Hof: tankstation niet aansprakelijk voor val bezoeker in toiletruimte

Samenvatting:

Hoger beroep deelgeschil. Benadeelde komt ten val op natte vloer in toiletruimte bij een tankstation en loopt beenbreuk op. Hij stelt de eigenaars van tankstation aansprakelijk ex art. 6:174 BW en art 6:162 BW. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een gebrekkige opstal. Er is geen wettelijk voorschrift, dwingend voorgeschreven norm of gebruik m.b.t. antisliplaag. Het enkele feit dat de vloer regelmatig nat zal zijn als gevolg van dweilen brengt niet mee dat die onder het bereik van artikel 6:174 BW valt. Op de eigenaar rust wel een zorgplicht. Het hof oordeelt dat de Voldoende maatregelen getroffen ter voorkoming van het gevaar van vallen, mede in het licht van de normaal te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid van de bezoekers van het toilet. Maatregelen voldoende afgestemd op de voorzienbare risico’s. Zorgplicht reikt niet zover dat ieder risico wordt uitgesloten.

ECLI:NL:GHAMS:2019:1301

 

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

16-04-2019

Datum publicatie

26-04-2019

Zaaknummer

200.218.346/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Hoger beroep van beschikking in deelgeschil. Aansprakelijkheid, art 6:174 BW, art 6:162 BW.

 

Val van bezoeker in toiletruimte bij een tankstation. Natte vloer. Letselschade. Geen sprake van gebrekkige opstal. Geen wettelijk voorschrift, dwingend voorgeschreven norm of gebruik mbt antisliplaag. Het enkele feit dat de vloer regelmatig nat zal zijn als gevolg van dweilen brengt niet mee dat die onder het bereik van artikel 6:174 BW valt.

 

Wel zorgplicht voor eigenaar. Voldoende maatregelen getroffen ter voorkoming van het gevaar van vallen, mede in het licht van de normaal te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid van de bezoekers van het toilet. Maatregelen voldoende afgestemd op de voorzienbare risico’s. Zorgplicht reikt niet zover dat ieder risico wordt uitgesloten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.218.346/01

 

zaak-/rolnummers rechtbank Noord-Holland :

 

C/15/256538 / HA ZA 17-211 (bodemprocedure)

 

C/15/236856 / HA RK 15/215 (deelgeschil)

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 april 2019

 

inzake

 

[appellant] ,

 

wonend te [woonplaats 1] ,

 

appellant,

 

advocaat: mr. M.G.F. de Graaff-Bosch te Utrecht,

 

tegen

1 [X] & ZONEN C.V.,

 

gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

2 [Y] B.V.,

 

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

3 [geïntimeerde sub 3] ,

 

wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,

4 [geïntimeerde sub 4] ,

 

wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,

5 AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te ‘s Gravenhage,

 

geïntimeerden,

 

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd. Geïntimeerden afzonderlijk worden respectievelijk [X] & Zonen C.V., [Y] B.V., [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en Aegon genoemd.

 

[appellant] is bij dagvaarding van 21 juni 2017 houdende grieven met producties, na daartoe verkregen verlof van de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 24 mei 2017 met bovenvermeld rol- en zaaknummer, in hoger beroep gekomen van de met een tussenvonnis in de bodemprocedure gelijkgestelde beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2016 onder bovengenoemd rol- en zaaknummer in de deelgeschilprocedure gewezen tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerden] als verweerders.

 

[geïntimeerden] hebben daarna een memorie van antwoord ingediend.

 

Partijen hebben de zaak ter zitting van 14 mei 2018 doen bepleiten, [appellant] door mr. De Graaff-Bosch voornoemd, en [geïntimeerden] door mr. M.E. Verheijden, advocaat te Rotterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en alsnog – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –

 

I voor recht zal verklaren dat [X] & Zonen C.V., [Y] B.V., [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn, althans voor recht zal verklaren dat [X] & Zonen C.V., dan wel [Y] B.V., dan wel [geïntimeerde sub 3] , dan wel [geïntimeerde sub 4] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 5 februari 2014;

 

II voor recht zal verklaren dat Aegon als aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden is om op grond van artikel 7:954 BW de letselschade van [appellant] aan hem uit te keren nu verzekerde(n) [X] & Zonen C.V. en/of [Y] B.V. en/of [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 4] aansprakelijk zijn voor het [appellant] overkomen ongeval;

 

III geïntimeerden, ieder hoofdelijk, des de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen tot het betalen van een voorschot onder algemene titel op de geleden en nog te lijden schade aan [appellant] , groot € 80.000,-, dan wel een voorschot dat het hof redelijk acht;

 

IV geïntimeerden, ieder hoofdelijk, des de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot aan de algehele voldoening;

 

V geïntimeerden, ieder hoofdelijk, des de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen tot het betalen van de nog openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand groot € 14.754,18, dan wel een voorschot dat het hof redelijk acht;

 

VI geïntimeerden, ieder hoofdelijk, des de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zoals begroot door de rechtbank op een bedrag van € 3.026,vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de beschikking;

 

VII geïntimeerden, ieder hoofdelijk, des de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met nakosten en rente.

 

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

 

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

 

Het hof gaat uit van de volgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan.

2.1

 

[X] en Zonen C.V. exploiteert een benzinestation aan de [adres] .

2.2

 

[appellant] is, samen met zijn partner, op 5 februari 2014 rond 20:00 uur gestopt bij het benzinestation om te tanken en iets te eten. Het was regenachtig weer.

2.3

 

Terwijl zijn partner afrekende bezocht [appellant] het herentoilet van het benzinestation. Dat toilet was in een bijgebouw met een eigen toegangsdeur. Deze toegangs-(schuif)deur leidde tot een halletje dat toegang verschafte door het openen van schuifdeuren of door reeds geopende schuifdeuren naar de damestoiletten aan de linkerkant en de herentoiletten aan de rechterkant. In het herentoilet waren aan de rechterwand drie afsluitbare toiletten geplaatst.

2.4

 

Op het moment dat [appellant] het toilet bezocht was de toiletjuffrouw niet meer aanwezig. Zij was op die dag omstreeks 18:15 uur naar huis gegaan.

2.5

 

[appellant] is in het herentoilet ten val gekomen en heeft een gecompliceerde breuk aan zijn enkel opgelopen. Hij heeft uiteindelijk drie operaties moeten ondergaan.

2.6

 

[appellant] is na het voorval lange tijd arbeidsongeschikt geweest. Ook heeft hij zijn werkzaamheden als cimbaalspeler in het 100-tallig zigeunerorkest 1985 moeten staken.

2.7

 

De partner van [appellant] , [A] , heeft op 8 juni 2014 een schriftelijke getuigenverklaring opgemaakt. [B] en [C] (op dat moment toekomstige) collega’s van [appellant] , die kort na het ongeval ter plaatse zijn gekomen, hebben ieder op 7 juni 2014 een schriftelijke getuigenverklaring opgemaakt.

2.8

 

In opdracht van Aegon is een rapport opgesteld door het onafhankelijk onderzoeksbureau I-TEK B.V., gedateerd 11 augustus 2014.

 

In dit rapport zijn onder meer de verklaringen weergegeven van een aantal werknemers van [X] & Zonen B.V., te weten [D] , administrateur,

 

[E] , kassamedewerkster, [F] , buitendienstmedewerker en

 

[G] , kassamedewerkster, en [H] , werkzaam als zelfstandig onderneemster als toiletjuffrouw op het benzinestation.

2.9

 

Op verzoek van [appellant] zijn door de rechter-commissaris in het kader van een voorlopig getuigenverhoor op 9 april 2015 de eerder genoemde getuigen [B] en [C] gehoord. Op 14 april 2015 zijn door de rechter-commissaris [appellant] zelf en zijn partner [A] als getuigen gehoord. In het kader van het tegenverhoor zijn op

 

10 september 2015 eerdergenoemde getuigen [G] , [F] en [E] gehoord.

2.10

 

Kort na het incident heeft een reeds eerder geplande renovatie van de toiletruimte, waarbij onder andere de vloertegels van het bijgebouw met de toiletten zijn verwijderd, plaatsgevonden. Er zijn geen oude tegels bewaard

3 Beoordeling

3.1

 

Bij de bestreden beschikking in deelgeschil heeft de rechtbank de verzochte verklaring voor recht dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade afgewezen, evenals de vordering tot betaling van een voorschot en kosten. Tevens zijn de kosten van het deelgeschil begroot op € 3.026,-.

 

[appellant] heeft [geïntimeerden] bij dagvaarding van 27 februari 2017 in een bodemprocedure bij de rechtbank Noord-Holland betrokken en daarin – kort samengevat – dezelfde vorderingen ingesteld als aan de orde waren in het deelgeschil.

3.2

 

Bij vonnis van 24 mei 2017 heeft de rechtbank overwogen dat de overwegingen van de deelgeschilrechter met betrekking tot de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] voor de schade van [appellant] zijn aan te merken als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding als bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv. Daarmee is de bodemrechter aan deze beslissing gebonden op dezelfde wijze als wanneer die beslissing in een tussenvonnis zou zijn opgenomen. De rechtbank heeft voorts overwogen geen aanleiding te zien om terug te komen op deze bindende eindbeslissing. Daarop heeft de rechtbank hoger beroep opengesteld van de in de deelgeschil gegeven beslissing.

3.3

 

Tegen de in deelgeschil gegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op.

 

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de aansprakelijkheid niet kan worden gebaseerd op artikel 6:174 BW en grief 2 is gericht tegen het oordeel dat die aansprakelijkheid niet kan worden gebaseerd op artikel 6:162 BW.

 

Grief 3 ziet op de afwijzing van het gevorderde voorschot en grieven 4 en 5 op de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het deelgeschil.

3.4

 

[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij ten val is gekomen omdat de vloer van het herentoilet nat en glad was. Hij stelt dat er geen waarschuwingsborden stonden, dat er geen antisliptegels aanwezig waren en dat er geen (inloop)mat bij de ingang lag. Volgens [appellant] was de vloer daarmee een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en die daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde. Het was heel eenvoudig geweest om maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden vóór de ingang van het toilet, altijd een toiletjuffrouw aanwezig laten zijn (en na haar vertrek het toilet afsluiten), en het plaatsen van antisliptegels en/of een inloopmat. De eigenaar van de opstal is daarom aansprakelijk voor de door hem geleden schade.

 

Aan de hand van de Kelderluikcriteria komt [appellant] tot de conclusie dat [geïntimeerden] ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn.

3.5

 

[geïntimeerden] betwisten dat de aanwezigheid van vocht op een vloer meebrengt dat die niet voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen. Volgens vaste rechtspraak leidt tijdelijke aanwezigheid van obstakels of substanties die geen onderdeel uitmaken van de vloer niet tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW. Zij betwisten dat de gebrekkigheid van de vloer zou zijn gelegen in de keuze van de vloertegels. Immers, van gebrekkigheid kan niet reeds bij een verhoogde kans op schade worden gesproken. De gebruikte tegels waren geschikt en bedoeld voor gebruik in een toiletruimte. Tegels met extra antisliplaag zijn niet gebruikelijk en ook niet noodzakelijk voor openbare toiletten. Gezien de te verwachten oplettendheid en reeds genomen maatregelen was de toiletvloer niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW. Wat betreft de gestelde onrechtmatige daad stellen [geïntimeerden] dat [appellant] ten onrechte een absolute veiligheid lijkt te vergen. Uit vaste rechtspraak volgt dat normale gladheid en bevuiling bij regenachtig weer over het algemeen niet leidt tot aansprakelijkheid. [geïntimeerden] hebben voldoende maatregelen genomen om valpartijen te voorkomen:

 

– Overdag (en dus tijdens de drukste tijden op het pompstation) was een toiletjuffrouw aanwezig bij de toiletten.

 

– De toiletjuffrouw liet bij vertrek de toiletten schoon achter en plaatste dan zekerheidshalve een geel waarschuwingsbord om te waarschuwen voor eventuele gladheid.

 

– Na het vertrek van de toiletjuffrouw werden de toiletten (en daarbij het waarschuwingsbord) zekerheidshalve door de buitendienst om de een à twee uur gecontroleerd, zoals ook deze avond was gebeurd.

 

– Vanaf 22:00 uur was geen buitendienst meer aanwezig om de toiletruimte te controleren en werd deze afgesloten.

3.6

 

Het hof stelt het volgende voorop. Uit de verschillende getuigenverklaringen volgt dat de vloer rond de tijd van de val van [appellant] nat was. Hoewel de toedracht van de val van [appellant] door geen van de getuigen, met uitzondering van [appellant] , is waargenomen, gaan partijen er klaarblijkelijk beide vanuit dat de gladheid van de vloer als gevolg van de nattigheid de val van [appellant] heeft veroorzaakt. Het hof zal daar eveneens vanuit gaan. Overigens hebben [geïntimeerden] zich er verder op beroepen dat de gladde zolen onder de schoenen van [appellant] aan de val hebben bijgedragen, hetgeen [appellant] weerspreekt.

3.7

 

[appellant] stelt primair dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van die val op grond van artikel 6:174 BW. Bij het antwoord op de vraag of de vloer voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, en dus niet gebrekkig was, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk was, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria die leidend zijn voor de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen. (zie HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

3.8

 

[appellant] stelt dat de vloer gebrekkig was omdat de gebruikte tegels ondeugdelijk waren en dat [geïntimeerden] de tegels hadden moeten vervangen door tegels met een speciale antisliplaag. Hij verwijst daartoe naar een protocol dat in 2003 is opgesteld door de Stichting Consument en Veiligheid in een NTA (Nederlands Technische Afspraak), te weten de NTA 7909, Wrijvingseigenschappen van vloeren- Protocol voor beproeving en eisen, mei 2003. Dit protocol is in oktober 2015 omgezet in een landelijk geldende NEN-norm, aldus [appellant] .

3.9

 

Het hof stelt vast dat er ten tijde van het ongeval geen wettelijk voorschrift of een dwingend voorgeschreven norm bestond voor het gebruik van een bepaald type tegels met een speciale antisliplaag in een voor het publiek toegankelijk toilet als hier aan de orde. De door [appellant] aangehaalde NEN-norm was op dat moment nog niet van kracht, nog daargelaten de vraag of die norm van toepassing zou zijn op – reeds bestaande – vloeren in openbare toiletten als de onderhavige. Het genoemde protocol, dat wel reeds bestond ten tijde van de val, geldt niet als een zodanige norm. Dat is ook uitdrukkelijk vermeld in het protocol (“Een NTA is een aanbeveling (…) en heeft niet de status van een norm.”). De stelling dat de vloer in de toiletruimte reeds gebrekkig zouden zijn omdat de tegels niet voldoen aan de in dat genoemde protocol genoemde eisen, wordt dan ook reeds om die reden verworpen.

 

[geïntimeerden] hebben voorts betwist dat de toepassing van tegels met een extra antisliplaag gebruikelijk zou zijn in openbare toiletten. [appellant] heeft een dergelijk gebruik ook niet gemotiveerd gesteld. Uit de hiervoor genoemde NTA, waarop [appellant] zich beroept, kan een dergelijk gebruik ook niet worden afgeleid.

 

Anders dan [appellant] betoogt, is er geen reden om de bewijslast dat er geen sprake is van een gebrekkige opstal op [geïntimeerden] te leggen, (mede) omdat zij “de betreffende vloertegels – alvorens tot onderzoek kon worden overgegaan – [hebben] vernietigd.”

 

Nu [appellant] zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten beroept, draagt hij in beginsel de bewijslast daarvan, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Zijn stelling dat [geïntimeerden] de vloertegels hebben vernietigd, is echter onvoldoende om tot een andere bewijslastverdeling te komen. Hierbij is in aanmerking genomen dat niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerden] de vloertegels moedwillig vernietigd hebben teneinde de bewijsmogelijkheden van [appellant] te verkleinen. Eerst in de aansprakelijkstelling van de advocaat van [appellant] van 15 april 2014 is een beroep gedaan op artikel 6:174 BW en blijkens de verklaring van

 

[I] in het onder 2.8 genoemde rapport van I-Tek B.V. was daarvoor, in maart 2014, al met de reeds lang geplande verbouwing van het benzinestation aangevangen. Er was toen dan ook geen reden om de verwijderde tegels te bewaren. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

 

Overigens is de betwisting van de gestelde gebrekkigheid van de vloertegels door [geïntimeerden] , anders dan [appellant] meent, geen bevrijdend verweer van hun zijde.

 

Ook was de valpartij geen reden om de beelden van de camera(‘s) die het bijgebouw filmden te bewaren. Hierbij is van belang dat [geïntimeerden] hebben gesteld dat de camerabeelden één week worden bewaard, terwijl de eerste aansprakelijkstelling van [appellant] dateert van 17 februari 2014. Bovendien moet uit de stellingen van [geïntimeerden] , die ondersteund worden door het rapport van I-Tek B.V., worden afgeleid dat van de binnenzijde van het bijgebouw waarin de toiletten zijn gevestigd geen camerabeelden hebben bestaan. [appellant] heeft niet gemotiveerd gesteld waarom hij meent dat die beelden er wel zijn (geweest).

3.10

 

[appellant] heeft voorts gesteld dat uit het feit dat de tegels glad worden als zij nat zijn, reeds volgt dat de vloer gebrekkig was. Immers zal een toiletvloer regelmatig moeten worden gedweild en daarom vaak nat zijn.

 

Het hof volgt [appellant] daarin niet. Het feit dat regelmatig zal worden gedweild maakt niet dat de vloer als intrinsiek gebrekkig moet worden gekwalificeerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat – onbedoeld – op de opstal aanwezige vloeistoffen de opstal niet onder het bereik van art. 6:174 BW doen vallen. Wel kan worden vastgesteld dat in de gegeven omstandigheden rekening gehouden moest worden met de voorzienbare mogelijkheid dat de vloer, als gevolg van het dweilen, of door het binnenlopen van regenwater of door andere oorzaken (zoals het onzorgvuldig gebruik van de wastafel waardoor water op de grond terecht komt), nat en daardoor glad kon worden en dat daardoor het gevaar van vallen kon ontstaan. Dit brengt een zorgplicht voor [geïntimeerden] mee.

3.11

 

Beoordeeld moet worden of [geïntimeerden] hebben gehandeld in strijd met die zorgplicht. Daarvoor is bepalend of [geïntimeerden] voldoende maatregelen hebben genomen in het licht van de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan en de ernst die de gevolgen kunnen hebben en de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

3.12

 

Het hof stelt voorop dat als algemeen bekend kan worden verondersteld dat natte vloeren glad kunnen zijn. Bij regenachtig weer mag dan ook van een gemiddeld oplettende bezoeker aan het toilet worden verwacht dat deze enige voorzichtigheid in acht neemt. Dat geldt ook voor momenten dat er wordt schoongemaakt in de toiletten. Niettemin moeten [geïntimeerden] er rekening mee houden dat niet iedere bezoeker aan het tankstation steeds de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt. Hierdoor ontstaat een zeker risico dat bezoekers ten val kunnen komen, hetgeen in voorkomende gevallen ook tot letsel kan leiden. Gelet op deze omstandigheden ligt het op de weg van [geïntimeerden] om enerzijds eventuele nattigheid op de vloer te verwijderen en anderzijds bezoekers te waarschuwen voor mogelijke gladheid van de vloer.

3.13

 

Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] voorzorgs-en waarschuwingsmaatregelen hebben genomen. Zij hebben een toiletjuffrouw aangesteld die overdag van 8:00 uur tot ongeveer 18:00 uur (tijdens de drukste tijden op het pompstation) aanwezig is en de toiletten schoonhoudt (waaronder de vloer). Tevens is niet, althans onvoldoende weersproken dat de toiletjuffrouw gewoon is om bij vertrek de toiletten schoon en droog achter te laten en zekerheidshalve een geel waarschuwingsbord te plaatsen om te waarschuwen voor eventuele gladheid. Voorts hebben [geïntimeerden] een buitendienstmedewerker opgedragen om, voor de komst en na het vertrek van de toiletjuffrouw, regelmatig, om de een à twee uur, de toiletten (waaronder de aanwezigheid van het waarschuwingsbord) te controleren. Na 22:00 uur was geen buitendienstmedewerker meer aanwezig om de toiletruimte te controleren en werd deze afgesloten voor publiek tot de volgende ochtend 06:30 uur.

3.14

 

[appellant] stelt dat van [geïntimeerden] verlangd had mogen worden dat er te allen tijde een toiletjuffrouw aanwezig was, of dat de toiletten na vertrek van de toiletjuffrouw werden gesloten, dat er een waarschuwingsbord voor de ingang van het toilet was geplaatst en dat er een inloopmat was geplaatst.

3.15

 

Het hof volgt [appellant] daarin niet. Met de door [geïntimeerden] genomen maatregelen hebben zij voldoende maatregelen genomen ter voorkoming van het hiervoor beschreven gevaar van vallen, mede in het licht van de normaal te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid van de bezoekers van het toilet.

 

Met [geïntimeerden] is het hof van oordeel dat de zorgplicht niet zover reikt dat ieder risico wordt uitgesloten. De getroffen maatregelen zijn voldoende afgestemd op de voorzienbare risico’s. Dat er na het vertrek van de toiletjuffrouw en tussen de controles van de buitendienst door geen toezicht is, doet daaraan niet af. Niet kan worden uitgesloten dat in die perioden als gevolg van diverse oorzaken de vloer nat wordt. Het daardoor ontstane risico wordt evenwel voldoende ondervangen door het geplaatste waarschuwingsbord.

 

Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, met name op het punt van de ernst van het letsel bij een val, zijn door [appellant] niet gesteld en evenmin gebleken.

3.16

 

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende geconcretiseerd dat van [geïntimeerden] , naast deze maatregelen, nog meer of andere maatregelen gevergd konden worden. In het bijzonder wordt hij niet gevolgd in zijn betoog dat van [geïntimeerden] verlangd had mogen worden dat zij inloopmatten hadden geplaatst in de toiletruimte. Namens [geïntimeerden] is ter zitting toegelicht dat vanwege hygiëneoverwegingen niet voor deze matten in de toiletruimte is gekozen. [appellant] heeft niet weersproken dat inloopmatten uit hygiënisch oogpunt bij toiletten bezwaarlijk zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] daarmee een zorgvuldige afweging hebben gemaakt en dat zij in het licht van de overige getroffen maatregelen niet in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de inloopmatten de valpartij van [appellant] zou hebben voorkomen, daar de oorzaak van de vochtige vloer (mede) gelegen kan zijn in een andere oorzaak dan het binnenlopen van regenwater.

3.17

 

[appellant] heeft gesteld dat er geen waarschuwingsbord stond op het moment van zijn val. Hij wijst daartoe op verklaringen van diverse getuigen die zeggen geen waarschuwingsbord te hebben gezien. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze verklaringen niet dat er geen waarschuwingsbord is geplaatst. Het hof verwijst naar de verklaring van getuige [H] dat zij, voor haar vertrek, zoals gebruikelijk het bord heeft geplaatst en de verklaring van getuige [F] , dat hij het bord bij zijn controleronde heeft zien staan. [F] heeft ook verklaard dat hij, na de val van [appellant] , het bord heeft zien liggen onder de middelste wc. Getuige [G] , kassamedewerkster, heeft eveneens verklaard het bord te hebben zien liggen bij de middelste wc en het weer rechtop te hebben gezet. Dat de andere getuigen het bord niet hebben gezien kan dus verklaard worden doordat het was omgevallen en onder de middelste wc-deur was geschoven. Niet kan worden vastgesteld of het bord door de val van [appellant] is omgevallen, of dat dit reeds eerder was gebeurd, te weten tussen de laatste controleronde en het bezoek van [appellant] . Zelfs in het laatste geval, waarin het bord voor [appellant] bij het betreden van de toiletruimte mogelijk niet zichtbaar was, kan niet worden gezegd dat die enkele omstandigheid de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerden] hun zorgplicht hebben verzaakt. Dat het bordje mogelijk, door toevallige omstandigheden, om heeft kunnen vallen doet er immers niet aan af dat [geïntimeerden] met het plaatsen ervan en het regelmatig controleren voldoende moeite had gedaan om bezoekers als [appellant] te waarschuwen.

3.18

 

De stelling van [appellant] dat in strijd met de zorgplicht is gehandeld door het waarschuwingsbord te plaatsen midden in de toiletruimte in plaats van bij de ingang van het toilet volgt het hof evenmin. Het waarschuwingsbord waarschuwt specifiek tegen gladheid van de vloer ín de toiletruimte, zodat het voor de hand ligt het bord daar te plaatsen. Niet in geschil is dat de tussendeur tussen het halletje en de toiletruimte open stond. Gelet op de relatief kleine ruimte en de opvallend gele kleur wordt de binnenkomende bezoeker voldoende duidelijk gewaarschuwd bij plaatsing van het bord midden in het toiletruimte.

3.19

 

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van al zijn stellingen door middel van – onder meer – het horen van mevrouw [H] . Dit bewijsaanbod wordt verworpen omdat [appellant] niet heeft gesteld van welke concrete stelling hij bewijs wenst te leveren.

3.20

 

De slotsom is dat [geïntimeerden] niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen van de val van [appellant] . Grieven 1 en 2 falen. De overige grieven delen in dat lot. Dit leidt tot de slotsom dat de beschikking in deelgeschil, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd. Dit heeft tevens tot gevolg dat de vorderingen in de bodemzaak niet toewijsbaar zijn. Het hof zal die beslissing aan zich houden nu de zaak in staat van wijzen is en de vorderingen van [appellant] afwijzen.

3.21

 

[appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder begrepen de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

4 Beslissing

 

Het hof:

 

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

 

wijst af de vorderingen van [appellant] jegens [geïntimeerde sub 3] c.s;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 716,- aan verschotten en € 5.877,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.929,- aan verschotten en € 3.129,- voor salaris;

 

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey