Hof: smartengeld € 35.000,- voor PTSS na plaatsing seksuele beelden door ex op internet

Samenvatting:

Benadeelde heeft PTTS opgelopen nadat haar ex-partner beelden van hun seksleven op internet heeft geplaatst, die daarna vele malen zijn gedeeld. Het hof overweegt dat de ex-partner beeldmateriaal, waarop benadeelde herkenbaar is met naam en toenaam een website heeft geplaatst. Hij heeft aldus een norm overschreden die ertoe strekt benadeelde te beschermen tegen de aantasting van haar eer en goede naam. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank waarin een smartengeld van € 35.000,- werd toegekend.

ECLI:NL:GHAMS:2018:2382

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-07-2018
Datum publicatie 13-07-2018
Zaaknummer 200.215.187/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

 

Seksueel expliciet beeldmateriaal op internet gezet.

 

Aansprakelijkheid voor verdere verspreiding.

 

Gebod (doen) verwijderen, immateriële schadevergoeding.

 

Toepassen lijfsdwang afgewezen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

 

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

 

 

 

zaaknummer : 200.215.187/01

 

 

 

 

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/607075 / HA ZA 16-440

 

 

 

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juli 2018

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[appellant] ,

 

wonend te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

geïntimeerde in incidenteel appel,

 

advocaat: mr. J. Ruijs te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[geïntimeerde] ,

 

wonend te [woonplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

appellante in incidenteel appel,

 

advocaat: mr. M.L. Winters te Velserbroek.

 

 

 

 

1 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

 

 

 

 

[appellant] is bij dagvaarding van 24 april 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

 

 

 

 

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

 

– memorie van grieven;

 

– memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

 

– memorie van antwoord in incidenteel appel.

 

 

 

Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 februari 2018 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [geïntimeerde] heeft bij deze gelegenheid nog een productie in het geding gebracht.

 

 

 

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

 

 

 

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

 

 

 

 

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven en uitvoerbaar bij voorraad, in principaal appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in incidenteel appel, onder in stand lating van alle overige toegewezen vorderingen, tot toewijzing van haar in r.o. 3.18 van dit arrest weergegeven vordering, met veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

 

 

 

 

[appellant] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde lijfsdwang.

 

 

 

 

2 Feiten

 

 

 

 

De rechtbank heeft in het vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.7, de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

 

 

 

2.1

[geïntimeerde] is [beroep] en woont in [plaats] . Zij heeft in de periode van 1999 tot en met 2008 een affectieve relatie gehad met [appellant] . Partijen hebben in 2008 video-opnamen gemaakt van hun seksleven (verder: het beeldmateriaal). [geïntimeerde] heeft daarbij als voorwaarde gesteld dat het beeldmateriaal in haar huis blijft en strikt privé dient te blijven. [geïntimeerde] is op de opnamen herkenbaar in beeld terwijl zij seksuele handelingen verricht met [appellant] .

 

 

2.2

[appellant] heeft op enig moment in 2008 het beeldmateriaal uit het huis van [geïntimeerde] ontvreemd en op een website geplaatst, voorzien van de voor- en achternaam van [geïntimeerde] , haar professie en haar woonplaats. [geïntimeerde] heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Het beeldmateriaal is veelvuldig gekopieerd en gedeeld. Op enig moment zijn op de zoektermen ‘ [geïntimeerde] ’, al dan niet in combinatie met de termen ‘nasty’, ‘incredible’ of ‘busting’ 950.000 verwijzingen en 200.000 websites op het internet te vinden, gerelateerd aan het beeldmateriaal.

 

 

2.3

[appellant] is bij brief van de zijde van [geïntimeerde] van 27 juli 2011 gesommeerd de beelden te (doen) verwijderen. [appellant] heeft daarop toegezegd actie te ondernemen en heeft vervolgens enkele e-mails verzonden.

 

 

2.4

Een kennis van [geïntimeerde] , [X] (verder ook: [X] ), heeft gedurende vijf jaar voortdurend en wereldwijd websitebeheerders gesommeerd om het beeldmateriaal te verwijderen en heeft daar 1500 uren in geïnvesteerd. Het aantal op het internet vindbare kopieën is hierdoor gedaald maar de beeldopnamen zijn nog steeds te vinden.

 

 

2.7

[appellant] is ter zake van het verspreiden van de beeldopnamen op 13 februari 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot één maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tot betaling aan [geïntimeerde] van € 2.000,- als voorschot op immateriële schade. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

 

 

 

3 Beoordeling

 

 

 

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd zoals in het bestreden vonnis weergegeven. De rechtbank heeft daarop, kort gezegd, overwogen dat [appellant] niet heeft betwist dat hij met het uploaden van het beeldmateriaal onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] , dat de schade door verspreiding van het beeldmateriaal aan hem kan worden toegerekend, dat [appellant] het bestaan en de omvang van de door [geïntimeerde] gevorderde immateriële schade niet heeft betwist en (voor zover in hoger beroep nog van belang) dat [geïntimeerde] recht en belang heeft bij haar overige vorderingen. De rechtbank heeft op deze gronden:

 

( a) voor recht verklaard dat [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door het beeldmateriaal uit haar huis te ontvreemden en zonder haar toestemming op het internet te plaatsen, vergezeld van haar naam, woonplaats en professie;

 

( b) [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een immateriële schadevergoeding van € 35.000,- te betalen, met rente;

 

( c) [appellant] geboden de verantwoordelijken genoemd in de bij de inleidende dagvaarding overgelegde lijst aan te schrijven en te eisen dat het beeldmateriaal, inclusief de stills, wordt verwijderd, op verbeurte van een dwangsom in het geval dat hij niet aan dit bevel voldoet;

 

( d) [geïntimeerde] gemachtigd om het bevel onder (c) zelf te verrichten onder verhaal van de kosten op [appellant] ,

 

een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

 

 

3.2

[appellant] bestrijdt met grief 1 in principaal appel de overweging van de rechtbank dat hij aansprakelijk is voor de verdere verspreiding van het beeldmateriaal op het internet. Hij voert daartoe aan dat hij in 2011 al hetgeen in zijn macht lag heeft gedaan om de beelden van het internet te verwijderen en dat hij niet wist, althans niet heeft kunnen weten dat er na 2011 nog beeldmateriaal op het internet te vinden was. Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief als volgt.

 

 

3.3

[appellant] heeft het beeldmateriaal, waarop [geïntimeerde] herkenbaar is, op een website geplaatst met vermelding van voornaam, achternaam, woonplaats en beroep van [geïntimeerde] . Hij heeft op deze wijze zeer intieme beelden van [geïntimeerde] aan het publiek prijsgegeven en heeft daarbij ook nog haar – door de gedetailleerdheid unieke – persoonsgegevens aan de beelden gekoppeld. Het hof trekt uit deze gang van zaken de conclusie dat [appellant] doelbewust de eer en goede naam van [geïntimeerde] heeft willen aantasten, waarbij hij zelf overigens – letterlijk – buiten beeld is gebleven; hij heeft immers niet zijn eigen naam aan het beeldmateriaal gekoppeld, althans dat is op geen enkele wijze gebleken, en komt op het door hem gekozen beeldmateriaal evenmin herkenbaar in beeld.

 

 

3.4

[appellant] heeft aldus een norm overschreden die ertoe strekt [geïntimeerde] te beschermen tegen de aantasting van haar eer en goede naam. Dat laatste is precies wat er is gebeurd. De beelden zijn immers in ruime mate verspreid, met naamsvermelding, en zijn daarom, naar mag worden aangenomen, door velen gezien en met [geïntimeerde] in verband gebracht. [appellant] dient dan ook in te staan voor de door [geïntimeerde] geleden schade die erin bestaat dat zij ermee wordt geconfronteerd dat derden kunnen kennisnemen van het door [appellant] op het internet gezette beeldmateriaal, en dit materiaal ook rechtstreeks aan haar persoonsgegevens is gekoppeld. Daarbij komt dat ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] doelbewust heeft gehandeld en dat het voor [appellant] voorzienbaar was dat het beeldmateriaal zich verder zou verspreiden op het internet. Seksueel expliciete beelden zijn immers al langere tijd gewild op het internet en worden, al dan niet uit commerciële motieven, op grote schaal ingezien, verzameld en verspreid. Het handelen van [appellant] heeft er bovendien toe geleid dat het beeldmateriaal via zoekmachines was te vinden op de naam van [geïntimeerde] en/of haar beroep en woonplaats en vervolgens eenvoudig aan de persoon van [geïntimeerde] was te koppelen. Het beeldmateriaal was aldus zeer indringend op het internet aanwezig hetgeen voor [appellant] gelet op zijn handelwijze – het toevoegen van de persoonsgegevens aan het beeldmateriaal – eveneens voorzienbaar was.

 

 

3.5

[appellant] wijst nog erop dat hij zich in 2011 heeft ingespannen om het beeldmateriaal van het internet te (doen) verwijderen. Het hof onderkent dat dit zo is geweest. Uit de door [geïntimeerde] bij haar inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie blijkt dat [appellant] , na sommatie van de zijde van [geïntimeerde] , een aantal acties heeft ondernomen, waarna hij bij brief van 14 augustus 2011 aan de advocaat van [geïntimeerde] heeft gemeld dat volgens hem alle beeldmateriaal van het internet is verwijderd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft daarop kennelijk niet meer gereageerd. Een en ander ontslaat [appellant] echter niet van verdere aansprakelijkheid bij het, volgens [geïntimeerde] nog steeds en volgens [appellant] wederom verschijnen van het beeldmateriaal op het internet. Ook het opnieuw verschijnen van het beeldmateriaal is immers een voorzienbaar gevolg van het onrechtmatige handelen van [appellant] . Het is immers niet ongebruikelijk dat op het eerste oog verwijderd beeldmateriaal toch weer op het internet verschijnt doordat de oorspronkelijke aanbieder of een derde dit materiaal weer online zet en/of vindbaar maakt.

 

 

3.6

Volgens [geïntimeerde] was het beeldmateriaal ook na augustus 2011, hoewel minder massaal, nog vindbaar op de hiervoor onder 2.2 genoemde zoektermen waarin haar naam voorkomt. [geïntimeerde] heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar het bij haar inleidende dagvaarding overgelegde ‘Projectverslag’ van [X] en een in haar memorie van antwoord ingekopieerde e-mail met bijlage van [X] aan Google van 15 oktober 2014. [appellant] heeft bij pleidooi niet langer betwist dat de bewuste onder 2.2 vermelde zoektermen nog tot eind 2014 resultaten opleverden. Hij heeft wel aangevoerd dat hij, nadat hij in augustus 2011 vier van de opgegeven websites had aangeschreven, heeft geconstateerd dat er nog wel links waren te vinden maar dat het beeldmateriaal daarachter verdwenen was. [appellant] heeft echter niet, althans niet voldoende duidelijk en in elk geval niet voldoende gemotiveerd, betwist dat er daarna wel weer beeldmateriaal te vinden was met de genoemde zoektermen (zie voor een en ander pleitnota hoger beroep blz. 3 en 4). Het hof gaat er daarom van uit dat er ook na 2011 nog beeldmateriaal op het internet te vinden was met de zoektermen. Het hof stelt overigens vast dat, ook al zou het gaan om niet werkende links, de enkele tekst bij de link – de naam van [geïntimeerde] in combinatie met ‘nasty blowjob’ – en de soms daarbij zichtbare stills, zoals te zien in de screenshots in genoemd projectverslag op blz. 8 en in de bijlage van de e-mail in de memorie van grieven, al voldoende diffamerend waren voor [geïntimeerde] om schade op te leveren, en [appellant] dan ook terecht was gesommeerd ook deze links te (doen) verwijderen.

 

 

3.7

[appellant] heeft evenmin betwist dat na augustus 2011 en ook nog na oktober 2014 beeldmateriaal is aangetroffen dat niet was gekoppeld aan de naam van [geïntimeerde] . Hij heeft echter wel aangevoerd dat dit niet relevant is omdat deze bronnen slechts zijn te vinden door gebruik te maken van een zoekmethode waarbij de zoeker moet beschikken over (een deel van) het originele beeldmateriaal. Hij heeft tevens aangevoerd dat het een gevolg is dat in te ver verwijderd verband staat met de oorzaak om hem daarvoor aansprakelijk te houden. [appellant] kan dan ook niet gehouden worden ervoor zorg te dragen dat de beelden van het internet verwijderd blijven onder verbeurte van een dwangsom, zo stelt hij.

 

 

3.8

Het hof is evenwel van oordeel dat ook de aanwezigheid van het beeldmateriaal zonder de koppeling aan de naam van [geïntimeerde] relevant is. [geïntimeerde] dient dan immers nog steeds te vrezen voor herkenning door kijkers van het beeldmateriaal, ook al kan dat materiaal niet meer worden gevonden door op haar naam te zoeken. Ook valt niet uit te sluiten dat op enigerlei wijze toch weer haar naam of haar persoon wordt verbonden aan het beeldmateriaal. [geïntimeerde] ondervindt, zo valt te concluderen, ook na 2014 nog steeds de gevolgen van het handelen van [appellant] . Er is geen grond [appellant] voor deze gevolgen niet aansprakelijk te houden. Een en ander is immers het rechtstreekse en voorzienbare gevolg van zijn handelen. Het hof merkt tenslotte op dat [appellant] niet is veroordeeld de beelden blijvend van internet te (doen) verwijderen op straffe van verbeurte van een dwangsom; het dictum strekt beduidend minder ver dan dat.

 

 

3.9

De conclusie van het hiervoor overwogene is dat grief 1 in principaal appel faalt.

 

 

3.10

Grief 2 in principaal appel is gericht tegen het aan [appellant] gegeven gebod zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder c is weergegeven. [appellant] voert in de eerste plaats aan dat al jaren geen beelden meer zijn te vinden op het internet, althans niet zonder kunstgrepen zoals het gebruik van stills. Het is dan ook niet juist dat het onrechtmatig handelen nog steeds gevolgen heeft, althans [geïntimeerde] heeft geen belang meer bij het gevorderde, althans het opleggen van een dwangsom is onjuist. Het hof overweegt dat dit een en ander afstuit op hetgeen hiervoor naar aanleiding van grief 1 is overwogen en wijst daartoe met name op rechtsoverweging 3.8. Het door de rechtbank gegeven gebod betreft het aanschrijven van nader genoemde partijen die verantwoordelijk zijn voor het thans vindbare anonieme beeldmateriaal. [appellant] heeft dat niet betwist. De aanwezigheid van dit materiaal is, zoals hiervoor reeds overwogen, wel degelijk het gevolg van het handelen van [appellant] en [geïntimeerde] heeft bij het verwijderen daarvan nog steeds belang.

 

 

3.11

Voor zover [appellant] met zijn grief bedoelt dat het niet zinvol is om de verantwoordelijken aan te schrijven zonder te verwijzen naar beelden die niet meer in zijn bezit zijn, kan hij daartoe in overleg treden met (de advocaat van) [geïntimeerde] . Mogelijk volstaan de door [geïntimeerde] reeds in de lijst vermelde links. [appellant] heeft met een en ander in elk geval onvoldoende duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om reeds nu de verantwoordelijken aan te schrijven en hen te wijzen op de onrechtmatige aanwezigheid van het beeldmateriaal en hen te verzoeken dit te verwijderen. Grief 2 faalt dan ook.

 

 

3.12

Grief 3 betreft de door de rechtbank toegewezen immateriële schadevergoeding ad € 35.000,-. [appellant] betwist, gelet op de toelichting van zijn grief, het bestaan en de omvang van de immateriële schade. Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief als volgt.

 

 

3.13

[geïntimeerde] heeft haar psychische schade als volgt toegelicht. Zij leeft vanaf de ontdekking in 2010 dat het beeldmateriaal nog steeds op het internet staat een teruggetrokken bestaan, is mensenschuw en depressief. Zij besluit in 2013 om hulp te zoeken om uit haar isolement te komen en komt onder behandeling bij psychiater [Y] . De diagnose luidt post traumatische stress stoornis en depressiviteit. In de door haar als productie 11 bij haar inleidende dagvaarding overgelegde, mede namens genoemde psychiater opgestelde stukken is vermeld dat zij klachten heeft ontwikkeld nadat zij ontdekte dat het beeldmateriaal op internet was geplaatst en dat zij van 4 maart tot 9 september 2014 onder behandeling is geweest. [geïntimeerde] meldt ook nog dat zij haar werk als [beroep] grotendeels heeft gestaakt uit schaamte en angst, mede omdat potentiële klanten bij het zoeken op het internet met zoektermen als haar naam, professie en woonplaats naast haar website ook het beeldmateriaal zouden kunnen tegenkomen. Dat was voor haar een ondraaglijke gedachte, zo zegt zij. [geïntimeerde] wijst voorts erop dat de schade ongrijpbaar is omdat de meeste mensen, ook bekenden, haar nooit zullen vertellen dat zij het beeldmateriaal hebben gezien. Zij zal naar haar zeggen levenslang de gevolgen moeten dragen omdat het beeldmateriaal nooit definitief van het internet zal verdwijnen.

 

 

3.14

[appellant] heeft daar tegenover gesteld dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken niet blijkt dat zij fors psychisch letsel heeft opgelopen en dat zij daarmee evenmin heeft aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen zijn handelen en haar psychische toestand. Het hof acht dit een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] die zij heeft onderbouwd met bedoelde stukken. Uit die stukken blijkt immers duidelijk de door [geïntimeerde] gestelde diagnose en bovendien wordt daarin de oorzaak van die diagnose vermeld. [appellant] heeft ook geen alternatieve oorzaak voor die diagnose genoemd. Uit de stukken blijkt bovendien dat de klachten van [geïntimeerde] , ten tijde van de intake, leidden tot ‘beperkingen op alle vlakken van het dagelijks leven’. Dat zegt voldoende over de ernst van die klachten. Het hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] jarenlang is geconfronteerd met de gevolgen van het onrechtmatig handelen van [appellant] : gedurende ruim zes jaar was het beeldmateriaal vindbaar met gebruikmaking van haar naam en ook daarna is het beeldmateriaal niet van het internet verdwenen. Zij is daardoor niet alleen in haar persoonlijke leven geraakt maar ook, mede door de uitdrukkelijke vermelding van naam, professie en woonplaats, in haar zakelijke bestaan hetgeen naar mag worden aangenomen eveneens van invloed is geweest op haar psychische gesteldheid. [appellant] heeft voorts niet weersproken dat [geïntimeerde] de gevolgen mogelijk levenslang heeft te dragen omdat het beeldmateriaal nooit van het internet zal verdwijnen. Bovendien valt op dat [appellant] nimmer uit zichzelf enige moeite heeft genomen om het beeldmateriaal van het internet te (doen) verwijderen. Hij heeft in 2011 slechts op een sommatie gereageerd en dat ook maar gedeeltelijk. Ook thans is [appellant] weigerachtig om aan de terechte verzoeken van [geïntimeerde] te voldoen. Zijn houding werkt aldus niet mee aan het feitelijk beperken van de schade en naar mag worden aangenomen in het geheel niet aan het verminderen van de klachten die [geïntimeerde] daarvan heeft ondervonden.

 

 

3.15

Het hof acht al met al het door de rechtbank toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding passend. Ook grief 3 in principaal appel faalt.

 

 

3.16

[appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog het volgende aangevoerd. Hij heeft het beeldmateriaal eerst geplaatst op een besloten website waarbij het beeldmateriaal moet zijn voorzien van personalia en waarbij de leden van deze website elkaar eerst toestemming moeten geven om beeldmateriaal te zien. Nadat [geïntimeerde] hem (in 2008) gemeld had dat zij een anonieme e-mail had ontvangen met de mededeling dat het beeldmateriaal op internet stond, bleek dat hij zijn account verkeerd had ingesteld – hof: kennelijk met openbare toegang – en heeft hij het filmpje onmiddellijk verwijderd. Begin 2010 heeft hij opnieuw een account aangemaakt met de juiste instellingen. In 2011, na de sommatie, bleek hem middels navraag bij de website dat er een servercrash was geweest en dat zijn account daarna niet goed was ingesteld waardoor de video’s op het openbare internet terecht waren gekomen. Namens [geïntimeerde] is bezwaar gemaakt tegen het brengen van deze nieuwe feiten. Het hof zal dit bezwaar honoreren en geen rekening houden met deze te laat in de procedure aangevoerde feiten.

 

 

3.17

Het hof overweegt nog ten overvloede dat [appellant] de door hem gestelde gang van zaken op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Een en ander maakt bovendien niet dat [appellant] niet aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor het verspreiden van het beeldmateriaal. In zijn versie heeft hij immers bij de plaatsing op de website een fout gemaakt waardoor het beeldmateriaal openbaar toegankelijk was, hetgeen uiterst onzorgvuldig is. Daarbij komt dat het hem evenmin is toegestaan dergelijk gevoelig materiaal zonder toestemming van [geïntimeerde] op een besloten website te plaatsen. Het hof merkt op dat het risico van verdere openbaarmaking dan de besloten website ook daarom voor risico van [appellant] dient te komen.

 

 

3.18

[geïntimeerde] heeft in haar incidenteel appel aangevoerd dat [appellant] zich kennelijk niet laat prikkelen door een dwangsom. Zij verzoekt dan ook het in rechtsoverweging 3.1 onder c weergegeven gebod te versterken met de sanctie van lijfsdwang. [appellant] heeft zich verzet tegen deze vordering.

 

 

3.19

Het hof overweeg dat ingevolge artikel 587 Rv lijfsdwang slechts aan de orde komt indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden én het belang van [geïntimeerde] als schuldeiser de toepassing daarvan rechtvaardigt. In dat verband is van belang dat de rechtbank [geïntimeerde] tevens heeft gemachtigd om het bevel onder (c) zelf te verrichten, onder verhaal van de kosten daarvan op [appellant] . [geïntimeerde] kan dus zelf doen wat de rechtbank [appellant] heeft geboden. [geïntimeerde] ervaart dit uit oogpunt van rechtvaardigheid mogelijk niet als de meest wenselijke variant. Dat leidt echter, ook niet in samenhang met het financiële belang dat zij heeft bij gebreke van verhaal op [appellant] , naar het oordeel van dit hof niet tot een voldoende belang bij toepassing van het zware en uitzonderlijke middel van lijfsdwang. Het incidentele appel faalt dan ook.

 

 

3.20

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De vordering van [geïntimeerde] in haar incidentele appel zal worden afgewezen nu daarvoor geen grond bestaat. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. In incidenteel hoger beroep zal een kostenveroordeling achterwege blijven nu [appellant] daartoe niet heeft geconcludeerd.

 

 

 

4 Beslissing

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

 

 

 

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,- aan verschotten en € 4.173,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

 

 

 

 

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

 

 

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten in incidenteel hoger beroep draagt;

 

 

 

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, D. Kingma en F.J. Verbeek, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots