Hof: Onvoldoende onderbouwing causaal verband en ontbreken informed consent

Samenvatting:

Bij tussenarrest oordeelde het hof eerder dat niet is komen vast te staan dat de facelift niet lege artis werd uitgevoerd. Over informed consent vond comparitie plaats. Naar het oordeel van het hof heeft appellante onvoldoende onderbouwd gesteld dat het litteken in de hals zodanig meer opvalt dat zij, indien zij de plaats van de incisie van te voren had geweten, van die ingreep zou hebben afgezien. Het voor aansprakelijkheid vereiste causale verband op dit punt is onvoldoende onderbouwd. Patiënte voerde tijdens de comparitie aan dat de (na)behandeling verkeerd werd uitgevoerd met als gevolg allerlei klachten. Dat houdt de stelling in dat de behandeling niet lege artis werd uitgevoerd, waarover het hof al heeft beslist.

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 11-12-2018
Datum publicatie 12-12-2018
Zaaknummer 200.200.448_01
Formele relaties Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3630
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vervolg op Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:3630. Medische aansprakelijkheid. Patiënte stelt plastisch chirurg aansprakelijk na (onder meer) hals-/facelift. Behandeling lege artis uitgevoerd. Na comparitie oordeelt het hof dat causaal verband tussen gesteld ontbrekend informed consent en gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Vorderingen afgewezen.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.200.448/01

arrest van 11 december 2018

in de zaak van

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. T.J.C. Bueters te Wijchen,

tegen

1 [de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerde 1] c.s. en ieder afzonderlijk als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. C.W.M. Verberne te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 augustus 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/205495 / HA ZA 15-248 gewezen vonnis van 6 juli 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenarrest van 28 augustus 2018;
– het proces-verbaal van comparitie van partijen van 28 november 2018 met daaraan gehecht 24 kleurenprints van foto’s, die door [geïntimeerde 1] c.s. ter gelegenheid van de comparitie zijn getoond en overgelegd (de daarop aangebrachte handgeschreven tekst is afkomstig van mr. Verberne);
– de brief met bijlagen van mr. Verberne van 14 november 2018 waarbij namens [geïntimeerde 1] c.s. vijf producties aan het hof zijn toegezonden en de brief met bijlagen van mr. Bueters van 20 november 2018 waarbij namens [appellante] twee producties (van drie respectievelijk negen pagina’s) aan het hof zijn toegezonden. Deze stukken zijn tijdens voornoemde comparitie in het geding gebracht en aan het proces-verbaal gehecht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.1. Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen het heeft overwogen in genoemd tussenarrest.

6.1.2. Kort gezegd gaat het om in 2005 door [geïntimeerde 2] bij [appellante] uitgevoerde plastisch chirurgische ingrepen met nabehandelingen in 2006 en 2007 waarover [appellante] ontevreden is. In juridische termen: [appellante] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 2] tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst, dan wel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [appellante] vindt dat [geïntimeerde 1] als ziekenhuis waarin de behandelingsovereenkomst is uitgevoerd hoofdelijk aansprakelijk is (artikel 7:462 BW).

6.1.3. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de volgende beslissingen genomen:
– de vermeerdering van eis van [appellante] (verhoging gevorderde buitengerechtelijke kosten met een bedrag van € 280,–) wordt niet toegestaan (rov. 3.4.1);
– [geïntimeerde 1] heeft geen belang bij het incidenteel hoger beroep en kan daarin niet worden ontvangen (rov. 3.4.2);
– niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] de (na)behandeling niet lege artis heeft uitgevoerd. Gelet op de onvoldoende onderbouwing van haar andersluidende standpunt komt het hof niet toe aan bewijslevering door [appellante] (rov. 3.5.4). De grieven 1 en 5 in principaal hoger beroep slagen niet (rov. 3.5.5);
– de zaak is daarmee ‘teruggebracht’ tot de kwesties van informed consent op het punt van de hals-facelift en de plaats van de incisie in de hals, het causaal verband tussen eventueel ontbrekend informed consent en de gestelde schade en de schadeposten zelf (rov. 3.6.4, 3.6.5, 3.7.3). Omdat het hof zich op deze punten onvoldoende voorgelicht achtte heeft het een comparitie van partijen gelast (rov. 3.8.1).

6.1.4. De comparitie heeft op 28 november 2018 plaatsgevonden. Partijen hebben toen vragen van het hof beantwoord en hun stellingen nader toegelicht.

Plaats incisie in de hals. Informed consent en causaal verband met gestelde schade. Grief 2 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep.

6.2.1. De insteek van [appellante] op dit punt was dat [geïntimeerde 2] in strijd met de volgens [appellante] gemaakte afspraak omtrent de plaats van de incisie in de hals, deze incisie lager in de hals heeft geplaatst waardoor deze meer zichtbaar is. Volgens [appellante] zou zij niet met deze ingreep hebben ingestemd als zij dit op voorhand zou hebben geweten (rov. 3.6.1 tussenarrest).

6.2.2. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd gesteld dat het litteken in de hals zodanig meer opvalt dat zij, indien zij de plaats van de incisie van te voren had geweten, van die ingreep zou hebben afgezien. Zij heeft bovendien tijdens de comparitie op 28 november 2018 aangevoerd dat het haar niet zozeer gaat om de plaats van de incisie, maar dat volgens haar [geïntimeerde 2] de (na)behandeling verkeerd heeft uitgevoerd met als gevolg allerlei klachten waaronder een drukkend gevoel op haar strottenhoofd en klachten op KNO-gebied. Voor haar is het belangrijkste dat zij van de klachten in het halsgebied af komt, aldus [appellante] .

6.2.3. Dit tijdens voornoemde comparitie ingenomen standpunt houdt de stelling in dat [geïntimeerde 2] de behandeling niet lege artis heeft uitgevoerd. Zoals hiervoor is gememoreerd heeft het hof op dit punt al in genoemd tussenarrest beslist dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] de (na)behandeling niet lege artis heeft uitgevoerd. Het nu opnieuw ter discussie stellen van de uitvoering van de behandeling door [geïntimeerde 2] (lege artis of niet) stuit af op de leer van de bindende eindbeslissing. Omstandigheden die een uitzondering op die leer zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. [appellante] heeft het hof ook niet (expliciet) verzocht om op genoemde bindende eindbeslissing terug te komen. Voor zover een dergelijk verzoek zou moeten worden afgeleid uit haar tijdens de comparitie ingenomen gewijzigde standpunt en dat ook voor [geïntimeerde 1] c.s. voldoende kenbaar zou moeten worden geacht, overweegt het hof het volgende. [appellante] heeft aangevoerd dat zij in 2017 achter de cursus is gekomen op basis waarvan [geïntimeerde 2] het huidsurplus in de hals heeft verwijderd en in 2018 informatie omtrent deze techniek heeft gekregen. Volgens [appellante] betreft het een experimentele operatie. Wat hier ook van zij en ook nog afgezien van de vraag of deze informatie niet eerder in de procedure naar voren gebracht had kunnen worden, het blijft neerkomen op een betwisting van een lege artis uitvoering door [geïntimeerde 2] . Hetgeen [appellante] ter comparitie heeft aangevoerd is onvoldoende om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundigen [plastisch chirurg 2] en [hoogleraar] (inhoudende dat [geïntimeerde 2] de behandelingen lege artis heeft uitgevoerd) terzijde te stellen.

6.2.4. Bij deze stand van zaken komt het hof tot de conclusie dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij van de verwijdering van het huidsurplus in de hals zou hebben afgezien als zij op voorhand de plaats van de incisie had geweten. Anders gezegd: het voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] vereiste causale verband op dit punt is onvoldoende door [appellante] onderbouwd. De vraag of [geïntimeerde 2] de informatie omtrent de plaats van de incisie op voorhand aan [appellante] had moeten verstrekken (grief 1 in incidenteel hoger beroep) behoeft dan geen beantwoording meer.

Advies hals-/facelift. Informed consent en causaal verband met gestelde schade. Grieven 2,3 en 4 in principaal hoger beroep en grieven 2,3,4 en 5 in incidenteel hoger beroep.

6.2.5. Volgens [appellante] had zij de hals-/facelift niet laten uitvoeren als [geïntimeerde 2] haar niet had gezegd dat dat nodig was om asymmetrie in het gezicht (na excisie van de fibromen) te voorkomen (rov. 3.7.1. tussenarrest).

6.2.6. Tijdens de comparitie op 28 november 2018 zijn de door [appellante] in het geding gebrachte producties 55 en 66 met partijen besproken. Productie 55 betreft een brief van [kliniek] aan de medisch adviseur van 23 november 2004 naar aanleiding van een consult van [appellante] op 8 november 2004, waarin wordt gerept van rhytidoses van het gelaat (hof: rimpels niet passend bij leeftijd; https://medical-dictionary.thefreedictionary.com/rhytidosisWrinkling of the face to a degree disproportionate to age) en de mogelijkheid van een correctie daarvan door middel van een rhytidectomie (hof: facelift). Daarnaast wordt in die brief een correctie van de boven- en onderoogleden genoemd (zie ook rov. 3.1.3 tussenarrest). In die brief is vermeld dat deze op verzoek van [appellante] is opgesteld in verband met mogelijke vergoeding van de kosten door haar ziektekostenverzekeraar.
Productie 66 betreft een concept-brief van 20 september 2005 van [rechtsbijstand] waaruit blijkt dat [appellante] in een brief van 22 februari 2005 heeft laten weten toestemming te willen voor het laten uitvoeren van een hals-/facelift, welke toestemming de verzekeraar op 28 februari 2005 heeft verleend.

6.2.7. Deze producties vormen minst genomen sterke aanwijzingen dat [appellante] al vóór het eerste consult bij [geïntimeerde 2] , welk eerste consult volgens [appellante] op 23 maart 2005 plaatsvond, een hals-/facelift wenste en daarvoor toestemming had gevraagd aan (en verkregen van) haar zorgverzekeraar. [appellante] heeft tijdens de comparitie bij de rechtbank gezegd dat een specialist van [kliniek] haar had verteld dat zij door het weghalen van de fibromen een asymmetrisch gezicht zou krijgen. Uit genoemde brief van [kliniek] blijkt geenszins van een verband tussen de facelift enerzijds en verwijdering van fibromen en zorg voor asymmetrie van het gelaat anderzijds. Integendeel, de facelift wordt genoemd in verband met de ‘rhytidoses’ en van fibromen wordt niet gerept. Tijdens de comparitie bij het hof heeft [appellante] gesteld dat de brief van [kliniek] ‘gemanipuleerd is’, althans in ieder geval niet klopt. Het hof gaat aan die enkele, niet onderbouwde stelling voorbij.

6.2.8. [geïntimeerde 2] heeft betwist dat zij een hals-/facelift heeft geadviseerd ter voorkoming van asymmetrie in het gelaat na verwijdering van de fibromen. [geïntimeerde 2] heeft er verder op gewezen dat zij de hals-/facelift niet medisch geïndiceerd achtte, dat als er volgens haar wel van een medische indicatie sprake was zij dat in haar brief aan de zorgverzekeraar van [appellante] zou hebben gemeld en dat haar desbetreffende brief (rov. 3.1.8 tussenarrest) niet van een medische indicatie rept.

6.2.9. In het licht van enerzijds de hiervoor genoemde aanwijzingen dat [appellante] al vóór haar eerste consult bij [geïntimeerde 2] een hals-/facelift wenste die los stond van de verwijdering van fibromen en anderzijds de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 2] heeft [appellante] naar het oordeel van het hof haar stelling dat zij de hals-/facelift niet had laten uitvoeren als [geïntimeerde 2] haar niet had gezegd dat dat nodig was om asymmetrie in het gezicht (na excisie van de fibromen) te voorkomen onvoldoende onderbouwd. Óf [geïntimeerde 2] dat laatste ook zou hebben gezegd, wat [geïntimeerde 2] betwist, kan dan in het midden blijven.

6.2.10. Het voorgaande betekent dat evenmin op dit punt het voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] vereiste causale verband voldoende door [appellante] is onderbouwd.

Slotsom

6.3. De slotsom is dat de vorderingen van [appellante] stranden op het feit dat een niet lege artis handelen door [geïntimeerde 2] niet is komen vast te staan en voorts op het ontbreken van causaal verband tussen het volgens [appellante] ontbrekende informed consent en de door haar gestelde schade. De grieven behoeven daarom voor het overige geen bespreking. Het principale appel heeft geen succes, het incidentele appel wel. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Het feit dat [geïntimeerde 1] niet ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep heeft geen invloed op de kostenveroordeling. Het hof begroot de aan de zijde van [appellante] gevallen kosten in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] op nihil aangezien niet aannemelijk is dat [appellante] kosten heeft gemaakt naast de kosten in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 2] , welke laatste kosten [appellante] heeft te dragen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [geïntimeerde 1] niet ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:

wijst de vorderingen van [appellante] af;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op € 3.864,– aan griffierecht en op € 2.842,– aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 5.213,– aan griffierecht en op € 6.322,– aan salaris advocaat in het principale hoger beroep en op € 3.161,– aan salaris advocaat in het incidentele hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en
P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 december 2018.

griffier rolraadsheer

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey