Hof: Rijkswaterstaat aansprakelijk voor fatale val van brug waaraan werkzaamheden werden verricht

Samenvatting:

Bestuurder van busje stapte uit busje om inzittenden van geschaarde vrachtwagencombinatie op brug hulp te bieden. Hij klom over de vangrail en kwam daarbij terecht in het gat tussen beide brugdelen en viel 15 meter naar beneden en overleed. . Op de brug werden onderhoudswerkzaamheden door Rijkswaterstaat verricht. De WAM-verzekeraar neemt regres op Rijkswaterstaat. 1. Het hof oordeelt dat Rijkswaterstaat een zeer gevaarlijke situatie heeft laten ontstaan.  De enige veiligheidsmaatregel die Rijkswaterstaat heeft getroffen is het aanbrengen, achter de vangrails, van een veiligheidsleuning en verschillende ‘overstapplaatsen’ tussen de brugdelen. De omstandigheid dat de valbeveiliging voldeed aan de geldende regelgeving, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om aan te nemen dat Rijkswaterstaat zijn zorgplicht als wegbeheerder is nagekomen. 2. Vrachtwagenchauffeur is hoofdelijk aansprakelijk (art 6:102 BW), maar niet gezegd kan worden dat de gedraging van de vrachtwagenchauffeur aan de schade heeft bijgedragen. In elk geval eist de billijkheid dat de schade volledig door de Staat wordt gedragen, nu slechts aan de zijde van de Staat sprake is geweest van (ernstige) fouten die tot aansprakelijkheid aanleiding geven.

 

 

ECLI:NL:GHDHA:2020:1887

Instantie

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak

13-10-2020

Datum publicatie

13-10-2020

Zaaknummer

200.261.460/01

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13447, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de wegbeheerder. Onderhoudswerkzaamheden aan brug. Voldoende beveiligingsmaatregelen (waaronder waarschuwing) in verband met ernst van het gevaar? Causaal verband. Eigen schuld. Hoofdelijkheid. Alternatieve causaliteit.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

 

Zaaknummer: 200.261.460/01

 

Zaaknummer rechtbank: C/09/546588 / HA ZA 18-88

 

Arrest van 13 oktober 2020

inzake

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),

 

zetelende te Den Haag,

 

appellant,

 

hierna te noemen: de Staat,

 

advocaat: mr. A.C.M. Remmé te Utrecht,

 

tegen

 

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

 

geïntimeerde,

 

hierna te noemen: Achmea,

 

advocaat: mr. J. Schep te Amersfoort.

 

Het geding

Bij exploot van 12 februari 2019 is de Staat in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018.

 

Bij memorie van grieven (met productie) heeft de Staat zes grieven aangevoerd.

 

Bij memorie van antwoord heeft Achmea de grieven bestreden.

 

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

 

Beoordeling van het hoger beroep

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de vraag of de Staat als wegbeheerder aansprakelijk is voor de schade van de nabestaanden van een weggebruiker die om het leven is gekomen na een val in de ruimte tussen twee wegdelen van een brug.

 

De in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Deze zijn de volgende.

  1. Op 25 november 2005 heeft op de Hagesteinsebrug, onderdeel van Rijksweg A27, een noodlottig ongeval plaatsgevonden. Deze brug bestaat uit twee brugdelen, elk met rijbanen voor het verkeer. Langs beide delen lopen, zowel aan de binnen- als de buitenzijde, vangrails. Tussen beide brugdelen liggen normaal gesproken roosters, maar deze waren ten tijde van het ongeval op verschillende plaatsen verwijderd in verband met onderhoudswerkzaamheden aan de brug. Er werd gewaarschuwd voor de wegwerkzaamheden. Er stonden geen waarschuwingsborden dat de roosters verwijderd waren. Wel was achter de vangrail een veiligheidsleuning (‘valbeveiliging’) van één meter hoogte aangebracht en waren er verschillende ‘oversteekplaatsen’.
  2. De toedracht van het ongeval was als volgt. Op de brug, op het ene brugdeel, reed een vrachtwagencombinatie (trekker met oplegger) richting Utrecht. Het was donker en door sneeuw en hagel was de weg glad. Vermoedelijk door de gladheid is de combinatie geslipt en tegen de middenvangrail gebotst en tot stilstand gekomen. De trekker bevond zich toen tussen beide brugdelen in en de oplegger stond dwars op de rijbaan. Op het andere brugdeel reed een busje in de tegenovergestelde rijrichting. Het busje stopte omdat de twee inzittenden hulp wilden bieden aan de bestuurder van de geschaarde vrachtwagencombinatie. De bestuurder van het busje, [bestuurder] , stapte uit, stak de weg over en klom over de vangrail en de veiligheidsleuning om naar de andere brughelft te gaan. Hij kwam echter terecht in het gat tussen beide brugdelen en viel ruim 15 meter naar beneden in de rivier de Lek. [bestuurder] is daarbij om het leven gekomen. [bestuurder] liet een vrouw en vier kinderen na.
  3. De nabestaanden van [bestuurder] hebben in 2007 de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden door het overlijden van [bestuurder] . Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder onrechtmatig jegens [bestuurder] heeft gehandeld door op de brug een gevaarlijke situatie te hebben laten ontstaan. De Staat heeft aansprakelijkheid ontkend.
  4. De vrachtwagencombinatie was destijds op de voet van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij een rechtsvoorganger van Achmea. De nabestaanden van [bestuurder] hebben (ook) Achmea aansprakelijk gesteld voor de door het ongeval veroorzaakte schade.
  5. Achmea heeft aan de nabestaanden € 100.000,– ten titel van schadevergoeding uitgekeerd en € 44.455,46 ten titel van buitengerechtelijke kosten. Hiertoe hebben Achmea en de nabestaanden van [bestuurder] op 31 januari 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is verder (onder meer) bepaald:

‘(…)

dat de benadeelden de wegbeheerder zijnde De Staat Der Nederlanden (Rijkswaterstaat) als ook Achmea en haar verzekerde rechtstreeks aansprakelijk hebben gesteld voor de als gevolg van het ongeval door hen geleden en te lijden schade;

dat Achmea zich bereid verklaard heeft op basis van de zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:200 lid 1 BW de door het ongeval veroorzaakte schade voor haar rekening te nemen op voorwaarde dat het recht van verhaal op Rijkswaterstaat (…) aan Achmea wordt overgedragen (…).

(…)

Artikel V

De benadeelden en Achmea zijn van oordeel, dat het ongeval veroorzaakt is doordat de weg of althans het viaduct, waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, gebrekkig was of althans niet voldeed aan de eisen die gelet op artikel 6:174 BW aan de weg in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en dat de wegbeheerder of althans de aannemer, die ten tijde van het ongeval in opdracht van de wegbeheerder onderhoudswerkzaamheden aan de weg of althans aan de brug waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, uitvoerde, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

De benadeelden dragen tegen ontvangst van de bovengenoemde schadevergoeding onvoorwaardelijk hun rechten op de wegbeheerder of althans op degene die voor het ongeval aansprakelijk kan worden gehouden over aan Achmea, die de rechten onverkort en zonder ruggespraak met benadeelden kan uitoefenen, waarvan hun recht op een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overlijden van hun vader is uitgezonderd.’

 

In eerste aanleg heeft Achmea gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van € 144.455,46 met rente en kosten. Aan haar vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat Rijkswaterstaat onrechtmatig jegens [bestuurder] heeft gehandeld door de roosters tussen de brugdelen te verwijderen zonder daarvoor te waarschuwen en zonder afdoende beschermingsmaatregelen te nemen, waardoor een gevaarlijke situatie is ontstaan, en dat de nabestaanden van [bestuurder] hun vordering op de Staat rechtsgeldig aan haar hebben gecedeerd. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering toegewezen tot een bedrag van € 143.930,46.

 

  1. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de nabestaanden hun vordering jegens de Staat rechtsgeldig aan Achmea hebben gecedeerd en dat [bestuurder] heeft gehandeld in het kader van zaakwaarneming. Tegen de door de rechtbank vastgestelde omvang van de schade zijn geen grieven gericht.

 

  1. Grief I is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank (bestreden vonnis rov. 4.14 t/m 4.17 en 4.21, samengevat):

– dat voor de Staat voorzienbaar was dat voetgangers van het ene naar het andere brugdeel zouden kunnen oversteken,

– dat met het weghalen van de roosters voor hen een gevaar dat zij tussen de brugdelen door in het water kunnen vallen in het leven is geroepen,

– dat, gelet op de ernst van de gevolgen hiervan, een veiligheidsleuning van slechts één meter hoog die bovendien bestaat uit losse palen verbonden door een bovenpaal en waar dus vrij eenvoudig onderdoor gestapt of overheen geklommen kan worden, een onvoldoende beveiligingsmaatregel is in een situatie waarin niet is gewaarschuwd voor het ontbreken van de roosters, en

– dat, nu de Staat geen extra veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, hij niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht als wegbeheerder en (dus) onrechtmatig heeft gehandeld.

In de toelichting op de grief heeft de Staat het volgende aangevoerd. De valbeveiliging voldeed aan de daaraan te stellen normen en de geldende regelgeving (onder meer NEN 2770). Een dicht hek, zonder boven- en tussenleuning, en/of een hoger hek, zoals volgens de rechtbank van Rijkswaterstaat gevergd had kunnen worden, voldoet niet aan de geldende regelgeving en zou ook niet tot een veiliger situatie hebben geleid. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat waarschuwingsborden of aanwijzingen naar een oversteekplaats aanwezig hadden moeten zijn. Algemeen uitgangspunt is dat langs Rijkswegen zo min mogelijk borden worden geplaatst teneinde verwarring en gevaarlijke situaties te voorkomen. In de onderhavige situatie zou een grote hoeveelheid borden links naast de weg geplaatst hebben moeten worden, wat gezien de daarmee samenhangende gevaren en de geringe kans op een ongeval zeer onwenselijk en niet reëel is. In geen enkele normale omstandigheid is voor een gebruiker van de brug een reden te bedenken om over de dubbele middenvangrail en over de valbeveiliging te klimmen. De Hagesteinsebrug is alleen toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer en voor de aanwezige werklieden was de valbeveiliging afdoende. Gezien het te verwachten gebruik was de kans dat [bestuurder] over de valbeveiliging zou klimmen nihil. Rijkswaterstaat heeft dus voldoende maatregelen genomen om gevaren te voorkomen en niet onrechtmatig gehandeld, aldus de Staat.

 

  1. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis (rov. 4.9 t/m 4.12) het toetsingskader in deze zaak uiteengezet. Tegen deze overwegingen zijn geen grieven gericht. Onder 4.9 en 4.10 heeft de rechtbank de relevante wetsbepalingen en de jurisprudentie van de Hoge Raad weergegeven. Onder 4.11 en 4.12 heeft de rechtbank overwogen dat in deze zaak, gelet op artikel 6:197 leden 2 en 3 BW, artikel 6:174 BW niet van toepassing is en dat de vraag of de Staat als wegbeheerder uit hoofde van de op hem rustende algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers aansprakelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van (het algemene) artikel 6:162 BW, waarbij moet worden getoetst aan de kelderluikcriteria.

 

  1. In dit geval heeft de wegbeheerder in verband met de onderhoudswerkzaamheden de roosters tussen de brugdelen tijdelijk verwijderd. Dit impliceert dat de wegbeheerder bekend was met het (val)gevaar dat daarvan uitging. Dan geldt dat voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid voor schade die ontstaat door verwezenlijking van dit gevaar, van belang is in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid door weggebruikers waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is (HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

Verder geldt dat wanneer een wegbeheerder een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, hij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor behoort zorg te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, moet wegbeheerder van een zodanige inrichting van de weg afzien (vgl. HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549).

 

  1. Bij zijn beoordeling acht het hof van belang dat ten tijde van het ongeval de roosters tussen de brugdelen van de Hagesteinsebrug waren verwijderd in verband met onderhoudswerkzaamheden en dat in de normale situatie deze roosters wel aanwezig zijn. Zoals de (voormalig) werknemer van Rijkswaterstaat [werknemer] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard, is het aanbrengen van roosters tussen twee delen van een brug voor iedere brug verplicht. Aangenomen moet worden dat de roosters (met name) dienden ter voorkoming van het gevaar dat personen in de open ruimte tussen beide brugdelen naar beneden vallen. De gevolgen van verwezenlijking van dat gevaar – de val van een hoogte van meer dan 15 meter in het water – zijn voor een mens zeer ernstig, zo niet fataal, zoals in dit geval is gebleken. Hiermee is evident dat Rijkswaterstaat, door de roosters te (laten) verwijderen, een zeer gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen. [werknemer] heeft verklaard dat vanaf de weghelft niet zichtbaar was dat de roosters er niet waren. De Staat heeft erop gewezen dat Rijkswaterstaat waarschuwingsborden heeft geplaatst in verband met de bouwwerkzaamheden op de brug en dat ter plaatse een maximumsnelheid gold van 70 kilometer per uur. Wat daarvan zij, op grond van deze maatregelen hoefde een weggebruiker er niet op bedacht te zijn dat de roosters tussen de brugdelen waren verwijderd. De enige veiligheidsmaatregel die Rijkswaterstaat in dit verband heeft getroffen is het aanbrengen, achter de vangrails, van de veiligheidsleuning, door partijen ook wel aangeduid als valbeveiliging, en verschillende ‘overstapplaatsen’ tussen de brugdelen. De omstandigheid dat de valbeveiliging, zoals de Staat heeft gesteld, voldeed aan de geldende regelgeving, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om aan te nemen dat Rijkswaterstaat zijn zorgplicht als wegbeheerder is nagekomen. Die zorgplicht bracht mee dat Rijkswaterstaat diende te beoordelen welke (aanvullende) veiligheidsmaatregelen in deze situatie, gelet op het specifieke gevaar dat zich voordeed, moesten worden getroffen ter voorkoming dat dit gevaar zich zou verwezenlijken. Vaststaat dat de valbeveiliging, bestaande uit losse palen, verbonden door een ‘bovenpaal’, de val van [bestuurder] niet heeft kunnen voorkomen. Indien het in dit geval voor Rijkswaterstaat niet ‘reëel’ was om aanvullende veiligheidsmaatregelen, in het bijzonder het plaatsen van waarschuwingsborden, te nemen, zoals de Staat heeft aangevoerd, rijst de vraag of Rijkswaterstaat niettemin deze zeer gevaarlijke situatie – het (laten) verwijderen en langere tijd verwijderd houden van de roosters tussen de brugdelen boven een diepte van ruim 15 meter – in het leven had mogen roepen. [werknemer] heeft in dit verband verklaard dat de roosters op een hoogwaardige manier worden vastgezet aan de brug met speciale bouten, dat de brug niet geconserveerd kan worden zonder de roosters eruit te halen, dat dit erg veel werk is en dat de roosters enige tijd niet teruggeplaatst kunnen worden. De Staat heeft echter niets gesteld over de noodzaak om de roosters alle tegelijk te (laten) verwijderen (en/of langere tijd weg te laten), dan wel over de bezwaarlijkheid om tijdelijk provisorisch een ander medium tussen de brugdelen aan te brengen. Daarnaast merkt het hof op dat het wel degelijk anders had gekund, zoals blijkt uit de door Achmea overgelegde productie 3 in eerste aanleg. Op deze foto is te zien dat de roosters door werklieden worden teruggeplaatst. Ter afscherming van het wegverkeer zijn (inmiddels) hoge hekken geplaatst die, vergeleken met de valbescherming ten tijde van het ongeval (zie bijv. de door de Staat overgelegde productie 2, foto 12, in eerste aanleg, waaruit volgens de Staat zou blijken hoeveel moeite het kost om daaroverheen te klimmen), naar het voorkomt, aanmerkelijk veiliger zijn.

 

  1. Wat betreft de voorzienbaarheid is het hof van oordeel dat naar objectieve maatstaven (gelukkig) zeker niet ondenkbaar is dat in een situatie waarin zich op de ene weghelft een verkeersongeluk voordoet, een gebruiker van de andere weghelft hulp wil bieden aan een slachtoffer en, na uit zijn voertuig te zijn gestapt, zich daartoe (over de vangrail) naar de andere weghelft begeeft, zoals ook Achmea heeft betoogd. Dat is niet anders indien, zoals in dit geval, daarachter een één meter hoge veiligheidsleuning/valbeveiliging is aangebracht, waar men gemakkelijk onderdoor of overheen kan gaan en waarvan, bij gebreke van waarschuwingsborden, niet aanstonds duidelijk is waartoe deze dient (althans voor weggebruikers). Ook al is de kans dat hieruit ongevallen ontstaan wellicht klein, deze was in de ogen van Rijkswaterstaat zelf kennelijk niet verwaarloosbaar: hij heeft immers aanleiding gezien de valbeveiliging aan te brengen. De stelling van de Staat dat uit de feiten blijkt dat de kans dat iemand over de valbeveiliging klimt nihil is omdat een soortgelijk ongeval zich niet eerder en ook nadien niet heeft voorgedaan, snijdt geen hout. Daaruit kan immers niet worden afgeleid dat weggebruikers (ook in noodsituaties) zich nooit over een middenvangrail naar de andere weghelft begeven. Dat een ongeval als het onderhavige zeer uitzonderlijk is, heeft een andere oorzaak. Het risico om tussen weghelften te vallen speelt alleen op bruggen die uit twee delen bestaan en voor die situatie geldt nu juist de verplichting tussen brugdelen roosters aan te brengen. Zoals de rechtbank in het bestreden vonnis heeft overwogen (rov. 4.14 en 4.17) dienen de roosters niet alleen voor werklieden, maar ook als vluchtroute, dus ook voor gebruik door en bescherming van weggebruikers/voetgangers. Hieruit volgt dat de regelgever (ook) al rekening gehouden heeft met de (reële) mogelijkheid dat er voetgangers over de brug lopen en dat deze ook van het ene naar het andere brugdeel oversteken. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, was de door Rijkswaterstaat getroffen veiligheidsmaatregel – een één meter hoge veiligheidsleuning/valbeveiliging – in de gegeven omstandigheden onvoldoende. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat Rijkswaterstaat als wegbeheerder in zijn zorgplicht is tekortgeschoten jegens [bestuurder] en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Grief I is dus ongegrond.

 

  1. Grief II is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer van de Staat dat sprake is geweest van een zo vergaande onzorgvuldigheid en/of roekeloosheid van [bestuurder] door over de veiligheidsleuning te klimmen dat de Staat daarmee geen rekening heeft hoeven houden bij het treffen van de veiligheidsmaatregelen en dat het voor [bestuurder] zichtbaar moet zijn geweest dat de roosters ontbraken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de door beide partijen overgelegde foto’s van de situatie ten tijde van het ongeval, dat plaatsvond in het donker, niet is gebleken dat het voor [bestuurder] duidelijk zichtbaar moet zijn geweest dat de roosters ontbraken (bestreden vonnis rov. 4.18).

In de toelichting heeft de Staat gesteld dat Rijkswaterstaat er naar objectieve maatstaven geen rekening mee heeft hoeven houden dat een vrachtwagen zou scharen, de cabine van de trekker tussen twee brugdelen in zou komen te hangen en vervolgens een medeweggebruiker zijn auto op de brug zou parkeren om over de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging te klimmen. Niet eerder en ook niet ter gelegenheid van het ongeval of nadien, heeft iemand zo gehandeld als [bestuurder] , aldus de Staat. Naar hij stelt, lijkt de rechtbank de onwaarschijnlijkheid dat een weggebruiker zich zo gedraagt niet te hebben meegewogen en zich te hebben beperkt tot de opmerking dat [bestuurder] niet heeft kunnen zien dat de roosters verwijderd waren. De Staat heeft bovendien betwist dat [bestuurder] dit niet heeft kunnen zien. [bestuurder] had kunnen en moeten zien dat achter de middenvangrail en de valbeveiliging zich een zwart gat bevond en geen rooster, zoals zijn bijrijder [bijrijder] volgens diens verklaring ook heeft gezien, aldus de Staat.

 

  1. Het hof overweegt dat het niet onderbouwde verweer van de Staat dat [bestuurder] had kunnen en moeten zien dat achter de middenvangrail en de valbeveiliging zich een zwart gat, en geen rooster bevond, geen stand houdt gelet op de hiervoor genoemde verklaring van [werknemer] dat vanaf de weghelft niet zichtbaar was dat de roosters er niet waren. Het hof merkt op dat uit de handelwijze van [bestuurder] blijkt dat hij ook daadwerkelijk niet heeft gezien dat beide brugdelen niet op elkaar aansloten. Deze grief is dus ongegrond.

 

  1. Grief III is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer van de Staat dat de geleiderail en de veiligheidsleuning ter hoogte van het ongeval door de vrachtwagen waren beschadigd en dat indien deze niet langer als een afdoende beveiliging konden worden aangemerkt, dit niet aan de Staat kan worden toegerekend, een en ander op de grond dat de geleiderail en de veiligheidsleuning ook in onaangetaste toestand geen afdoende bescherming boden (bestreden vonnis rov. 4.19 en 4.20).

In de toelichting heeft de Staat betoogd dat het aan Achmea is om te stellen en te bewijzen dat [bestuurder] is gevallen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Rijkswaterstaat. Volgens de Staat staat vast dat de vrachtwagen na de botsing tegen de dubbele middenvangrail nog ongeveer 100 meter is doorgegleden en daarbij de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging heeft weggeslagen en/of beschadigd. De Staat heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de redenering van de rechtbank dat het voor de aansprakelijkheid van de Staat niet uitmaakt of [bestuurder] over de valbeveiliging en de dubbele middenvangrail is geklommen omdat deze in ieder geval geen afdoende bescherming bood, rechtens onjuist is. Als [bestuurder] niet over de valbeveiliging heeft hoeven klimmen omdat deze was weggeslagen of beschadigd, ontbreekt immers ieder causaal verband tussen de schade en het aan Rijkswaterstaat verweten onrechtmatig handelen, aldus de Staat. Naar hij verder heeft gesteld, is dan nog moeilijker vol te houden dat de aangebrachte beveiligingsmaatregelen onvoldoende waren.

 

  1. Het hiervoor onder 8 gegeven oordeel van het hof dat Rijkswaterstaat onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, impliceert dat sprake is van schending van een veiligheidsnorm. In dat geval geldt wat betreft het causaal verband het volgende. Indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan (omkeringsregel; vaste rechtspraak, zie o.m. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042). Anders dan de Staat meent, is het dus niet aan Achmea om te stellen en te bewijzen dat [bestuurder] is gevallen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Rijkswaterstaat. In het midden kan dan blijven, zoals de rechtbank heeft overwogen, of de – onvoldoende bevonden – valbeveiliging ten tijde van de val van [bestuurder] was beschadigd of weggeslagen. Deze grief faalt om die reden.

 

  1. Grief IV is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op eigen schuld van [bestuurder] . De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [bestuurder] vanwege het ontbreken van een waarschuwing dat de roosters waren verwijderd en het ontbreken van informatie op de brug waaruit bleek dat er oversteekplaatsen waren aangebracht, hierop niet op bedacht hoefde te zijn en dat dit te meer geldt nu het ten tijde van het ongeval donker was en [bestuurder] bovendien gehaast was omdat hij hulp wilde bieden aan de chauffeur van de vrachtauto. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de onvoorzichtigheid van [bestuurder] bestaande in het over de veiligheidsleuning klimmen niet opweegt tegen het onrechtmatig handelen van de Staat (bestreden vonnis rov. 4.22 en 4.23).

In de toelichting op de grief heeft de Staat erop gewezen dat [bestuurder] bekend was met de situatie ter plaatse en dus wist, althans heeft moeten weten, dat de Hagesteinse brug uit twee brugdelen bestond. Naar de Staat onder verwijzing naar de verklaring van bijrijder [bijrijder] heeft aangevoerd, was er bovendien al hulp voor de vrachtwagenchauffeur aanwezig. [bestuurder] heeft niettemin en zonder noodzaak aanleiding gezien om over de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging te klimmen, terwijl het donker en glad was, zodat zijn handelen in de gegeven omstandigheden in vergaande mate onvoorzichtig en roekeloos is geweest, aldus de Staat. Hij heeft geconcludeerd dat de schade geheel, althans mede een gevolg is van het handelen van [bestuurder] als bedoeld in artikel 6:101 BW.

 

  1. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van aan [bestuurder] toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen. In redelijkheid kan niet aanvaard worden dat [bestuurder] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen. [bestuurder] wilde hulp verlenen aan een vrachtwagenchauffeur die zich in een penibele situatie bevond en heeft zijn hulpvaardigheid met de dood moeten bekopen doordat Rijkswaterstaat een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen zonder afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Dat [bestuurder] heeft gehandeld terwijl hij wist dat de vrachtwagenchauffeur reeds met hulp van anderen uit de cabine was bevrijd, zoals de Staat heeft betoogd, kan niet uit de verklaring van [bijrijder] worden afgeleid. De omstandigheid dat [bijrijder] heeft gezien dat de vrachtwagenchauffeur al door een ander werd geholpen, impliceert niet dat ook [bestuurder] dit heeft gezien, nog daargelaten dat op het moment dat [bijrijder] het zag, [bestuurder] al over de vangrail en de valbeveiliging was geklommen, zoals volgens de verklaring van [bijrijder] een omstander aan hem mededeelde nadat hij de meegenomen hamer terug had gelegd in het busje. Dat het ‘donker was’ rechtvaardigt niet de conclusie dat zijn handelwijze – kennelijk is bedoeld: bij gebrek aan voldoende zicht – onverantwoord was. Uit de verklaring van [bijrijder] blijkt dat de donkerte een andere omstander niet heeft belet om de vrachtwagenchauffeur hulp te bieden en ook dat [bijrijder] zelf voldoende zicht had op de situatie. Aanwijzingen dat de gladheid een rol heeft gespeeld bij de val van [bestuurder] zijn niet gebleken. Dat [bestuurder] ter plaatse bekend was, zoals de Staat in eerste aanleg nog heeft gesteld, moge zo zijn. Anders dan de Staat kennelijk meent, volgt daaruit niet dat hij wist dat de brug uit twee brughelften bestond, laat staan dat de – verplicht – daartussen aangebrachte roosters (tijdelijk) waren verwijderd. Daarvoor was hij ook niet gewaarschuwd. Op welke grond [bestuurder] dit had moeten (in de zin van: behoren te) weten, heeft de Staat niet toegelicht en valt ook niet in te zien. Tot slot, en ten overvloede, merkt het hof op dat [bestuurder] , die een andere weggebruiker die zich in een penibele situatie bevond hulp wilde bieden, heeft gehandeld zonder eigen belang en slechts vanuit een door hem gevoelde burgerplicht. De door de Staat aan zijn beroep op eigen schuld van [bestuurder] ten grondslag gelegde stellingen acht het hof in de gegeven omstandigheden misplaatst en de Staat onwaardig.

 

  1. Grief V is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep van de Staat op hoofdelijke aansprakelijkheid van de Staat en Achmea op grond van artikel 6:102 BW en het oordeel dat Achmea jegens de Staat gehouden is de schadevergoeding primair geheel, subsidiair voor minimaal 50% voor zijn rekening te nemen (bestreden vonnis rov. 4.3.5 en 4.3.6). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet het ongeval van het door Achmea verzekerde voertuig, maar het ontbreken van de roosters en een waarschuwing daarvoor, in combinatie met het onvoldoende treffen van afdoende veiligheidsmaatregelen, de oorzaak is geweest van de val en het overlijden van [bestuurder] . In de toelichting op de grief heeft de Staat gesteld dat Achmea ingevolge de vaststellingsovereenkomst met de nabestaanden van [bestuurder] zich bereid heeft verklaard op grond van artikel 6:200 lid 1 BW (zaakwaarneming) een bedrag van € 100.000 aan schadevergoeding te betalen. Dat op Achmea als WAM-verzekeraar een verplichting rustte om op deze grond schadevergoeding te betalen is niet betwist, aldus de Staat. Volgens de Staat is dus sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:102 BW. Hij heeft verder aangevoerd dat op zichzelf juist is dat bij aanwezigheid van roosters [bestuurder] niet was gevallen, maar dat [bestuurder] niet getracht zou hebben de bestuurder van het door Achmea verzekerde voertuig te redden als dit voertuig niet tegen de middenvangrail was gebotst en 100 meter was doorgegleden. Ook artikel 6:99 BW geeft een grondslag om de schade te verdelen nu sprake is van twee gebeurtenissen die de hele schade hebben kunnen veroorzaken en de schade het gevolg is van één of beide gebeurtenissen, aldus de Staat.

 

  1. Achmea heeft haar vorderingsrecht in deze procedure gebaseerd op cessie aan haar door de nabestaanden van [bestuurder] van hun vordering op de Staat. Wat daarvan zij, nu de Staat een beroep heeft gedaan op artikel 6:102 BW, is het niettemin van belang om vast te stellen of, naast de Staat, ook op de vrachtwagenchauffeur een (wettelijke) verplichting jegens de nabestaanden rustte tot vergoeding van dezelfde schade. In dit verband zal het hof tot uitgangspunt nemen (zie r.o. 4 hiervoor) dat de vrachtwagenchauffeur – de verzekerde van Achmea – aansprakelijk is jegens de nabestaanden op grond van zaakwaarneming.

 

  1. Daarbij gaat het hof ook ervan uit dat de overlijdensschade van de nabestaanden van [bestuurder] in zodanig verband staat met de gestelde (poging tot) zaakwaarneming, dat deze aan de vrachtwagenchauffeur – de veronderstelde belanghebbende – mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als een gevolg van de zaakwaarneming kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). De vrachtwagenchauffeur kan onder deze omstandigheden derhalve aansprakelijk worden gehouden voor de schade van de nabestaanden van [bestuurder] (inkomensderving). Bij deze stand van zaken is derhalve artikel 6:102 BW van toepassing en dient voor de bepaling van hetgeen Achmea en de Staat in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, de schade over hen worden verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling van de schade voortvloeit.

 

  1. Naar het oordeel van het hof is de vrachtwagenchauffeur weliswaar aansprakelijk jegens de nabestaanden van [bestuurder] , maar kan niet gezegd worden dat enige verkeersfout of andere aan de vrachtwagenchauffeur toe te rekenen omstandigheid tot de schade heeft bijgedragen. In feite is er voor het overlijden van [bestuurder] slechts één relevante oorzaak, te weten het ontbreken van de roosters tussen de brugdelen, in combinatie met onvoldoende waarschuwingen en/of andere veiligheidsmaatregelen. Dit is een gebeurtenis waarvoor de Staat aansprakelijk is. In elk geval eist de billijkheid dat de schade volledig door de Staat wordt gedragen, nu slechts aan de zijde van de Staat sprake is geweest van (ernstige) fouten die tot aansprakelijkheid aanleiding geven. Overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW leidt er derhalve toe dat de schade volledig door de Staat moet worden gedragen. Gesteld noch gebleken is dat uit wet of rechtshandeling anders voortvloeit.

 

  1. Indien de vrachtwagencombinatie tegen de vangrail was gebotst en [bestuurder] hulp aan de vrachtwagenchauffeur had willen verlenen in de situatie dat de roosters tussen de brugdelen niet door Rijkswaterstaat waren verwijderd, zou [bestuurder] niet tussen de brugdelen zijn gevallen en was de onderhavige schade niet ontstaan. Hieruit volgt dat geen sprake is van alternatieve causaliteit als bedoeld in artikel 6:99 BW. Achmea is dus ook niet op die grond tot vergoeding van (een deel van) de schade gehouden.

 

  1. Niet (langer) in geschil is dat de nabestaanden van [bestuurder] hun vordering op de Staat rechtsgeldig aan Achmea hebben overgedragen. Achmea heeft aan de nabestaanden ook de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoed. Het bedrag van de schadevergoeding, zoals door de rechtbank toegewezen, is evenmin in geschil.

 

  1. Grief V is dus evenzeer ongegrond.

 

  1. Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen behandeling.

 

  1. Het bewijsaanbod van de Staat wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

 

  1. Nu de grieven van de Staat niet slagen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

 

Beslissing

Het hof:

 

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018;

 

veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 5.382,– aan verschotten en € 3.061,– aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;

 

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, P.M. Verbeek en F.R. Salomons en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 13 oktober 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey