Hof: subrogatieverbod geldt niet bij een langdurige affectieve relatie

Samenvatting:

Zorgverzekeraar zoekt verhaal op appellante voor gemaakte ziektekosten van (inmiddels overleden) verzekerde na door appellante toegebrachte steekwonden. Is het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW van toepassing? Vast staat dat verzekerde en appellante geen huisgenoten (meer) waren. Naar het oordeel van het hof is appellante, ook wanneer sprake is geweest van een langdurige affectieve relatie tussen appellante en de verzekerde, geen “andere levensgezel” in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW. Het hof oordeelt dat geen sprake was van een zodanige relatie dat de onderlinge verhouding tussen de verzekerde en appellante zou worden verstoord door een verhaalsactie van de verzekeraar, zodat de ratio van art. 7:962 lid 3 BW – het voorkomen van een dergelijke verstoring – niet ziet op deze relatie.

ECLI:NL:GHARL:2019:4151

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
200.242.387/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Ziektekostenverzekeraar zoekt verhaal op appellante voor gemaakte ziektekosten van (inmiddels overleden) verzekerde na door appellante toegebrachte steekwonden. Is het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW van toepassing? Naar het oordeel van het hof is appellante, ook wanneer sprake is geweest van een langdurige affectieve relatie tussen appellante en de verzekerde, geen “andere levensgezel” in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.242.387/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5815562 \ CV EXPL 17-3998)

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante] ,
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,
gevestigd te Wageningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Menzis,
advocaat: mr. B.T.J.A. van Aalst, kantoorhoudend te Enschede.

1

1. Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1
Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling civiel, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter) van
13 maart 2018.

2
Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
– de appeldagvaarding van 11 juni 2018;
– de memorie van grieven (met producties);
– de memorie van antwoord
– de nadere akte van uitlating van [appellante] ;
– de antwoordakte van Menzis.

2.2
Vervolgens heeft Menzis het procesdossier overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3
De vordering van [appellante] in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van de kantonrechter vernietigd wordt en dat Menzis alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, althans dat de vordering van Menzis wordt afgewezen, met veroordeling van Menzis in de proceskosten in beide instanties.

3
De vaststaande feiten
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2
[appellante] heeft een affectieve relatie gehad met [B] (hierna: [B] ). [appellante] en [B] hadden ieder een eigen woning.

3.3
In de vroege morgen van 10 januari 2015 heeft [appellante] [B] , die vanaf de middag van 9 januari 2015 in de woning van [appellante] verbleef, met een mes in de buik gestoken, waardoor [B] verwondingen heeft opgelopen.

3.4
[B] is in verband met de verwondingen opgenomen in het UMC Groningen en daar geopereerd. Hij is enige dagen opgenomen geweest in het UMC Groningen en heeft daarna in de eigen woning verpleeg- en thuiszorg ontvangen.

3.5
Menzis was de ziektekostenverzekeraar van [B] . Het UMC Groningen heeft de kosten van de operatie ad € 15.129,41 bij haar gedeclareerd. De Thuiszorgservice heeft voor de verpleging van [B] in de periode 16 januari tot en met 10 februari 2015 een bedrag van € 1.393,78 bij Menzis gedeclareerd, de huisarts van [B] een bedrag van € 4,52 vanwege een telefonisch consult op 1 februari 2015.

3.6
[B] is [in] 2015 overleden, niet aan de gevolgen van het steekincident maar aan kanker.

3.7
De strafkamer van dit hof heeft [appellante] op 2 februari 2016 veroordeeld voor poging tot doodslag en heeft haar veroordeeld tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.566,02 wegens schadevergoeding aan [B] , die zich als benadeelde partij in het strafproces had gevoegd.
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen:
“Aangever heeft verklaard dat hij op vrijdagmiddag 9 januari 2015 naar de woning van zijn vriendin, de verdachte, is gegaan. Hij is op enig moment gaan slapen en werd in de nacht wakker doordat de verdachte begon te praten.
(…)
Door de taxichauffeur die aangever naar het ziekenhuis heeft gereden, is verklaard dat hij zaterdagochtend 10 januari 2015 tegen 9.00 uur een melding kreeg dat iemand van de [a-straat] naar het UMCG moest. (…) De taxichauffeur vroeg de man [hof: [B] ] wat er aan de hand was, waarop de man hem antwoordde dat hij door zijn vrouw/vriendin gestoken was.”
Het arrest van het hof is in kracht van gewijsde gegaan.

3.8
Menzis heeft [appellante] in een brief van 5 december 2016 gesommeerd de door haar betaalde ziektekosten van € 16.827,71 te voldoen. [appellante] heeft Menzis schriftelijk laten weten geen aansprakelijkheid te aanvaarden en het bedrag niet te zullen betalen. Zij is ook na enkele sommaties bij haar standpunt gebleven. Menzis heeft de vordering daarna uit handen gegeven aan een deurwaarder, die [appellante] in een brief van 24 januari 2017 – vergeefs – heeft gesommeerd tot betaling. In deze brief wordt aanspraak gemaakt op € 940,28 aan incassokosten.

4
De vordering, het verweer en de beslissing in eerste aanleg

4.1
Menzis heeft [appellante] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van
€ 17.716,49 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met wettelijke rente over € 16.527,71 en proceskosten. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat zij is gesubrogeerd in de schadevergoedingsvordering van [B] op [appellante] voor wat betreft – kort gezegd – de ziektekosten.

4.2
[appellante] heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich, voor zover in hoger beroep van belang, beroepen op het verhaalsverbod van artikel 7:962 lid 3 BW en in dat verband aangevoerd dat zij en [B] ten tijde van het steekincident een langdurige (LAT-)relatie hadden, zodat zij moet worden aangemerkt als een ‘andere levensgezel’ in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW.

4.3
De kantonrechter heeft het beroep van [appellante] op artikel 7:962 lid 3 BW verworpen en de vordering van Menzis toegewezen. Volgens de kantonrechter kan in een geval als dit, waarin [appellante] in de door haar beschreven relatie met [B] een mes in de buik van [B] heeft gestoken in een poging hem van het leven te beroven, in het licht van de wetsgeschiedenis, de eisen van de wet en de rechtspraak van de Hoge Raad niet worden aangenomen dat het subrogatieverbod van toepassing is.

5
De bespreking van de grieven

5.1
Met grief I komt [appellante] op tegen het hiervoor – beknopt – weergegeven oordeel van de kantonrechter over de toepasselijkheid van artikel 7:962 lid 3 BW. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat deze bepaling niet aan subrogatie in de weg staat.

5.2
In zijn arrest van 28 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3461 – Anderzorg) heeft de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW allereerst afgeleid dat deze regeling de strekking heeft te voorkomen dat verstoring plaatsvindt van een relatie van duurzame aard tussen de verzekerde en degene op wie verhaal wordt genomen. In de tweede plaats volgt volgens de Hoge Raad uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de onderhavige uitsluiting van subrogatie als een uitzondering aanmerkt en daarom heeft willen beperken tot een klein aantal, limitatief in de wet genoemde categorieën. In de derde plaats kan uit deze wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om in de bepaling scherp omlijnde en bij voorkeur bij bestaande juridische begrippen aansluitende categorieën op te nemen waarvan in de regel moet worden aangenomen dat subrogatie de onderlinge relatie zou verstoren, dat wil zeggen categorieën relaties die in hun algemeenheid worden gekenmerkt door de duurzaamheid waarop de bepaling het oog heeft.
In de vierde plaats volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever bij een en ander heeft onderkend en aanvaard dat art. 7:962 lid 3 BW niet voor alle relaties van duurzame aard subrogatie uitsluit. Kort samengevat volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet, aldus de Hoge Raad.

5.3
Artikel 7:962 lid 3 BW vormt, zoals uit de door de Hoge Raad samengevatte wetsgeschiedenis volgt, een uitzondering op de in artikel 7:962 lid 1 BW geformuleerde hoofdregel. Die hoofdregel is dat de verzekeraar die een uitkering doet aan de verzekerde ter zake van de door de verzekerde geleden (en door de verzekeraar vergoede) schade bij wijze van subrogatie rechthebbende wordt op de vordering tot schadevergoeding van de verzekerde op de derde die de schade heeft veroorzaakt. Alleen ten aanzien van vorderingen op derden die behoren tot de in lid 3 genoemde categorieën, vindt geen subrogatie plaats. De door een verzekeraar aangesproken derde die met een beroep op artikel 7:962 lid 3 BW betoogt dat geen sprake is van subrogatie omdat hij/zij behoort tot een van de in die bepaling genoemde categorieën, beroept zich op een uitzondering op de hoofdregel en voert daarmee een bevrijdend verweer. Op deze derde rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden waarop dit verweer is gebaseerd.

5.4
[appellante] heeft zich tegen de vordering van Menzis verweerd met het betoog dat zij tot een van de categorieën van artikel 7:962 lid 3 BW, die van de ‘andere levensgezel’ behoort, zodat Menzis niet in schadevergoedingsvordering van [B] op haar is gesubrogeerd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, rusten op haar de stelplicht en bewijslast ter zake van dit verweer. Daarbij geldt dat uit het Anderzorg-arrest volgt dat de vraag of [appellante] een ‘andere levensgezel’ is, beantwoord dient te worden naar de situatie op het tijdstip dat [appellante] [B] heeft verwond, dus naar de situatie van 10 januari 2015.

5.5
Beide partijen beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW. Hiervoor heeft het hof aangehaald hoe de Hoge Raad de wetsgeschiedenis van deze bepaling heeft samengevat. In dat arrest is de Hoge Raad niet specifiek ingegaan op het begrip andere levensgezel, omdat de interpretatie van dat begrip in het aan de Hoge Raad voorgelegde geschil niet aan de orde was. Uit de wetsgeschiedenis volgt ten aanzien van dat begrip het volgende.

5.5.1
In de oorspronkelijke tekst van lid 3 van artikel 7:962 BW kwam het begrip niet voor. Wel werd het begrip ‘huisgenoten’ gebruikt. Over dat begrip werd in de Memorie van Toelichting opgemerkt (PG boek 7 titel 17, p. 201 en 202):
“Er zijn gevallen waarin uitsluiting van subrogatie zozeer voor de hand ligt, dat deze in de wet behoort te worden vastgelegd. (…) De eerste zin strekt ertoe de subrogatie in beginsel uit te sluiten ten aanzien van een aantal categorieën van aansprakelijke personen. Het betreft hier personen van wie mag worden aangenomen dat de verzekering mede in hun belang is gesloten, voor zover zij al niet uitdrukkelijk zijn meeverzekerd. Hun relatie met de verzekeringnemer is van duurzame aard, voortvloeiend uit het familierecht, een arbeidsverhouding of een woonsituatie. Het uitoefenen van verhaal zou deze relatie kunnen verstoren en de verzekeringnemer, bij echtgenoten ook economisch, kunnen treffen. Een dergelijk gevolg verdraagt zich niet met het doel waartoe de verzekeringnemer de verzekering sloot. Gelet op de strekking van de regeling wordt ook rekening gehouden met huisgenoten. Dit begrip zal moeten worden uitgelegd aan de hand van de hier weergegeven strekking en in de lijn van de andere uitgesloten categorieën. Er onder vallen niet personen die ieder zelfstandig een kamer in een huis huren en verder geen relatie met elkaar hebben, wel personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren die niet slechts door economische motieven in bepaald, bij voorbeeld samenwonende broers of zusters of niet met elkaar gehuwde levensgezellen.”

5.5.2
In de Nota van Wijziging werd het begrip huisgenoten vervangen door de andere levensgezel. In de toelichting op de Nota van Wijziging (PG boek 7 titel 17, p. 203) werd dat als volgt gemotiveerd:
“In het derde lid van deze bepaling is subrogatie uitgesloten ten opzichte van de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten van een verzekerde, de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde en hun niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten, en de huisgenoten of werknemers van de verzekerde. De toelichting motiveert deze uitsluiting door erop te wijzen dat regres op deze personen de relatie met de verzekeringnemer zou kunnen verstoren. Deze kring van personen op wie subrogatie is uitgesloten is thans aan de ene kant te ruim, en aan de andere kant te beperkt. In deze kring van personen behoren thans ook te worden opgenomen de geregistreerde partner van de verzekerde, en de levensgezel van de verzekerde. Het eerste spreekt voor zich. Onder levensgezellen moet ingevolge Aanwijzing 72a van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden verstaan twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking hebben. Het is deze nauwe persoonlijke betrekking die door verhaal verstoord zou kunnen worden. Daarmee kan de uitsluiting van subrogatie op een huisgenoot vervallen. Deze juridisch niet omschreven term is te vaag, en anders dan voor in één huis wonende levensgezellen kan voor huisgenoten in het algemeen niet altijd volgehouden worden dat subrogatie op hen hun onderlinge relatie zou verstoren.
Deze materie heeft sterk de neiging uit te dijen. In de literatuur wordt er bijvoorbeeld op aangedrongen subrogatie ook uit te sluiten ten opzichte van de levensgezellen van de bloedverwanten in rechte lijn en ten opzichte van broers en zusters. Ik meen echter dat de dwingende uitsluiting van subrogatie een uitzondering moet zijn, en wil deze kring daarom eerder beperken dan uitbreiden. Om die reden heb ik de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten van de bloedverwanten in rechte lijn geschrapt.”
In aanwijzing 72a van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarnaar in de toelichting wordt verwezen, is in de leden 1 en 2 vermeld:
“1. Indien uit een regeling rechten of verplichtingen van niet-financiële aard voortvloeien voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, worden zij aangeduid als: levensgezel.
2. Indien uit een regeling rechten of verplichtingen van financiële aard voortvloeien voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, een gezamenlijke huishouding voeren, worden zij aangeduid als: ongehuwd samenlevende.”
De toelichting op aanwijzing 72a vermeldt onder meer:
“Eerste lid: Voorbeelden van de in het eerste lid bedoelde regelingen zijn de regeling waarbij de bevoegdheid wordt toegekend tot het geven van toestemming tot een medische behandeling namens iemand met wie men een nauwe persoonlijke betrekking onderhoudt (vgl. artikel 465, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) of de regeling waarbij men tot curator van die ander kan worden benoemd (vgl. artikel 383, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek).”
5.5.3
Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de Minister een toelichting gegeven op de schrapping van het begrip huisgenoten naar aanleiding van vragen van de CDA-fractie over de schrapping (PG boek 7 titel 17, p. 206 en 207):
“De leden van de CDA-fractie vragen tenslotte waarom in lid 3 in de eerste nota van wijziging het begrip huisgenoten is geschrapt. Deze schrapping moet worden gezien in het licht van de toevoeging bij dezelfde nota van wijziging van het begrip «levensgezel». In lid 3 is verhaal uitgesloten ten aanzien van personen waarbij het uitoefenen daarvan hun relatie met de verzekerde kan verstoren, of ook de verzekerde economisch kan treffen. De niet nader omschreven term «huisgenoten» is in zijn algemeenheid te ruim om met het oog hierop te rechtvaardigen dat verhaal in alle gevallen niet mogelijk dient te zijn. Verhaal op huisgenoten zal dan ook niet in alle gevallen hun relatie met de verzekerde verstoren, of ook de verzekerde economisch treffen. Dit is evenwel anders indien zij als levensgezellen zijn aan te merken. Hieronder worden verstaan twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking hebben. In genoemde nota van wijziging is daarom deze categorie in plaats van de huisgenoten in lid 3 opgenomen.”

5.6
Uit de wetsgeschiedenis betreffende het begrip andere levensgezel volgt dat de wetgever het aanvankelijk gebruikte begrip te vaag (het citaat in rov. 5.5.2) en te ruim (het citaat in rov. 5.5.3) vond. De ratio van de beperking van subrogatie – voorkomen dat de relatie van de verzekerde met de derde wordt verstoord of de verzekerde economisch treft – doet zich niet per definitie voor wanneer de derde een huisgenoot van de verzekerde is. De parlementaire geschiedenis geeft geen eenduidig antwoord op de vraag of het voor een levensgezel noodzakelijk is dat hij ook de huisgenoot van de verzekerde is. Enkele passages uit de parlementaire geschiedenis duiden daar wel op:
– in de toelichting op de nota van wijziging wordt opgemerkt dat voor het begrip levensgezel is gekozen omdat “anders dan voor in één huis wonende levensgezellen kan voor huisgenoten in het algemeen niet altijd volgehouden worden dat subrogatie op hen hun onderlinge relatie zou verstoren”;
– in de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste kamer heeft de minister opgemerkt dat “verhaal op huisgenoten niet in alle gevallen hun relatie met de verzekerde [zal] verstoren, of ook de verzekerde economisch treffen. Dit is evenwel anders indien zij als levensgezellen zijn aan te merken.” Het woord “zij” in de tweede zin ziet op “huisgenoten” in de eerste zin en bevat dan ook een beperking ten opzichte van die categorie, dus tot huisgenoten die ook elkaars levensgezel zijn.
Bovendien volgt uit de parlementaire geschiedenis op de beperking van artikel 7:962 lid 3 BW, zoals samengevat door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest, dat de wetgever de uitsluiting heeft willen beperken tot een klein aantal, duidelijk omlijnde categorieën van duurzame relaties.
Anderzijds wijst het gebruik van het begrip levensgezel er niet op dat de derde en de verzekerde elkaars huisgenoten moeten zijn, zeker niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat de definitie van dit begrip en de toelichting erop in artikel 72a van de Aanwijzingen voor de wetgeving niet inhouden dat levensgezellen ook (per definitie) elkaars huisgenoten zijn. Volgens die bepaling onderhouden levensgezellen een nauwe persoonlijke betrekking. De wetgever heeft, blijkt uit de toelichting op de Nota van Wijziging, bij artikel 72a willen aansluiten. Daarbij blijft wel onduidelijk welke rechten en verplichtingen van niet-financiële aard volgens de wetgever voor levensgezellen voortvloeien uit artikel 7:962 lid 3 BW; de bepaling roept slechts financiële gevolgen in het leven, te weten een beperking van de mogelijkheid van subrogatie, zodat de verwijzing naar artikel 72a allerminst duidelijk is.

5.7
De wetsgeschiedenis over het begrip andere levensgezel zelf is dus niet eenduidig over de vraag of een andere levensgezel ook de huisgenoot van de verzekerde moet zijn. Maar wanneer de wetsgeschiedenis over het begrip andere levensgezel wordt bezien tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW als geheel, zoals samengevat door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest, ligt het wel voor de hand dat de wetgever bij de vervanging van het begrip huisgenoot door andere levensgezel gedacht heeft aan de levensgezel die ook de huisgenoot is van de verzekerde. Het was immers de bedoeling van de wetgever om het aantal uitzonderingen op de hoofdregel te beperken tot een klein aantal, scherp omlijnde categorieën van personen. De wetgever wilde met het schrappen van het begrip huisgenoot dan ook huisgenoten uitsluiten die geen andere binding met elkaar hadden dan dat ze hetzelfde huis bewoonden, maar niet aannemelijk is dat de wetgever met die schrapping bedoelde om de kring uit te breiden tot niet-huisgenoten. De voorwaarde dat een andere levensgezel ook de huisgenoot – een feitelijk ingekleurd begrip – moet zijn van de verzekerde zorgt ervoor dat het meer fluïde en normatieve begrip levensgezel duidelijk wordt omlijnd en ook beperkt, zoals de bedoeling van de wetgever was. De wetgever heeft andere relatievormen dan het huwelijk en het geregistreerd partnerschap niet uitgesloten van het bereik van artikel 7:962 lid 3 BW, en daarmee ruimte geboden voor andere vormen dan het huwelijk en het geregistreerd partnerschap. Als [appellante] dat bedoelt met haar betoog dat de wetgever heeft bedoeld “aan te haken op de diverse vormen van het hebben van een levenspartner zoals deze in de maatschappij bestonden en zich nog zouden ontwikkelen”, kan het hof haar daarin volgen, maar niet wanneer zij daarmee bedoelt dat de wetgever het oog heeft gehad op relatievormen waarin de partners niet elkaars huisgenoot zijn.

5.8
[appellante] heeft aangevoerd dat zij en [B] al 35 jaar een relatie hadden. Aanvankelijk woonden zij samen, maar later hadden zij ieder een eigen woning. Ze brachten wel veel tijd bij elkaar door, vooral in de woning van [appellante] , en in ieder geval bijna elk weekend. Er was sprake van wederzijdse zorg voor elkaar, wat ook blijkt uit het feit dat [B] in het weekend van 10 januari 2015 – toen hij al terminaal ziek was – bij haar verbleef, aldus [appellante] . Het hof zal, bij wijze van veronderstelling, uitgaan van de juistheid van deze stellingen van [appellante] en ook in aanmerking nemen dat uit het proces-verbaal van aangifte van [B] volgt dat [B] [appellante] zijn ‘vrouw/vriendin’, wat er op duidt dat in de visie van [B] sprake was van een duurzame affectieve relatie tussen partijen.

5.9
Anderzijds zal het hof ervan uitgaan dat [B] geen sleutel van de woning van [appellante] had (Menzis heeft erop gewezen dat [appellante] dat als verdachte heeft verklaard). Bovendien volgt uit wat [appellante] heeft aangevoerd niet tussen haar en [B] sprake was van financiële verwevenheid of afhankelijkheid; de relatie tussen [appellante] en [B] had dan ook geen economische component.

5.10
Het staat vast dat [appellante] en [B] op 10 januari 2015 niet elkaars huisgenoten waren. Bij een louter wetshistorische uitleg van het begrip andere levensgezel heeft [appellante] met wat zij heeft aangevoerd over haar verhouding met [B] alleen om die reden al niet onderbouwd dat zij op 10 januari 2015 een andere levensgezel van [B] was.

5.11
Maar ook wanneer niet strikt wordt vastgehouden aan de bedoeling van de wetgever op dit punt, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat zij een andere levensgezel van [B] was. Uit wat [appellante] heeft aangevoerd over haar relatie met [B] volgt naar het oordeel van het hof niet dat sprake was van een zodanige relatie dat de onderlinge verhouding tussen [B] en [appellante] zou worden verstoord door een verhaalsactie van de verzekeraar, zodat de ratio van artikel 7:962 lid 3 BW – het voorkomen van een dergelijke verstoring – niet ziet op deze relatie. Het hof neemt bij dit oordeel allereerst in aanmerking dat geen sprake was van een economische lotsverbondenheid tussen [appellante] en [B] . [B] zou door een verhaalsactie op [appellante] niet financieel worden getroffen. Het hof neemt vervolgens in aanmerking dat uit wat [appellante] over de aard van haar relatie met [B] heeft aangevoerd en uit wat daarover verder vaststaat, volgt dat [appellante] en [B] hoewel zij een bestendige relatie hadden zij binnen de relatie (letterlijk) ieder hun ruimte nodig hadden en namen. Daarbij past dat [B] niet de sleutel van de woning van [appellante] had. In dat licht bezien kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat een verhaalsactie van de verzekeraar op [appellante] , en de nadelige gevolgen daarvan voor haar, de relatie tussen [appellante] en [B] , waarin beiden ook afstand tot elkaar hielden, zou verstoren. [appellante] heeft ook niet toegelicht waarom een verhaalsactie de relatie tussen haar en [B] , gelet op het karakter van die relatie, zou verstoren.

5.12
De slotsom is dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat de relatie tussen haar en [B] valt onder het bereik van artikel 7:962 lid 3 BW. Grief I faalt dan ook. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, gelet op wat het heeft overwogen over de onderbouwing van de stellingen van [appellante] .

5.13
Grief II is gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten. Volgens [appellante] heeft Menzis niet aangetoond dat zij in de buitengerechtelijke fase kosten heeft gemaakt die niet onder het bereik van een proceskostenveroordeling vallen.

5.14
Het hof volgt [appellante] in dit betoog. Het hof stelt voorop dat op de vordering van Menzis betreffende de buitengerechtelijke kosten niet de regeling van artikel 6:96 lid 5 BW van toepassing is. Menzis en het door haar ingeschakelde deurwaarderskantoor hebben in de buitengerechtelijke fase wel enkele sommatiebrieven verstuurd, maar die brieven hadden geen inhoudelijk karakter, ook omdat [appellante] vanaf het begin in niets aan duidelijkheid te wensen overlatende bewoordingen haar aansprakelijkheid betwistte. Partijen hebben in de buitengerechtelijke fase niet onderhandeld, noch over de aansprakelijkheid noch over de omvang van de schade. Onder deze omstandigheden heeft Menzis onvoldoende onderbouwd dat zij in de buitengerechtelijke fase werkzaamheden heeft verricht die, gelet op het bepaalde in artikel 241 Rv., niet vallen onder het bereik van een proceskostenveroordeling.

5.15
Deze grief slaagt dan ook.

5.16
De slotsom is dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten en voor het overige zal bekrachtigen. [appellante] wordt bij deze stand van zaken ook in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld en zal om die reden worden veroordeeld in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 1,5 punt, tarief II).

6
De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 13 maart 2018 tussen partijen,
behoudens voor wat betreft het toegewezen bedrag,

vernietigt het vonnis voor wat betreft het toegewezen bedrag, en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [appellante] tot betaling aan Menzis van een bedrag van € 16.527,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 tot aan het tijdstip van voldoening;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Menzis gevallen, op € 1.978,- aan verschotten en op
€ 1.611,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek mr. M.M.A. Wind en mr. M. Willemse, en is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey