Hof: schending zorgplicht aangenomen, werkgever heeft verweer onvoldoende onderbouwd; werkgever mag tegenbewijs leveren van plaatsvinden ongeval  

Samenvatting:

Werknemer stelt dat hij letsel heeft opgelopen bij het fileren van vis en stelt werkgever aansprakelijk ex art. 7:658 BW. Hij stelt dat de veiligheidspal van de visfileermachine ontbrak, omdat deze was verwijderd. 1. Werkgever heeft volstaan met de stelling dat de pal niet was weggehaald en dat het beweerde ontbreken van de pal er niet toe heeft geleid dat de messen konden vallen.  Het hof oordeelt dat werkgever zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof oordeelt dat werkgever niet aan zorgplicht heeft voldaan. 2. Het hof laat werkgever toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat werknemer in 2013 bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval heeft gehad.

ECLI:NL:GHARL:2021:2488

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

16-03-2021

Datum publicatie

18-03-2021

Zaaknummer

200.277.397/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Bewijsopdracht. Heeft de werknemer het letsel opgelopen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever? Tegenbewijs door werkgever.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.397/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 6417365)

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

1 De vennootschap onder firma in liquidatieAlami Vis,

gevestigd te Urk,

hierna: Alami Vis,

  1. [appellant2],

wonende te [A] ,

hierna: [appellant2],

  1. [appellante3],

wonende te [B] ,

hierna: [appellante3],

appellanten,

bij de kantonrechter: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Alami Vis c.s.,

advocaat: mr. J.M.P. Blom, die kantoor houdt te Lelystad,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [C] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.P. Hovinga, die kantoor houdt te Rotterdam.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor de procedure bij de kantonrechter verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

7 maart 2018, 18 december 2019 en 29 januari 2020 die de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep van 20 februari 2020,

– de memorie van grieven (met één productie),

– de memorie van antwoord (met één productie),

– een akte van Alami Vis c.s.

2.2

Vervolgens hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Alami Vvis c.s. vorderen in het hoger beroep – samengevat – dat het vonnis van de kantonrechter van 18 december 2019 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten bij de kantonrechter en het hof.

  1. Waar gaat deze zaak over?

3.1 [appellant2] en [appellante3] , die in het verleden gehuwd waren, waren beiden vennoot van de inmiddels opgeheven vennootschap onder firma Alami Vis. Alami Vis hield zich bezig met het verwerken en fileren van vis.

3.2 [geïntimeerde] is op 25 februari 2013 als algemeen medewerker bij Alami Vis in dienst getreden op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de duur van vijf maanden.

3.3 Op zaterdagochtend 13 juli 2013 is [geïntimeerde] gezien op de afdeling spoedeisend hulp van het Antoniusziekenhuis te Emmeloord met een snijwond aan drie vingers van de linkerhand. Hij is doorgestuurd naar het Isala-ziekenhuis te Zwolle, waar hij diezelfde dag is geopereerd door plastisch chirurg [D] . Nadien is [geïntimeerde] nog een keer geopereerd en heeft hij fysiotherapie gehad.

heeft een ZW-uitkering ontvangen en aansluitend een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

3.4

Volgens [geïntimeerde] heeft hij de verwonding opgelopen tijdens zijn werk bij Alami Vis. Bij het vervangen van de messen van de visfileermachine raakte een mes in onbalans. Bij het in een reflex opvangen van het vlijmscherpe mes, raakte het mes zijn linkerhand en werden drie vingers grotendeels doorgesneden. [geïntimeerde] vindt dat Alami Vis, als werkgever, aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, omdat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting te zorgen voor een veilige werkplek.

3.5

Alami Vis c.s. hebben bestreden dat [geïntimeerde] de snijwond tijdens zijn werkzaamheden bij Alami Vis heeft opgelopen. Bij Alami Vis wordt niet op zaterdag gewerkt, ook niet op 13 juli 2013, aldus Alami Vis c.s.

3.6

[geïntimeerde] heeft op 25 februari 2015 bij de Inspectie SZW gemeld dat hij op

13 juli 2013 een arbeidsongeval heeft gehad bij Alami Vis. In een brief van 23 april 2015 aan Alami Vis heeft de Inspectie geschreven dat de heer [E] , arbeidsinspecteur, niet heeft kunnen vaststellen dat dit arbeidsongeval heeft plaatsgevonden en dat daarom wordt volstaan met het opmaken van deze brief.

3.7 Nadat in het kader van een door [geïntimeerde] aanhangig gemaakte procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zeven getuigen waren gehoord, heeft [geïntimeerde] in de procedure bij de kantonrechter gevorderd dat de kantonrechter oordeelt dat Alami Vis c.s. aansprakelijk zijn voor het hem overkomen bedrijfsongeval en veroordeeld worden tot betaling aan hem van de door hem geleden en nog te lijden schade van € 538.052,-, te vermeerderen met rente en (werkelijke) proceskosten.

3.8

In het tussenvonnis van 18 december 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] heeft bewezen dat hij gewond is geraakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Alami Vis. De kantonrechter heeft ook geoordeeld dat Alami Vis is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht en dat van opzet of bewuste roekeloosheid bij [geïntimeerde] geen sprake is. Verder oordeelde de kantonrechter dat het voor het vaststellen van de aard en omvang van de schade noodzakelijk en gewenst is dat een of meer medische deskundigen worden benoemd.

In het tussenvonnis van 29 januari 2020 heeft de kantonrechter tussentijds hoger beroep opengesteld tegen het tussenvonnis van 18 december 2019.

3.9

Volgens het hof heeft [geïntimeerde] het door hem te leveren bewijs dat hij bij zijn werkzaamheden voor Alami Vis gewond is geraakt wel geleverd, maar moeten Alami Vis c.s. de gelegenheid krijgen daar tegenbewijs tegen te leveren.

4

  1. De beoordeling van het geschil tussen partijen

Uitgangspunten

4.1

[geïntimeerde] baseert zijn vordering op Alami Vis c.s. op de in artikel 7:658 BW geregelde aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsongevallen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Alami Vis c.s. alleen aansprakelijk zijn voor de door [geïntimeerde] geleden schade indien vaststaat dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, gewond is geraakt ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ voor Alami Vis. De stelplicht en bewijslast dat dat het geval is, rusten op [geïntimeerde] . Indien komt vast te staan dat [geïntimeerde] gewond is geraakt bij zijn werkzaamheden voor Alami Vis zijn Alami Vis c.s. aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade tenzij zij stellen en bewijzen dat Alami Vis aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan, of dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien Alami Vis wel aan haar zorgplicht zou hebben voldaan (in dat geval ontbreekt het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en het ongeval )of dat het ongeval het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] .

Zorgplicht, causaal verband en opzet of bewuste roekeloosheid

4.2

Het hof ziet reden om eerst in te gaan op de vraag of Alami Vis haar zorgplicht heeft geschonden en, zo ja, of sprake is van causaal verband tussen de zorgplichtschending en het gestelde ongeval dan wel of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Indien daarvan geen sprake is, kan de vraag waarover partijen vooral van mening verschillen en waarover zoals hierna zal blijken bewijslevering dient plaats te vinden, te weten of [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden voor Alami Vis gewond is geraakt, onbeantwoord blijven.

4.3

[geïntimeerde] heeft in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd dat Alami Vis op verschillende punten haar zorgplicht heeft geschonden. Volgens [geïntimeerde] was de machine niet veilig doordat een veiligheidspal ontbrak.

Verder heeft Alami Vis hem niet geïnstrueerd over het verwisselen van de messen en heeft zij hem geen veiligheidshandschoenen ter beschikking gesteld. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Alami Vis c.s. niet hebben betwist dat geen instructie is gegeven aan [geïntimeerde] en dat geen veiligheidshandschoenen zijn verstrekt, zodat dat vaststaat. Volgens de kantonrechter is aannemelijk dat het geven van instructie het risico op ongevallen aanmerkelijk zou hebben verkleind en kan niet op voorhand worden uitgesloten dat [geïntimeerde] de handschoenen zou hebben gebruikt indien die hem zouden zijn verstrekt en hij instructies zou hebben gekregen over het gebruik ervan. Daarmee verwierp de kantonrechter het verweer van Alami Vis c.s., dat [geïntimeerde] de handschoenen toch niet zou hebben gebruikt, omdat [geïntimeerde] heeft verklaard dat het niet mogelijk is de messen met handschoenen te vervangen.

Alami Vis c,s, zijn het er niet mee eens dat [geïntimeerde] niet was geïnstrueerd en dat hij mogelijk handschoenen zou hebben gedragen als die hem waren verstrekt. .

4.4

Het hof stelt vast dat de kantonrechter de stelling van [geïntimeerde] dat de machine onveilig was omdat een veiligheidspal ontbrak niet inhoudelijk heeft besproken. De kantonrechter heeft slechts vastgesteld dat Alami Vis c.s. hebben ontkend dat de veiligheidspal ontbrak. Dat laatste is inderdaad het geval. Volgens Alami Vis c.s. is het aan [geïntimeerde] om aan te tonen dat de veiligheidspal ontbrak.

4.5

Dit betoog van Alami Vis c.s. is onjuist. Zoals hiervoor is overwogen, rusten de stelplicht en bewijslast dat Alami Vis aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan op Alami Vis c.s. Ter onderbouwing van dit verweer dient de werkgever voldoende concrete gegevens aan te voeren. Als de werkgever dat doet, mag vervolgens van de werknemer worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert. Aan die motivering mogen vervolgens weer niet zulke hoge eisen worden gesteld dat afbreuk wordt gedaan aan de strekking van artikel 7:658 lid 2 BW1.

4.6

In dit geval heeft [geïntimeerde] het verweer van Alami Vis c.s. dat Alami Vis aan haar zorgplicht heeft voldaan concreet betwist door aan te geven dat de veiligheidspal van de visfileermachine ontbrak, omdat deze was verwijderd. Alami Vis c.s. hebben vervolgens volstaan met de stelling dat de pal niet was weggehaald en hebben ook aangevoerd dat het beweerde ontbreken van de pal er niet toe heeft geleid dat de messen konden vallen. Zij hebben die stelling verder niet onderbouwd en daarmee hun verweer dat Alami Vis op dit punt – de zorg voor een veilige machine – aan haar zorgplicht heeft voldaan, onvoldoende onderbouwd. Het hof laat dan nog daar dat zij op dit punt ook geen concreet bewijsaanbod hebben gedaan.

4.7

Voor het verweer van Alami Vis c.s. dat geen sprake is van causaal verband tussen de onveiligheid van de machine en het ongeval geldt hetzelfde. De stelplicht en bewijslast betreffende dit verweer rusten op Alami Vis c.s.2 Alami Vis c.s. hebben op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom het mes ook zou zijn gevallen wanneer wel een veiligheidspal aanwezig zou zijn geweest. De juistheid van die stelling ligt, gelet op de functie van een veiligheidspal, ook niet voor de hand, zodat een onderbouwing ervan des te meer noodzakelijk was. Bovendien hebben Alami Vis c.s. ook op dit punt geen concreet bewijsaanbod gedaan.

4.8

De conclusie is dat Alami Vis c.s. hun verweer dat Alami Vis op het punt van de veiligheid van de machine aan hun zorgplicht hebben en dat geen sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de tekortschietende veiligheid van de machine onvoldoende hebben onderbouwd, zodat dat verweer geen stand houdt. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of sprake is van causaal verband tussen de door de kantonrechter in aanmerking genomen tekortkomingen in de zorgplicht en het door [geïntimeerde] gestelde ongeval. Grief X van Alami Vis c.s. faalt dan ook wegens gebrek aan belang.

4.9

De kantonrechter heeft het beroep van Alami Vis c.s. op opzet of bewuste roekeloosheid verworpen. Alami Vis c.s. hebben geen grief gericht tegen dit oordeel, zodat er in hoger beroep van kan worden uitgegaan dat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.

4.10

Omdat de vordering van [geïntimeerde] gezien het voorgaande niet strandt op een van de hier besproken vereisten voor de toewijsbaarheid ervan, zal het hof het geschil van partijen over het andere vereiste – dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden voor Alami Vis – bespreken.

Arbeidsongeval of niet

4.11 Zoals hiervoor is overwogen, dient [geïntimeerde] te stellen en te bewijzen dat hij gewond is geraakt bij een arbeidsongeval tijdens zijn werkzaamheden voor Alami Vis. Volgens de kantonrechter heeft [geïntimeerde] met de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen, de ingebrachte schriftelijke verklaringen en een opname van een gesprek tussen hem en [appellant2] dit bewijs geleverd. Alami Vis c.s. zijn het niet eens met dit oordeel.

4.12

De getuigenverklaringen staan lijnrecht tegenover elkaar. Enerzijds hebben [geïntimeerde] en twee van zijn ex-collega’s, [F] en [G] verklaard dat [geïntimeerde] gewond is geraakt toen hij op zaterdagochtend 13 juli 2013 bij Alami Vis de messen van de visfileermachine verwisselde. [F] en [G] verklaren dat zij toen ook aan het werk waren. Hun verklaringen komen in grote lijnen overeen. Aanvullend bewijs is te vinden in de geluidsopname van een gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellant2] , waarin [appellant2] aanbiedt om € 5.000,- te betalen aan [geïntimeerde] en in de medische stukken, waarin is vastgelegd dat [geïntimeerde] vanaf het begin heeft verteld dat het ongeval is ontstaan bij het visfileren of bij het werken met een visfileermachine.

Anderzijds hebben [appellant2] en een andere ex-collega van [geïntimeerde] , [H] , als getuige verklaard dat er nooit op zaterdag werd gewerkt en dat [geïntimeerde] nooit de messen verwisselde. Dat was het werk van [H] . Hun verklaring worden op onderdelen ondersteund door de getuigenverklaringen van [appellante3] en [I] en door schriftelijke verklaringen van [J] , [K] en [L] , maar op andere onderdelen tegengesproken door schriftelijke verklaringen van [M] en [N] . [M] verklaart dat hij op 13 juli 2013 van het ongeval heeft gehoord en heeft gezien dat [appellant2] [geïntimeerde] die dag thuisbracht uit het ziekenhuis. [appellant2] heeft ontkend dat hij bij [geïntimeerde] in het ziekenhuis is geweest. [N] verklaart dat hij zelf heeft vastgesteld dat, anders dan door [appellant2] , [appellante3] en [H] is verklaard, wel degelijk op zaterdag werd gewerkt bij Alami Vis.

4.13

Al met al heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof voorshands bewezen dat hij op 13 juli 2013 bij zijn werkzaamheden voor Alami Vis een arbeidsongeval heeft gehad. Dat hij die dag een arbeidsongeval heeft gehad bij visfileerwerkzaamheden staat naar het oordeel van het hof, gelet op de medische stukken in combinatie met de diverse getuigenverklaringen voldoende vast. Alami Vis c.s. hebben dat trouwens ook niet gemotiveerd bestreden.

Het ligt voor de hand dat indien [geïntimeerde] op 13 juli 2013 een arbeidsongeval heeft gehad bij het verrichten van visfileerwerkzaamheden, dat ongeval zich heeft voorgedaan bij het bedrijf waar hij op dat moment in dienst was, Alami Vis. Deze voor de hand liggende gedachte wordt ondersteund door de verklaringen van [geïntimeerde] zelf, als partijgetuige, wiens verklaring op belangrijke punten wordt ondersteund door de verklaringen van twee andere getuigen, door twee schriftelijke verklaringen en een bandopname.

Dit bewijs wordt op belangrijke onderdelen weersproken door de getuigenverklaringen van vier anderen, maar twee van hen zijn ook partij en hebben dus een eigen belang bij hun verklaring. Bovendien bieden deze verklaringen geen antwoord op de wel relevante vraag waar [geïntimeerde] zijn verwondingen heeft opgelopen wanneer dat niet bij Alami Vis is gebeurd. Dat geldt ook voor de drie schriftelijke verklaringen, die vrijwel gelijkluidend zijn en weinig gedetailleerd. De suggestie van Alami Vis c.s. dat het ongeval kan hebben plaatsgevonden bij een andere werkgever van [geïntimeerde] (waar wel op zaterdagen werd gewerkt) is met deze verklaringen dan ook nog niet bewezen.

4.14

Het hof zal Alami Vis c.s. toelaten tot het leveren van tegenbewijs, zoals zij ook aanbieden. Het merkt op dat Alami Vis c.s. naast drie nog niet eerder gehoorde getuigen – de drie die een schriftelijke verklaring hebben ondertekend – ook [appellant2] en [appellante3] voordragen. [appellant2] is nog niet gehoord over de context van de geluidsopname en Alami Vis c.s. hebben aangegeven dat zij hem daarover willen horen. Daar hebben zij ook belang bij. In zoverre hebben zij het aanbod om [appellant2] nogmaals te horen voldoende onderbouwd. Dat geldt niet voor het aanbod om [appellante3] nogmaals te horen. Dat aanbod wordt niet gehonoreerd. Het hof staat Alami Vis wel toe [J] , [K] en [L] te laten horen, net als eventuele andere nog niet gehoorde personen.

4.15

Het staat [geïntimeerde] uiteraard vrij om na afsluiting van de getuigenverhoren aan de zijde van Alami Vis c.s. ook zelf getuigen te laten horen. Het hof merkt daarbij op [geïntimeerde] er rekening mee dient te houden dat indien hij dat dan niet doet hij daar op een later moment in de procedure geen gelegenheid meer voor krijgt.

4.16

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het vaststellen van een datum voor de getuigenverhoren.

5

  1. De beslissing

Het hof:

laat Alami Vis c.s. toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [geïntimeerde] op zaterdag 13 juli 2013 bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor

Alami Vis een bedrijfsongeval heeft gehad, waarbij hij gewond is geraakt aan zijn linkerhand;

bepaalt dat, indien Alami Vis c.s. dat tegenbewijs (ook) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden

in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat Alami Vis c.s. het aantal voor te brengen getuigen en de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen opgeven op de roldatum

13 april 2021, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien deze opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Alami Vis c.s. overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, O.E. Mulder en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

16 maart 2021.

1 HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8788.

2 HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA837.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey