt dat [geïntimeerde] niet bekend was of hoefde te zijn met het bijzondere gevaar dat de schuilhut voor personen of zaken bleek op te leveren, kan hij niet aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:173 BW. Aan de zogenoemde tenzij-clausule komt het hof niet toe.

 

Onrechtmatige daad

 

2.14

Als laatste argument voert Arriva aan dat [geïntimeerde] zich onrechtmatig heeft gedragen door een schuilhut (zonder voorzorgsmaatregelen) dichtbij de spoorbaan te plaatsen (artikel 6:162 BW).

 

Handelen in strijd met een wettelijke plicht

 

2.15

Allereerst stelt Arriva dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met de wet. De toen geldende Spoorwegwet bepaalde namelijk dat er geen bouwwerken binnen een afstand van 11 m, gemeten van het buitenste spoor, aanwezig mocht zijn. Zij verwijst naar artikel 19 en volgende van de toen geldende Spoorwegwet.

 

2.16

In dat artikel staat, samengevat, dat het verboden is om zonder vergunning van de naast het spoor gelegen grond gebruik te maken als de grond anders gebruikt wordt dan waartoe de gronden zijn bestemd. [geïntimeerde] had geen vergunning. Partijen zijn het erover eens dat ‘bestemd’ uit artikel 19 betrekking heeft op de publiekrechtelijke bestemming van de grond. [geïntimeerde] moest dus volgens Arriva voldoen aan het destijds geldende bestemmingsplan1 en dat heeft hij volgens haar niet gedaan.

 

2.17

Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] niet in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld. Op de grond waarop de schuilhut stond, rustte de bestemming ‘agrarisch’ met dubbelbestemming ‘wonen’; [geïntimeerde] woont net buiten de bebouwde kom. Het was toegestaan op die gronden bouwwerken en voorzieningen voor het hobbymatig houden van dieren te hebben. Arriva stelt vervolgens dat sprake was van een bouwwerk en dat bouwwerken niet hoger mochten zijn dan 1,2 m.

 

2.18

Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de schuilhut geen opstal is, dus niet moet worden aangemerkt als een onroerende zaak. In het bestemmingsplan wordt ‘bouwwerk’ onder 1.37 omschreven als een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Dat was de schuilhut niet. Op de zitting is door partijen aangevoerd dat het criterium uit 1.37 gelijk is aan of strenger dan het criterium voor ‘opstal’. Ook daarom kan niet worden aangenomen dat de schuilhut een bouwwerk was waarvoor de beperking tot 1,2 m gold. Aan een voorziening voor dieren zijn verder geen beperkingen gesteld in het bestemmingsplan. Arriva heeft dan ook onvoldoende aangedragen voor de conclusie dat [geïntimeerde] in strijd met de wet heeft gehandeld. [geïntimeerde] is op die grond dan ook niet aansprakelijk te houden.

 

Handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt

 

2.19

Handelen of nalaten wat niet hoort in het maatschappelijk verkeer kan onrechtmatig zijn. Arriva stelt dat [geïntimeerde] de schuilhut niet zo dicht bij het spoor had mogen zetten, grondankers had moeten gebruiken, het dak had moeten verwijderen of andere (controle)maatregelen had moeten nemen voordat de storm kwam. De storm was aangekondigd en het was ook mogelijk om tijdig voorzorgsmaatregelen te nemen, aldus Arriva.

 

2.20

Bij deze aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW gaat het om de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen2. Arriva heeft voor de invulling van deze zogenoemde kelderluikcriteria te weinig aangevoerd. Wat de kans op schade betreft, heeft [geïntimeerde] zoals gezegd twee deskundigenrapporten in het geding gebracht. De deskundigen van Interseco en Lengkeek concluderen dat het ongeval is te wijten aan uitzonderlijke omstandigheden3. Hieruit leidt het hof af dat deze deskundigen menen dat de kans op schade (dus: dat een ongeval zich zou voordoen door (nagenoeg) verticale verplaatsing van de schuilhut) buitengewoon klein was.

 

2.21

Vanaf windkracht 8-9 is de windkracht sterk genoeg om de schuilhut op te tillen. Rond de woonplaats van [geïntimeerde] zijn volgens het rapport van Lengkeek op 5 december 2013 maximale windstoten van 23 m/s gemeten, dat staat gelijk aan ruim 9 Beaufort (storm). Het hof neemt daarom aan dat een windstoot de schuilhut heeft opgelicht en ongeveer 2 meter verticaal en enkele meters horizontaal tot op het spoor heeft geblazen. Tegenover de bevindingen van de deskundigen van [geïntimeerde] heeft Arriva onvoldoende nader (concreet) gesteld. In het rapport van Dekra, dat in haar (verzekeraars) opdracht is opgemaakt, is over de toedracht niets te vinden (de schade wordt erin begroot). Zoals hiervoor al is gezegd, zijn er verder geen andere ongevallen bekend met (mobiele) schuilhutten. Daartegenover staat weliswaar dat voorzorgsmaatregelen, zoals het plaatsen van grondankers of het verplaatsen van de schuilhut naar een meer beschutte plek, weinig bezwaarlijk moeten worden geacht, maar dat die maatregelen voor particulieren als [geïntimeerde] gebruikelijk waren, heeft Arriva onvoldoende toegelicht. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat [geïntimeerde] windgaas had kunnen plaatsen. Verder is het maar de vraag of verticaal geplaatste grondankers het ongeval hadden kunnen voorkomen. [geïntimeerde] heeft dat namelijk gemotiveerd betwist en Arriva heeft daarop te weinig concreet gereageerd. Arriva voert tot slot aan dat [geïntimeerde] de schuilhut voor de storm had moeten controleren. Nog afgezien van de vraag of die controle iets had opgeleverd, heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de schuilhut een eerdere storm in oktober 2013 ongeschonden had doorstaan.

 

2.22

Het plaatsen van de schuilhut in de nabijheid van het spoor is risicoverhogend voor een ongeval op dat spoor. Maar tussen de schuilhut en het spoor zat een afstand van 7,5 m en er stond een metalen hek van 1,8-2 m hoog (en nog een omheining van [geïntimeerde] ). Het metalen hek is door ProRail geplaatst ter afscherming van het spoor. Dat hek en de omheining maakten de kans op een ongeval veel kleiner en het plaatsen van de schuilhut nabij het spoor naar het oordeel van het hof dus aanzienlijk minder gevaarzettend. Er zijn dan ook te weinig aanknopingspunten aangevoerd om aan te kunnen nemen dat een redelijk handelend persoon die vlakbij het spoor woont en gebruik maakt van een schuilhut als die van [geïntimeerde] , rekening had moeten houden met het risico dat die schuilhut bij een storm een ongeval zou kunnen veroorzaken. Al met al vindt het hof dus dat [geïntimeerde] niet onrechtmatig heeft gehandeld door de mobiele schuilhut nabij het spoor en zonder verdere maatregelen te laten staan in het vooruitzicht van de storm. Ook als [geïntimeerde] wel onrechtmatig zou hebben gehandeld, zou hij volgens het voorgaande niet aansprakelijk zijn omdat die onrechtmatige gedraging hem dan niet kan worden toegerekend.

 

2.23

Arriva heeft bewijs aangeboden van haar stellingen, maar het hof gaat aan dat bewijsaanbod voorbij. Op onderdelen heeft Arriva haar stellingen niet voldoende concreet toegelicht in antwoord op het verweer van [geïntimeerde] . Op andere punten heeft het hof geoordeeld dat niet is voldaan aan de bekendheid/kenbaarheid van het risico. Bewijslevering van gebrekkigheid van de schuilhut heeft dan geen nut.

 

Slotsom

 

2.24

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Arriva in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van [geïntimeerde] stelt het hof vast op € 726 aan griffierecht en op € 3.918 aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

 

2.25

Aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep komt het hof niet toe. Daarin volgt dan ook geen proceskostenveroordeling.

 

3De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

bekrachtigt de vonnissen van rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 30 augustus 2017 en 29 november 2017;

 

veroordeelt Arriva in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 726 voor griffierecht en op € 3.918 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

 

veroordeelt Arriva in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval Arriva niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

 

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.J. de Kerpel-van de Poel en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

22 september 2020.

 

1Bestemmingsplan Buitengebied – 2012 van de gemeente [gemeente]

 

2Vgl. Hoge Raad van 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, Kelderluik, en vervolgarresten.

 

3Interseco p. 19: “… kan worden gesteld dat verzekerde niet kon voorzien dat de verrijdbare schuilhut op de spoorbaan terecht zou kunnen komen en wel om het volgende: – het gewicht van de verrijdbare schuilhut, – het ingraven van de wielen van de verrijdbare schuilhut, – de afstand tussen de spoorbaan en de verrijdbare schuilhut, – de aanwezigheid van afscheidingen (weideafscheiding en hekwerk) tussen het weiland en de spoorbaan, – het niet kunnen uitoefenen van enige invloed op de weersomstandigheden”. Lengkeek blad 6: “Het is dus natuurkundig verklaarbaar dat de constructie is opgewaaid en (op de kop) aan de andere zijde van de afscheiding nabij het spoor terecht is gekomen. Wel merken wij op dat gezien de zwaarte van de constructie dit niet direct verwacht zou worden. Daarnaast zou eerder verwacht worden dat (mocht de schuilhut omwaaien) deze iets gelift wordt, kantelt en dan horizontaal wordt weggeblazen. In dat geval zou de schuilhut tegen het hekwerk zijn beland. Kennelijk is in dit opmerkelijke geval de schuilhut 2 meter (of hoger) in de lucht gelift en meer dan 5 meter horizontaal geblazen, om omgekeerd (op het dak) achter het hek naast het spoor te belanden.”

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey